BLADERVAL

De boomen strooien weêr den weg

met wakke winterblaren,

die, vol gevangen morgendauw,

te gronde nedervaren.

Ze wentlen, zoo de wouters doen,

die weg en weder draaien,

van de eene blomme op de andere, in

het heetste zonnelaaien.

Geen zonne nu, geen vlindervlucht,

geen blommen meer, die blinken;

maar blâren, die, verwelkerd, uit

de hooge boomen zinken.

Maar blâren die, al stemmeloos,

in 't gers en in de biezen,

in 't diepe van den wagenslag

hun stille grafsteê kiezen.

De lucht is heel doorwaaid ervan:

de wegen en de weiden,

de voren in den akkergrond

en kan ik onderscheiden.

Zóó dapper, in de velden, zijn

des zomers oude paden

met allerhande verwen van

gestrooisel overladen.

Komt, koning Winter, komt nu maar;

bij honderdduizendtallen,

van blommen en van blâren is

als 't zomervolk gevallen.

Laatste verzen · 第 117 / 155 题