ZILLEBEKE, 2/10 '98.

... AAN DEN LINDEBOOM

O! wat schoon, wat bolgekruinden

lindeboom,

van verre ik staan zie, blinkende in den

morgendoom!

Heel is hij gewelkerd al en

duizendvoud

van verwen, langzaam afgesleten

guldengoud.

Dag en schijnt er op nog noensche

zonneglans:

't is vochtig en de hemelkomme is

duister gansch.

Doch, ik zie mij, zonnewijs in

't nedergaan,

die najaarsche, ei, die bolgekruinde

linde staan.

Ringsom rijzen hooge en groote,

zwart en zwaar

getakte boomen, naast die lieve

linde daar.

Diepe schaduw schieten ze en een

donker groen

gewelf zij om het wezen van die

linde doen.

Weest gegroet mij, nauwlijks uit den

morgendoom

erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den

lindeboom!

Laatste verzen · 第 115 / 155 题