SORBUS AUCUPARIA. L.

Nen zwicht van bloeroo bezekens,

de weêrga van coraal,

zie 'k hooge, op de averesschen staan,

en blinken altemaal;

de najaarszonne vonkelt op

dien ongetelden pereldrop.

De blaren zijn al afgewaaid

en 't hout is, heel ontkleed,

met honderdduizend beierkens

behangen, wijd en breed.

"En hoe, o lustig lijsterdiet,

en plukt ge mij die perels niet?"

--"Gij draagt misschien een roer, dat ons

het leven rooven moet;

of peerdshaar hebt gij meêgebracht,

bestemd voor onzen voet?

Verlaat ons, want we leven, wij,

van al dat man of maag is, vrij!"--

"Sa, merel, lijster, kwalster, al

dat averesschenooft

veroorbaart, hier! en dapper u

nen vollen buik geroofd:

geen mensche en ziet u, rep noch zeg

en hoore ik meer, 't gevaar is weg!"

't Is menig, menig vogel zat

gaan slapen en voortaan,

de zonne is, in den oosten, en

de dag weer opgestaan:

geene averessche, of, ongeminkt,

hij nog vol bloeroo bezen blinkt.

En avereschhout staat er, met

de macht, dat, ongekrankt,

vol bezen, tusschen 't ander hout,

en boven 't ander, hangt;

maar wie die al de perels van

die trotsche toppen tellen kan?

Tot Iper, op de "werken", staat

dit wonder, ongekend;

en menig weet zooveel daarvan

of waar hij stekeblend:

dat schoone is, en geen bate en bringt,

is goed voor--een die liedtjes zingt.

Laatste verzen · 第 114 / 155 题