KORTRIJK, 1/11 '97.

=DE LEYE=

De Leye ligt zoo stille, alsof

van staal ze zou bedegen,

van louter staal en stijfheid zijn;

zoo blauw en, allerwegen,

zoo glad is en zoo effen en

zoo bloot zij nu. De winden

en roeren niet of, roeren ze,

geen speur en is te vinden,

geen asemtje op de Leye ervan,

die staal is, onberoerd,

en alletwee mijn oogen tot

aan Harelbeke voert.

De Leye en kapt mij 't kezzelspeur

niet af nu, en heur plasschen

en komt tot vóór mijn voeten niet

den trakelwegel wasschen;

ze 'n slaat geen witte kladden op

en neere, alzoo de rossen

die, schuimende, in de stringen van

de wagens hossebossen:

maar stille ligt en lusteloos

ze omleege.... stille staat

er tusschen in, het maantje dat

zijn schapen gadeslaat.

Noch nacht en is noch dag geheel

en gansch het: tusschen beiden

kan hofgebouw en boomgewas

ik zien en onderscheiden,

die omgekeerd in 't water staan,

zoo schuren doen en schelven

en schepen uit de Zuiderzee

vol vlas--en 's luchts gewelven,

die zeggen: "Komt en kijkt, o mensch,

naar ons, met al uw macht,

ge'n kunt niet dat de Leye kan,

bij 't vallen van den nacht!"

7/11 '97.

1898

=DUIVEN=

Klap-klap-klap

m'n dertien duiven

slaan hun vlerken, de eene op de aâr;

klap-klap-klap,

en henenschuiven

doen ze van mijn dak, mij daar.

Klap-klap-klap

ze spelevaren

rinkelrooiende, altemaal;

klap-klap-klap

van harentaren

ommentom, in éénen haal.

Klap-klap-klap

ze zijn daar weder:

hoort ge vlug hun vlerken slaan?

Klap-klap-klap

ze vallen neder,

beetende op mijn dak voortaan.

Klap-klap-klap

de veêren stuiven,

want hun baaike, groef en fijn,

klap-klap-klap

m'n dertien duiven

boetende in de zonne zijn.

Laatste verzen · 第 84 / 155 题