HEBT MEÊLIJEN

Hebt meêlijen met de boomen, laat

den bast hun ongeschonden;

bewaart ze voor de nijdigheid

der kwade nagelwonden;

geen onbermhertig menschenkind

ze dood en kwelle: geeft

de vrijheid aan des scheppers hand,

die in hun lenden leeft.

Hoe schandelijk ontmaakselt en

ontmooit gij mij de vrome,

de vrije en blije boomen, die 'k

zoo geren tegenkome

omtrent uw huis en hof, o gij,

dien God met herte en oog

heeft toegerust, om hem te zien

in 't heerlijk boomvertoog.

'k Zie opgeroeste pikken, moe

van kappen en van kerven,

gehamerd om den esschenboom,

den esschenboom bederven,

daaraan het hekken vastgehaakt

de bilken sluit, en 't vee

belemmert, dat zijn vulte zoekt,

en voedsel, in de wee.

'k Zie boomen, die gebonden staan,

in 's dwingers booze handen,

die nooit geen duimbreed af en laat

zijne ijzervaste banden,

maar spannende en onroerbaar, al

dat leeft en roert in 't lijf

der boomen, doet misdragen tot

een eerloos wanbeklijf.

Gebulte boomen zie'k, en die,

doorhakkeld en dooreten,

vol krammen en vol haken staan

gespijkerd en gesmeten;

die werken zoo Gods wet hun wijst,

die tranen en die bloên,

o mensche, om eenmaal vrij te zijn

van al u dertel doen.

Of staan ze meer niet vast genoeg,

de wortelvaste boomen?

En vreest gij dat zij henengaan

en meê met 't water stroomen;

of vliegen in de lucht, omdat

gij scherpe draden spint,

en lange reken boomen al

in snijdend garen windt?

Och, arme, en is 't genoeg u niet

dat, schier nog ongeboren,

het hout alreê geknipt moet zijn,

geschonden en geschoren;

dat 't, galoos en tot alles dat

het niet en is, gepraamd,

wordt "gloriette" en "pyramide",

en "espalier" genaamd!

Hebt meêlijen met de boomen, laat

hun schoonheid ongeschonden,

die schoonder is, onaangeroerd,

onvast en ongebonden,

zoo God ze liet gewassen zijn,

gewonnen en gebaard,

als al hetgene gij, o mensch,

verzint en hebt vergaard.

Laatste verzen · 第 83 / 155 题