o Altijd onbevlekte Vrouwe,
ik ben onweerd, eilaas, dat ik uw licht aanschouwe,
zoo lang mij in dit tranendal,
verdoold gelijk een ooi en teenemaal vol zonden,
den waren weg en is gevonden,
o Moedermaagd, die mij tot God geleiden zal.
Hoe menigmaal was, in dit leven,
mijn ziele eilaas den vrede kwijt,
omdat ik, ver van u gebleven,
me in 's werelds weelden had verblijd;
't was alles valsch, dat zij beloofden,
en, om hun' schoon gepinte hoofden,
vol leugens blonk het, vol bedrog;
verfoeide pracht van die u haten,
Maria, 'k wil nu alles laten,
op U alleen betrouwe ik nog!
o Altijd.... enz.
De booze vijand kwam mij tergen
en, ringsom mij, zoo spookten fel
gedaanten, vrij zoo hoog als bergen
en wangedrochten uit de hel;
ik zou vergaan, ik zou verzinken,
ik zou den diepsten grond uitdrinken
des bekers die de ziel vergeeft,
had ik tot U, o altijd goede,
mij niet gewend; die, nimmer moede,
nog helpt die U geloochend heeft.
o Altijd....
Niet vrij eilaas, die 's werelds lusten,
die 's vijands wulpsch geweld ontvliedt,
en is hij; nooit en zal hij rusten,
verwint hij erger vijand niet;
ik ben mijn ergste vijand zelve,
hoe dieper ik mijn hart doordelve,
hoe meer ik vinde dat, onvrij
van alle kwaad, ik ga ten gronde
in eenen poel van rampe en zonde
ach, onbevlekte, bidt voor mij!
o Altijd.... enz.
20/12 1880.
=MIJMERINGE=
... Priez,
Priez pour ces hommes qui chantent
V. HUGO.
Geleefd! roepen ze:
't is zoo vroeg te sterven;
gefooid! eer de dood
komt ons al bederven.
Gedanst op de blomme:
ons behoort heur glansen!
--Geweend! zoo zeggen zij,
om die lachend dansen!
Gebeên, roepen ze,
gij, vroeden, uw gebeden;
de beker is ons
bron van zaligheden!
De teuge en 't gezang
verzoeten alle pijn.
--Gebeên! zoo zeggen zij,
voor al die zingend zijn.
Waarom, roepen ze,
't roosken niet gebroken?
Het schoonste, is het niet
tot 's konings lust ontloken?
Geen koning die bidde
of bedele om een vrouw
--gediend, zoo zeggen zij,
die 't toekomt, immer trouw!
Geleefd roepen ze,
want de dagen spoeien.
--Geweend! zoo zeggen zij:
't is troost daar tranen vloeien.
--'t Is valsch, roepen ze,
dat 't minnen ooit kon geven!
--Gemind! zoo zeggen zij:
daar liefde is, daar is leven!
* * * * *
De waarheid, is zij nu bij hem die 's herten kwalen
verdrinkt en, bij 't genot des vollen bekers,
de liefde gekheid scheldt;
ofwel bij hem die trouw bemint en bidt, te halen?
Op beider voorhoofd hebt gij de antwoord, Heere,
in leesbaar schrift gesteld!
Oostermaand 1846.
D. JOAQUIM RUBIÓ Y ORS.
Guldemaand 1889.
GUIDO GEZELLE.