VI.

„Komaan, voel je je wat opgewekter na die koffie?” vroeg Van Thiemen

aan de lunch aan de tegenover hem zittende gast.

De tafel was keurig van servies, kristal en spijzen. Ook in dit opzicht

was de gastheer epicurist en man van smaak. Hij rekende zich niet tot

hen die eten en drinken onder de bijzaken in ’t leven brengen: hij kwam

er rond voor uit dat een goede maaltijd zijn waarde heeft, en dat hij

er gaarne meer tijd aan besteedde dan de meeste andere harde werkers.

Een hard werker wàs hij er niet minder om. Volgens hem kon geen frisch

brein boven een verwaarloosde of met onverschilligheid verzorgde maag

zetelen. „Men leeft ook om te eten” was een van zijn stelregels. Veel

van ’t ongezonde in denkuitingen, die hij hoorde of las, schreef hij

toe aan minachting voor maageischen, een hebbelijkheid die vooral bij

„intellectueelen” nog al eens voorkomt.

„Je koffie is goed,” zei Larsen, „beter dan de mijne.”

„Dat geloof ik graag, deze is met zorg gezet. Koffie- en thee-zetten is

een kunst. Ik drink liever geen van beide als ze slecht gezet zijn. Er

zijn menschen die afschuwelijk vocht drinken, eenvoudig omdat ’t

„koffietijd” of „theetijd” is, en ze te onbenullig zijn om er iets aan

te veranderen. Ze drinken uit gewoonte op een bepaalde tijd van de dag,

als koeien of paarden, zonder genot. Zoo doen ook veel lui met hun

sigaren: pure gewoonte zonder genotsbesef: zes stinkstokken op een dag,

jaar in jaar uit. Tsh!”

„Maar,” zei Larsen, terwijl hij zijn kopje droomerig neerzette, „we

moeten even terugkomen op die kwestie van zooeven....”

„Best. Ga je gang.”

„Ja.... de zaak is nu wat me te doen staat. We kunnen niet scheiden om

een van die redenen. Wat dan?”

„Je wil met alle geweld?”

„O, natuurlijk.... ’t Moet....”

Van Thiemen had willen vragen hoe ’t kwam dat nu op eens die

onvereenigbaarheid van karakters tusschen Larsen en zijn vrouw ontdekt

was, na zooveel jaren van „best opschieten”; maar hij hield zich in:

als Larsen voor den dag woû komen met zijn reden, dan zou hij ’t wel

uit zichzelf doen....

„Als je vrouw niet wil.... moet je berusten in ’t onvermijdelijke.”

„Berusten? Nooit! Onmogelijk, onmogelijk. Maar ze zal wel willen....”

„In dat geval kan jij je laten beschuldigen van overspel,” zei Van

Thiemen kalmpjes, en keek zijn vriend leuk aan.

„Zoo, dat ’s ook wat moois! Op de keper beschouwd toch bedrog.... maar

enfin, als ’t niet anders kan....”

„Nee, dat is ’t eenige. Je vrouw dient een vordering in op grond van

overspel....” Hij lachte even: „Jij overspel, ’t is wel ondenkbaar

haast. Maar ’t komt meer voor: je weet dat is in onze kringen de gewone

komedie bij echtscheiding: ’t is de korte radicale weg.”

„Hm, ja, treurig genoeg. Maar.... de kinderen.... ’t kind?”

„Dat wordt aan de eischeres toegewezen in zoo’n geval.... tenzij....”

„Ja?”

„Tenzij anders bepaald. Bijvoorbeeld zou je vrouw kunnen vragen het

kind aan jou te laten.”

„Of ze dat zou willen?” Larsen zuchtte zwaar.

„Ja, als zij niet wil, dan moet jij je schikken....”

„Ik zeg je immers dat zoo iets onmogelijk is....” viel Larsen kregelig

in. „Als die overspel-komedie niet gaat, schiet ik me voor m’n kop....

Of....”

’t Beeld der kleine Didi kwam hem vóor de geest in al zijn zoete

bekoring. De vader voelde een schok van zelfverwijt. Hij boog ’t hoofd

met vochtige oogen.

Van Thiemen zag ’t: zijn mooie trekken namen een bizonder sympathieke

plooi aan. Hij besefte volkomen hoe daar in dat vaderhart gestreden en

geleden werd.

„Kom, kom, Larsen, daar meen je niets van....”

Larsen keek op, zwijgend vragend, met iets hulpeloos in zijn blik.

„Er blijft je dan nog éen ding: niet wettelijke, maar feitelijke

scheiding....”

„Ervandoor gaan.... met m’n kind.” Er was bittere spot in Larsen’s

toon. „’t Is waardig!”

„Ja, kerel, aux grands maux les grands remèdes. Als jij nu eenmaal

vindt dat.... ’t andere veel erger voor je wezen zou....”

„O zeker.... Nu goed,” ging Larsen na een wijle zwijgens voort. „Ik

weet nu waaraan ik me te houden heb. Ofschoon.... ofschoon.... ik

heusch niet weet wat ik doen moet....”

„Slaap er nog ’s op....” antwoordde de ander, en nam een peer.

„’t Ellendige is dat onze verhouding.... thuis onuitstaanbaar is, een

onmogelijke positie voor ons allebeî.... voor ons alle drie. Arme

Didi!”

„Och kom, voor haar is ’t nog ’t minst, al begrijp ik ook je

medelijden. Voor jou is ’t een nare geschiedenis.”

Beide vrienden praatten nog een poos door, de gastheer kalm, maar toch

spraakzaam en met warme belangstelling, de gast somber en zenuwachtig,

met korte zinnen, afgewisseld door bromgeluiden.

Ondanks al zijn pogingen om Larsen tot meerdere openhartigheid te

krijgen, wilde dit den ander maar steeds niet lukken. Eindelijk ’t

opgevende, vond hij ’t toch noodig zijn vriend te wijzen op ’t

onzinnige van verder verzwijgen der ware toedracht van zaken. Hij moest

hem dan maar ronduit verklaren alles te begrijpen—zoo redde hij

Larsen’s gevoeligheid:

„Zeg ’s, amice,” begon Van Thiemen op eens, na over veel anders

gesproken te hebben, „dat gaat zoo niet. We komen zoo geen stap verder.

Je komt hier om raad, en ’t lijkt wel of ik je aanraad ervandoor te

gaan als een roover.... Wil ik je ’s wat zeggen? Maar dan niet boos

worden, hoor....”

„Nee....”

„Waarom zou je je vrouw sparen?”

„?” Larsen kleurde.

„Kom, wees oprecht! Kom er maar voor uit. Dacht je dan dat ik niet al

lang begrepen had hoe de vork in de steel zit?”

„Zoo, nee....” stamelde de ander ongemakkelijk.

„Je kunt mij toch niet wijs maken dat zoo’n incompatibilité in eens

ontdekt wordt? Kom, Larsen, je vrouw is niet waard dat jij je om haar

zou opofferen....”

„Zeker, opofferen.... Maar laten we opstappen, en wat in de tuin gaan

wandelen. Nog een sigaar? Dit is wat fijns.”

Rookende liepen beide vrienden eenige minuten later in Van Thiemen’s

groote tuin. ’t Was een mooie herfstmiddag, vol opwekkende geuren. In

’t achterdeel, waar hooge struiken stonden, vonden de pratenden een

zonnig en toch vrij wandelpad.

„Ik vin’ dat je in een geval als ’t joue,” begon Van Thiemen weer,

„handelend moet optreden.... tegen je vrouw.”

„In een geval als ’t mijne? Je kent ’t niet....”

„O zeker, ik vermoed ’t, en dat is hier even goed. Je vrouw heeft je

bedrogen, en daar ben je nu achtergekomen.”

Larsen zweeg.

„Ik wil geen kwaadstoken.... ik beoog alleen jou belang, kerel. Je

vrouw heeft je hoogstwaarschijnlijk meer dan eens bedrogen, met....

meer dan éen....”

„Nee, dat geloof ik niet....” viel Larsen hevig uit.

„Natuurlijk, beste kerels als jij gelooven zoo iets nooit, als ze veel

van hun vrouw houen! En er zijn er die nog blinder zijn dan jij. De

buitenwereld ziet beter en merkt meer op....”

„Je wil toch niet zeggen dat mijn vrouw....”

„In mijn oog nooit erg „zwaar gewogen” heeft, ja, zeker wil ik dat

zeggen. En dat je nu van haar af kunt moet je als een geluk

beschouwen....”

„Als een geluk!”

„Vin’ jij in de rol van „koekoek” zooveel aantrekkelijks? Maar ik zeg

je dat je van haar af kunt, omdat ik veronderstel dat je bewijzen hebt:

anders zou jij zoo niet optreden.”

„Ja.... die heb ik.... éen ten minste....”

„Welk? Wat is dat?”

„Een brief.... O, je weet niet hoe ellendig ik ’t vin’ hierover te

spreken....”

„Och, larie! Jou rust en geluk gaan voor. Nog eens: je vrouw is niet

waard dat je haar zoo ontziet...”

„Och, Van Thiemen, je weet niet wat ’t is! Jij kent dat zoo niet....

Een vrouw met wie je dertien jaar samen bent geweest is een deel van

jezelf geworden.... je eigen vleesch en bloed.... je eigen hart....”

„Arme bl....” mompelde Van Thiemen. „En toch.... je moet van haar af.

Die brief.... heb je die behoorlijk weggesloten?”

„Ja, zeker.... Maar, waarom....”

„Wel, m’n waarde, die vrouw van je is slim, slim genoeg om.... je de

bewijzen afhandig te maken.... Tsh!”

„Kom.”

„Nou, pas maar op. Maar ter zake. Jij produceert eenvoudig je bewijs,

en deelt haar mee wat je doen zult. Dan raad je haar in gemoede toe te

geven, en eenvoudig niet te verschijnen. Dan wordt zij bij verstek

veroordeeld, en jij blijft vrij man....”

„Maar de schande.... zoo te verschijnen en m’n vrouw te

beschuldigen.... zoo’n rechtszitting.... en....”

„Och, je stelt je de zaak veel te verschrikkelijk voor! Zoo’n

rechtszitting is immers niet publiek: en dan die beschuldiging: die

doet je advocaat in zijn eisch; jij zit er eenvoudig bij en beaamt.

Verder wordt je echtscheiding in twee bladen bekend gemaakt, maar

daarvoor kan men, als je vrouw bijvoorbeeld Amsterdam tot domicilie

kiest, twee bladen nemen die in onze kringen niet gelezen worden;

bovendien blijkt uit die bekendmaking niet—hoeft er althans niet uit te

blijken—wie van de partijen eischer is....”

„Zoo, weet je dat zeker?”

„Natuurlijk. Nee, stel je maar gerust: niemand hoeft achter de ware

toedracht van de zaak te komen. En vermoeden.... wel, laten ze

vermoeden wat ze willen.... Als jij er van door ging met je kind, zou

jou vrouw er wel voor zorgen dat de wereld jou afviel, wees daar zeker

van. En dan je betrekking.... Maar, zeg ’s, die brief, is dat een

deugdelijk bewijs?....”

„Evengoed alsof zij ’t me met ronde woorden gezegd had....” zei Larsen

bitter.

„Een brief van....”

„Van.... iemand anders.”

„O, ja.... Al oud?”

„Vijf jaar....”

„Je moet dat document bij mij deponeeren: hier is ’t veiliger. Dan kan

ik ’t ook ’s inzien....”

Larsen kromp ineen.

„Goed,” mompelde hij.

„Zal ik ook ’s met je vrouw spreken? Je weet, ik heb er nog al slag van

met vrouwen om te gaan....”

„Zou je denken dat het wat gaf?.... En dat ze zou willen....”

„Och, zeg haar maar dat ik haar goeie raad zal geven.... in haar eigen

belang....”

„Maar dan ook zeggen dat je alles weet?”

„Nee, nog niet.... Ik zal haar wel verrassen, en in ’t nauw

brengen....”

„Weinig ridderlijk—neem me niet kwalijk. Maar....”

„Och, wat ridderlijk!.... De vrouw is niet een heilige omdat ze vrouw

is.... dat is onzin uit de middeleeuwen. Een eerbare vrouw komt heel

dicht bij een heilige—je kent mijn opvatting—maar ’n.... ’n....” Hij

hield zich in. „Een die jou bedriegt, zoo’n trouwe goeie kerel als jij,

nee, hoor, die verdient geen ontzien....” Van Thiemen had zich allengs

opgewonden.

„Ik begrijp niet hoe jij zoo spreken kunt....” viel Larsen ontwijkend

in. „Jij behoorde tot onze intiemen, en scheen toch altijd sympathie

voor mijn vrouw te hebben.”

„Och, wat zal ik je zeggen? Van sympathie was in de laatste jaren geen

sprake meer....”

„?”

„Nee, ’t was geen sympathie.... Ik heb die wel vroeger voor haar gehad.

Ze was jou vrouw. Ik wist dat jij haar lief hadt.... en....”

„O, kerel....”

„Ja, dat was voor mij al veel. Later toen ik haar begon te doorzien....

veranderde dat. Eindelijk had ik vrij wel zekerheid.... en toen....”

„Zekerheid.... en je liet mij in mijn waan!”.... viel Larsen heftig in.

„Ik kòn niet anders! Die zekerheid was mijn zekerheid, niet die van een

jurist in mij, maar van de mensch, van een vriend ook....”

„Een vriend....! Dus je wist dat ik bedrogen werd?”

„Ja, ik wist het al lang.... En, zooals ik zei: ik geloof meer dan

eens, en.... met verschillenden....”

Larsen zweeg somber.

„Maar mijn bewijzen waren bewijzen waar jij en de rechter niets aan

hebben zouden.”

„Hm.”

„Jij, omdat je me toch niet gelooven zoudt. Niemand die een vrouw

waarlijk liefheeft—en dat deedt jij, dat wist ik—gelooft zoo iets maar

voetstoots. En.... liefde gaat boven vriendschap. Wij hadden de

hevigste onaangenaamheden gekregen, en ’t had toch niets gegeven. Je

hadt mij afgezworen—en wat nog erger is—je hadt je rust en daarmee je

geluk verloren....”

„Een schijngeluk!”

„Nou ja, alle geluk is schijn, verbeelding. Voelde jij je

eergisteren—laten we zeggen eergisteren—volkomen gelukkig, of soms

niet?”

„Volkomen....”

„Nu weet je.... je illuzie is weg, en je bent genezen.... of nee, laat

me uitspreken, ik meen: nu ben je op de goeie weg om te genezen.”

Larsen stiet een kreunende zucht uit.

„Ik wachtte op ’t oogenblik dat je zelf zoudt zien, zelf en daarmee

overtuigend helder. Nu màg je niet langer aarzelen.”

Alle tegenstand was gebroken. Hulpeloos boog Larsen ’t hoofd: zijn wil

onderwierp zich schreiend aan de wreede logica van zijn vriend.

„Adieu!” zei hij, na eenige oogenblikken zwijgend voortstappen naast

Van Thiemen. „Ik moet weg. Ik zal denken aan wat je me geraden hebt.”

„Afgesproken. Beschik over mij, hoor.”

De vrienden wandelden naar de voordeur, en na een hartelijke handdruk,

scheidden ze voor die dag.

Heilige Banden: Roman · 第 7 / 22 题