V.

Mr. Johan Van Thiemen was een paar jaar ouder dan zijn vriend Larsen.

In zijn academie-tijd had deze zich reeds als „groen” bizonder tot hem

aangetrokken gevoeld, en daar „soort, soort zoekt”, was de aantrekking

wederkeerig geweest. Beiden muntten uit door verstandsgaven, ook in die

zin genomen dat ze beiden „verstandig” waren, Larsen zelfs oud voor

zijn jaren. De jonge Van Thiemen had echter, bij alle ernst en alle

degelijkheid van karakter, een gave die zijn vriend vrijwel miste, en

die hem als advocaat later zeer te stade kwam: gemakkelijkheid van

beweging en zekere losse gratie, waardoor zijn talenten veel meer

schitterden dan ’t verborgen goud van Larsen’s eigenschappen. Was Van

Thiemen bemind en bewonderd door wie met hem in aanraking kwam, Larsen

was slechts bemind bij hen die hem goed kenden, en bewonderd—zelden.

Niettemin vonden beiden hun weg tot de professors-katheder, schoon

langs verschillende paden: bij de jurist trok het glansrijke de

aandacht, bij de literator-historicus wekte het sobere, nuchtere, droge

zijner wetenschappelijke uitstekendheid de opmerkzaamheid der vorsten

in ’t rijk van Minerva. En wat eerst genoemde betreft: ook daar buiten.

Want Mr. Johan Van Thiemen was een man van de wereld in de beste zin

van ’t woord, en vond ook „buiten ’t vak” veel waardeering en

bewondering. Wellicht te veel ’t bedorven kindje der toongevende

kringen, al te zeer gezocht door welbedochterde moeders en gevleid door

minzaam-bemoederde dochters, had de schitterende advocaat en later

welbekende hoogleeraar tot nu toe het voorbeeld van zijn vriend Larsen

niet gevolgd: hij was ondanks alles vrijgezel gebleven; en dit niet

omdat hij een afkeer van ’t huwelijk had—o neen—maar uit een zekere

kieskeurigheid en de begrijpelijke vrees voor een algeheele verandering

van levenswijze, die wellicht minder „vrij” en minder „gezellig” zou

wezen dan die welke hij thans smaakte.

Ook ’t uiterlijk der beide vrienden stond in duidelijk verband met hun

uiteenloopende aard. Was Larsen met zijn zware gestalte, grove

beenderen, rossige baard en blonde haren, met zijn blauwe oogen en

frissche huidskleur het type van een noordling—die hier zijn afkomst

uit een voorouderlijk Noorwegen niet verloochende—Van Thiemen had in

zijn gansche verschijning iets Fransch: zwart glanzend haar, fijn

gekrulde zwarte snor, geen baard, vurige, levendige, geestige

oogen—Paula vond dat die van Larsen vaak „suf” keken—een eenigszins

gebronsde huid en een lenigheid en bewegelijkheid in de slanke, rank en

bevallig gebouwde gestalte. Larsen sprak weinig, en wat hij zeide klonk

nuchter, houterig en stijf soms: hij meende het goed en zeide het

slecht; zijn vriend sprak veel, met een wonderen zwier, met innemende

stemmodulaties: hij meende het goed, maar zeide het nog beter. Dit was

zoo in de wetenschap en dit was zoo daarbuiten.

Larsen hield veel van zijn vriend, en bewonderde hem op zijn nuchtere

kalme wijze, en ondanks het groote aantal vrienden die Van Thiemen

telde, rekende hij Larsen tot zijn allerbeste. Dit nam niet weg dat hij

er dikwijls genoegen in schiep zijn vernuft te wetten aan de hoekige

kanten van de stoere historicus, en dat deze menigmaal een opmerking

vol tintelende ondeugd moest aanhooren: Larsen’s onhandigheid en zijn

niet altijd verzorgd uiterlijk—hoe kon zijn vrouw daar altijd op

letten!—waren een onuitputtelijke bron voor dergelijke geestspatjes.

Hiervoor was die Octobermorgen, dat Larsen op de stoep stond vóor ’t

huis van zijn vriend, geen vrees bij hem: hij wist dat diens spot

steeds van onschuldig gehalte was en zeker nimmer in ’t lichtzinnige of

onkiesche oversloeg. ’t Was dan ook met volkomen gerustheid dat hij

aanbelde. O, nu zou hij spoedig tot klaarheid komen, de zaak zou

geregeld worden zoo goed als ’t maar eenigszins kon: Van Thiemen was

een rechtskundig raadsman uit duizenden en—een welgemeend vriend.

„Zoo zoo, m’n waarde, zien we jou weer’s hier?” riep de laatste

hartelijk, kwam zijn collega in de studeerkamer tegemoet, en reikte hem

de hand.

Er heerschte tusschen de beide academie-vrienden nog de oude joviale

losse toon—iets echt studentikoos, zooals dat op later jaren tusschen

vrienden maar weinig voorkomt.

Zwijgend nam Larsen de toegestoken hand aan.

Nog voordat hij een woord uitgebracht had, vervolgde de ander:

„Wel kerel, wat is er? Je ziet er lang niet best uit....”

„Och, slecht geslapen.... en dan....” Larsen hield even op en nam een

stoel.

„En dan.... wat bedoel je? Heb je iets bizonders? Verdriet. Och kom,

jij verdriet! Zoo’n geluksvogel.... een mooie betrekking, een mooi

fortuintje, een mooi huis, een mooi vrouwtje....”

Larsen maakte een ongeduldig gebaar.

„Och,....” en hij zuchtte zwaar; ging niet in op de scherts.

’t Gelaat van zijn vriend veranderde op eens van uitdrukking, toonde

groote belangstelling. Hij schoof een stoel vlak bij die van Larsen, en

hem op de knie kloppend, zeide hij op geheel andere toon:

„Ik zie ’t: ’t is mis, m’n brave. Biecht ’s op, wat heb je op je hart?

Je weet, je kunt op mij rekenen.”

De hartelijke woorden troffen Larsen bizonder op dat oogenblik, en zijn

oogen werden even beneveld.

Hij schoof eenige malen ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer,

streek over zijn ruige baard, met de oogen naar de grond. Dan

opkijkende, zeide hij somber:

„Een ellendige zaak. Ik wil van mijn vrouw scheiden!”

„Wat zeg je?”

„Wat je hoort, ’t Is zoo....”

„Hoe is dat zoo in eens? Kom, dat meen je immers niet! Dat kàn immers

niet. Jij....” Van Thiemen was bruusk opgestaan, en, eenigszins

wijdbeens, maakte hij een gebaar van verwondering, zijn vriend opnemend

met een blik alsof hij aan zijn verstand twijfelde.

„Ja, ik,” viel Larsen even somber in. „Ik, die me zoo gelukkig voelde,

nie’ waar?.... ik, die jou altijd ’t huwelijk aanprees, en mijn....

geluk als voorbeeld gaf....” Hij lachte even bitter.

„Arme kerel,” zei de ander, en liet zijn arm langs ’t lijf vallen.

„Kom, vertel me ’s gauw hoe dat gekomen is.”

Larsen aarzelde.

„Dat gaat lastig.... ’t Is moeilijk, onmogelijk ’t zoo in eens te

zeggen. We kunnen niet overweg....” Hij kleurde.

„Niet overweg....? Incompatibilité d’humeurs? En....” Van Thiemen

stapte een paar schreden ter zijde, en wendde zich daarna weer om.

„Ja, zoo iets.... Nu pas ontdekt, zal je zeggen.... Nu ja, laat dat

daar. Een feit is ’t dat we niet langer bij elkaar kunnen blijven....

Dat is een feit.... Dat kan niet....”

„’t Kan voorkomen, jawel, jawel. Er zijn gevallen van dien aard, zeker.

Ga voort....”

„Och, de zaak is dat ik ongerust ben over ’t lot van mijn kind. Ik wou

jouw raad hebben. Hoû ik haar in zoo’n geval?”

„In zoo’n.... in welk geval?”

„Als we scheiden....”

„Hoe bedoel je? Als je niet langer samenleeft. Wel, jij bent de baas

over je kind.... en als je je vrouw onderhoud geeft, kan je met je kind

gaan waar je wil....”

„Je vat me niet.... Ik bedoel wettelijke scheiding....”

Weer stapte Van Thiemen een paar schreden de kamer in, en posteerde

zich daarna vlak bij zijn vriend.

„Wettelijke? Waar denk je aan? Is die noodig?”

„Ik zou zeggen ja.... Of geloof jij.... Denk jij dat ’t anders kan? Wat

een toestand, gescheiden leven, en wettelijk en tegenover de wereld nog

getrouwd zijn. Nog Meneer en Mevrouw Larsen! En feitelijk.... Nee,

scheiding voor goed, definitief, tegenover de wet en tegenover de

wereld.... Dat is eerlijk, royaal. Dat is zedelijker....”

„Best, best. Maar, mijn waarde, dat gaat maar zóo niet....”

„Wat? Er is toch een reden, en.... ik wensch het..... Ik sta erop.”

„Welke reden?”

„Dat.... dat.... dat we niet overeenstemmen, niet langer

overeenstemmen.... dat we onmogelijk verder samen leven kunnen....”

„Is dat alles?”

„Ja.... zeker.”

„Phu, man, dat is geen reden!” Van Thiemen stapte weer op, de handen in

de zak stekend en wippend met de panden van zijn huisjasje.

„Geen reden?”

„Nee, wis en waarachtig niet.... We zijn niet in Frankrijk.”

„Maar je kunt toch van elkaar af, als je wil? Beiden of éen van beiden.

Ik bedoel als je ernstig, onherroepelijk wil....”

„Nee....”

!?

Van Thiemen stond weer vóor hem.

„Je kent de wet blijkbaar niet.... Heb je je burgerlijk wetboek al

opgeslagen?”

„.... Nee,” stamelde Larsen.

Van Thiemen ging zitten, sloeg zijn beenen over elkaar, leunde met de

rechter elleboog op de lessenaar bij hem, en strengelde de vingers in

elkaar.

„Kom, dat ’s ongelooflijk! Ken je de bepalingen niet? Zal ik ze ’s

zeggen? Ik ken ze uit mijn hoofd, natuurlijk. ’t Is trouwens eenvoudig

genoeg.”

„Nu?”

„Om echtscheiding te krijgen zooals jij die wilt.... je bedoelt immers

geen scheiding tusschen tafel en bed? Dat is iets anders.”

„Voor vijf jaar.... om dan daarna nog eens te beslissen, of je voor

goed van elkander wenscht te gaan? Nee.... men doet zoo’n stap, of men

doet hem niet.... Daar heb je geen vijf jaren bedenktijd voor

noodig.... Ik vind dat groote onzin.”

„Nu, goed, echtscheiding dus. Daarvoor is noodig een van de volgende

redenen:

kwaadwillige verlating,

grove mishandeling,

onteerend vonnis,

of echtbreuk van een der partijen.”

„En.... wat verder?” viel Larsen ongeduldig in, toen zijn vriend

ophield en hem vragend aankeek.

„Verder?.... Niets. Er komt niets meer. Dat is alles.”

„Alles? Maar, mijn God, als nu niets.... van dat alles voorkomt, en je

hebt toch een reden....”

„Dan kan je niet scheiden.”

„Maar dat is onmogelijk. Dat is onrechtvaardig. Hemeltergend.”

„Que voulez vous? ’t Is de wet.” Er was een meewarig lachglimpje op van

Thiemen’s gelaat. Hij streek zijn zijdeachtige zwarte snor op, en keek

naar boven.

„Dat is idioot!” riep Larsen buiten zichzelven, van verbazing en

verontwaardiging. „Dus.... dus.... moeten twee menschen, die.... niet

samen kunnen blijven.... gedwongen zijn samen voort te leven?”

„Ze mogen elk afzonderlijk gaan wonen,” zei Van Thiemen kalm.

„Och, dat weet ik, natuurlijk! Maar ze blijven dan toch man en

vrouw.... zij zijn aan elkaar gekluisterd tegen wil en dank....”

„Ja, dat is zoo. Daar is nu eenmaal niets aan te doen. Wil je zelf de

wet zien? Hier....” Meteen reikte hij even naar een wetboek boven op

zijn lessenaar, sloeg ’t open, op de tast, zocht even, en stak het zijn

vriend over. „Asjeblief, lees zelf hier: artikel 264. Daar staat ’t

iets uitvoeriger dan ik je gezegd heb.”

Larsen tuurde in ’t boek met gretige belangstelling.

„Ja, goed, ik zie ’t.... ’t Staat er,” mompelde hij in zijn baard, nog

eens kijkende, als wilde hij beter lezen en begrijpen. „Ik snap het

niet....”

„Wat? De wet is toch duidelijk genoeg....”

„Ik wil zeggen dat ik niet vat hoe die wet zoo bekrompen kàn wezen....”

„Er is zooveel bekrompens in onze samenleving. De ideeën over ’t

huwelijk behooren tot de achterlijkste.... Maar er komt wel licht zoo

langzamerhand. In Duitschland is ’t niet overeenstemmen der

karakters—incompatibilité d’humeurs—al als reden van echtscheiding

erkend. Sinds 1 Januari 1901....”

Larsen keek zwijgend vóor zich, voorover geleund, ’t hoofd op de eene

arm, de andere arm slap neerhangend.

„Overspel staat hier voorop....” mompelde hij als bij zich zelven. „Je

noemde dat ’t laatst.... ’t schijnt hier als ’t ernstigste.... ’t eerst

genoemd te zijn.... En toch de laatste reden waarom je....”

„Ja,” viel Van Thiemen in. „Die reden wordt in onze stand zelden

aangevoerd.... al bestaat ze in verreweg de meeste....”

„Zoo,” zei Larsen.

„Kom, laten we ’s kalm praten,” vervolgde Van Thiemen, en stond weer

op. En een sigarenkistje opnemende, reikte hij dat over. „Kom, niet zoo

somber.”

Larsen maakte een afwijzend gebaar.

„Niet? Heusch, mijn waarde, al dat mokken tegen wat nu eenmaal niet

anders kan, geeft niets. Laten we eens kalm praten, en rook een sigaar.

Ik zal je ’s volledig inlichten. Als je de wet zoo leest, begrijp je er

toch niet ’t fijne van.”

„’t Fijne!!” Werktuigelijk nam Larsen het gebodene, stond op, en ging

tegen de schoorsteenmantel leunen met over elkaar gebogen armen.

„Nu, ik bedoel de eigenlijke zuivere opvatting. Enfin, daarvoor moet je

jurist zijn. Ofschoon.... jij en anderen mochten er wel wat meer van

weten! Maar dat leer je nu eenmaal niet op de school. ’t Maken van

zwavelwaterstofgas en ’t disconteeren van wissels schijnen op de

middelbare school belangrijker zaken voor ’s menschen geluk. Die moet

je weten.”

„Nu ja, ter zake. Ga je gang ’s,” viel Larsen in.

„Laten we ’s beginnen met die mishandeling. Die moet zwaar wezen.”

„Wie mishandelt zijn vrouw nu zwaar!”

„Of de vrouw hem.”

„Nog onzinniger, in onze stand.”

„’t Leven moet ermee gemoeid zijn.”

„Krankzinnig! Dus als je je vrouw tart en plaagt, dagelijks scènes

maakt, dat ze wegkwijnt van verdriet....”

„Of zij jou,” zei Van Thiemen.

„Goed. In dat geval....”

„Geen echtscheiding. Ze moet haar ziel in lijdzaamheid bezitten of....

haar hulp zoeken bij de huisgenooten, als die er zijn.”

„Fraai! Maar stappen we van die mishandeling af. Die is al te dol. Je

hoeft er geen woord meer van te zeggen. Blijkbaar kent de wetgever hier

alleen physieke behandeling, plompe, beestachtige barbaarschheid van

wilden; moreele mishandeling negeert hij totaal. Bah!”

„Nee, nog mooier,” ging Van Thiemen voort—„want, zie je, ik ben ’t met

je eens, volkomen, dat die inpikkerij belachelijk is en eigenlijk

onhoudbaar. Maar dat daargelaten, ik wil dit zeggen: physiek nadeel,

dat een van de echtgenooten de ander aandoet, kan een heel leven van

ellende veroorzaken, en toch—geen reden van scheiding zijn! Je snapt

me: denk maar aan „les Avariés”. Een man die niet alleen los, maar

onvoorzichtig los geleefd heeft—een ezel, enfin!—en zijn vrouw een

ziekte bezorgt, waar ze haar heele verdere bestaan door vergald ziet,

kan om die reden niet van vrouwlief gescheiden worden, al woû hij dat

ook zelf!”

„Behalve als door die mishandeling—want dat is ze!—de dood volgt,”

verklaarde Larsen spottend.

„Ja juist. En dan, wat die „mishandeling” betreft, dat ’s nu jouw

opvatting. Een slim advocaat kan dat nog wel zóo uitleggen dat ’t geen

„mishandeling” is. Er kan bijvoorbeeld geen „dolus” wezen. De man kan

’t zelf niet weten, of zeggen dat hij ’t niet wist. En dan heb je ’t

doktersgeheim....”

„Heerlijk,” gromde Larsen. „Ga voort. De andere redenen.”

„Jawel, die vonnisgeschiedenis. ’t Moet een veroordeeling zijn tot

minstens vier jaar „vrijheidsberooving”, gevangenis laten we maar

zeggen. Let wel vier jaar, of langer. Iemand die wegens diefstal van de

gemeenste soort, straatrooverij of zoo iets drie jaar zitten krijgt,

valt niet in de termen. ’t Huwelijk blijft dan voortbestaan.”

„En de kinderen, als papa bijvoorbeeld in de gevangenis zit?”

„Wel die blijven dan bij moeder thuis, maar papa mag ze natuurlijk bij

zich hebben, zooveel als een gevangene bezoek van verwanten hebben

mag.”

„Een mooi huishouden! Ze mag dus niet in die tusschentijd hertrouwen

met iemand die haar en haar kinderen onderhouden kan, en mag

verhongeren als ze er zelf niet voor zorgen kan. En als ze dat wel kan,

ontvangt ze na die drie jaar haar man weer thuis.”

„Ja, die heeft dan weer meer ondervinding opgedaan, en kan beter als

opvoeder optreden! Tsh! Dat is nu „de heilige echt”.” Van Thiemen

maakte een hem eigen geluid met de tong tegen de tanden, iets tusschen

sissen en smakken.

„Je weet,” ging hij voort, en verwisselde de stand zijner over elkaar

geslagen beenen, terwijl hij meditatief wolkjes rook naar boven blies,

„’t Huwelijk is een sacrament.”

„’t Is waar, je bent Roomsch.”

„Nou ja. Daar zeg ik het niet om. De pastoor zou op mijn godsdienstige

opvattingen wel wat aan te merken hebben.”

Larsen glimlachte.

„Wat ik bedoel is dit: men is oorspronkelijk van dat idee uitgegaan. En

toen men aan ’t huwelijk als iets heiligs en onverbreekbaars ging

tornen—dorst men niet te ver te gaan. Nee, dan vìnd ik dat mijn

geloofsgenooten—hm—gelijk hebben dat ze niets van echtscheiding weten

willen.”

„Wat?”

„Ja, natuurlijk. Hun opvatting is ten minste verdedigbaar. Zij zeggen:

’t huwelijk is een goddelijke instelling. Nu, best, dan mag er ook

absoluut niet aan getornd worden. Niets, geen zier. Geloof je daar niet

aan, en zeg je dat het huwelijk een menschelijke instelling is, ook

best, maar regel ’t dan menschelijk. En ga niet modderen, zooals de

wetgever nu gedaan heeft.”

Larsen knikte nadenkend. Zijn forsche gestalte stond onbewegelijk,

schijnbaar volkomen kalm.

Wie die twee daar bij elkaar gezien had, zonder te weten wie ze waren,

zou Larsen zeker voor de doceerende gehouden hebben en de ander met

zijn luchtige houding en gebaren voor de onderrichte. Trouwens, de

gansche persoonlijkheid van de jurist verried in ’t minst niet de

professor, even weinig als zijn omgeving. Dat men hier met een

geestelijk hoogstaand man te doen had bleek voldoende: men had zijn

fijne sprekende trekken maar even waar te nemen om dat te bemerken.

Maar van ’t stroeve, droge, nuchtere der gewone Minerva-priesters: geen

spoor. ’t Was alles leven, gloed, losheid en bevalligheid.

In ’t vertrek ook heerschte allerminst de strenge ernst der studeercel.

Geen wanstaltig groote boekenplanken of rekken ontsierden de wanden:

slechts twee smaakvolle boekenkasten met blauwe gordijnen bevatten ’s

professors bibliotheek. Deze hielden behalve belletrie niets in dan ’t

werkelijk noodige, en—ook zonder zijn boeken was en bleef Van Thiemen

de geniale geleerde, iets dat zoo vaak anders is. Aan ’t effenkleurig

behang—geheel blauw met grijze rand—hingen hier en daar fraaie

staalgravures. Op de schoorsteen stonden enkele kunstvoorwerpen, o. a.

een zeldzaam mooie pendule—een meesterstuk van Fransche kunst. ’t

Tapijt was mollig en frischgetint, de meubelen waren harmonisch

gekozen: alles eikenhout met blauw bekleed en een paar aangename

fauteuils daarbij. Van Thiemen haatte de plompe, met wasdoek

overtrokken stoelen eener gewone studeerkamer, de ongemakkelijkheid tot

deugd verheven, want—zoo zegt men—wie studeert mag niet op zijn gemak

zijn. Hij voelde zich in zijn studeerkamer behagelijk, en om iets te

kunnen tot stand brengen, een onderwerp te leeren beheerschen, een

verhandeling op te stellen, een artikel schitterend te schrijven, moest

hij zich behagelijk voelen: anders vlotte het bij hem niet. Hij moest

in zijn element wezen—een van smaak en opgewektheid—om zijn geest tot

voortbrengen in staat te voelen. Hij was als de nachtegaal, die slechts

in de vrije natuur, de voor hem passende omgeving en omstandigheden,

zijn heerlijke gaven kan uiten.

Ook de ligging der kamer met het uitzicht op een fraai aangelegde tuin,

waarvan ’t verkwikkend groen ’s zomers in ’t onmiddellijk bereik van de

blik des studeerende was, en de opwekkende geuren vrij de geopende

hooge vensters binnenstroomden, wees erop dat hier de geleerde bewoner

geen sombere blokker wezen kon.

Larsen was ’t volkomen eens met Van Thiemen’s betoog, en knikte,

verlangend om meer te hooren.

„Ja ja, ’t is modderen,” hervatte de jurist, en wierp met zekere drift

de asch van zijn sigaar in ’t sierlijke aschbakje naast hem, met een

welsprekend gebaar van ergernis, als smeet hij met die asch een hoop

domheid van zich af. Dan hield hij het hoofd weer achterover, trok

sterk aan zijn sigaar:

„En zoo is ’t ook met de rest: die anderen—phh!—redenen. Daar heb je de

kwaadwillige verlating. Die moet vijf jaar geduurd hebben. Vijf jaar aan

éen stuk! Ook al weet een van de partijen dat er van terugkomen geen

sprake is—of dat eventueele hereeniging in ’t gezin verre van

wenschelijk is—kan er geen echtscheiding volgen, als man- of vrouwlief

maar binnen de fatale termijn thuiskomt. Soms kan ’t zes of zeven jaar

of nog langer wezen: zie artikel 266 laatste alinea. Nemen we ’s ’t

geval dat de vrouw vulgo er vandoor gaat. Daarna verwisselt ze in de

loop van vier jaar tienmaal van minnaar, deponeert in verschillende

steden van Europa haar onwettige telgjes; dan verkeert ze in nood,

omdat bijvoorbeeld haar aantrekkelijkheids-kapitaal vrijwel verteerd

is, en ze geen aanbidder-onderhouder meer vinden kan, en op een goeien

dag besluit ze tot de huiselijke haard terug te keeren. Haar wettige

kostwinner moet haar dan weer tot zich nemen, en zal natuurlijk in de

meeste gevallen geen scheiding kunnen krijgen, omdat de andere

reden—overspel—onmogelijk te bewijzen is. Daar komt nog bij dat de

meeste mannen—in beschaafde kringen althans—tegen een vordering wegens

overspel opzien. Een mooie, middeleeuwsche ridderlijkheid tegenover „de

zwakke vrouw”, weinig in overeenstemming met de nieuwere opvattingen

van gelijkheid, die de andere sekse tegenwoordig huldigt! Dit tusschen

twee haakjes. Tsh!” Hij wierp een vluchtige blik op de gestalte tegen

de schoorsteen: een ironietje flitste even langs zijn lippen.

„Hm.... middeleeuwsch, middeleeuwsch.... dat weet ik nog niet,” bromde

Larsen in zijn baard.

„Stellen we ’s een andere mogelijkheid,” ging Van Thiemen onverstoord

voort. „De man is zeeman. Hij gaat voor drie jaar naar de Oost. Voordat

hij zoo lang weg is, verneemt zijn vrouw uit goede bron dat er nooit

kans is op terugkeer. ’t Ventje heeft zich aan wal gevestigd, heeft een

„wild huishouden” opgezet, is reeds vader over een koffiekleurig

spruitje, en heeft bijvoorbeeld een winstgevend zaakje op touw gezet.

In zoo’n geval beginnen de vijf jaren pas te tellen na de drie jaren

afwezigheid om wettige redenen—zooals hier bijvoorbeeld, omdat de man

als zeeofficier weg mòest. Goed, als nu de edele fortuinzoeker, na wat

overgelegd te hebben, zijn vrouw wil laten overkomen—binnen vijf jaar

na die drie—’t kan wezen dat hij genoeg heeft van zijn linkerhandsche

wederhelft—wel, dan moet zij komen, en hem weer als haar heer en

meester erkennen. En de eventueele kindertjes uit Holland mogen braaf

spelen met hun stiefbroertje, dat dan heel geschikt voor ’n kind van de

tuinbaas kan doorgaan. Of—anders: stel dat de zaakjes van bewuste

pionier der beschaving faliekant uitgaan, en hij ’t beter vindt,

berouwvol en boetvaardig, bij moeder de vrouw terug te komen: als de

vijf „kwaadwillige” jaren maar nog niet om zijn moet zij hem als haar

echtgenoot erkennen. Dan denkt hij evenals de Boeren: „alles zal reg

kom.” Natuurlijk begint dan voor ’t hereende echtpaar een tweede „lune

de miel” vol dichterlijke liefde. Tsh!”

Van Thiemen blies drie luchtige blauwe rookwolkjes vóor zich uit,

daarna nog twee, die in hun dartel gekringel een uitdrukking schenen te

wezen van ’s rookers smakelijke spot.

„Hm,” bromde de leunende Wiking-figuur tegen de schoorsteen.

„’t Aantal „verluchtingen” van dit wetsartikel met levensbeelden kan

vrijwel in ’t oneindige uitgebreid worden,” beweerde de ander weer.

„Maar je zult er wel geen lust in hebben ze van me aan te hooren. Nu

eindelijk de groote reden: echtbreuk. Blijkbaar vindt de wetgever die

de vreeselijkste. Wat mij betreft: ik vind een man die ’s een amoeretje

gehad heeft nog niet zoo’n verachtelijk wezen als iemand die drie jaar

gezeten heeft wegens oneerlijke praktijken of zoo iets. Jij?”

„Ik weet.... ’t niet,” zei Larsen aarzelend. Hij kon zichzelf moeilijk

voorstellen als betrokken in een „amoeretje.”

„Ik zeker niet. En als meneer in zoo’n opzichzelfstaand geval gesnapt

wordt, kan zijn wederhelft echtscheiding aanvragen. Tsh!”

De rookwolkjes waren meditatief langzaam ditmaal.

Larsen dacht even na, en bracht in ’t midden:

„Je zegt dat nu zoo, maar vin’ je dat dan niet billijk?”

„’t Kan er naar zijn. Een amoeretje zooals ik bedoel, iets als een

lapsus moralitatis—fraai Latijn, vin’ je niet?—iets zonder voor- of

naspel, een gevalletje dat ’s voor mag komen in een onbewaakt

oogenblik, en waar de overtreder der huisorde wellicht een half uur

later geduchte spijt van heeft, en dat hij dan niet aan zijn vrouw

vertelt, om de eenvoudige reden dat hij in de grond van haar houdt,

haar geen verdriet wil doen, en—haar liefde niet verliezen wil—nee,

amice, zoo’n gevalletje vind ik nog zoo vreeselijk niet.”

„Maar je keurt het af?”

„Och, natuurlijk, evengoed als ik ’t afkeur dat je je stomdronken

drinkt.”

„Hm. En als je ’t nu ’s omdraait, en de vrouw zoo’n amoeretje heeft,

zooals jij ’t noemt?”

De geestige oogen van de jurist keken een wijl scherp naar de vrager.

Doch begrijpende dat zijn blik de ander wel onaangenaam zou kunnen

wezen, wierp hij ’t hoofd weer achterover, en deed een paar

fijn-wellustige kustrekjes aan zijn sigaar.

„Dat ’s een ander geval,” zei hij in dezelfde houding.

„Maar, hier,” liet hij opeens volgen. „Steek je sigaar weer ’s op. Je

laat ’m uitgaan.”

Larsen nam de lucifers aan, streek er een af, en volgde de gegeven

raad. Van Thiemen lachte opeens:

„Kerel, je zet ’m in vlam! Hij is al lang aan.”

„Maar je zei....” begon Larsen.

„Dat ’t een heel ander geval is.... een heel ander geval.”

„Ik kan ’t niet zien: man of vrouw, dat blijft gelijk. De schuld is

even groot.”

„Phu! Dat zal ik je ’s gauw anders laten zien.”

Als Van Thiemen in vuur raakte, kon hij niet blijven zitten, vooral

niet wanneer hij veel te zeggen had. En hier gold het een onderwerp

waar hij gaarne op inging. Hij liep even eenige schreden de kamer in,

in de richting van ’t venster, weer met de handen in de zak, en zich

dan schrap zettende vlak tegenover zijn vriend, begon hij:

„Komaan, jij kent ’t verschil blijkbaar niet tusschen een man en een

vrouw.”

Larsen keek vreemd.

„Hè?”

„Ik bedoel dat jij over ’t hoofd ziet—want je weet ’t natuurlijk even

goed als ik—dat ter zake van sexueele liefde de vrouw een heel ander

wezen is dan de man.”

„Och!”

„Nee, wis en drie: heel anders, volstrekt verschillend, hemelsbreed

afwijkend. Voor de vrouw is ’t liefdeleven het leven....”

„Voor veel vrouwen....” viel Larsen in.

„Nu ja, over die vrouwen hebben we ’t hier. Ik laat natuurlijk de

ouwevrijsters—vrijwillige of onvrijwillige—buiten rekening. We hebben

’t hier uitsluitend over ’t liefdeleven van gehuwde individuen. Goed,

voor de man is de liefde bij lange niet zoo’n hoofdfactor. Geef je dat

toe?”

„Hm.... ja, nu goed, neem aan dat ik ’t met je eens ben.”

„Wel, dat aangenomen, volgt eruit dat iedere liefde-uiting,

liefdedaad—sit venia verbo—van een vrouw grooter beteekenis heeft dan

die van een man. Trouwens, dit is niet te verwonderen. Het moederschap

neemt zoo’n gewìchtige plaats in ’t vrouwelijk bestaan in, dat de

natuur zelf daar als ’t ware alles op berekend heeft: het heele

vrouwelijk gestel, haar gansche lichaamsbouw wijst haar op ’t groote

doel van haar leven: moeder te zijn. Daarom zal ook voor iedere

hoogstaande vrouw iedere sexueele daad er een zijn in nauw verband met

haar zieleleven, evenzeer als met haar lichaamsfunctiën en—groot van

gevolgen zijn. De kus van een kuisch en ontwikkeld meisje is een daad,

’t symbool van een innige zielsberoering. De kus van een man mist die

wijding: het is een van die uitingen van pure zelfzucht die al zijn

liefdedaden kenmerkt, hoe goedbedoeld ze ook wezen mogen. De vrouw die

zich aan een man geeft, geeft daarmee alles. Ik bedoel hier de

beschaafde vrouw, natuurlijk. En de man: die geeft niets, die neemt

zijn genoegen.... Tsh!

„Wat volgt hieruit?” Van Thiemen, die bij dat alles zijn rechterhand

vooruit had gebracht met uitgespreide vingers, draaide zich na zijn

plofsis op zijn eene hiel om, deed twee schreden, en kwam weer terug.

Larsen had gezwegen.

„Daaruit volgt dat een getrouwde vrouw die zich aan een ander dan haar

man geeft daarmee een daad van verraad pleegt.... oneindig veel grooter

dan de getrouwde man die zijn genoegen neemt bij een cocotte.

„Nee, nee, laat me uitpraten.... Vertel jij me ’s even: kan jij je

denken dat een vrouw—een beschaafde, ontwikkelde vrouw natuurlijk—zich

een oogenblik vergeet met een huisknecht?”

„Nee,” zei Larsen.

„Zeker, ik ook niet. Dat zou in theorie gelijkstaan met zoo’n amoeretje

van de man, waar ik ’t straks over had. ’t Spreekt van zelf dat ’t nog

wat anders is, als de man een durende hartstocht voelt voor een vrouw,

en daaraan toegeeft: dat is ook verraad. En toch.... Nu ja, laat dat

daar voorloopig....

„’t Is niet denkbaar dat een beschaafde vrouw zich overgeeft aan een

man, en de volgende dag als ’t ware ’t heele geval vergeten is....

Trouwens dat vergeten wordt soms vanzelf onmogelijk. Tsh! Bij een

beschaafd man kan zoo iets zeer goed voorkomen. Zuivere

dierlijkheid.... De man is meer dier dan de vrouw....”

Larsen’s gelaat was éen vraagteeken.

„Ja, ja, zeker: dit hangt samen met mijn vrouwenvereering. Ik zeg

daarom niet dat de man lager staat dan de vrouw. Nee, ’t dier heeft ook

z’n goeie eigenschappen. Maar in de liefde.... is de man een beest....

een braaf beest soms, goed, een trouw beest soms, maar toch een beest;

en de vrouw....” hij hield even op.

„Een engel, zeg maar,” viel Larsen even glimlachend in.

„Nee, niet precies, maar toch geeft dat mijn idee wel weer.”

„Maar,” zei Larsen, „je sprak zoo even van daad van verraad. Als dan

dat liefdeleven voor een vrouw zoo iets gewichtigs en verhevens is,

pleegt ze dan verraad als ze zich in ’t huwelijk aan een ander man

geeft, van wie ze werkelijk houdt?”

„Ja, beslist.”

„Maar die liefdedaad is dan toch even heilig in jou oog als die

tegenover haar man? Ze is dan toch een nieuw leven begonnen?”

„Als de daad alleen kan plaats hebben door bedrog? ’t Is wat moois! Ja,

als een vrouw volkomen eerlijk blijft, dan is in die tweede liefde,—laat

me ’t zoo noemen—geen kwaad. Maar dan moet ze haar man dadelijk ronduit

haar hart blootleggen. Bekennen na eenmaal in bedrog en metterdaad

toegegeven te hebben aan een nieuwe passie, mag beter zijn dan

voortgezet bedrog—bedrog blijft het. En bekennen vóor ’t zoover is—wel,

ik kan me daar eigenlijk niet in denken....”

„Hoe zoo?”

„Ik kan me niet begrijpen hoe een beschaafde vrouw in ’t huwelijk,

vooral als er kinderen zijn, aan zulk een nieuwe passie voedsel wil

geven. Mij dunkt, ze moet die uit een gevoel van zelf-respect, van

fierheid bestrijden....”

„Evenals een man.”

„Evenals een man, als ’t een passie van beteekenis is. Bij een andere

is geen overleg, geen inbeslagname van alle gedachten.... Nee, amice,

een vrouw, die zich in ’t huwelijk aan een andere man geeft, is.... een

hoer.”

Larsen huiverde.

„Dat is sterk,” zei hij.

„Zeker: een vrouw die ’t hoogste wat ze heeft verlaagt, neerhaalt. Die

van een heilige functie niets dan een genotsbevrediging maakt. Geloof

me, m’n beste, hiermee staat en valt onze heele samenleving.

Vrouwenvereering, eerbied voor ’t moederschap: onmogelijk zonder deze

strenge onderscheiding. Wat hoogvereerd wordt moet streng geoordeeld

worden. Lucifer was de Engel des Lichts, en na zijn val die der

Duisternis. Tegenover hooge vereering—verachting.”

„Dat is niet oorspronkelijk,” zei Larsen, die zijn literatuur wonderwel

kende. „Dat is een van de dolheden van Echegaray’s drama’s. Maar....”

Hij hield in, en verviel in gepeins.

Van Thiemen lachte even, tikte zijn stompje sigaar in ’t aschbakje, en

ging weer zitten.

„En nog iets. De vrouw die haar man bedriegt, werpt een smet op ’t

gezin, brengt de schande in huis.”

„Woorden, mooiklinkende woorden,” mompelde Larsen.

„Nee, amice, de nuchtere waarheid. Niet voor niets noemen de Arabieren

hun vrouw hormah, d.i. „eer”, en de Hindoe’s grha, d.i. „huis”. De

vrouw is de eer van ’t gezin, is éen met het gezin, éen met het huis,

de man in veel mindere mate....”

„Zoo.”

„Zeker, ondanks al de nieuwerigheid van sommige vrouwenopvattingen. In

’t huwelijk is de hoofdzaak van de vrouw het moederschap, de opvoeding

van de kinderen. Ware samenwerking—coöperatie—in ’t huwelijk is: dat zij

deze taak op zich neemt, de man die van ’t onderhoud. In de coöperatie

is zij ’t voelende, innige, diepe element, hij ’t denkende,

nuchter-leidende. Een vrouw die zich in ’t huwelijk misdraagt, schendt

de gemeenschap, en beleedigt de kinderen, als die er zijn, al was ’t

maar alleen door de kans op ’t binnensmokkelen van een vreemd

liefdepand. De overspelige vrouw verzaakt haar heiligste plicht, ze kan

hierin niet falen zonder de liefde voor haar echtgenoot op te geven, en

als ze de schijn bewaart is ze een gemeene huichelaarster.”

Larsen zette zijn linkervoet over de rechter, en trok hevig aan zijn

sigaar.

„Van een man,” ging de ander met een vluchtige blik op zijn vriend

voort, „is ’t mogelijk dat hij zijn vrouw blijft liefhebben ondanks

momentane aberratie....” Hij glimlachte even. „En bekent hij zijn fout,

dan is haar vergiffenis een daad van edelmoedigheid. Een man die, na

bekentenis van haar, vergeeft.... is een lammeling. Zij rijst door zulk

een vergiffenis, hij daalt onherroepelijk....”

„Vergeven, vergeven,” zei Larsen ongemakkelijk. „Je bedoelt

vergeten....”

„Nee, vergeven.... ten minste als je daaronder verstaat: doen alsof er

niets gebeurd is, en verder weer gewoon doorleven....”

„O, zoo.”

„Daarom vind ik de moraal van „la Petite Paroisse” van Daudet ook

misselijk.”

„Hm, jawel, ik ken dat,” zei de literator-historicus. „De vergevende

man wordt daar ook voorgesteld als.... als....”

„Als een vrij geborneerd, dom wezen. Maar,” hervatte Van Thiemen, „we

hebben nog niet gelet op een andere omstandigheid, die ’t verschil in

schuld bij man en vrouw zoo enorm groot maakt. En die omstandigheid zal

blijven zoolang we het patriarchaat in ons familieleven erkennen. De

tijd dat de moeder ’t hoofd van ’t gezin wordt zal wel nooit komen. Dat

zoo iets niet rijmbaar is met hooge beschaving bewijst wel het feit dat

nog maar bij zeer enkele volken het matriarchaat voorkomt. Bij de

dieren is ’t matriarchaat algemeen! Tsh!”

„Hm, ja, natuurlijk.”

„Zeker, daar zeg je ’t: natuurlijk. Wat „natuurlijk” is is vaak

onbeschaafd. Beschaving is natuur-correctie. Maar ter zake: de

omstandigheid die ik meen is deze: dat de man als naamgever en

onderhouder per se vader is over de kinderen van zijn vrouw. ’t Is dan

toch billijk, zou ik zeggen, dat hij de zekerheid heeft dat het ook

tevens zijn kinderen zijn; en een hard gelag, dunkt me, om, wanneer hij

’t weet, gedwongen te zijn een andermans kinderen niet alleen zijn naam

te geven, en dus voor de wereld als de zijne te erkennen, maar ze op te

voeden ook. En de wet wil dat.”

„Nu ja, de wet!” bromde Larsen.

„Ja, en dat kan nu eenmaal niet anders, Larsen; of althans zeer lastig.

Nu goed, bij een vrouw kan van zulk een smadelijk gedwongen zijn

tegenover haar mans „buitenbezittingen” nooit sprake wezen. Maar,

amice,” ging hij voort, „ons gesprek wordt wel wat lang, en we zijn nog

niet waar we wezen moeten.”

Hij keek op zijn horloge: „Half twaalf! Wat dunkt je, blijf je

koffiedrinken? Dan kunnen we straks op ons gemak verder praten.”

„Goed. Stuur dan even een boodschap aan m’n vrouw.”

„Zeker, zeker.”

Heilige Banden: Roman · 第 6 / 22 题