Ik houd niet van de jagers; ik heb het reeds aan het begin van deze
schets verklaard. Ik houd vooral niet van hen, omdat zij steeds hun
jachtavonturen vertellen. Nu heb ik de mijne verhaald. Vergeef het mij,
het zal niet weer gebeuren.
Die tocht is de eerste geweest en zal ook de laatste zijn, door
den schrijver ondernomen. Er is mij evenwel een herinnering van
bijgebleven, die veel op innigen wrok gelijkt. Zoo vaak ik dan ook
een jager ontmoet, die met het geweer onder den arm achter zijn hond
voortstapt, laat ik nooit na hem een goede jacht toe te wenschen. Men
beweert dat dit een kwaad voorteeken is, en zeker tegenspoed berokkend.