XII.

Ik houd niet van de jagers; ik heb het reeds aan het begin van deze

schets verklaard. Ik houd vooral niet van hen, omdat zij steeds hun

jachtavonturen vertellen. Nu heb ik de mijne verhaald. Vergeef het mij,

het zal niet weer gebeuren.

Die tocht is de eerste geweest en zal ook de laatste zijn, door

den schrijver ondernomen. Er is mij evenwel een herinnering van

bijgebleven, die veel op innigen wrok gelijkt. Zoo vaak ik dan ook

een jager ontmoet, die met het geweer onder den arm achter zijn hond

voortstapt, laat ik nooit na hem een goede jacht toe te wenschen. Men

beweert dat dit een kwaad voorteeken is, en zeker tegenspoed berokkend.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 64 / 68 题