De buffel of bison is onder al de dieren van het prairieland het
belangrijkste. Grooter dan de gewone stier bereikt hij soms het gewicht
van wel tweeduizend halve KG. Millioenen dezer dieren worden jaarlijks
gedood en hunne huiden verkocht, en toch kan het nog jaren duren,
voordat deze talrijke diersoort geheel is uitgeroeid. De door den
Indiaan zoo geliefde buffeljacht is intusschen met velerlei gevaren
verbonden.
Nevens den buffel doolt op de wijde prairie de mustang of het wilde
paard insgelijks in groote kudden rond. Waarschijnlijk stamt hij van
de vroeger door de Spanjaarden ingevoerde paarden af. Aan de tucht
ontsnapt, is hij verwilderd en slechts met groote moeite weer tam te
maken. Men vangt hem met den lasso, een met een' strik voorzienen
riem, die het paard over den kop wordt geworpen. Onder den zadel
verliest het spoedig veel van zijne schoonheid. Slechts daar, waar
het met honderden zijner makkers geheel vrij omdartelt, vertoont het
zich welgevormd en van fraaien lichaamsbouw. Schuw wijkt de vluchtige
antilope voor hem uit den weg, bescheiden treedt het hert ter zijde,
als het met den buffel wedrennend op de gemeenzame drenkplaats
toesnelt; doch loerend houdt de wolf zich achter de struiken schuil,
of hij ook onvoorziens een jong kalf of veulen buit kan maken. De
coyote of prairiewolf zwerft op de grassteppe in groote troepen rond
en is hier een grotbewoner geworden.
Even zoo leeft ook de prairiehond met duizenden van zijnsgelijken in
holen onder de aarde. Op eene uitgestrektheid van verscheiden mijlen
ziet men dikwijls hol aan hol en voor elk daarvan een' hond op zijne
achterpooten zitten en zich in de zon koesteren. Zij gelijken wel
eenigszins een hamster of een mormeldier, hebben geelbruin haar,
korte ooren en scherpe, tot graven geschikte tanden. Bij het naderen
van menschen heffen zij een luid gejank aan, bewegen hunne korte
staarten en nemen de houding aan, alsof zij zich te weer wilden
stellen, ofschoon zij, zoodra men op hen toekomt, dadelijk in hunne
holen wegkruipen.
Aan vogels is de prairie arm. Alleen het prairiehoen en de wilde
kalkoen, die men bij honderden vangt, als hij op zijne tochten aan de
oevers van den Ohio, Missouri en Mississippi aankomt, zijn er in groote
scharen, schoon doorgaans slechts in de nabijheid der wouden. Deze
zijn over het geheel met allerlei gevogelte opgevuld. Een vogel,
als de struis, heeft Amerika niet aan te wijzen. In het algemeen
worden de hoogere dierklassen der nieuwere wereld door die der oude
ver overtroffen. De geweldige dikhuiden van Afrika komen in Amerika
niet dan veel zwakker en kleiner als tapirs voor; de kameel wordt op de
hoogvlakten van Zuid-Amerika slechts door de veel zwakkere en kleinere
lama vervangen. De laffe jaguar is slechts een flauw afbeeldsel van den
leeuw in de oude wereld. Wat de huisdieren betreft, deze zijn eerst
na de ontdekking van dit werelddeel er overgebracht. Toenmaals was
er paard noch rund, hond noch schaap te vinden, terwijl daarentegen
het rijk der insecten en amphibiën in talrijkheid en verscheidenheid
alles overtrof, wat men tot daartoe kende.
Vreeselijk is de aanblik der prairie, als het vuur er zijn vernielenden
adem overheen doet gaan.
Een oneindig gordijn van zwarten rook en donkerroode vlammen beperkt
den gezichteinder, en in de verte doet zich een zonderling loeiend
geruisch hooren. Maar geene minuut later, is die gansche massa van
plaats veranderd: zij rolt voort, met onstuimig geweld, als eene
vuurzee door den storm opgezweept. Daar stuift een woeste troep
dieren voorbij: eerst de mustangs, met manen en staart omhoog,
door angst geheel verwilderd,--op den voet gevolgd door honderden
bisons, ingelijks door de vlammen opgedreven, en in toomelooze
vaart te vergeefs eene schuilplaats zoekende. Want al bewegen de
vlugge viervoetige prairiebewoners zich met nog zooveel spoed,
de vlammenzee overtreft hunne snelheid: straks worden zij door de
rookwolken ingesloten, vallen half verstikt ter aarde, en laten slechts
hunne verkoolde overblijfselen achter te midden van het tooneel
van verwoesting. Wee den reiziger, den rondzwervenden inboorling
of de karavane, die door het prairievuur wordt overvallen: meestal
zijn zij verloren, tenzij het hun gelukken mocht het gevaar vroeg
genoeg te zien om, of een niet met gras bedekte plaats te vinden,
of, voor zich uit, in de richting van den wind, ook eene plaats in
brand te steken ten einde daar straks, als de naderende vlammen zijn
aangekomen, op het inmiddels kaal gebrand terrein eene schuilplaats
te vinden. Gewoonlijk woeden de vlammen voort tot zij door een water
in haar' voortgang gestuit of door den regen gebluscht worden.
Wat is de oorzaak van het uitbreken van een' prairiebrand?
Als men nagaat, dat eene langdurige droogte het hooge gras geheel heeft
doen verdorren, zoodat het, in eene vrij dikke en luchtige laag den
harden bodem bedekt, dan behoeft er niet lang naar oorzaken gezocht
te worden. Eene enkele vonk, achteloos weggeworpen bij het aansteken
der pijp; het niet zorgvuldig uitdooven van het kampvuur van een
reisgezelschap, dat daarvoor wel is waar eene brandvrije plek koos,
doch bij zijn vertrek niet zorgde de overblijfselen te blusschen,
die daarna door den wind naar gevaarlijke plekken worden gevoerd;
somtijds ook moedwil, als eene Europeesch jager op eene gemakkelijke
wijze bisons wilde bemachtigen of zich wreken op een Indiaanschen
vijand; het blakeren van de gloeiende middagzon, die gemakkelijk de
uitgedroogde bladeren en grashalmen vlam kan doen vatten,--zietdaar
keus genoeg uit de oorzaken, die zich bij herhaling voordoen.
De prairiebrand laat niets achter dan een verkoolden of met asch
bedekten grond. Maar kort daarna, als de regen is nedergedaald, ziet
men te midden dier verwoesting nieuwe groene spruitjes. Het gras
vertoont zich weder, en op den bodem, gemest door de overblijfselen
van den brand, schiet het malscher en weliger op. Nog enkele maanden,
en zoover het oog reikt golft eene groene vlakte, schooner dan zij
voorheen was, en biedt aan nieuwe bewoners de gaven harer milde
gastvrijheid aan.