30. De dierenwereld op de Noord-Amerikaansche prairiën.

De buffel of bison is onder al de dieren van het prairieland het

belangrijkste. Grooter dan de gewone stier bereikt hij soms het gewicht

van wel tweeduizend halve KG. Millioenen dezer dieren worden jaarlijks

gedood en hunne huiden verkocht, en toch kan het nog jaren duren,

voordat deze talrijke diersoort geheel is uitgeroeid. De door den

Indiaan zoo geliefde buffeljacht is intusschen met velerlei gevaren

verbonden.

Nevens den buffel doolt op de wijde prairie de mustang of het wilde

paard insgelijks in groote kudden rond. Waarschijnlijk stamt hij van

de vroeger door de Spanjaarden ingevoerde paarden af. Aan de tucht

ontsnapt, is hij verwilderd en slechts met groote moeite weer tam te

maken. Men vangt hem met den lasso, een met een' strik voorzienen

riem, die het paard over den kop wordt geworpen. Onder den zadel

verliest het spoedig veel van zijne schoonheid. Slechts daar, waar

het met honderden zijner makkers geheel vrij omdartelt, vertoont het

zich welgevormd en van fraaien lichaamsbouw. Schuw wijkt de vluchtige

antilope voor hem uit den weg, bescheiden treedt het hert ter zijde,

als het met den buffel wedrennend op de gemeenzame drenkplaats

toesnelt; doch loerend houdt de wolf zich achter de struiken schuil,

of hij ook onvoorziens een jong kalf of veulen buit kan maken. De

coyote of prairiewolf zwerft op de grassteppe in groote troepen rond

en is hier een grotbewoner geworden.

Even zoo leeft ook de prairiehond met duizenden van zijnsgelijken in

holen onder de aarde. Op eene uitgestrektheid van verscheiden mijlen

ziet men dikwijls hol aan hol en voor elk daarvan een' hond op zijne

achterpooten zitten en zich in de zon koesteren. Zij gelijken wel

eenigszins een hamster of een mormeldier, hebben geelbruin haar,

korte ooren en scherpe, tot graven geschikte tanden. Bij het naderen

van menschen heffen zij een luid gejank aan, bewegen hunne korte

staarten en nemen de houding aan, alsof zij zich te weer wilden

stellen, ofschoon zij, zoodra men op hen toekomt, dadelijk in hunne

holen wegkruipen.

Aan vogels is de prairie arm. Alleen het prairiehoen en de wilde

kalkoen, die men bij honderden vangt, als hij op zijne tochten aan de

oevers van den Ohio, Missouri en Mississippi aankomt, zijn er in groote

scharen, schoon doorgaans slechts in de nabijheid der wouden. Deze

zijn over het geheel met allerlei gevogelte opgevuld. Een vogel,

als de struis, heeft Amerika niet aan te wijzen. In het algemeen

worden de hoogere dierklassen der nieuwere wereld door die der oude

ver overtroffen. De geweldige dikhuiden van Afrika komen in Amerika

niet dan veel zwakker en kleiner als tapirs voor; de kameel wordt op de

hoogvlakten van Zuid-Amerika slechts door de veel zwakkere en kleinere

lama vervangen. De laffe jaguar is slechts een flauw afbeeldsel van den

leeuw in de oude wereld. Wat de huisdieren betreft, deze zijn eerst

na de ontdekking van dit werelddeel er overgebracht. Toenmaals was

er paard noch rund, hond noch schaap te vinden, terwijl daarentegen

het rijk der insecten en amphibiën in talrijkheid en verscheidenheid

alles overtrof, wat men tot daartoe kende.

Vreeselijk is de aanblik der prairie, als het vuur er zijn vernielenden

adem overheen doet gaan.

Een oneindig gordijn van zwarten rook en donkerroode vlammen beperkt

den gezichteinder, en in de verte doet zich een zonderling loeiend

geruisch hooren. Maar geene minuut later, is die gansche massa van

plaats veranderd: zij rolt voort, met onstuimig geweld, als eene

vuurzee door den storm opgezweept. Daar stuift een woeste troep

dieren voorbij: eerst de mustangs, met manen en staart omhoog,

door angst geheel verwilderd,--op den voet gevolgd door honderden

bisons, ingelijks door de vlammen opgedreven, en in toomelooze

vaart te vergeefs eene schuilplaats zoekende. Want al bewegen de

vlugge viervoetige prairiebewoners zich met nog zooveel spoed,

de vlammenzee overtreft hunne snelheid: straks worden zij door de

rookwolken ingesloten, vallen half verstikt ter aarde, en laten slechts

hunne verkoolde overblijfselen achter te midden van het tooneel

van verwoesting. Wee den reiziger, den rondzwervenden inboorling

of de karavane, die door het prairievuur wordt overvallen: meestal

zijn zij verloren, tenzij het hun gelukken mocht het gevaar vroeg

genoeg te zien om, of een niet met gras bedekte plaats te vinden,

of, voor zich uit, in de richting van den wind, ook eene plaats in

brand te steken ten einde daar straks, als de naderende vlammen zijn

aangekomen, op het inmiddels kaal gebrand terrein eene schuilplaats

te vinden. Gewoonlijk woeden de vlammen voort tot zij door een water

in haar' voortgang gestuit of door den regen gebluscht worden.

Wat is de oorzaak van het uitbreken van een' prairiebrand?

Als men nagaat, dat eene langdurige droogte het hooge gras geheel heeft

doen verdorren, zoodat het, in eene vrij dikke en luchtige laag den

harden bodem bedekt, dan behoeft er niet lang naar oorzaken gezocht

te worden. Eene enkele vonk, achteloos weggeworpen bij het aansteken

der pijp; het niet zorgvuldig uitdooven van het kampvuur van een

reisgezelschap, dat daarvoor wel is waar eene brandvrije plek koos,

doch bij zijn vertrek niet zorgde de overblijfselen te blusschen,

die daarna door den wind naar gevaarlijke plekken worden gevoerd;

somtijds ook moedwil, als eene Europeesch jager op eene gemakkelijke

wijze bisons wilde bemachtigen of zich wreken op een Indiaanschen

vijand; het blakeren van de gloeiende middagzon, die gemakkelijk de

uitgedroogde bladeren en grashalmen vlam kan doen vatten,--zietdaar

keus genoeg uit de oorzaken, die zich bij herhaling voordoen.

De prairiebrand laat niets achter dan een verkoolden of met asch

bedekten grond. Maar kort daarna, als de regen is nedergedaald, ziet

men te midden dier verwoesting nieuwe groene spruitjes. Het gras

vertoont zich weder, en op den bodem, gemest door de overblijfselen

van den brand, schiet het malscher en weliger op. Nog enkele maanden,

en zoover het oog reikt golft eene groene vlakte, schooner dan zij

voorheen was, en biedt aan nieuwe bewoners de gaven harer milde

gastvrijheid aan.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 32 / 38 题