29. De Niagaravallen.

Om het schouwspel der Niagaravallen uit de verte te genieten, plaatsten

wij ons eerst op de over de duizend voet lange ijzeren handbrug,

waar wij niets anders dan eene wilde, woeste en dreigende watermassa

te zien kregen. Des te geduchter, verhevener en indrukwekkender

was echter het dof, sedert duizenden jaren onafgebroken donderend

ruischen en klateren. Reeds heeft het geweld des waters de kalkrots

tot anderhalve mijl lengte, een half uur breedte en 500 tot 600 voet

diepte weggeschuurd. Van hier begaven wij ons in de nabijheid en

op de hoogte der wereldberoemde vallen. De eerste paar mijlen van

het Eriemeer is de Niagara ongeveer 300 M. breed, en diep genoeg om

negen tot tien voet diep gaande vaartuigen te dragen; doch de stroom

is uiterst onregelmatig en snel, en het vaarwater door de talrijke

klippen zoo gevaarlijk, dat slechts vaartuigen met vlakken bodem er

zich op wagen kunnen. Verder benedenwaarts verbreedt zich de rivier

en vloeit het water, alhoewel de stroom zeer sterk is, vrij effen en

zacht voort. Zoo vervolgt de rivier rustig haar' loop tot aan het fort

Chippeway, dat nagenoeg drie mijlen boven de vallen ligt. Hier wordt

de bedding rotsachtig en het water door verschillende stroomingen in

geweldige beweging gebracht. De golven slaan hier met zoo vreeselijk

geweld tegen de rotsen, dat het gezicht alleen den toeschouwer eene

rilling aanjaagt. Het water is intusschen slechts aan de beide

zijden der rivier zoo bewogen; in het midden is de branding niet

zoo gevaarlijk, of goed bestuurde booten kunnen een eiland naderen,

dat de rivier bij de vallen zelve in tweeën deelt.

De stroom wringt zich bij het naderen der vallen met verdubbelde

onstuimigheid tusschen de rotsen door, bereikt eindelijk den rand

des schrikwekkenden afgronds en stort, zonder door rotsen opgehouden

te worden, in de diepte neer. De breedte der vallen is aanmerkelijk

grooter dan die der rivier, een weinig beneden hare neerploffing

gemeten. Men kan hieruit zien, dat de stroom zich niet in zijn

geheel en ongebroken neerstort; maar dat hij zich in drie vallen,

de een naast den ander, verdeelt. De geweldigste daarvan is aan den

noordwestelijken of Britschen oever en wordt de groote of Hoefijzersval

genoemd. De lengte van dezen val is slechts 142 voet, terwijl die

der beide andere op 160 voet geschat wordt. Daar de bedding hier

lager is dan aan de andere zijde, zoo neemt verreweg het grootste

gedeelte des waters zijn' weg door deze zijde en stort met vreeselijk

geweld naar beneden. 't Is ook uit het midden van den Hoefijzersval,

dat de verbazende dampwolk opstijgt, die op verren afstand gezien

kan worden. De uitgestrektheid van dezen val kan slechts met het oog

gemeten worden. Men houdt het er algemeen voor, dat hij niet minder

dan 500 M. in de monding heeft. De breedte van het eiland, dat dezen

val van den naasten scheidt, wordt op 350 M. geschat. De tweede val is

omtrent 5 M., het dan volgend eiland 30 M. breed, en de derde val wordt

voor althans zoo breed gehouden als het gansche eiland. De gansche

uitgestrektheid der vallen is dus, de eilanden meegerekend, 1335 M.,

en de watermassa, die zich over de vallen neerstort, moet, volgens

tamelijk zekere berekeningen, 672,000 ton in iedere minuut bedragen.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 31 / 38 题