Om het schouwspel der Niagaravallen uit de verte te genieten, plaatsten
wij ons eerst op de over de duizend voet lange ijzeren handbrug,
waar wij niets anders dan eene wilde, woeste en dreigende watermassa
te zien kregen. Des te geduchter, verhevener en indrukwekkender
was echter het dof, sedert duizenden jaren onafgebroken donderend
ruischen en klateren. Reeds heeft het geweld des waters de kalkrots
tot anderhalve mijl lengte, een half uur breedte en 500 tot 600 voet
diepte weggeschuurd. Van hier begaven wij ons in de nabijheid en
op de hoogte der wereldberoemde vallen. De eerste paar mijlen van
het Eriemeer is de Niagara ongeveer 300 M. breed, en diep genoeg om
negen tot tien voet diep gaande vaartuigen te dragen; doch de stroom
is uiterst onregelmatig en snel, en het vaarwater door de talrijke
klippen zoo gevaarlijk, dat slechts vaartuigen met vlakken bodem er
zich op wagen kunnen. Verder benedenwaarts verbreedt zich de rivier
en vloeit het water, alhoewel de stroom zeer sterk is, vrij effen en
zacht voort. Zoo vervolgt de rivier rustig haar' loop tot aan het fort
Chippeway, dat nagenoeg drie mijlen boven de vallen ligt. Hier wordt
de bedding rotsachtig en het water door verschillende stroomingen in
geweldige beweging gebracht. De golven slaan hier met zoo vreeselijk
geweld tegen de rotsen, dat het gezicht alleen den toeschouwer eene
rilling aanjaagt. Het water is intusschen slechts aan de beide
zijden der rivier zoo bewogen; in het midden is de branding niet
zoo gevaarlijk, of goed bestuurde booten kunnen een eiland naderen,
dat de rivier bij de vallen zelve in tweeën deelt.
De stroom wringt zich bij het naderen der vallen met verdubbelde
onstuimigheid tusschen de rotsen door, bereikt eindelijk den rand
des schrikwekkenden afgronds en stort, zonder door rotsen opgehouden
te worden, in de diepte neer. De breedte der vallen is aanmerkelijk
grooter dan die der rivier, een weinig beneden hare neerploffing
gemeten. Men kan hieruit zien, dat de stroom zich niet in zijn
geheel en ongebroken neerstort; maar dat hij zich in drie vallen,
de een naast den ander, verdeelt. De geweldigste daarvan is aan den
noordwestelijken of Britschen oever en wordt de groote of Hoefijzersval
genoemd. De lengte van dezen val is slechts 142 voet, terwijl die
der beide andere op 160 voet geschat wordt. Daar de bedding hier
lager is dan aan de andere zijde, zoo neemt verreweg het grootste
gedeelte des waters zijn' weg door deze zijde en stort met vreeselijk
geweld naar beneden. 't Is ook uit het midden van den Hoefijzersval,
dat de verbazende dampwolk opstijgt, die op verren afstand gezien
kan worden. De uitgestrektheid van dezen val kan slechts met het oog
gemeten worden. Men houdt het er algemeen voor, dat hij niet minder
dan 500 M. in de monding heeft. De breedte van het eiland, dat dezen
val van den naasten scheidt, wordt op 350 M. geschat. De tweede val is
omtrent 5 M., het dan volgend eiland 30 M. breed, en de derde val wordt
voor althans zoo breed gehouden als het gansche eiland. De gansche
uitgestrektheid der vallen is dus, de eilanden meegerekend, 1335 M.,
en de watermassa, die zich over de vallen neerstort, moet, volgens
tamelijk zekere berekeningen, 672,000 ton in iedere minuut bedragen.