Evenals de Oder, en bij ons in Nederland de Maas en de Waal, stroomt
ook de Weichsel tendeele door laag land, waar de omliggende streken
door hooge dijken tegen hare vloeden beschut moeten worden. Als
zulk een dijk doorbreekt, richten de wateren in wijden omtrek de
vreeselijkste verwoestingen aan. Doorgaans hebben zulke doorbraken
in het voorjaar en ten tijde van den ijsgang plaats. Met bezorgdheid
zien dus de omwoners van de Weichselmonden sterke ijsgangen te gemoet
en nemen alle mogelijke maatregelen, om doorbraken te verhoeden of
althans hunne have te redden. Reeds in Maart worden de vereischte
wachtposten op verschillende punten der dijken uitgezet en balken,
palen, takkebossen en zandzakken gereed gehouden. Soms echter zijn
alle voorzorgen nutteloos. De dijken kunnen de drukking der ontzettende
watermassa en het schuren der ijsschotsen, die wel vaak tot eene hoogte
van veertig voet op elkaar worden geschoven, niet weerstaan. Schuimend
en bruisend storten zich dan de geweldige water- en ijsmassa's over
de vruchtbare velden der vlakte uit. In allerijl moeten de menschen
op de zolders hunner woningen vluchten, om het naakte leven te
bergen. Maar het gebeurt ook wel, dat huizen, schuren, stallingen
en boomen, soms met den grond, waarop zij stonden, mee weggespoeld
worden en zelfs nog een' tijdlang in het water ronddrijven, voordat de
ijsschollen er tegen aanstooten en ze te gronde doen gaan. Ontzettend
is dan de toestand der bewoners van zulk een huis, als het drijvend
ijs het onmogelijk maakt, hun bijtijds met vaartuigjes te hulp te
komen. Slechts als bij toeval gelukt het soms, het leven, dat zich op
zulk een vlottenden dakstoel nog bevindt, aan den wissen ondergang
te ontrukken. In wilden warhoop ziet men planken, posten, huisraad,
meubelstukken, ontwortelde boomen op en tusschen de ijsschotsen met
razende snelheid voorbij drijven. Eene akelige vertooning is het,
als op een in snelle vaart meegevoerd ijsveld nog menschen om hulp
kermen, en men toch niets voor hen doen kan. Schrikwekkend is ook de
toestand van de mogelijk op een der dijken gevluchten, als boven en
beneden hen eene doorbraak ontstaat, als voor en achter hen de vloed
raast en nog alleen het stuk dijk, waarop zij staan, als een klein
eilandje opsteekt uit het water, waarin het elk oogenblik wegzinken
kan.--Niet alleen, dat zulke dijkbreuken al 't winterzaad ten volle
vernielen en talrijke menschen in armoede dompelen, maar daarbij ook
laten zij soms uitgestrekte landstreken zoo verzand achter, dat zij
eerst na jaren weer vrucht kunnen dragen.