XXV.

Il nous faut travailler tous, wij moeten allen werken (lett.: het

moet, dat....).

comme j'ai faim, wat heb ik een honger!

_en rentrant_ de l'école, _toen hij thuis kwam_ van school.

une bonne maladie, een goedaardige ziekte.

le dîner te guérira, het middagmaal zal je genezen.

il mangea _comme_ quatre, hij at _voor_ vier.

la faim disparut, de honger verdween.

maman préparait le thé, mama zette thee (letterlijk:

bereidde).

il s'était endormi, hij was ingeslapen.

ils faisaient beaucoup de zij maakten veel lawaai.

bruit,

ils jouaient au vent, zij speelden, dat het woei.

qui, _d'un_ bras, poussait, die, _met een_ arm, duwde.

il l'avait lancée, hij had ze (geworpen) geslingerd.

vous faites trop de bruit, jullie maakt te veel lawaai.

papa ne peut pas _se papa kan niet _uitrusten_.

reposer_,

_pendant_ un moment, _voor_ een oogenblik.

tranquille, rustig.

le bruit recommença, het leven begon opnieuw.

il faisait tant de vent, het woei zoo erg!

doucement, zachtjes.

papa se réveillera, papa zal wakker worden.

il ne se sera pas bien zal hij niet goed gerust hebben.

reposé,

ils s'amusaient si bien, zij hadden zoo'n pret.

nous dormons _la nuit_, wij slapen _'s nachts_.

fatigué, vermoeid of moe.

pour gagner de l'argent, om geld te verdienen.

ce manger, dit eten.

il faut de l'argent, men moet geld hebben.

allons, kom.

je vous apprendrai, ik zal je leeren.

une poésie sur cinq petits een versje van vijf mannetjes.

bonshommes,

je n'en ai guère, ik heb bijna niets.

comment faire? wat te doen?

savez-vous, weet je.

Entre Nous: Lectures françaises à l'usage des écoles primaires - I · 第 85 / 102 题