Voilà plus d'un an que la de moeder was nu al meer dan een jaar
mère était malade, ziek.
elle était couchée, zij lag te bed.
elle se levait pendant stond ze een uurtje op (letterlijk:
une heure, gedurende of voor een uur).
elle cousait, zij naaide.
c'était tout, dat was alles.
voilà pourquoi, dat was de reden waarom.
faire le ménage, de huishouding doen.
aider, helpen.
elle _n_'avait _que_ huit zij was _maar_ acht jaar.
ans,
elle avait été voir, zij had bezocht (letterlijk: zij was
geweest te zien).
apporter, brengen.
des fortifiants, versterkende middelen.
je dois aller à l'école, ik moet naar school.
les classes commencent, de school (letterlijk: de klassen)
begint.
Jean est déjà parti, Jan is al weg (letterlijk:
vertrokken).
j'ai dû retourner _chez ik moest terug (letterlijk: ik heb
nous_, moeten terugkeeren) _naar huis_.
pour en mettre une autre, om een andere aan te trekken.
c'était dommage, dat was jammer.
et _voilà que_ Ninette, en _nu_ moest N.
il faisait si froid, het was zoo koud.
elle rougit, zij kreeg een kleur (letterlijk:
zij kleurde).
dis au revoir, zeg goedendag (letterlijk: tot
weerziens).
ta nouvelle petite amie, je nieuw vriendinnetje.
qui avait bu, die opgedronken had.
partit à l'école, ging (letterlijk: vertrok) naar
school.
tu reviendras, je zult terugkomen of je komt terug.
n'est-ce pas, is 't niet?