VII.

Jean va _à_ la cuisine, Jan gaat _naar_ de keuken (zie opm.

bij III).

il _a mis_ le chapeau, hij _heeft_ den hoed _opgezet_.

est en train de peler des is aan 't appelen schillen.

pommes,

est en train de, is bezig met.

tiens, zoo of kijk.

vient chercher, komt halen.

peut-être, misschien.

un bout de ficelle, een eindje touw of een touwtje.

un bout, een eind, een stuk.

pourquoi faire, waarom (letterlijk: om wat te

doen).

bien difficile, zeer moeilijk.

le tiroir, de lade.

merci beaucoup, dank je wel.

et _voilà_ aussi, en _daar heb je_ ook (lett.

ziedaar).

_met_ dans sa poche, _steekt_ in zijn zak.

l'attache, bindt het, maakt het vast.

autour du poignet, om den pols.

autour de, om, rond om.

est attaché, is vastgebonden, vastgehecht.

retournent _chez la maman_, gaan _naar mama_ terug.

_bien des choses_ à Madame, _vele groeten_ aan Mevrouw.

Entre Nous: Lectures françaises à l'usage des écoles primaires - I · 第 67 / 102 题