Waarin verschillende zaken ter sprake komen gedurende den overtocht
van Singapora naar Hong-Kong.
Na dien dag ontmoetten Passepartout en de detective elkander vaak, maar
de inspecteur hield zich op een afstand van zijn reisgezel en moedigde
hem volstrekt niet tot spreken aan. Een of tweemaal zag hij Fogg; deze
vertoefde het liefst in de groote kajuit van de Ragoon, hetzij hij daar
mevrouw Aouda gezelschap hield of dat hij, volgens zijn onveranderlijke
gewoonte, whist speelde.
Wat Passepartout betreft, deze overpeinsde ernstig hoe het toch kwam,
dat Fix dezelfde reis deed als zijn meester. En waarlijk, men moest er
wel eenigszins verbaasd over staan. Deze vriendelijke heer, voor een
ieder even beleefd, en dien hij het eerst te Suez ontmoette, die zich
ook op de Mongolia had ingescheept, die te Bombay weer aan wal stapte,
waar hij zeide te wonen, en dien men nu weer op de Rangoon ontmoette,
om naar Hong-Kong te reizen, in één woord, die de reis van Fogg stap
voor stap volgde, was wel een onderwerp, de moeite waard om er over na
te denken.
Er bestond hier minst genomen een zonderling toeval. Wie kon die Fix
toch zijn? Passepartout was op het punt om zijn muilen er om te
verwedden—hij had ze nog zuinig bewaard—dat Fix op denzelfden tijd als
Fogg Hong-Kong, en waarschijnlijk wel met dezelfde mailboot, zou
verlaten.
Passepartout had er een eeuw over kunnen denken, zonder dat hij ooit
zou geraden hebben, met welke zending de inspecteur wel belast was.
Nooit zou hij kunnen gissen, dat Phileas Fogg vervolgd kon worden als
een dief, die een reis om de wereld maakt. Maar, daar de menschelijke
natuur meebrengt, dat men aan alles eene uitlegging wil geven, kwam
Passepartout eensklaps tot eene verklaring van de bestendige
tegenwoordigheid van Fix, en inderdaad zijne uitlegging was zeer
aannemelijk.
Volgens hem kon en moest Fix niemand anders zijn dan een agent, door de
leden van de Reform-club aangesteld, om Fogg overal na te gaan, ten
einde te zien of deze de reis om de wereld nauwkeurig en volgens het
overeengekomen reisplan volbracht.
„Dat is zoo; dat kan niet missen!” herhaalde de eerlijke knecht
onophoudelijk, trotsch op zijn doorzicht. „Hij is een spion, dien deze
heeren ons achterna zenden. Dat is toch onwaardig. Die eerlijke,
achtenswaardige Fogg! Hem door een spion te laten bespieden! Dat zal u
duur te staan komen, heeren der Reform-club.”
Passepartout besloot, hoe blijde hij ook met zijne ontdekking was, er
niets van aan zijn meester te zeggen, vreezende dat deze zich gekrenkt
zou gevoelen door het wantrouwen van zijn tegenpartij. Maar hij besloot
toch Fix eens bij gelegenheid uit te lachen, zonder zelfs iets te laten
ontglippen, dat hem compromitteeren kon.
Woensdag den 30sten October, des middags, stoomde de Rangoon de Straat
van Malakka binnen, die het schier-eiland van dien naam scheidt van
Sumatra. Bergachtige en steile, maar schilderachtig gelegen eilandjes,
benamen aan de reizigers het gezicht op het groote eiland. Den anderen
morgen, ten tien ure, had de Rangoon reeds een halven dag gewonnen op
den door het reglement bepaalden tijd, en liep zij de haven van
Singapore binnen, ten einde daar een voorraad steenkolen in te nemen.
Phileas Fogg schreef dit voordeel op zijn lijst van winst, en ditmaal
ging hij aan land, vergezeld van Aouda, die haar wensch te kennen had
gegeven om eenige uren te rijden.
Fix, wien elke daad van Fogg zeer verdacht voorkwam, volgde hem zonder
opgemerkt te worden. Een zekere angst kwelde hem onophoudelijk; hij
vreesde dat Fogg, als hij zich op niet-engelsch grondgebied bevond,
daar zou willen blijven; dan was de geheele zaak ongetwijfeld voor het
oogenblik verloren.
Passepartout lachte reeds bij voorbaat bij de gedachte hoe Fix daarin
te werk zou gaan; intusschen bracht hij zijn tijd door om zijn gewone
boodschappen te verrichten.
Het eiland Singapore is niet groot en ook niet indrukwekkend van
voorkomen. Het heeft geen bergen, althans geen steile. Toch is het in
al zijn eenvoud zeer bevallig. Het is een park doorsneden van tallooze
wegen. In een fraai rijtuig, bespannen met vurige paarden, die uit
Nieuw-Holland waren aangebracht, zaten Aouda en Fogg; zij reden door
een dicht palmbosch met prachtig gebladerte, hier en daar afgewisseld
door kruidnagelboomen, waarvan de vruchten gevormd zijn door den knop
zelven van de half ontloken bloemen. Hier neemt de peperstruik de
plaats in van de doornige heggen der europeesche velden; sagoboomen,
hooge varenkruiden met prachtige takken, wisselen deze tropische Flora
af; muskaatboomen, met hun schitterend gebladerte, vervulden de lucht
met een doordringenden geur. In het bosch ontbrak het niet aan vroolijk
dartelende apen en in het diepst der bosschen verscholen zich de
tijgers. Hem wien het soms mocht verwonderen, dat deze roofdieren op
dit betrekkelijk kleine eiland nog niet tot het laatste toe verdreven
zijn, zal men antwoorden dat zij van Malakka komen, door de straat over
te zwemmen.
Toen Aouda en Fogg een paar uren door dit landschap gereden hadden,
keerden zij in de stad terug, die bestaat uit een hoop zware en lage
huizen, allen met prachtige tuinen, waarin mangostanen, ananassen en
andere van de schoonste vruchten der wereld groeien.
Ten tien ure kwamen zij weer op de mailboot, gevolgd, zonder dat zij
het wisten, door den inspecteur, die ook in de kosten van een rijtuig
had moeten vervallen.
Passepartout wachtte hen op het dek van de Rangoon. De zorgende knecht
had eenige mangoestanen gekocht, een vrucht welke de grootte heeft van
een gewonen appel, die van buiten bruin, en van binnen vuurrood is, en
wier witte pit, welke tusschen de lippen smelt, voor de ware
liefhebbers een onvergelijkelijk genot oplevert. Hij was zeer in zijn
schik dat hij deze aan Aouda kon geven, die er hem recht vriendelijk
voor bedankte.
Ten elf ure had de Rangoon hare lading steenkolen ingenomen en lichtte
het anker. Eenige uren later verloren de reizigers de hooge bergen van
Malakka uit het gezicht, welks bosschen de prachtigste tijgers tot een
schuilplaats verstrekken.
Singapore is ongeveer dertien honderd mijlen verwijderd van Hong-Kong,
een klein eiland op de chineesche kust, dat aan Engeland behoort.
Phileas Fogg moest dien afstand is zes dagen afleggen, ten einde den
6en November te Hong-Kong te zijn om van daar met de boot naar
Yokohama, een van de grootste japansche havens, te komen.
De Rangoon was zwaar geladen. Een aantal reizigers hadden zich te
Singapore ingescheept: Hindoes, Ceylaneezen, Chineezen, Maleiers,
Portugeezen, die voor het grootste gedeelte allen tweede klasse
reisden.
Tot nog toe had men vrij goed weder gehad, maar thans kwam er
verandering met het laatste kwartier der maan. De zee werd onstuimig.
Nu en dan stak de wind hevig op, maar gelukkig woei hij uit het
zuidwesten, zoodat de stoomboot nog sneller liep. Toen het weder
bedaarder werd, liet de kapitein de zeilen bijzetten. De Rangoon, als
een brik getuigd, stoomde dikwijls met haar beide marszeilen en haar
fok; zij ging dan ook veel sneller door den stoom en door den wind.
Zoodoende naderde men met een korten en soms zeer zwaren golfslag de
kust van Annam en Cochinchina.
Maar het was meer de schuld der Rangoon dan wel van de zee, dat bijna
alle passagiers zeeziek werden en op die wijze de reis moesten maken.
De schepen der Peninsular Company toch, die op de Chineesche zee dienst
doen, zijn allen zeer slecht gebouwd. De verhouding tusschen hun
diepgang en hun omvang is zeer slecht berekend, en hiervan is het
gevolg dat zij weinig weerstand aan de zee bieden en aan slingeren
onderhevig zijn.
Men moest nu, uithoofde van het slechte weder groote voorzorgen nemen,
en met halve kracht stoomen. Dit tijdverlies scheen Fogg volstrekt niet
te verontrusten, maar Passepartout was er zeer over uit zijn humeur.
Hij gaf de schuld aan den kapitein, aan den machinist, ja aan de
Compagnie, en wenschte een ieder naar de maan, die zich met het
transport van reizigers bemoeit. Misschien was het wel de gaskraan, die
altijd nog voor zijne rekening in Saville Row brandde, welke hem zulk
een haast deed maken om verder te komen.
„Gij hebt dus wel haast om te Hong-Kong te komen?” vroeg de detective
hem eens.
„Ja, ik ben er zeer verlangend naar,” antwoordde Passepartout.
„Meent gij dat mijnheer Fogg haast heeft de mailboot naar Yokohama te
nemen.”
„Ja, hij heeft ontzaglijk veel haast.”
„Gelooft ge dus nog aan die zonderlinge reis om de wereld?”
„Stellig. En gij, mijnheer Fix?”
„Ik? Neen, ik geloof er niet aan.”
„Grappenmaker!” zeide Passepartout, knipoogend.
Dit woord gaf aan den agent veel stof tot nadenken. Het verontrustte
hem, zonder te weten waarom. Zou de Franschman hem begrepen hebben? Hij
wist het niet. Maar dat hij detective was, dat wist hij zelf toch maar
alleen, hoe zou Passepartout dit hebben ontdekt? En toch, toen hij zoo
met hem sprak, had Passepartout eene nevengedachte. Op een anderen keer
ging de knecht zelfs nog verder; toen kon hij zijn tong niet meer
beheerschen.
„Zeg eens, mijnheer Fix,” vroeg hij aan zijn reisgezel, „als wij te
Hong-Kong zijn, zullen we dan uw aangenaam gezelschap moeten missen?”
„Wel,” antwoordde Fix, eenigszins verlegen, „misschien ... maar ik weet
nog niet. Misschien....”
„O,” zeide Passepartout, „als gij bij ons bleeft, zou het een waar
genot voor mij zijn. Een agent van de Peninsular Company blijft niet
onderweg steken. Gij gingt eerst maar tot Bombay, en waarlijk nu zijt
gij al in China! Amerika is niet ver meer, en van Amerika naar Europa
is maar een stapje!”
Fix keek den spreker strak aan, maar deze had het onschuldigste gezicht
van de wereld; hij achtte het daarom het best om maar met hem mee te
lachen. Passepartout echter, wiens tong nu los was, ging voort en
vroeg:
„Dat baantje geeft je zeker veel?”
„Zoo, zoo,” antwoordde Fix zonder blikken of blozen. „Er zijn goede en
kwade zaken. Maar gij begrijpt wel, dat ik niet voor mijn eigen kosten
reis.”
„O, ja, dat behoeft gij mij niet meer te zeggen!” riep Passepartout
lachend uit.
Toen dit gesprek geëindigd was, keerde Fix naar zijne hut terug om
alles nog eens te overpeinzen. De Franschman had zeker alles geraden.
Op de eene of andere manier was deze zijne betrekking als detective te
weten gekomen. Zou hij zijn meester hebben gewaarschuwd? Was
Passepartout Fogg’s medeplichtige? Was zijn voornemen ontdekt, en zou
hij het dus niet ten uitvoer kunnen brengen. De inspecteur bracht op
deze wijze eenige pijnlijke uren door, nu eens geloovende dat alles
verloren was, dan weer hopende dat Fogg nog van niets afwist, en ten
slotte wist hij niet wat hem te doen stond. Langzamerhand kwam hij weer
in zijn normalen toestand, en besloot hij om openhartig alles aan
Passepartout te vertellen. Zoo hij geen kans zag om Fogg te Hong-Kong
te arresteeren en zoo Fogg zich gereed maakte, thans voor het laatst,
om het engelsch grondgebied te verlaten, dan zou hij de geheele zaak
aan Passepartout mededeelen. Of de knecht was de medeplichtige van zijn
meester, en deze wist alles, in dat geval was zijn zaak geheel
verloren; óf de knecht wist niets van den gepleegden diefstal, dan was
het zijn belang om den dief aan zijn lot over te laten.
In dien toestand waren de beide mannen tegenover elkander geplaatst, en
boven hen stond Fogg in majestueuse onverschilligheid. Hij vervolgde
zijn loop om de wereld, zonder zich te bekommeren om de asteroïden, die
om hem wentelden. Toch was er in de nabijheid een ster die op het hart
van dezen gentleman wel eenige stoornis moest uitoefenen.
Maar neen! De bekoorlijkheden van Aouda schenen, tot groote
verwondering van Passepartout, volstrekt geen indruk of Fogg te maken,
en de afwijkingen van diens gewonen zielstoestand, zoo zij al
bestonden, waren moeielijker te berekenen dan die van Uranus, welke de
ontdekking van Neptunus ten gevolge had. Dit verbaasde dag aan dag
Passepartout, die in de oogen van de jonge vrouw zulk een gloed van
dankbaarheid las. Fogg had ongetwijfeld slechts een hart voor
heldhaftige feiten, maar verliefd, neen, dat kon hij niet wezen. Hij
scheen er in het geheel niet aan te denken eenige voorzorgen te
beramen, zoo de reis soms een anderen keer nemen mocht. Maar
Passepartout leefde in voortdurenden angst. Eens toen hij tegen de
balustrade van de machinekamer stond te leunen, en naar de ontzaglijke
machine keek, werd het schip door een heftige schommeling plotseling op
zijde geworpen. De stoom vloog uit alle kleppen.
„Deze kleppen zijn niet genoeg belast!” riep hij uit. „Men gaat niet
vooruit!—Kijk dat zijn die Engelschen weer! Als dit een amerikaansch
schip was, dan zou men misschien springen, maar in elk geval zouden wij
sneller vooruitkomen.”