ZESDE HOOFDSTUK.

Waarin de agent Fix een rechtmatig ongeduld aan den dag legt.

Het telegram omtrent Phileas Fogg kwam onder de volgende omstandigheden

in de wereld.

Woensdag den 9en October wachtte men te Suez ten elf ure de mailboot

Mongolia van de P. & O. Company, eene schroefboot metende twee duizend

achthonderd ton, en van vijf honderd paardenkrachten nominaal. De

Mongolia deed de reis geregeld van Brindisi naar Bombay door het kanaal

van Suez. Het was een der snelste schepen van de Compagnie, en de

reglementaire snelheid, namelijk 10 mijlen in het uur van Brindisi naar

Suez, en 9⅞ mijlen van Suez naar Bombay, had het nooit noodig gehad.

Twee heeren wachtten op de aankomst der Mongolia, te midden van de

inboorlingen en vreemdelingen, die in groote menigte deze stad

bezoeken, nog niet lang geleden slechts een dorpje, maar waaraan thans

het reuzenwerk van de Lesseps eene schoone toekomst voorspelt.

Een van deze twee heeren was de consulaire agent van het Vereenigde

Koninkrijk, te Suez gevestigd, en die—ten spijt van alle ongunstige

voorstellingen van het Britsche Gouvernement en van de sombere

beschouwingen van den ingenieur Stephenson—iederen dag toch de schepen

zag voorbijvaren, op deze wijze den ouden weg van Engeland naar Indië

om de Kaap de Goede Hoop tot de helft verkortende. De ander was een

klein mager man, met een slim, eenigszins zenuwachtig gelaat, die

onophoudelijk zijne wenkbrauwen fronste. Onder zijne lange wimpers zag

men zijne levendige oogen schitteren, maar hij bezat de kracht die te

temperen. Op dit oogenblik legde hij duidelijke blijken van ongeduld

aan den dag; hij liep heen en weder en kon geen minuut op dezelfde

plaats blijven staan.

Die man heette Fix. Hij was een van die detectives of engelsche

politie-agenten, welke naar de verschillende havens waren gezonden

nadat de diefstal aan de engelsche bank was gepleegd. Aan hem was het

opgedragen nauwkeurig toe te zien op al de reizigers, die den weg over

Suez namen en te onderzoeken of een van hen ook verdacht mocht zijn. In

dat geval moest hij diens spoor volgen, totdat hij in het bezit zou

wezen van eene volmacht om hem te arresteeren.

Juist twee dagen geleden had Fix van den directeur der londensche

politie het signalement ontvangen van den vermoedelijken dief. Het was

dat van den heer, dien men in het betaalkantoor van de engelsche bank

had gezien.

De detective, die blijkbaar zeer belust was op de aanzienlijke premie,

welke hem was toegezegd ingeval hij mocht slagen, wachtte dus met een

licht te verklaren ongeduld de aankomst der Mongolia.

„En gij zegt, mijnheer de consul,” vroeg hij wel voor de tiende maal,

„dat de boot niet lang meer weg kan blijven?”

„Neen, mijnheer Fix,” antwoordde de consul. „Zij was gisteren al lang

in het gezicht bij de haven van Port-Saïd en wat zijn honderd zestig

kilometers voor zulk een snelloopende boot? Ik verzeker u, dat de

Mongolia altijd den prijs van vijf en twintig pond verdiend heeft, dien

het Gouvernement heeft gesteld voor elke vier en twintig uren, die zij

binnen den bepaalden tijd aankomt.”

„Komt deze mailboot rechtstreeks van Brindisi?” vroeg Fix.

„Ja, van Brindisi, waar zij de post naar Indië heeft opgenomen, en dat

zij zaterdag ten tien uur verlaten heeft. Heb dus geduld, zij zal zoo

dadelijk komen; maar ik begrijp waarlijk niet hoe gij met het

signalement, dat ge nu hebt, uw man kunt herkennen, zoo hij al aan

boord van de Mongolia is.”

„Mijnheer de consul,” antwoordde Fix, „die menschen ruikt men meer dan

dat men ze wel herkent. Men moet ze ruiken, en de reuk is een bijzonder

zintuig, dat het gehoor en het gezicht steunt. Ik heb in mijn leven

verscheidene van die heeren ontmoet, en zoo de dief zich aan boord

bevindt, maak er dan gerust staat op, dat hij mij ook niet ontglippen

zal.”

„Ik help het u wenschen, mijnheer Fix, want het is een belangrijke

diefstal.”

„Een prachtige diefstal,” antwoordde de agent opgetogen. „Vijf en

vijftig duizend pond! Zulke buitenkansjes hebben wij niet dikwijls! De

dieven beteekenen tegenwoordig niet veel! Het ras der Sheppards sterft

uit! Men laat zich nu voor eenige shillings oppakken!”

„Mijnheer Fix,” antwoordde de consul, „gij praat er zoo zeker over, dat

ik van harte wensch dat gij slagen zult; maar ik geloof, dat in de

omstandigheden waarin gij verkeert, dit moeielijk gaan zal. Weet ge

wel, dat volgens het signalement, dat ge gekregen hebt, deze dief zeer

veel op een eerlijk man gelijkt?”

„Mijnheer de consul,” antwoordde de inspecteur van politie op

beslissenden toon, „de groote dieven gelijken altijd op eerlijke lui.

Gij begrijpt toch wel dat voor hen, die een schurkengezicht hebben,

slechts éen weg open staat, namelijk om eerlijk te blijven, anders

zouden zij ingerekend worden. De eerlijke gezichten zijn het, waarop

men vooral moet passen. Een moeielijk werk, ik beken het, en dat geen

handwerk is, maar eene kunst.”

Men ziet dat Fix niet zonder een weinig eigenwaan was. Onderwijl kwamen

er hoe langer hoe meer wandelaars op de kade. Het wemelde er van

zeelieden van verschillenden landaard, kooplieden, makelaars, kruiers

en fellahs. De mailboot kon blijkbaar ieder oogenblik aankomen.

Het weer was dien dag vrij mooi, doch nog al koud door den oostenwind.

Eenige minaretten staken boven de stad uit en werden verlicht door de

bleeke zonnestralen. Een havenhoofd van twee mijlen lengte strekte zich

ten zuiden als een arm van de reede van Suez uit. Vele visschersbooten

en kustvaarders zwierven op de golven der Roode Zee rond; in eenige

daarvan herkende men door hun sierlijken bouw nog het model der oude

galei.

Onder deze menigte rondwandelende, nam Fix, krachtens de gewoonte aan

zijne betrekking eigen, iedereen in het voorbijgaan op.

Het was juist half elf.

„Maar zij komt niet!” riep hij wanhopend uit, toen hij de klok hoorde

slaan.

„Zij kan niet ver meer af zijn,” antwoordde de consul.

„Hoe lang zou zij te Suez toeven?” vroeg Fix.

„Vier uren. Juist den tijd om kolen in te nemen. Van Suez naar Aden,

aan het uiteinde van de Roode Zee, is de afstand dertien honderd en

tien mijlen en moet men een voorraad van brandstoffen innemen.”

„En van Suez gaat deze boot rechtstreeks naar Bombay?”

„Rechtstreeks zonder ergens aan te leggen.”

„Welnu,” zeide Fix, „zoo de dief dezen weg en die boot heeft gekozen,

dan moet het zijn plan zijn om te Suez aan wal te gaan, ten einde langs

een anderen weg in een der hollandsche of fransche bezittingen in Azië

te komen. Hij zou in Indië niet veilig zijn, want dat is engelsch

grondgebied.”

„Als het ten minste geen schrander man is,” antwoordde de consul. „Een

engelsch misdadiger is altijd beter te Londen verborgen dan in den

vreemde.”

Na dit gezegde, dat stof tot veel nadenken gaf aan den inspecteur, ging

de consul naar zijn bureau niet ver van daar. Fix bleef alleen achter,

in een zeer zenuwachtigen toestand, en met het bepaald voorgevoel, dat

de dief zich aan boord der Mongolia moest bevinden. En waarlijk, zoo

deze schurk Engeland verlaten had met het plan om naar de Nieuwe Wereld

te gaan, moest de weg over Indië wel de voorkeur hebben boven de

Atlantische Zee, daar deze minder bewaakt werd of moeielijker te

bewaken was dan laatstgenoemde. Fix bleef niet lang aan zijne

overpeinzingen overgelaten. Een schril gefluit kondigde de nadering der

mailboot aan. Alle kruiers en fellahs haastten zich naar de

aanlegplaats, en er ontstond een gedrang, dat de ledematen en kleederen

der reizigers niet weinig in gevaar bracht. Een tiental bootjes

verlieten den oever om naar boord van het stoomschip te roeien.

Weldra zag men de reusachtige Mongolia tusschen de oevers van het

kanaal doorstoomen, en toen het elf uur sloeg, liet de stoomboot het

anker vallen, terwijl haar stoom met een groot gedruisch uit de pijpen

omhoog steeg.

Er waren tamelijk veel passagiers aan boord. Eenigen bleven op het dek

om het schilderachtige stadsgezicht te genieten, maar de meesten lieten

zich met de bootjes naar wal roeien.

Fix sloeg met de grootste aandacht ieder, die het schip verliet, gade.

Op dit oogenblik kwam er iemand, die op ruwe wijze de fellahs, welke

hem met hunne aanbiedingen overstelpten, van zich stootte, naar hem toe

en vroeg hem zeer beleefd of hij hem ook het bureel van den engelschen

consulairen agent kon aanwijzen. Hij liet hem te gelijk een paspoort

zien, waarop hij zonder twijfel verlangde dat men het engelsche visa

zou stellen.

Fix nam werktuigelijk het paspoort en met een vluchtigen blik las hij

het signalement. Een moeielijk te onderdrukken beweging maakte zich van

hem meester. Het papier trilde in zijn hand; het signalement op het

paspoort was volkomen hetzelfde als dat, hetwelk hij van den directeur

van politie uit de hoofdstad ontvangen had.

„Dit paspoort is niet van u?” zeide hij tot den reiziger.

„Neen,” antwoordde deze, „het is van mijn meester.”

„En uw meester?”

„Hij is aan boord gebleven.”

„Maar,” hernam de agent, „men moet zich altijd in persoon bij den agent

aanmelden, ten einde zijn identiteit te bewijzen.”

„Hoe zoo? is dat noodig?”

„Dat is noodzakelijk.”

„Waar is het bureel?”

„Daar op den hoek van het plein,” antwoordde de inspecteur, naar een

huis wijzende, dat niet meer dan tweehonderd schreden van hem

verwijderd was.

„Dan zal ik mijn meester gaan halen, die het intusschen volstrekt niet

aangenaam zal vinden om zoo gestoord te worden.”

Toen groette de reiziger Fix en ging weer naar de stoomboot terug.

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 7 / 39 题