Passepartout kwam boven

„Ik heb u tweemaal geroepen,” zeide Fogg.

„Maar het is nog geen twaalf uur,” antwoordde Passepartout, met de

lijst van werkzaamheden, die Fogg hem gegeven had, in de hand.

„Ik weet het,” hernam Fogg, „daarom maak ik er u geen verwijt van.

Binnen tien minuten vertrekken wij naar Dover en Calais.”

Een soort van grijns kwam er op het gezicht van den Franschman.

Blijkbaar had hij niet goed gehoord.

„Gaat mijnheer ergens anders wonen?” vroeg hij.

„Ja,” zeide zijn meester, „wij gaan een reis om de wereld maken.”

Passepartout, met de oogleden en wenkbrauwen opgetrokken, de armen slap

langs het lijf en het lichaam in elkander gezonken, was het uitgedrukte

beeld der stomme verbazing.

„Een reis om de wereld,” mompelde hij.

„In tachtig dagen,” antwoordde de heer Fogg. „Wij hebben dus geen

oogenblik te verliezen.”

„Maar de koffers?”—zeide Passepartout, zijn hoofd schuddende.

„Geen koffers, slechts een reiszak. Doe daarin twee wollen hemden en

drie paar kousen en hetzelfde voor u; onderweg koopen wij het overige.

Gij haalt mijn overjas en mijn reisplaid. Trek goede schoenen aan.

Intusschen wij zullen bijna niet loopen. Ga nu.”

Passepartout had willen antwoorden, maar hij kon niet. Hij verliet de

kamer van Fogg, ging naar de zijne, viel op een stoel neder, en

mompelde: Wel, wel, dat is me nu toch al sterk. En nu dacht ik zoo

rustig hier te zullen leven!

Werktuiglijk maakte hij zijne toebereidselen voor de reis, de reis om

de wereld in tachtig dagen! Had hij met een gek te doen? Neen ... het

was scherts! Men ging naar Dover, goed. Naar Calais, best. Dat deed den

goeden jongen, die sedert vijf jaar den vaderlandschen bodem niet had

gedrukt, zelfs genoegen. Men zou misschien zelfs naar Parijs gaan;

welnu, hij zou deze groote hoofdstad met genoegen terug zien. Zeker zou

een gentleman, die zoo weinig van loopen hield, daar blijven. Ja,

ongetwijfeld, maar het was minder zeker, dat die gentleman, die tot nu

toe altijd zoo huisvast was, op reis ging, dat hij zich ging

verplaatsen.

Om acht uur had Passepartout het eenvoudig valies gereed gemaakt, dat

zijn goed en dat van zijn meester bevatte, en verliet, nog half in

verwarring zijn kamer, waarvan hij de deur zorgvuldig sloot. Hij kwam

nu weder bij Fogg.

Fogg was ook klaar. Onder den arm droeg hij Bradshaw’s continental

railway-steam-transit and general guide, die alle mogelijke noodige

inlichtingen voor de reis bevatte. Hij nam het valies uit de handen van

Passepartout, opende het en deed er een lias banknoten in, die in alle

landen ter wereld worden aangenomen.

„Gij hebt dus niets vergeten?” vroeg hij.

„Niets, mijnheer.”

„Mijn jas en mijn plaid.”

„Hier zijn ze.”

„Goed zoo, neem nu het valies maar op.” Fogg gaf zijn valies aan

Passepartout.

„Draag er goed zorg voor, want er zit twintig duizend pond sterling

in.”

Het had weinig gescheeld of het valies was uit Passepartouts handen

gevallen, alsof de twintig duizend pond sterling in goud waren en

daarvan het gewicht hadden.

Toen gingen Fogg en zijn bediende naar beneden en de huisdeur werd op

het nachtslot gedaan.

Rijtuigen stonden aan het einde van Saville Row. Phileas Fogg en zijn

bediende namen een cab en reden zoo snel mogelijk naar het station van

Charing-Cross, waarop een van de takken van den Ooster-spoorweg

uitloopt.

Acht uur twintig minuten hield de cab op vóor het hek van het station.

Passepartout sprong er uit. Zijn meester volgde hem en betaalde den

koetsier.

Op hetzelfde oogenblik naderde eene arme vrouw met een kind aan de

hand. Zij liep barrevoets. Haar hoofddeksel was een verflenste hoed,

waarvan een armzalige veer afhing; eene shawl in flarden bedekte hare

gescheurde plunje. Zij wendde zich tot Phileas Fogg en vroeg een

aalmoes.

Fogg gaf haar de twintig guinea’s, die hij aan de whisttafel gewonnen

had.

„Daar, goede vrouw,” zeide hij, „ik ben blij dat ik u ontmoet heb.”

Daarop ging hij verder.

Passepartont voelde zijne oogen vochtig worden. Zijn meester steeg

hooger in zijne achting.

Fogg en zijn bediende gingen terstond naar de wachtkamer. Hier liet

Fogg Passepartout twee kaartjes eerste klasse voor Parijs nemen. Toen

hij zich omkeerde, zag hij zijn vijf collega’s van de Reform-club.

„Mijne heeren,” zeide hij, „ik ga vertrekken, de verschillende visa

zullen u in staat stellen om bij mijne terugkomst mijne reis na te

gaan.”

„O, mijnheer Fogg, zeide Ralph Gauthier beleefd, „dat is onnoodig. Wij

vertrouwen op uw eer van gentleman!”

„Maar zoo is het toch beter,” antwoordde Phileas Fogg.

„Gij vergeet niet, dat ge terug moet zijn?...” merkte Andrew Stuart

aan.

„In tachtig dagen,” antwoordde Fogg; „zaterdag 21 December 1872, ’s

avonds kwart voor negen.”

„Tot wederziens, mijne heeren!”

Om kwart voor negen namen Phileas Fogg en zijn bediende plaats in

denzelfden waggon. Vijf minuten later hoorde men een schel fluitje en

de trein zette zich in beweging.

Het was een stikdonkere nacht. Er viel een fijne motregen en het

regende gestadig door. Phileas Fogg zat in zijn hoek gedoken en sprak

geen woord. Passepartout, nog eenigszins onthutst, drukte onwillekeurig

het valies met banknooten stijf tegen zich aan.

Maar de trein had Sydenham nog niet gepasseerd, of Passepartout uitte

een kreet van wanhoop.

„Wat is er?” vroeg Fogg.

„Ik heb ... in mijne gejaagdheid ... in mijn ... iets vergeten....”

„Wat?”

„Om de gaskraan in mijne kamer uit te draaien!”

„Zoo vriend,” antwoordde Fogg koel, „dan brandt die voor uwe rekening!”

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 5 / 39 题