De jonge baron Adriaan lag in het groote bed van zijn ouders, bleek en
onbewegelijk. Als men den vinger op den pols legde, kon men voelen dat
het bloed nog stroomde, maar bijna onmerkbaar. Hij was niet weer tot
bewustheid gekomen na die diepe flauwte, maar ’t leven was nog niet
uitgebluscht.
Een dokter was er niet in de gemeente Bro; maar een knecht was naar
Karlsbad gereden om vier uur in den morgen, om een te zoeken. ’t Was
een reis van zes mijl en als de dokter thuis was en uit de stad wilde
gaan, kon men hem op zijn snelst over twaalf uur verwachten. Maar men
moest er op voorbereid zijn, dat het ook wel een of twee dagen kon
duren, eer hij kwam.
Baronesse Löwensköld zat aan den kant van het bed en wendde haar oogen
niet af van ’t gezicht van haar zoon. Ze scheen te meenen, dat de
zwakke levensvonk niet gebluscht zou worden, als ze daar onafgebroken
zat te waken en de wacht te houden.
De baron zat soms aan de andere zij; maar hij kon zich niet stil
houden. Hij nam een van de slappe handen tusschen de zijnen en voelde
den pols; hij liep naar het venster en keek langs den weg; hij ging
door de kamers om op de klok in de zaal te kijken. Ook antwoordde hij
op de dringende vragen, die te lezen stonden in de oogen van zijn
dochters en de gouvernante, met een hoofdschudden en ging weer terug
naar de ziekenkamer.
Daar mocht niemand anders binnen komen dan Juffrouw Spaak. De dochters
niet, ook geen van de meisjes, alleen Juffrouw Spaak. Ze had de juiste
manier van loopen, de juiste toon van stem, zij paste in een
ziekenkamer.
Juffrouw Spaak was midden in den nacht wakker geworden van ’t roepen
van Adriaan. Toen ze dadelijk daarna den zwaren val hoorde, was ze
opgevlogen. Ze trok vlug haar kleeren aan; ze wist zelf niet hoe; maar
’t was een van haar wijze vaste regels, dat men nooit ongekleed uit
zijn kamer moet loopen, want dan kan men niet helpen. In de zaal was
zij de barones tegengekomen, die hulp was gaan roepen, en toen had zij
met de ouders Adriaan opgelicht en in ’t groote bed gelegd. Eerst
meenden ze alle drie, dat hij al dood was; maar toen had Juffrouw Spaak
een kleine beweging van den pols gevoeld.
Ze hadden enkele pogingen aangewend om hem weer bij te brengen; maar
het levensvonkje was uiterst zwak en scheen bij al wat ze probeerden,
in kracht af te nemen. Toen werden ze moedeloos en durfden niets meer
probeeren. Er bleef niet anders over dan te zitten wachten.
De barones vond het prettig Juffrouw Spaak in de kamer te hebben, omdat
ze heel kalm was en er volkomen zeker van scheen, dat Adriaan gauw weer
bij zou komen. Ze liet Juffrouw Spaak zich met haar bezig houden, haar
’t haar kammen en de schoenen aantrekken. Toen zij de kleeren aan moest
doen, moest ze opstaan, maar zij liet aan Juffrouw Spaak over haken en
knoopen vast te maken en wendde de oogen niet van het gezicht van haar
zoon af.
Juffrouw Spaak kwam bij haar binnen met een kop koffie en bracht er
haar toe met vriendelijk aandringen, dien uit te drinken.
De barones had een gevoel, alsof Juffrouw Spaak altijd door bij haar
was. Maar zij was ook in de keuken en zag toe, dat allen op den gewonen
tijd hun eten kregen. Zij vergat niets. Ze was doodsbleek, maar ze deed
haar werk. ’t Ontbijt voor de familie kwam op tijd op tafel en de
herdersjongen kreeg zijn etenszakje mee, toen hij met de koeien
uittrok.
In de keuken vroegen de dienstboden wat er toch met den jongen baron
was gebeurd, en zij antwoordde, dat hij bij zijn ouders was komen
binnenvliegen en iets van den Generaal had geroepen. Toen was hij flauw
gevallen en nu was het onmogelijk hem weer bij te brengen.
„’t Is toch zeker, dat de Generaal zich aan hem heeft vertoond,” zei ’t
keukenmeisje.
„Is het niet vreemd, dat hij zoo bar tegen iemand van zijn eigen
familie is?” vroeg het kamermeisje verwonderd.
„Och, hij verloor zeker zijn geduld. Ze deden immers niet anders dan om
hem lachen. Hij wou zeker zijn ring terug hebben.”
„Je denkt toch niet, dat zijn ring hier op Hedeby is?” zei het
kamermeisje. „Hij is in staat het huis boven ons hoofd in brand te
steken, om hem te krijgen.”
„Zeker is die hier in een of anderen hoek,” zei het keukenmeisje.
„Anders zou hij toch niet altijd door hier op de hoeve rondzwerven.”
Juffrouw Spaak maakte dien dag een uitzondering op haar goeden regel om
niet te luisteren naar wat de dienstboden over hun volk hadden te
zeggen.
„Wat is dat voor een ring, waar jelui over spreekt?” vroeg zij.
„Weet de juffrouw dan niet, dat de Generaal hier naar zijn zegelring
loopt te zoeken?” zei het keukenmeisje, dat blij was met haar vraag.
Zij en het kamermeisje brachten Juffrouw Spaak op de hoogte van de
geschiedenis van de grafplundering en het Godsoordeel, en toen zij
alles gehoord had, twijfelde zij er geen oogenblik aan, dat de ring op
een of andere manier naar Hedeby was gekomen en daar ergens verborgen
was.
Een rilling ging Juffrouw Spaak door de leden, ongeveer als toen zij
voor ’t eerst den Generaal op de zoldertrap had ontmoet. Dat was het
juist, waar zij altijd door bang voor was geweest. Ze wist nu hoe wreed
en onbarmhartig dat spook kon wezen. Het was voor haar nu absoluut
zeker, dat wanneer hij zijn ring niet terug kreeg, baron Adriaan
sterven moest.
Maar nauwelijks was zij tot deze conclusie gekomen of zij, resoluut als
ze was, zag in wat er nu gedaan moest worden. Als die verschrikkelijke
ring op Hedeby was, moest men hem toch kunnen vinden.
Zij ging even naar ’t hoofdgebouw, keek even in de ziekenkamer, waar
alles nog hetzelfde was, liep vlug de zoldertrap op en maakte het bed
op in Adriaan’s kamer, zoodat het daar in orde zou zijn, tegen den
tijd, dat hij beter werd en daarheen zou worden gebracht. Toen ging ze
naar de freules en de gouvernante, die verschrikt bijeenzaten en niet
in staat waren iets te doen. Ze zei haar zooveel van wat zij had
gehoord, dat zij wisten, waar het om ging, en vroeg haar of ze niet
wilden helpen zoeken naar den ring.
Ja, daar waren ze dadelijk toe bereid. De freules en de gouvernante
namen op zich het huis te doorzoeken, in de kamers en de
zolderkamertjes. Juffrouw Spaak zelf ging naar den keukenvleugel en
bracht alle meisjes op de hoeve in beweging.
„De Generaal vertoont zich even vaak in de keuken, als in ’t groote
huis”, dacht zij. „Er is iets, dat mij zegt, dat de ring hier wezen
moet.”
Zij keerden alles onderste boven wat in de keuken en de provisiekamer
was, wat er te vinden was in de bakkerij en de brouwerij. Ze zochten in
spleten in den muur en in de haarden en voelden zelfs in de rattegaten.
Onder dit alles vergat ze niet, telkens gauw over de plaats te loopen
en even in de ziekenkamer te kijken. Bij een van haar bezoeken vond zij
de barones schreiend neerzitten. „Hij is erger!” zeide zij. „Ik geloof,
dat hij stervende is.”
Juffrouw Spaak boog zich voorover, nam Adriaan’s krachtelooze hand in
de hare en voelde zijn pols. „Welneen, Mevrouw,” zei ze, „hij is niet
erger, eerder wat beter!”
Het gelukte haar de huismoeder gerust te stellen; maar zelf was ze
innerlijk wanhopend. Stel je voor, dat de jonge baron stierf, vóór zij
den ring gevonden had!
In haar angst vergat ze een oogenblik op zich zelf te letten. Toen ze
Adriaan’s hand neerlegde, streek zij er even liefkoozend met de hare
over. Zelf wist ze het bijna niet, maar de barones merkte het op.
„Mon dieu!” dacht ze, „arm kind, staan de zaken zóó? Misschien moest ik
haar zeggen..... Maar dat doet er niet toe, als we hem maar behouden
mogen. De Generaal is boos op hem, en hij op wien de Generaal boos is,
moet sterven.”
Toen Juffrouw Spaak in de keuken terugkwam, vroeg zij de meisjes of er
niet in den omtrek iemand was, die men gewoonlijk bij zulk een ongeluk
liet halen. Of moest men altijd wachten tot de dokter kwam?
Ja, andere menschen zonden om Marit Eriksdochter in Olsby, als iemand
wat overkomen was. Zij kon bloed stelpen, en gebroken gewrichten
zetten. En zij zou baron Adriaan wel uit den doodsslaap kunnen wekken;
maar naar Hedeby wilde ze hoogstwaarschijnlijk niet komen.
Terwijl ’t kamermeisje en Juffrouw Spaak over Marit Eriksdochter
spraken, stond het keukenmeisje boven op een trap en keek op de hooge
plank, waar eens de weggeraakte zilveren lepels waren gevonden.
„Ach!” riep zij uit, „Daar vind ik iets, wat ik al lang gezocht heb.
Hier ligt zoowaar baron Adriaan’s oude muts.”
Juffrouw Spaak was ontzet! Hoe moest het er wel in de keuken hebben
uitgezien, vóór zij op Hedeby kwam! Hoe kon de muts van baron Adriaan
hierheen gekomen zijn?
„Dat is zoo wonderlijk niet,” zei ’t keukenmeisje. „Hij was er
uitgegroeid en hij gaf hem mij om er een paar panlappen van te maken.
Het is warempel goed, dat ik hem heb gevonden.”
Juffrouw Spaak nam haar snel de muts uit de hand. „’t Is zonde hem te
verknippen,” zei ze. „Je kunt hem nog aan een arm mensch geven.”
Dadelijk daarna nam ze de muts mee naar buiten en begon er het stof uit
te kloppen. Terwijl ze daarmee bezig was kwam de baron uit het groote
huis.
„We vinden, dat Adriaan erger wordt”, zei hij.
„Is er hier niemand in de buurt, die verstand van zieken genezen
heeft?” vroeg Juffrouw Spaak heel onschuldig.
„De meisjes praten over een vrouw, die Marit Eriksdochter heet.”
Het gezicht van den baron verstijfde.
„Natuurlijk zou ik niet aarzelen om mijn ergsten vijand te laten halen,
nu het om het leven van Adriaan gaat.” zei hij. „Maar dit zou niets
geven. Marit Eriksdochter komt niet naar Hedeby.”
Juffrouw Spaak durfde niet tegenspreken, toen ze dit antwoord kreeg. Ze
zocht den heelen keukenvleugel door, zorgde voor het middagmaal, en
kreeg zelfs gedaan, dat de barones iets at. De ring was niet gevonden
en Juffrouw Spaak herhaalde keer op keer in stilte; „Wij moeten den
ring vinden! De Generaal laat Adriaan sterven, als we zijn ring niet
terugbrengen.”
Na den middag ging Juffrouw Spaak op weg naar Olsby. Ze deed dat op
eigen verantwoording. De pols was zwakker geworden en de slagen kwamen
met langer tusschenpoozen, telkens als ze bij den zieke was geweest. Ze
had geen rust om op den dokter uit Karlsbad te wachten. Wel was het
meer dan waarschijnlijk, dat Marit „Neen” zou zeggen; maar Juffrouw
Spaak wilde geen middel onbeproefd laten.
Marit Eriksdochter zat op haar gewone plaats op den stoep van haar
huisje toen Juffrouw Spaak kwam. Zij had geen werk in de hand, maar zat
achterover geleund met gesloten oogen. Maar ze sliep niet; zij zag op,
toen Juffrouw Spaak aankwam en herkende haar dadelijk.
„Ah zoo!” zei ze. „Sturen ze nu om mij, van Hedeby?”
„Heeft Marit al gehoord hoe droevig het bij ons is?” vroeg Juffrouw
Spaak.
„Ja, dat heb ik gehoord,” antwoordde Marit, „en ik wil niet komen.”
Juffrouw Spaak antwoordde haar in ’t geheel niet. Een drukkende
hopeloosheid kwam over haar. Alles liep haar tegen, en dit was het
ergste van alles. Ze kon zien en hooren, dat Marit blij was. Ze had
zich daar op den stoep in het ongeluk zitten verheugen; zich er over
verheugd dat Adriaan Löwensköld sterven zou!
Tot hiertoe had het jonge meisje zich goed gehouden. Ze had niet
geschreid of geklaagd, toen ze Adriaan op den grond had zien liggen. Ze
had er alleen aan gedacht hoe ze hem en alle anderen helpen zou. Maar
Marit’s tegenstand brak haar kracht. Ze begon te schreien, heftig en
onbeheerscht. Ze strompelde naar den grauwen muur van een van de
bijgebouwen, leunde er met het voorhoofd tegen en schreide en snikte.
Marit boog zich wat voorover. Lang wendde ze de oogen niet van het arme
meisje af. „Ach! staan de zaken zoo?” dacht ze.
Maar op datzelfde oogenblik, dat Marit haar zat aan te zien, die tranen
van liefde schreide over hem, dien ze liefhad, gebeurde er iets in haar
eigen ziel.
Ze had een paar uur geleden gehoord, dat de Generaal aan Adriaan
verschenen was en hem bijna dood had laten schrikken. En ze had in zich
zelf gezegd, dat het uur van wraak eindelijk was gekomen. Daar had ze
jaren lang op gewacht, maar altijd te vergeefs. Ritmeester Löwensköld
was ten grave gedaald, zonder dat eenige straf hem had getroffen. Wel
had de Generaal op Hedeby loopen spoken, sinds zij er voor had gezorgd,
dat de ring daar kwam; maar het scheen alsof hij ’t niet over zijn hart
had kunnen verkrijgen zijn eigen familie met zijn gewone wreedheid te
vervolgen.
Maar nu was het ongeluk over hen gekomen, en nu kwamen ze haar om hulp
vragen! Waarom gingen ze niet liever naar de dooden op het galgenveld!
Het deed haar goed te zeggen: „Ik kom niet.” Dat was haar manier om
wraak te nemen.
Maar toen Marit dat jonge meisje daar zag staan schreien, met het hoofd
tegen den muur geleund, werd er een herinnering in haar wakker.
„Zie, daar heb ik ook staan schreien tegen dien harden muur geleund. Ik
had geen mensch om op te steunen.”
En op ’t zelfde oogenblik welde de bron van haar jeugdliefde op in
Marit’s hart, en vulde haar met haar warmen stoom. Ze zat daar
verwonderd en zei tegen zich zelf: „Zóó voelde ik dat in der tijd. Zóó
was het iemand lief te hebben, Zóó heerlijk en sterk was het!”
En ze zag voor haar oogen de jonge, vroolijke, sterke, heerlijke Paul
Eliasson. Ze herinnerde zich zijn oogen, zijn stem, heel zijn manier
van doen. Haar heele hart werd vol van hem.
Marit meende, dat ze hem altijd door had liefgehad, en dat had ze zeker
ook. Maar hoe waren niet haar gevoelens gedoofd in die lange jaren. Nu
in dit oogenblik brandde haar ziel weer met vollen gloed.
Maar tegelijkertijd dat de liefde weer in haar wakker werd, herinnerde
zij zich ook de vreeselijke pijn, die het doet, wanneer de mensch
iemand dien hij liefheeft, moet verliezen.
Marit zag naar Juffrouw Spaak, die daar maar steeds stond te schreien.
Nu wist Marit wat zij voelde. Een poos geleden was nog de koelte van de
jaren over haar geweest. Toen had zij vergeten hoe het vuur brandde; nu
herinnerde zij het zich. Zij wilde er niet de oorzaak van zijn, dat
iemand lijden zou wat zij zelf geleden had, en ze stond op en ging naar
Juffrouw Spaak toe.
„Kom! Ik zal met U mee gaan.” zei ze kortaf. Juffrouw Spaak kwam dus
terug op Hedeby met Marit Eriksdochter. Op den geheelen weg had Marit
geen woord gezegd. Juffrouw Spaak begreep later, dat zij er over had
loopen denken, hoe zij zou doen om den ring te vinden.
Zij ging met Marit regelrecht naar de groote deur en bracht haar in de
ziekenkamer. Daar was alles nog hetzelfde. Adriaan lag daar, mooi en
bleek, maar stil als een doode, en de barones zat daar onbewegelijk
naar hem te kijken.
Eerst toen Mant Eriksdochter bij het bed kwam, keek zij op.
Maar zoodra zij de vrouw had herkend, die daar naar haar zoon stond te
kijken, zonk zij voor haar neer op den vloer en legde haar gezicht
tegen haar rok.
„Marit, Marit!” zei ze. „Denk niet aan al het kwaad, wat de Löwensköld
je hebben gedaan. Help hem, Marit! Help hem!”
De boerenvrouw trok zich wat terug; maar de arme moeder sleepte zich op
de knieën voort, haar achterna.
„Je weet niet hoe bang ik ben geweest, zoodra de Generaal hier begon te
spoken. Ik ben al dien tijd bang geweest, en heb gewacht. Ik wist, dat
nu zijn toorn zich tegen ons zou keeren.”
Marit stond stil. Ze sloot de oogen en scheen in zich zelf verzonken.
Juffrouw Spaak was er zeker van, dat zij het prettig vond, de barones
over haar lijden te hooren praten.
„Ik heb naar je toe willen gaan, Marit, en voor je op de knieën vallen,
zooals ik nu doe en je smeeken de Löwenskölds te vergeven. Maar ik
durfde niet. Ik dacht, dat het onmogelijk voor je was te vergeven.”
„Dat moet Mevrouw de barones me niet vragen,” zei Marit. „Want het is
zoo: ik kan niet vergeven.”
„Maar nu ben je toch hier.”
„Ik ben gekomen ter wille van Juffrouw Spaak.... omdat zij het mij
vroeg.”
Met die woorden ging Marit naar de andere zijde van het bed. Ze legde
de hand op de borst van den zieke en mompelde een paar woorden.
Tegelijkertijd trok ze rimpels in haar voorhoofd, draaide met de oogen
en trok de lippen bij elkaar. Juffrouw Spaak vond, dat ze deed zooals
de „wijze vrouwen” gewoonlijk doen.
„Hij blijft wel in ’t leven,” zei Marit, „maar Mevrouw de barones mag
niet vergeten, dat het enkel en alleen om Juffrouw Spaak is, dat ik hem
help.”
„Ja, Marit,” antwoordde de barones, „dat zal ik nooit vergeten.”
Het kwam Juffrouw Spaak voor, alsof haar Meesteres nog iets had willen
zeggen; maar zij bedwong zich en drukte de lippen op elkaar.
„En nu moet Mevrouw mij laten begaan.”
„Je moogt alles doen wat je wilt, Marit. De baron is weg. Ik vroeg hem
den dokter te gemoet te rijden om hem te vragen zich te haasten.”
Juffrouw Spaak had verwacht, dat Marit Eriksdochter een poging zou doen
om den jongen baron bij te brengen, maar tot haar groote teleurstelling
deed ze niets in die richting.
In plaats daarvan beval Marit, dat men alle kleeren van baron Adriaan
bij elkaar zou leggen, die hij nu gedragen had en die hij vroeger had
aangehad, voor zoover ze nog te vinden waren. Ze wilde alles zien wat
hij gedragen had: kousen, hemden, wanten en mutsen.
Dien dag deed men op Hedeby niet anders dan zoeken. Hoewel Juffrouw
Spaak er over zuchtte, dat Marit niet anders was dan een gewone „wijze
vrouw”, met gewone tooverkunsten, haastte ze zich uit latafels en
kisten op zolders, in laden en kasten alles voor den dag te halen, wat
ooit aan den zieke had behoord. De jonge freules, die vrij goed wisten,
wat Adriaan had gebruikt, hielpen haar en ze kwam al gauw beneden bij
Marit met een heel pak kleeren.
Marit legde alles op de keukentafel en onderzocht ieder stuk
nauwkeurig. Een paar oude schoenen legde ze opzij, ook een paar kleine
wanten en een hemd. En onder de hand mompelde zij eentonig en
onophoudelijk: „Een paar voor de voeten, een paar voor de handen, een
voor het lichaam en een voor het hoofd.”
„Ik moet iets voor het hoofd hebben,” zei ze plotseling met haar gewone
stem. „Ik moet iets hebben, dat warm en zacht is.”
Juffrouw Spaak liet haar de hoeden en petten zien die ze bij elkaar had
gehaald.
„Neen, het moet iets zijn, dat warm en zacht is,” zei Marit. „Had baron
Adriaan niet een muts met een kwast zooals andere jongens?”.
Juffrouw Spaak wilde zeggen, dat ze zooiets niet gezien had, maar ’t
keukenmeisje voorkwam haar.
„Ik vond vanmorgen immers zijn oude muts op de plank daar; maar U hebt
me die uit de hand genomen.”
Zoo moest dan Juffrouw Spaak de muts voor den dag halen, die ze nooit
had willen afgeven, maar als een dierbare herinnering levenslang
bewaren.
Toen Marit de muts gekregen had, begon ze weer te mompelen; maar nu met
een ander geluid in de stem. Nu klonk het alsof een kat van genoegen
spint.
„Nu,” zei Marit, toen ze lang had staan mompelen over de muts en
intusschen die omgedraaid en ineen gewrongen had. „Nu is er niets meer
noodig. Maar dit alles moet in het graf van den Generaal worden
gelegd.”
Maar toen Juffrouw Spaak dit hoorde, werd zij heelemaal wanhopend. „Hoe
kan Marit nu denken, dat de baron het graf zal laten openmaken om
zulken ouden rommel als dit er in te leggen,” zei ze.
Marit zag haar aan en glimlachte even. Ze nam Juffrouw Spaak bij de
hand en trok haar mee naar een venster, zoodat ze met den rug naar alle
anderen, die in de keuken waren, gekeerd stonden. Toen hield ze de muts
van Adriaan voor de oogen van Juffrouw Spaak en trok met den vinger de
draden van den grooten kwast van elkaar.
Geen woord sprak ze en geen woord zei Juffrouw Spaak; maar ze was
doodsbleek, toen ze zich omkeerde en haar handen beefden.
Marit maakte een pakje van wat zij had uitgekozen en gaf dat aan
Juffrouw Spaak.
„Nu heb ik het mijne gedaan,” zei ze. „Nu is het jelui zaak te zorgen,
dat dit in het graf komt.”
En met die woorden ging zij heen.
Juffrouw Spaak ging naar het kerkhof, iets over tienen in den avond.
Zij had het pakje van Marit bij zich, maar verder was het een tocht op
goed geluk af. Hoe het haar zou gelukken die dingen in het graf van den
Generaal te krijgen—daar had ze geen flauw begrip van.
Baron Löwensköld was met den dokter komen aanrijden, onmiddellijk nadat
Marit was heengegaan, en Juffrouw Spaak had gehoopt, dat hij Adriaan
bij zou kunnen brengen, zonder dat zij zich verder met de zaak
bemoeide. Maar de dokter had dadelijk verklaard, dat hij niets kon
doen. Hij zei dat de jonge man nog maar enkele uren te leven had.
Toen had Juffrouw Spaak het pakje onder den arm genomen en was op weg
gegaan. Ze wist, dat het niet mogelijk zou zijn baron Löwensköld te
bewegen, den grafsteen te laten oplichten en het dichtgemetselde graf
openen, alleen om er een paar oude kleeren van baron Adriaan in te
leggen.
En als ze zei wat er werkelijk in ’t pak zat, was ze er zeker van, dat
hij onmiddellijk den ring aan den rechten eigenaar zou teruggeven; maar
daarmeê zou ze verraad tegenover Marit Eriksdochter hebben gepleegd.
Ze twijfelde er niet aan, dat Marit eens had gezorgd, dat de ring op
Hedeby was gekomen. Baron Adriaan had er iets van gezegd, dat Marit
eens zijn muts had gestopt. Neen, zij mocht den baron niet laten merken
hoe de zaak zich eigenlijk had toegedragen.
Juffrouw Spaak vond het zelf later wonderlijk, dat zij dien avond
heelemaal niet bang was geweest. Maar ze klom over den lagen kerkhofwal
en ging naar het graf van de Löwenskölds, zonder aan iets anders te
denken, dan aan de vraag hoe zij den ring daarin zou kunnen krijgen.
Ze ging op den grafsteen zitten en vouwde de handen in gebed. „Als God
mij niet helpt,” dacht ze, „zal het graf wel geopend worden, niet voor
den ring, maar voor iemand, dien ik eeuwig zal betreuren.”
Midden onder haar gebed merkte zij een lichte beweging in ’t gras, dat
den lagen grafheuvel, waarop de steen rustte, bedekte. Een klein kopje
kwam te voorschijn en ze deinsde terug. Want Juffrouw Spaak was even
bang voor ratten als de ratten voor haar waren. Maar dit gaf haar
onmiddellijk iets als een ingeving. Ze ging snel naar een groote
seringenstruik, brak een langen, dorren tak af en stak dien naar
beneden in het rattengat. Ze stak hem eerst recht naar beneden, maar
toen voelde ze dadelijk weerstand. Daarop probeerde ze hem schuin naar
beneden te steken en toen drong hij diep door in de richting van het
graf.
Ze was er verbaasd over hoe diep hij doordrong. De heele stok verdween.
Ze trok hem haastig weer naar boven en mat den stok aan haar arm. Die
was drie el lang en ze had hem in zijn volle lengte in de aarde
gestoken. De stok moest in den grafkelder zijn geweest.
Juffrouw Spaak was nooit in haar leven zoo helder en klaar in haar
hoofd geweest als op dit oogenblik. Ze begreep, dat de ratten zich een
weg tot in het graf hadden moeten banen. Misschien was er een gat in
den muur geweest of ook een steen in den muur was verweerd.
Ze ging op den grond liggen, rukte een graszode los, groef de losse
aarde daaronder weg en stak haar arm daarin. Ze kwam zonder bezwaar ver
naar beneden, maar nog niet tot den muur. De arm was niet lang genoeg.
Toen knoopte ze haastig het bundeltje kleeren los en nam er de muts
uit. Ze bond die aan den stok en probeerde dien langzaam in het gat te
steken. Al spoedig was hij verdwenen. Ze stak den stok al verder naar
beneden, even langzaam en voorzichtig, al verder en verder naar
beneden. En opeens, toen bijna de heele stok in den grond was gestoken
voelde zij, dat hij met een heftigen ruk uit haar hand werd getrokken.
Hij ging naar beneden en verdween.
’t Kon immers wel wezen, dat hij alleen door zijn eigen zwaarte was
gevallen; maar zij was er volkomen zeker van, dat die haar was
afgerukt.
En nu eindelijk werd ze bang! Ze nam al het andere, wat in het
bundeltje was en stopte het in het gat, legde de aarde en de graszode
weer terecht, zoo goed ze kon en liep hard weg. Ze liep eigenlijk niet;
maar holde den heelen weg lang naar Hedeby.
Toen ze de plaats opkwam, stonden de baron en de barones allebei op de
stoep. Ze kwamen haar levendig te gemoet.
„Waar is U geweest?” vroegen zij. „We hebben hier op U staan wachten.”
„Is baron Adriaan dood?” vroeg Juffrouw Spaak.
„Neen, hij is niet dood,” antwoordde de barones. „Maar zeg ons nu eerst
waar U is geweest.”
Juffrouw Spaak kon nauwelijks spreken door ’t hijgen; maar ze vertelde
van de opdracht, die Marit haar had gegeven, en zei, dat het haar was
gelukt ten minste één van die dingen door een rattengang in den
grafkelder te brengen.
„Dat is wel heel wonderlijk, Juffrouw Spaak,” zei de baron. „Want
Adriaan is werkelijk beter. Hij werd een poosje geleden wakker, en zijn
eerste woord was: „Nu heeft de Generaal zijn ring!”
„Zijn hart klopt weer gewoon,” zei de barones, „en hij wil U absoluut
spreken. Hij zegt, dat U het is, die hem hebt gered.”
Ze lieten Juffrouw Spaak alleen naar Adriaan gaan. Hij zat overeind in
bed en breidde de armen uit, toen hij haar zag.
„Ik weet het, ik weet het al!” riep hij uit. „De Generaal heeft zijn
ring en dat hebt U gedaan!”
Juffrouw Spaak schreide en lachte, toen ze in zijn armen lag en hij
haar op het voorhoofd kuste,
„Aan U heb ik mijn leven te danken,” zei hij. „Als U er niet was
geweest, zou ik nu dood zijn. Ik kan er U nooit genoeg voor danken.”
De verrukking, waarmee de jonge man haar had begroet, maakte misschien,
dat de arme Juffrouw Spaak wat al te lang in zijn armen bleef liggen.
Hij voegde er haastig aan toe:
„Niet alleen ik dank U, maar er is ook een ander, die U dankbaar wezen
zal.”
Hij liet haar een medaillon zien, dat hij aan een kettinkje om den hals
droeg. Juffrouw Spaak onderscheidde flauw een miniatuur-portret van een
jong meisje.
„U is de eerste na mijn ouders, die het hoort,” zei hij. „Als zij op
Hedeby komt over een paar weken, zal ze U nog beter danken, dan ik kan
doen.”
En Juffrouw Spaak maakte een kniks voor den jongen baron en dankte hem
voor zijn vertrouwen. Zij had hem willen zeggen, dat ze niet van plan
was op Hedeby te blijven om zijn verloofde te ontvangen.
Maar ze bedacht zich nog bijtijds. Een arm meisje moet er zich wel voor
wachten een goede betrekking op te geven.