X.

Adriaan Löwensköld lag te slapen in een kamer in den gevel op den

zolder, toen hij wakker werd door een licht gedruisch. Hij sloeg de

oogen op en omdat de luiken niet vast gesloten waren en ’t buiten een

lichte zomernacht was, zag hij duidelijk, dat de deur open gleed. Hij

meende, dat het door den wind kwam, maar zag toen de opening van de

deur gevuld worden door een donkere gestalte, die spiedend

voorovergebogen de kamer inkwam.

Adriaan onderscheidde vrij duidelijk een oud man in een ouderwetsch

ruiteruniform. Een wambuis van elandsvel was te zien onder den wat

losgeknoopten rok, de laarzen gingen tot over de knieën, en den langen

degen hield hij wat opgetild, als om dien niet te laten rammelen.

„Dat is zoowaar de Generaal,” dacht de jonge baron. „Dat is goed! Nu

zal hij iemand zien die niet bang voor hem is.”

Alle anderen, die den Generaal gezien hadden zeiden gewoonlijk, dat hij

verdween, zoodra ze hem aanzagen. Maar dit gebeurde dezen keer niet. De

Generaal bleef in de deur staan, nog lang nadat Adriaan hem ontdekt

had. Na ongeveer een minuut, toen hij er zeker van scheen te zijn, dat

Adriaan het kon verdragen hem te zien, hief hij de eene hand op en

wenkte hem.

Adriaan ging dadelijk overeind zitten in bed. „Nu of nooit,” dacht hij.

„Hij vraagt eindelijk mijn hulp, en ik zal ook met hem meegaan.”

Eigenlijk had hij jaren lang hierop gewacht. Hij had zich hierop

voorbereid en zijn moed gesterkt door er aan te denken. Hij had altijd

geweten, dat dit iets was, wat hij doormaken moest.

Hij wilde den Generaal niet laten wachten, maar volgde hem, zoo als hij

uit het bed gekomen was. Hij rukte alleen een laken naar zich toe en

sloeg dat om zich heen.

Eerst toen hij midden in de kamer stond, kwam hij op de gedachte, dat

het een gevaarlijk ding kon zijn, zich over te geven aan een wezen uit

de andere wereld, en hij deinsde terug. Maar toen zag hij hoe de

Generaal beide handen naar hem uitstak, als in een wanhopend smeeken.

„Wat is dat nu voor onzin!” dacht hij. „Moet ik bang worden nog vóór ik

de kamer uit ben?”

Hij ging naar de deur; de Generaal liep voor hem uit op den zolder,

maar liep aldoor achteruit, alsof hij er zich van wou overtuigen, dat

de jonge man hem volgde.

Toen Adriaan over den drempel moest gaan en de kamer verlaten om naar

buiten op den zolder te gaan, voelde hij weer een rilling van angst. Er

was iets, dat hem zei, dat hij de deur moest dichtslaan en snel naar

zijn bed teruggaan. Hij begon een voorgevoel te krijgen, dat hij zich

in zijn kracht had vergist. Hij was niet een van hen, die zonder schade

de oogen in de geheimen van de andere wereld konden slaan.

Toch had hij nog een beetje moed. Hij redeneerde met zich zelf en zei

dat de Generaal hem toch niet in een of ander gevaar zou willen lokken.

Hij wilde hem zeker alleen maar wijzen waar de ring was. Als hij nog

maar een paar minuten volhield, zou hij bereiken waar hij jaren lang

naar had verlangd en den vermoeiden zwerver terug kunnen zenden naar de

eeuwige rust.

De Generaal was midden op den zolder blijven staan om op hem te

wachten. Hier was het nog duisterder. maar Adriaan zag toch duidelijk

de donkere gestalte met de smeekend uitgestrekte handen. Hij vermande

zich, stapte over den drempel en de wandeling begon opnieuw.

Het spook trok zich terug naar de trap, en toen hij zag, dat Adriaan

achter hem aan kwam, begon hij naar beneden te gaan. Aldoor liep hij

achteruit, op iedere tree stil houdende en als ’t ware den aarzelenden

jongen man meesleepend door de macht van zijn wil.

’t Werd een langzame wandeling, die vaak werd onderbroken; maar toch

voortgezet. Adriaan trachtte zijn moed te bewaren door zich te

herinneren hoe vaak hij er tegenover zijn zusters mee had gepraald en

gezegd, dat hij den Generaal zou volgen, zoodra hij hem maar riep. Hij

herinnerde zich ook hoe hij al van zijn kindschheid af van verlangen

had gebrand om het onbekende uit te vorschen en in het afgeslotene door

te dringen. En nu was het groote oogenblik gekomen, nu volgde hij een

geest naar het onzekere. Zou zijn ellendige lafheid hem nu verhinderen

eindelijk iets te weten te komen?

Op deze wijze dwong hij zich vol te houden; maar hij wachtte zich er

voor dicht bij het spook te komen. Er bleef altijd een afstand van een

paar el tusschen hen. Toen Adriaan midden op de trap stond, was de

Generaal al beneden. Toen Adriaan op de onderste tree stond was de

Generaal al in het voorhuis.

Maar hier bleef Adriaan weer staan. Rechts, vlak bij de trap was de

deur van de slaapkamer van zijn ouders. Hij legde de hand op den knop

maar niet om die om te draaien, alleen om er liefderijk over te

strijken. Stel je voor! Als zijn ouders eens wisten, dat hij daar

buiten in dat gezelschap stond! Hij verlangde er naar zich in zijn

moeders armen te werpen. Hij had het gevoel, alsof hij zich volkomen

aan de macht van den Generaal overgaf, als hij dien deurknop losliet.

Terwijl hij daar nog stond met de hand op den knop, zag hij, dat een

van de deuren in ’t voorhuis open ging en dat de Generaal over den

drempel trad om naar buiten te gaan.

Het was vrij donker geweest op den zolder en op de trap; maar door de

open deur kwam een sterker licht naar binnen, en in dat licht zag

Adriaan voor ’t eerst het gezicht van den Generaal.

’t Was ’t gezicht van een oud man, zooals hij verwacht had. Hij

herkende het heel goed van de schilderij in den salon. Maar over de

trekken lag niet de rust van den dood; op dat gezicht lag woeste

begeerte, om den mond speelde een griezelige glimlach van triomf en de

zekerheid van te zullen overwinnen.

Maar dit, dat de aardsche hartstochten zich op een doode afspiegelden

was iets verschrikkelijks. Héél, héél ver van den lust en het lijden

der menschen willen wij ons denken, dat onze dooden verkeeren. Ver weg

van al het aardsche willen wij hen zien, alleen van hemelsche dingen

vervuld. In dit wezen, dat aan het aardsche hing, meende Adriaan een

verleider te zien, een booze geest, die hem in ’t verderf wilde

storten.

Hij werd door schrik overweldigd. In zinneloozen angst rukte hij de

deur van zijn ouders’ slaapkamer open, vloog naar binnen en riep:

„Vader! Moeder! de Generaal!”

En op hetzelfde oogenblik viel hij bewusteloos op den grond.

De pen valt uit mijn hand. Is het niet hopeloos te probeeren dit te

beschrijven? Mij is dit verhaal verteld in den schemer bij den haard.

Ik hoor nog die overtuigende stem. Ik voel de echte spokenrilling over

mijn rug gaan, de rilling, die niet alleen van schrik, maar ook van

verwachting komt.

Met welk een spanning luisterden we niet juist naar dit verhaal, omdat

het een slip van den sluier scheen op te lichten, die over het

onweetbare ligt. Wat een eigenaardige stemming liet die niet achter,

alsof er een deur geopend werd, alsof nu eindelijk iemand uit de groote

duisternis naar voren zou treden.

Wat is er van waar? De eene vertelster erfde het verhaal van de andere,

de eene deed er wat bij, de andere liet er wat af. Maar bevat ze niet

ten minste een kleine kern van waarheid? Maakt ze niet den indruk van

een beschrijving te zijn van iets, wat werkelijk is gebeurd?

De geest, die spookte op Hedeby, die op klaarlichten dag werd gezien,

die in den gang van het huishouden ingreep, die verloren dingen

terugbracht, wie was hij? Wat was hij?

Is er niet iets buitengewoon duidelijks en vasts in zijn optreden?

Onderscheidde hij zich niet van andere spoken op oude hoeven door een

zekere eigenaardigheid? Is het niet, alsof Juffrouw Spaak hem werkelijk

de appels tegen den wand in de zaal heeft hooren gooien, en alsof de

jonge baron Adriaan hem gevolgd is over den zolder en de zoldertrap af?

Maar als dat zoo is, als dat zoo is...... misschien kan een van hen,

die nu de werkelijkheid ziet, die daar ligt achter de werkelijkheid,

waarin we nu leven, het raadsel oplossen.

De groote betoovering · 第 11 / 13 题