Wie meent, dat de oorspronkelijke bewoners van Amerika nog slechts
voortleven in de boeken van Gustave Aimard, Helen Jackson en anderen,
moet, van Californië naar Chicago reizende of omgekeerd, zijn route
nemen door Arizona en Nieuw-Mexico, om van zijn dwaling te genezen. In
beide laatstgenoemde territories en in Zuid-Californië vindt men
nog zoovele Indianenstammen, die hun oude gewoonten, ceremoniën,
taal, kleeding enz. voor een groot deel onveranderd behouden hebben,
dat zij niet alleen voor den student in ethnologie, maar tevens voor
elkeen, die belang stelt in de ontwikkeling der menschheid, een breed
studieveld opleveren.
De Indianen moeten wel een verbazend conservatief volkje zijn, denkt
men onwillekeurig als men met hen in aanraking komt. Niettegenstaande
toch dat zij reeds eenige eeuwen lang met de Amerika bevolkende
Europeanen verkeeren en het Amerikaansche gouvernement geen poging
onbeproefd laat om hen, wat men noemt, te beschaven,--o.a. door
het stichten van scholen op zoodanige plaatsen, dat zij voor alle
Indianen toegankelijk zijn en waar de kinderen niet alleen kosteloos
onderricht, maar tevens kostelooze kleeding, voeding en huisvesting
ontvangen,--zijn zij toch in algemeene ontwikkeling slechts weinig
vooruitgegaan. Nog ziet men de gezichten van mannen en vrouwen van de
Mohave- en Apachestammen verschrikkelijk getatoeëerd en geverfd. Ik
zag ze, die het voorhoofd tot aan de wenkbrauwen en in het midden
tot over den neus met fijne gele strepen geverfd hadden, die op elke
wang een plak roode verf vertoonden en wier kin van af de mondhoeken
met donkerblauwe strepen getatoeëerd was. Daarbij bezitten bijna alle
Indianen een ongekend weelderigen haartooi, dik, grof, gitzwart haar,
dat bij bovengenoemde stammen meestal ongekamd, tot op hun heupen
hangt of met een gekleurde wollen of katoenen band omstrengeld,
van achter tot een knot bijeengehouden is.
Bij sommige stammen, o.a. de Hopi, dragen de meisjes het haar met veel
vet glanzend gemaakt, netjes aan weerskanten boven de ooren tot een
paar groote rollen opgerold tot zij gaan huwen en zoodra zij gehuwd
zijn, laten zij het haar, van vóór tot achter in tweeën gescheiden,
aan weerszijden los hangen.
Hoewel de roomsch-katholieke geestelijkheid reeds meer dan drie
eeuwen zich alle moeite getroost om deze natuurmenschen in den schoot
harer kerk op te nemen, hebben toch bijna alle stammen nog hun eigen
godsdienstige ceremoniën. Zij aanbidden de zon die alles doet groeien,
maar daarnaast--heel natuurlijk in een land waar water zoo zeldzaam is
en regen als een zegen beschouwd mag worden--aanbidden zij den god van
den regen. Voor dezen vooral richten zij jaarlijks groote feesten aan,
telkens door honderden en honderden toeristen bijgewoond. De meeste
stammen vieren die feesten in Augustus, September of October, feesten
die negen dagen duren, maar waarvan de laatste dag het eigenlijke
publieke vertoon oplevert en waaraan alle Indianen in zoo'n dorp,
mannen, vrouwen en kinderen, deelnemen. De acht eerste dagen zijn meer
de dagen van voorbereiding voor de priesters, waarvan de vreemdelingen
weinig merken. Maar de 9e dag, dan danst en zingt--eigenlijk is het
neuriën met nu en dan een uitval van een schreeuw--de heele bevolking
van den vroegen morgen tot den laten avond, ja, soms tot een stuk in
den nacht, en dan zijn zij getooid met al het moois dat zij bezitten
en dan komen de veeren ook weder voor den dag. Arendsveeren zijn de
meest gezochte, doch velen moeten het met gewone haneveeren doen.
Voorzoover de Indiaan in eigen kring blijft verkeeren, gebruikt hij
geen alcoholische dranken en hoewel dus dronkenschap op zoo'n feest
nooit voorkomt, schijnen toch de ceremoniën een zóó prikkelenden
invloed op velen hunner uit te oefenen, dat zij aan het eind van
den dag in een geestelijke opwinding verkeeren, die op dronkenschap
gelijkt.
Er bestaat in Amerika een wettelijk verbod, waarbij de verkoop van
sterken drank aan een Indiaan strafbaar is gesteld, maar deze wet
wordt door de drankverkoopers zoo brutaal overtreden, dat zij zonder
resultaat is. Maar de opperhoofden der verschillende stammen en hun
eigen priesters hebben het drinken van black water, zooals zij het
noemen, verboden en houden aan dit verbod streng de hand. Voorzoover
de Indianen in hunne dorpen--pueblo genaamd--wonen, drinken zij dan
ook niet; maar de Nomaden onder hen, zij, die het dorpsleven vaarwel
gezegd hebben en overal rondzwerven, zijn de slachtoffers van dit
brouwsel der verlichte en beschaafde menschheid.
Voor den wetenschappelijken onderzoeker is het natuurlijk noodig, dat
hij in de verschillende pueblo's eenige weken of maanden doorbrengt,
en zich eenigszins met de taal der verschillende stammen op de hoogte
stelt. Dit is niet zoo gemakkelijk, want onder hen zijn minstens
nog vier verschillende talen in gebruik, die zooveel van elkaar
verschillen, dat Indianen van verschillende taal sprekende stammen,
elkander niet verstaan. Ik zag zoo'n paar met geluiden en gebaren
zich onderling verstaanbaar maken.
De belangstellende toerist heeft evenwel niet zooveel moeilijkheden
te overwinnen om een algemeenen indruk te krijgen van het leven en
werken van deze menschen. Hij doet het best de reis in een gewonen
personentrein te maken, die in vele dier dorpen stil houdt en hier en
daar uit te stappen om een dag in zulk een pueblo door te brengen of
een bezoek af te leggen in andere verder van het spoor gelegene. In
de meeste dier dorpen woont wel de een of andere white man, die als
gids en tolk wil dienen.
Schilderachtig zien zulke dorpen er soms uit, wanneer hunne witte,
kalkmurige huizen op een kleine verhevenheid gebouwd, vroolijk door
de zon beschenen worden en de bontgekleede bevolking zich bedrijvig
daartusschen beweegt. Maar geriefelijk en gemakkelijk zijn die huizen
niet gebouwd. Zij dienden vroeger niet alleen voor woonplaats, maar
ook voor schuilplaats in de oorlogen tegen andere stammen en tegen de
white men. Vandaar dat de woningen bestaan uit vier meestal scheef
opgetrokken muren, zonder deur of vensters. Op het dak of meer nog
in een der muren boven bij het dak bevindt zich een langwerpig gat
van een halve manslengte ongeveer; dat is de opening waardoor men
de woning betreedt. Met een ladder,--en welk een ladder!!--klimt men
naar boven. In tijd van gevaar wordt deze ladder eenvoudig naar binnen
gehaald en dan kan geen sterveling de woning binnenkomen. Zulke huizen
bestaan soms uit twee en drie verdiepingen. Wil men nu naar een van
de bovenste étages, dan moet men eerst weder met behulp van de ladder
tot aan den top van die étage klimmen om door het gat naar binnen te
kunnen gaan.
Ik zal mij niet wagen aan een beschrijving van het interieur van
een Indianenwoning, want dat varieert zeer. Bij sommigen zag het er
inderdaad zindelijk uit.
Hun wintervoorraad maïs, eikels, aardappelen enz. lag netjes in
een hoek van het 2 à 3 meter hooge vertrek; de rustbanken, die voor
bedden dienen, stonden langs den muur op een rij, en bij sommigen
waren deze zelfs van een kussen met wit kussensloop voorzien. Maar bij
anderen geleek zoo'n vertrek meer op een verblijfplaats voor dieren
dan op een woning voor menschen. Een hoop dierenhuiden op den grond
diende als bed, stukken bloedig vleesch hingen aan de lage zoldering
en overal lag een hoop rommel, waarvoor geen naam te vinden is.
Terwijl ik moeite had zoo'n steile ladder, met zijn ver van elkaar
verwijderde sporten, te bestijgen om in een woning te komen en mijn
beide handen daarbij noodig had om mij vast te houden, zag ik de
vrouwen en meisjes van het dorp met een kruik water op het hoofd
en dikwijls een andere in de hand, waarmede zij van de bron terug
kwamen, vlug en ongehinderd naar boven klauteren en in de nauwe
opening verdwijnen. Die vrouwen en meisjes dragen nog bijna allen de
bonte kleeding van vroeger eeuwen, alhoewel hier en daar schoenen en
kousen de plaats van sandalen hebben ingenomen.
De arbeidsverdeeling tusschen de mannen en vrouwen is lang niet
dezelfde bij de verschillende stammen. Over het algemeen kan
men zeggen, dat de vrouwen het leeuwendeel van het werk doen, in
sommige dorpen zelfs al het werk. Voor den Europeesch beschaafden
mensch lijkt het vreemd, vrouwen te zien huizen bouwen en den zwaren
kleibak en groote steenen aan en afdragen, terwijl de mannen lui een
pijpje liggen te rooken; of een oude vrouw aan den zwaren weefstoel,
bezig een bonte deken te weven en den man met een breikous in de hand
naast haar. Maar er waren ook stammen, waarvan de mannen bedrijvig
op het land werkten, of waar de man de wever is en waar de vrouwen
't lichter werk verrichten. Doch bij welken stam men ook komt, overal
zal men de vrouwen het ijverigst aan den arbeid vinden. Pottenbakken
en beschilderen, mandenmaken, broodbakken, zelfs het bouwen der
woningen is overal het werk der vrouwen; met de kinderen om zich heen
en soms een kleintje op den rug, ziet men ze overal opgeruimd aan
het werk. Een moedertje droeg op den rug haar 5 dagen oud kindje,
waarvan zij het geheele gezichtje steenrood geverfd had, alsof het
niet genoeg was, dat het schaapje de rood-koperkleur van zijne ouders
vertoonde. Gelukkig voor de Indianenmoeders bestaan er onder hen nog
geen verbodsbepalingen die het gezonde werken aan vrouwen verbieden
en kunnen zij nog ongehinderd hare krachten ontwikkelen.
Over het algemeen genomen zijn de Indianen--ik heb hierbij alleen het
oog op de in pueblo's wonende--een goedhartig, vredelievend volk,
dat niets liever wenscht dan door het Amerikaansch gouvernement en
door de verschillende kooplieden en de geestelijkheid van diverse
kerkgenootschappen in vrede gelaten te worden. Door die drie invloeden
moeten zij verchristelijkt en beschaafd worden, maar dat kost hun
de rust en have en goed. Aan alle kanten worden zij geplukt en in
hunne bewegingen gekortwiekt. Dat er nu en dan een stam in opstand
komt en den boven hen gestelden Amerikaanschen agent vermoordt of
tracht te vermoorden, is niet te verwonderen, maar dit kost den armen
drommels dan meestal het leven of 't geheele dorp wordt verwoest
en de bevolking naar een verder afgelegen en nog onvruchtbaarder
stuk grond verdreven. Door al deze en nog vele andere invloeden van
buiten, gaat de Indiaansche bevolking in Amerika met rassche schreden
in aantal achteruit en het zal niet lang meer duren of zij zullen
geheel uitgestorven zijn.
Het deed mij goed toen ik bij mijn bezoek aan een Indianenschool
in Zuid-Californië met lof over de verhouding van de eerste
Hollandsche kolonisten en de Indianen hoorde gewagen. Het was aan het
Sherman-Instituut in Riverside, waar ik met een der onderwijzeressen,
zelve tot de Indianen behoorende, na afloop der les een zeer
interessant onderhoud had. Zij behoorde tot de Iroquois-Indianen,
den stam, die oorspronkelijk het oostelijk deel van Amerika bevolkte
en waarmede de eerste Nederlanders die in Amerika kwamen om er
handel te drijven of om er zich neder te zetten, in aanraking
kwamen. Het was in hun overlevering bekend, zoo vertelde zij mij,
dat de Hollanders hen altijd humaan behandeld hadden en eerlijken
handel met hen dreven. Sommige Hollanders huwden zelfs Indianenmeisjes
en behandelden haar op voet van gelijkheid. Zij deelde mij mede, dat
zij een boek geschreven had, 't geen dezen winter gepubliceerd wordt,
waarin zij de geschiedenis van haar stam beschrijft, voorzoover haar
die uit familiestukken en uit overlevering bekend is en waarin ook
de ontmoeting met de eerste Hollanders en de onderlinge verhouding
beschreven wordt. Zij is de dochter van het opperhoofd van haar stam
en van vader en moeder's kant beide, hebben hare voorouders steeds
tot de Indianenvorsten behoord. Zij en hare beide broeders waren in
New-York school gegaan en alle drie bekleeden zij een goede positie
in Gouvernementsdienst. Velen der Iroquois-Indianen hebben zich,
volgens haar, in de gewone Amerikaansche bevolking opgelost, doordat
zij er geen bezwaar in zagen met iemand buiten hun stam te huwen.