V.

„Hoe voel je je vandaag, kind?”

Ze zat gemakkelijk in een easy-chair. ’t Mooie kopje was bleek, maar de

lippen waren al weer rood, terugkeerende gezondheid.

„Goed, Max.... gelukkig!”

„Dan wou ’k eens ernstig met je spreken, Dora.... ’k heb er mee

gewacht, tot je bij krachten was.... Morgen moet ’t kind gedoopt

worden....”

„Zouden w’r maar liever niet over spreken, Max.... ’k Vin ’t zoo

pijnlijk.... ’k Ben er de schuld van, zonder m’n wil.... dat weet

je....”

„Herinner je je nog wa-’k je zei... dien dag toen...”

„Dat weet ’k...”

„Zonder jouw wil... is ’t tòch gebeurd... ’k heb ’t niet durven

weigeren.... ’k had dien dag in alles toegestemd.”

„An ’t gebeurde is nu toch niets meer te veranderen... wij blijven voor

elkander wat we geweest zijn...”

„Nee, Dora! Als ’t morgen doorgaat.... is er iets vreemds tusschen ons

gekomen... Dat mag niet! Dat wil ik niet!”

„Wil je niet?...”

„Dora... die dooping mag niet doorgaan!”

„Max!”

„’k Ben gedwongen! ’t Is me afgeperst! Je vader heeft schandelijk....”

... „Max, ik bid je!”

„’k Wìl ’t zeggen... ’t Weegt me als dieplood... Schandelijk heeft hij

partij getrokken van de omstandigheden... dat was ’n laagheid!”

„Max, ’k wil niet dat je zóó over m’n vader spreekt!”

„Is ’t niet waar?”

„Hij meende ’t goed.”

„Zeg jij dat?... Ben ik je dan vreemd geworden?”

„Toe Max, spreek zoo niet... Er is nu niets meer aan te veranderen!”

„Maar ik wil ’t veranderen! Geen van beiden hebben we ’t gewenscht! Als

die doop doorgaat, zal m’n eigen kind me hinderen!”

„Max! Max!”

„’k Wil niet dat m’n eenig ideaal zoo vertrapt wordt!”

Hij werd hoe langer hoe heftiger. Weggedoken in haar stoel keek ze hem

verwijtend aan. Ze had zich zoo behagelijk gevoeld in de laatste dagen,

zoo weelderig. Ze was weer omringd geweest door de familie, waarvan ze

een vol jaar gescheiden was, had over den doop van ’t kind niet

nagedacht in haar roes van tevredenheid, in den terugkeer harer

physieke kalmte. Ze was opgegaan, egoïst in haar kind, had met een

tinteling van genot de oude bekende gezichten om ’t kraambed gezien, en

nu stond hij voor haar, opgewonden, driftig, met ’n energie op z’n

gelaat, die haar angstig maakte. Zooals ze hem nu zag, met die trekken

gemarkeerd door toorn, vond ze hem leelijk, met ’n sterke gelijkenis op

z’n tante.... ’n geaccentueerd jodentype...

„Wat wou je doen?” vroeg ze eindelijk, hard, onaangenaam.

„An je vader schrijven da’k m’n woord verbreek!”

„Dat zul je niet, nooit!”

„Ik zal ’t, op m’n woord!”

„Als je dat doet... Nee je zult ’t niet. Je hebt zelf gezien hoe blij

hij met zijn kleinkind was...”

„Wil jij dan òok mijn zoon tegen me opzetten?”

„Je kunt je woord niet breken?”

„’k Làch om dat woord! Ons heele geluk staat op ’t spel!”

Langzaam wonden ze zich beiden op. Terwijl hij aan den eenen kant

voelde, dat ’t niet ridderlijk was de belofte te verbreken, bruiste aan

den anderen kant al zijn vrijzinnige denken, voelde hij dat de heele

bodem van zijn huwelijksgeluk door die ellendige storing onder hem

wegzonk. Daarbij kwam ’n haat tegen den ouden Daanders, die zich al die

dagen in zijn huis genesteld had met een vernederende, afgemeten

beleefdheid; die hem als ’n nul, als ’n iets, dat men dulden moet,

behandeld had. In Dora begon ’t driftige temperament van haar vader te

gisten. Met een trage willoosheid, overblijfsel van haar moeder worden,

klampte ze zich aan ’t heden vast, vergat ze den idealist, zag ze nu

alleen iemand van ’n ander geloof voor zich, iemand, die haar met

geweld uit ’n heerlijke rust wakker schudde.... Ze keerde hem korzelig

den rug toe.

.... „Dora, we hebben nog nooit getwist. ’k Heb je alles toegegeven,

maar de speelbal van je vader word ’k niet... ’k Schrijf hem nog

vandaag, dat jij, nòch ik dien doop willen, dat we d’r allebei tegen

zijn, da-’k ’t beloofd heb, toen jouw leven op ’t spel stond, dat hij

billijk moet zijn.... Alles, behalve dàt! ’k Heb ’t geschreven in ’n

halven waanzin.... ’k Wil geen vormendienst.... ’k wil ’t niet.... ’t

kind zou dan even goed jood kunnen worden.... ’k wil geen vormen....”

„Als je dàt schrijft, zou ’k....”

„Zwijg!.... Later zul je me gelijk geven, ’k Tree op voor ons beiden!”

„Je zult ’t niet doen!”.... Ze rees halverwegen op, rood van toorn.

„Dora, je kent me nog niet!”

„Nee, zoo iets ha-’k nooit van je gedacht!”

„Van mij gedacht? Van mij.... ’t is de streek van je vader”....

.... „’n Streek?”....

.... „’n Ignobele!”

„Wat jij gaat doen, is erger.... vuiler”....

„Dora!”

.... „Da’s woordbreken.... Da’s m’n vader bedriegen.... Da’s ’n

jodenstreek!” Verschrikt hield ze op.

„Wat zei je?” vroeg hij toonloos, ofschoon hij ’t—bitter, snijdend, als

’t gezegd werd—uitstekend verstaan had.

„Max!”

’t Klonk als ’n bede om vergiffenis. Even keek hij haar aan, met

groote, vreemde oogen. Toen ging hij heen.

Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen, keek machinaal naar

den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens oogen bezield geleefd

hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe. Sufferig, wezenloos

telde hij de nerven, de naden, dacht aan de weggeteerde hersenen, tikte

met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t gedempte echootjes gaf, dof

klotste, alsof er op de deur geklopt werd. Hij lachte even, schamper,

pijnlijk. Van de Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen,

keek machinaal naar den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens

oogen bezield geleefd hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe.

Sufferig, wezenloos telde hij de nerven, de naden, dacht aan de

weggeteerde hersenen, tikte met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t

gedempte echootjes gaf, dof klotste, alsof er op de deur geklopt werd.

Hij lachte even, schamper, pijnlijk. Van de drukke straat golfden

schaterende geluiden, uitbarstend leven, door ’t geopende venster naar

binnen. ’t Zonlicht viel in een schuinsche richting, met een speling

van stofjes, ’n bewegelijk fladderen van kleine atomen er in. Met een

hoofd, bonzend van drukkende pijn, bleef hij zitten. ’t Was of hij

hoorde lachen, ’n vreemde klank, ’n krijschend iets, aanzwellend tot

een galm, alsof de voegen van z’n hoofd kraakten.... De ontvleeschte

lippen van den doodskop gingen hooger op, ontblootend de gele

tanden.... Hi! Hi! Hi! Ho! Ho!.... Hortende stootjes knapten door de

beenen wanden; wild, kantig kraken; joelende pretjes,

jodelgilletjes.... Vuurballetjes glommen in de oogkassen.... Hi! Hi!

Hi!....

Toen stond hij op, lachte heesch mee.

Den volgenden dag werd het kind gedoopt.

Mei 1892.

'n Jodenstreek? · 第 6 / 7 题