IV.

Naarmate ’t tijdstip der bevalling naderde, greep er eene groote

verandering in Dora plaats, een verandering, die zich scherp op ’t

vermagerde gezichtje afspiegelde. Elken dag werd ze geagiteerder, met

buien van nerveuse prikkelbaarheid. Zonder ’t te laten blijken was de

jonge dokter in voortdurende onrust. De man van wetenschap, die zoo

dikwijls koelbloedig en zeker in ziektegevallen optrad, had nu

oogenblikken, dat hij al zijn weten verwenschte, dat hij zich de

akeligste complicatiën voor den geest haalde, zich ’t ergste

voorstelde. Dora’s opgewondenheid verontrustte hem. Ze had uren, dat ze

naar hem zat te luisteren en bij ’t doen van ’n vraag opschrikte, alsof

ze aan andere dingen dacht. Midden in ’n gesprek kon ze stil worden,

met droomerige oogen voor zich uitkijken en plotseling weer ontwaken,

met een vreemd iets over zich, alsof ze zich moest bezinnen, waar ze

was. Ze at weinig, klaagde over duizeligheden, schrikte van ’t

geringste geluid, kon driftig uitvallen over ’n kleinigheid en

murmureeren over nietigheden, dat Max dikwijls ineenkromp van

medelijden. Voortdurend trachtte hij haar op te wekken, om met hem te

wandelen, maar ze toonde zich lusteloos, hangerig, werd gauw moe,

klaagde over pijn in de leden en werd knorrig als hij verstandig met

haar wilde praten.

Was de jonge man afwezig, dan bleef ze in haar stoel zitten, met een

angstig, huiverig denken in zich. ’t Bloed steeg haar warm naar ’t

hoofd en ze liet de meid binnenkomen, om niet alleen te zijn. Voelde ze

zich wat opgewekt, dan liep ze in ’t tuintje, soezerig rondkijkend,

schuw voor ’t felle daglicht.

Een paar keer was de stiefmoeder angstig komen binnenvallen, ’t jonge

vrouwtje zenuwachtiger makend door haar vrees, dat Daanders achter die

bezoeken komen zou. Ze deed veel vragen, met de nuchtere

nieuwsgierigheid, de onbeholpen rumoerigheid van iemand, die nog nooit

’n bevalling meegemaakt heeft, duizend raadgevingen opdreunt, duizend

bijzondere inzichten heeft. De laatste maal kwam ze juist uit de kerk

en ontmoette Max in de huiskamer. Hartelijk, joviaal had hij haar

begroet en daardoor onmiddellijk de stijve spanning weggenomen, die

anders ’t gevolg is van zoo’n onverwacht samentreffen.

Toen ze weg was, vond Max haar bijbeltje op tafel liggen.

„Je moeder heeft iets vergeten,” zei hij lachend: „geef ’t haar terug

als ze weer komt. Je kunt ’t nu moeilijk laten brengen.” Dora had ’t

roodvergulde boekje weggesloten. Een paar dagen later kwam ’t haar

toevallig in handen. Met de nieuwsgierigheid van ’n kind, dat iets

vindt uit vroeger jaren, had ze ’t gouden slootje opengemaakt, was

begonnen te lezen, eerst glimlachend, toen meer ernstig.... D’r stonden

toch mooie dingen in.... ware dingen.

Ze bleef er zoo in verdiept, dat Max voor haar stond eer ze ’t wist.

„Lees jij in den bijbel?”... had hij ongeloovig gevraagd.

’t Boekje knipte dicht, dat de bladen verfrommelden....

... „O God, wat doe-je me schrikken!...”

De baker was ’n logge, vette vrouw met groote, stille bewegingen. Ze

vulde de huiskamer met haar dikke lichaam, breed uitzittend, waar ze

neerviel. De handen gleden over de lompe knieën, in een flegmatieke

kromming van den breeden rug. De vleezige mond zei zoete dingetjes,

zachtknorrende opmerkingen, gepeperde stads-schandaaltjes,

vervelend-aaiende raadgevingen. Ze poseerde met de deftigheid eener

bejaarde matrone, voedend ’t groote lijf met egoïste schrokkigheid, als

’t verwende troetelkind van ’n paar honderd onrustige kraamvrouwen. Met

haar komst kwam ’n stille gemoedelijkheid in ’t jonge huishouden, een

zacht loopen op de trappen en in de gangen, ’n eerbiedige bedaarde

afwachting van ’t kind.

Op een dag was ze met Max alleen. Veel eerbied voor jonge dokters had

ze niet. Ze kon jeugdige geneesheeren niet best zetten, met ’t

ingeworteld vooroordeel van ’n ouwe vrouw, die door al wat ze

meegemaakt heeft, alleen nog ontzag voelt voor konventioneele

deftigheid en gemaniereerde ouderwetschheid.

„’k Heb d’r ’n zwaar hoofd in,” zei ze, diepzinnig ’t gladde hoofd

schuddend.

„’n Zwaar hoofd!.... Waarom?” De vraag werd driftig gedaan. De

opmerking van de baker sloot te nauwkeurig met zijn eigen gedachten van

de laatste weken.

„Omdat ik d’r ’n zwaar hoofd in heb...”

„Omdat! Omdat!... Waarom?”

„’t Is m’n 241ste geval, maar ’k hè-ze nog zeldzaam zoo onrustig

gezien. Je mag d’r niet zelf behandelen, hoor!...”

„Da-weet ’k wel, maar....”

„Ze prakkizeert al maar over dood gaan. En da’s ’n kwaje...”

„Als ’t maar voorbij is....”

„As... as... as is verbrande turf met permissie! Ze heit me gezegd, da

ze heelemaal gerust zou zijn als d’r moeder....”

„Ja, ja, dat weet ik ook!... Je moet m’n vrouw maar gerust zien te

stellen, d’r niet zoo an d’r gedachten overlaten.”

„Je hoef mijn niks te leeren. ’k Ben ook niet van gister!... Ik zeg,

dat as d’r moeder niet kompt.... nee, waarachtig dan ben je niet

verantwoord. ’t Is zooveel as ’n fieks idee van d’r...”

„Hum!”

„’t Is altijd leelijk as ze prakkizeeren over iets, as ’t zoover is.

Daar hè-je mevrouw van Stralen, ’n goed mensch, ’n goeje dienst van me

geweest, veel afval... affijn die is d’r in gebleven, al maar door

geprakkizeerd over d’r man, die ’n bloedspoeging gekregen had...”

„Als je zulke gekke dingen maar niet zegt, waar m’n vrouw bij is!”

„Wel God beware.... ’t Is m’n 241ste!... God beware!”

Driftig draaide Max op zijn stoel. ’t Zemelend gekakel der baker

dreunde nog in zijn ooren. Even peinsde hij. Toen schreef hij in eens

door.

.... „Waartoe die verdere vijandschap? Dora’s zenuwachtige toestand

verontrust me. Laat mama bij ons komen logeeren. Is het nu niet beter,

waardiger voor ons beiden, die ongelukkige geloofskwestie ter wille van

Dora terzij te laten? ’k Geef U mijn woord van eer, dat ik ’t aan mijn

kinderen op den dag hunner meerderjarigheid zal overlaten, wat ze

wenschen te doen....”

’s Avonds lag er in Max’ prullenmand een nijdig verfrommeld briefje:

Daanders’ groote hanepooten:

.... „Laten we elkaar goed verstaan. Kinderen van een Israëliet, worden

overal als Joden beschouwd. Nu ’t, tegen mijn wil, zoover gekomen is,

zal ik de verzoening van mijn kant—dus oòk die van Dora’s

moeder—uitsluitend afhankelijk stellen van uwe pertinente verklaring,

dat ’t kind gedoopt wordt. Ontvang ik die verzekering nog heden, dan is

de zaak in orde en zullen wij voor ’t vervolg de burgerlijke

beleefdheid tegenover elkander in acht nemen....”

Er werd géén antwoord bij den houthandelaar bezorgd. De dokter had ’t

papier woedend weggesmeten.

In een verschrikkelijke opgewondenheid liep de jonge man in zijn kamer

rond. Al zijn zenuwen waren gespannen. Soms als er een geluid uit ’t

andere vertrek kwam, stokte zijn adem, bleef hij hijgend luisteren met

den deurknop in de hand. Was ’t stil, dan hervatte hij zijn

koortsachtige wandeling, die hem duizelig maakte; stond af en toe stil

voor de photographieën aan den wand, waarvan de omtrekken in een nevel

voor zijn oogen schemerden, of bleef met gescherpte opmerkzaamheid naar

’n detail staren, dat hem vroeger nooit was opgevallen. Dan

zenuwachtig-gejaagd stapte hij verder, drukte ’t gloeiend voorhoofd

tegen de ruiten, zag de voorbijgangers voortsnellen, tot het glas wit

van damp werd; luisterde half bewusteloos naar ’t leven buiten, ’t

harde gelui der trams en rukte zich weer plotseling weg van die plaats,

dronk groote teugen cognac uit een glas op de tafel, bladerde in een

boek, waarvan de lettertjes als een zwarte klit voor z’n oogen

wriemelden, schrikte weer op, koud, huiverig.... voelde zich gebroken,

zonder weerstandsvermogen.

’t Visioen van zijn vrouwtje, dat al sedert dien morgen gemarteld werd,

spookte hem door ’t hoofd, vervolgde, pijnigde hem. Wel een paar dozijn

keer was hij de kamer uitgeweest, naar beneden, in de huiskamer, had in

de keuken een kop koffie gedronken, ’t gebabbel van de meid aangehoord,

had zich geërgerd, dat hij zoo kinderachtig was en ’n volgend oogenblik

was ’n nieuwe angstgolf naar zijn hoofd gestegen.

„Ben je daar Kremer?....”

’t Was de oude collega, die snel binnentrad. Max keek hem half

verwilderd aan.

„Hoe vin-j’r?....”

„Ze lijdt erg. ’k Ben bang voor ’n complicatie.... Ze ijlt ’n

beetje.... roept telkens om haar moeder. Die moet hier komen,

oogenblikkelijk.... ’k Wacht ’t kind tegen den avond.”

„Moet haar moeder hier komen?”

„We begrijpen elkander, collega.... ’k hoef voor jou niets te

verbergen.... ’t Is ’t eenig kalmeerend middel.”

„We zijn gebrouilleerd met de familie....”

„Dan moet ’t coûte qui coûte bijgelegd worden.”

„Da’s niet mogelijk....”

„Niet mogelijk?”

„Neen.”

„Enfin.... ik wil niet in je familieaangelegenheden treden, maar je

kent nu mijn opinie.... Tot van avond....”

„Een oogenblik!.... ’t moèt zeg-je?”

„In mijn oogen, ja, positief!”

„Dan zal ’t gebeuren.”

„Da’s goed. Adieu.”

„Adieu.”

Tien minuten later werd er bij Daanders aangescheld. Driftig scheurde

de oude man ’t couvert open.

„Klee je an en ga dadelijk naar Dora. Haast je wat!”

Ze keek hem verbaasd aan.

„.... ’t Kind zal gedoopt worden.... Zend m’n boodschap als ’t

afgeloopen is. Kom treuzel nou niet!....”

'n Jodenstreek? · 第 5 / 7 题