„D’r komt niks van in! Zet ’t gerust uit je hoofd!”
„Vader ’k hou van ’m. ’k Geef d’r niks om, dat-ie ’n jood is. Wees er
nou niet tegen....”
„Laten we over wat anders spreken, hè? ’k Hou niet van die
onderwerpen.... Een jood.... ’n jood!....”
„’t Is ’n nette jongen. Wat kan ’t u schelen, als ’k ’m hébben
wil?....”
„Jij ’m hebben wil? Maar ik wil ’m niet, versta je? Ben jij die
geschiedenis van je grootvader vergeten, zeg? Ik niet, nooit! Maak m’n
bloed niet an ’t koken. ’t Gebeurt niet! Basta en geen woord meer!”
„Nee vader. ’k Wil spreken. ’k Ben geen kind meer.... Grootvader had
net zoo goed door ’n ander bedrogen kunnen worden.... Als je niet „ja”
zegt, wacht ’k tot ’k meerderjarig ben....”
„Dat zul je niet!”
„Dat zal ik wèl!”
„Dat zul je niet!”
Dreigend bleven ze tegenover elkander staan. Een pijnlijke pauze.
„Vader wor nou niet driftig.... Wil je me dood maken?...”
Langzaam begon ze te schreien. Opgewonden liep hij op en neer, bleef
toen voor haar staan, de handen diep in de broekzakken begraven.
Hakkelend kwamen de woorden uit zijn mond in ongeduldig tempo.
.... „Jij wou ’n jood trouwen, jij! Al was dat nooit met m’n vader
gebeurd, most je voelen, most je voelen, zeg ik, dat ’n Christenvrouw
zich zóo niet vergooit!... Weet jij wat joden zijn? Een vreemd ras,
schacheraars, afzetters, bloedzuigers, ’n volk van dieven! Al d’r
streken hebben ze meegebracht. Die raken ze nooit kwijt! Joden zijn....
zijn.... Maak me niet dol! Een smous heeft m’n vader geruïneerd!...
Laat-ie d’r een nemen van z’n eigen ras met een hobbelneus! Wou jij op
z’n „Sjabbes” met ’m wandelen op ’t Blaakie? Nooit! Verdomd
nooit!...”,—en de vuist kwam met een bonzenden slag op de tafel neer.
„Je kunt niet an ’m zien dat-ie ’t is. Hij is beschaafder dan....”
„Hou maar op! Hou op! ’k ken die kunsten! Spekulatie op je centen. D’r
komt niks van in....”
„Geen spekulatie vader. Hij ’s zelf rijk, heel rijk...”
„Huil nou maar niet verder.... Meisjesgrillen! Overmorgen bè-je ’t
vergeten, lach j’r zelf om.... ’k Zal je moeder bij je sturen.... Nou,
lach-ie weer?....”
Ze lachte niet, sprak ook niet verder tegen.
De moeder, een bekrompen, spichtig vrouwtje, stoof kort daarna binnen.
’t Was Dora’s stiefmoeder. De eerste vrouw was lang dood, begraven,
vergeten. In ’t kleine hoofd der tweede moeder leefden drie
genegenheden: haar kerk, haar man, haar stiefdochter. De eerste
vervulde haar iederen Zondag met een gedweeë tevredenheid, met een
stemming om iedereen goed te doen. Ze was een onbeduidend zieltje, voor
geen passie vatbaar, niet in staat een groote fout te begaan, een door
en door fatsoenlijk menschje. Haar geloof vereenzelvigde ze met God,
God met de vormen. In niets kende ze overdrijving. Alles ging bij haar
in een gemakkelijke, burgerlijke regelmaat, in een leeg, welbehagelijk
voortleven, in een ontginnen van kleine genotjes. Als er geen kerk
geweest was, had ze misschien nooit gebeden. Haar verstand klampte zich
vast aan wat ze als kind geleerd had. Om andere meeningen glimlachte ze
goedig, zonder boosheid. Wat ze niet begreep, veroordeelde ze, zonder
heftigheid. Ze was een willoos, in de vormpjes gekneed vrouwtje,
bescheiden weldoend, uren doorbabbelend over nietigheden met een
geduldige bedrijvigheid. Den man, die haar genomen had met koel
verstandig overleg, om een huishoudster, een verpleegster voor zijn
dochtertje te hebben, aanbad ze—voor zoover haar bedaard wezen dat
kon—met de dankbare onderworpenheid van een hond. Hij beheerschte haar.
Zijn grove wil, zijn opvliegendheid, zijn harde stem biologeerden ’t
schuchter menschje. Nooit had ze zich tegen hem verzet. Als hij thuis
kwam van zijn zaken en zijn laarzen krakend door de gang klonken, keek
ze naar de deur tot hij binnenkwam. Voor ’t achtjarig dochtertje was ze
eerst bang geweest, had ’t vertroeteld, verwend, om ’t aan zich te
hechten: was er heelemaal van gaan houden, toen ze zelf geen kinderen
kreeg. De warmte, om een schepseltje van eigen vleesch en bloed te
koesteren en te verkneuteren—de behoefte van elke vrouw—had ze
overgedragen op ’t vreemde kind. Dora had nooit de eerste moeder
gemist. Tusschen stiefmoeder en dochter heerschte de eigenaardige
verhouding, die van zelf volgt, als ’t kind meer ontwikkeld is en
daardoor eene zekere meerderheid verkregen heeft. Dora’s raad werd bij
alles gevraagd. Ze moest beslissen tot zelfs in kleinigheden. Ze
vertegenwoordigde den wil in ’t zwakke karakter der stiefmoeder. Zelfs
had de driftigheid, die ze van haar vader erfde, nog nooit tot
botsingen met ’t goedig menschje aanleiding gegeven.
„Dora, kind, wat hoor ik daar!.... Heb jij je zinnen op ’n jood
gezet.... Hoe kom je dàar nu toe?....”
Die laatste vraag drukte de heele wereld van verbazing uit, die er in
’t kleine hoofdje woelde.
„Ik hou van ’m, da’s alles....”
„Zie je kindlief, dat komt er van, als de menschen niet naar de kerk
gaan.... Wel! Wel! Vader wil ’r niets van weten. Da-kon je ook wel
begrijpen. En hij heeft groot gelijk. ’t Is heel ongodsdienstig met
iemand van ander geloof te trouwen....”
„’k Hou van ’m....”
„Ja maar....”
....„Als vader ’n jood was geweest, had j’m dan genomen?....”
....„Da’s gekkepraat.... da-was die niet....”
„’n Jood is toch óók ’n mensch....”
„Jawel, jawel....”
„’k Neem ’m..... ’k zal wachten!”
„Kind je bent anders zoo verstandig. Verzet je nou niet tegen je
vader.... Daar rust geen zegen op.... Dat staat geschreven.... Je weet
toch hoe driftig hij is...”
„Da-weet ik.... Maar ’k heb a gezegd en zal ook b zeggen. ’k Hou m’n
woord. Dat staat vast bij me. As je goed denkt te handelen, mot je dan
niet doorzetten?”
„Maar ’t is juist heelemaal verkeerd, kind. Zeker, d’r zijn wel goeje
jodenmenschen, zeker, maar dat ze Christus....”
„Da-kan me niks schelen! De katholieken hebben de protestanten wel
verbrand.... ’t Is toch allemaal zoo dom!.... Wat is nou ’n geloof, zei
Max....”
„Zei-die dat? Nee da’s niet mooi.... Zoo iets mag je niet zeggen....”
„Weet je moeder wat-ie me gezegd heeft, toen die me vroeg? ’k Hou van
je.... ’k geloof dat je net als ik denk of zult leeren denken over ’n
vormendienst. Wil je me hebben?.... Toen heb ik ja gezegd, ’k Heb
beloofd nooit over godsdienst te spreken.... Protestant wor’k niet, zei
hij nog: as je me neemt, ben ik geen jood, jij geen christin, dan zijn
we twee menschen. Jij gelooft an God, ik ook. Als we willen bidden,
doen we ’t samen, thuis of buiten... Dat von ’k mooi. Dat heeft me
gepakt. ’k Heb ja, ja gezegd. Vin-je dat nou niet natuurlijk moeder,
dat twee, die van elkander houën, elkander nemen....?”
Uit den grauwen nevel van een verdroomde jeugd dampen in Max’s
herinnering de opgedrongen, eentonige avonden door, waarin men hem ’t
geloof zijner vaderen, als het gewichtigst beginsel met taai geduld
ingoot. Vroeg waren de ouders gestorven. De oom, een tanig,
geel-verdroogd manneke, had den rijken pupil opgevoed. Uit dien eersten
tijd van onbegrepen levens-aspiratiën herinnert de jonge man zich
flauw, hoe elke week een legio vormen-festiviteiten met zich meebracht.
Dan zat hij naast de ouderwetsche, gerimpelde tante, wier gelaatskleur
vreemd afstak tegen ’t zwart-glinsterende van haar gladgestreken
bandeau. Oom had een fluweelen kalotje op; hijzelf zijn schoolpet. Dan
dreunde hij uit ’t gebedenboek een stuk Hebreeuwsch, dat hij niet
begreep, waarvan de klanken zóó door hem van buiten geleerd waren, dat
hij de grillige letters nauwelijks spelde. Tante prevelde mee met een
snelle trilling der dunne lippen. Oom galmde er tusschen door, dreunend
met een sterk nasaal geluid, soms zalverig zingend. Dan werd het brood
gedeeld, eerst gedoopt in ’t zout, en de mooie zilveren beker, gevuld
met zuren wijn, ging rond van mond tot mond. Eerst oom een matig
slokje; tante vond ’t lekker, slurpte de grootste helft op; Max ’t
drabbig restantje. Volgde de vervelende, lange Vrijdag-avond met ’t
frissche, witte tafelkleed op tafel. Oom snurkte op de sofa, tante
dutte in op haar stoel, met een regelmatige knipping van haar dunnen
nek; en als ze wakker werden, moest ’t kind naar bed. ’s Zaterdags
mocht hij niet naar school. De eerste gang in Zondagskleeren was naar
de Synagoog. Daar sufte ’t kind op de houten bank naast oom, die in een
wiebelende heupbeweging de oefening volgde. Tante zat op de gaanderij,
boven, onzichtbaar. ’s Middags werd er gewandeld, met kalme, afgemeten
slenterpasjes en als ’t middagmaal—opgewarmd eten van den vorigen
dag—op tafel stond, besloot een meegebromd gebed den zeurigen rustdag.
Dat herhaalde zich elke week, monotoon, altijd ’tzelfde, behalve op
buitengewone feestdagen. ’t Kind soesde, begreep ’t niet.
Toen kwam een meester, die hem op moest leiden voor de kerkelijke
aanneming. Ja, die leeft frisch op in Max’s geest, ’t Was een oud,
eerwaardig mannetje, vol tabakslucht, vol snuif. Een grijze ringbaard
hing stoppelig verward over kin en wangen, bedekte even ’t groezelig
overhemd; kleine, sluwe oogjes schitterden onder langharige
wenkbrauwen. En de knaap volgde met gretige, warme belangstelling de
verhalen, de lijdensgeschiedenis van ’t joodsche volk in Egypte. Dàt
vatte hij. Dan hing hij aan de lippen van den verteller, met een gevoel
van trots in zich, had wel duizend jaren willen terugleven, om mee te
strijden met ’t vervolgde, mishandelde ras, een hunner helden te zijn.
Maar het vertalen van ’t Hebreeuwsch, het volgen van ’t gebedenboek was
hem een marteling. De oude leeraar deed ’t voor, geduldig. ’t Kind had
meer aandacht voor den grooten neus over hem, een neus vol snuif, als
’n vuile kachelpijp. Soms klonk er van de kinderlippen de eenvoudige
vraag.... „Maar, wàarom, wàarom, meester, moeten we joodsch bidden?...
Verstaat God geen Hollandsch?....” ’t Antwoord was vaag,
glimlachend-wijs. ’t Kind begreep ’t niet.
De aanneming liep schitterend af. Het dertienjarig knaapje galmde een
stuk gebed, de bloedverwanten gaven cadeau’s, vonden dat ’t ventje
zoo’n zuivere uitspraak had. Max kreeg een lange broek aan, een rond
hoedje op, een horloge op zak. Hij was jood geworden.
Den eerstvolgenden „Groote Verzoendag”—dag der dagen—moest hij vasten,
dat spreekt vanzelf. Dien dag vergeet hij nooit. Om zeven uur ’s
morgens was hij met oom al naar de kerk gegaan. Tegen één uur ’s
middags had ’t kind zich ziek, ellendig gevoeld van honger. Een
drukkende warmte, een mengsel van alle uitwasemingen hing in ’t kleine,
mat-verlichte gebouw. De voorganger vulde de ruimte met zijn week,
slepend geluid. Nu en dan verhief zich een golf van schreeuwende
tumulten, wilde uitroepen, korte fanatieke, meegebrauwde kreten.
Zwarte, bewegelijke lichamen, bedekt met slordig-geknoopte, witte of
blauw-gekleurde doeken, gonsden, bewogen zich druk, galmden brommend.
Enkelen waren ingeslapen, bedwelmd door de vunzige, dikke atmosfeer.
Anderen keken sufferig voor zich neer. Sommigen lachten, fluisterden
geestigheden, hadden ’t over lekker eten. Op ’t podium, omwalmd door
rood-flikkerende kaarsen, lag de rabbijn, gebogen over den bidstoel.
’t Kind zat koortsig, kregelig op de bank. Zijn maag brandde, gaf hem
een razend verlangen naar eten. Langzaam kroop in ’t jeugdig hart een
morrend, bitter verzet, een groote weerbarstigheid tegen dien God, dien
men aanriep en aanbad, dien God, die hem tranen van honger naar de
oogen dreef. In een stillen opstand begon de knaap opzettelijk,
langdurig, met een boosaardige graagte te denken over wat hij ’t liefst
nu zou eten.... gestoofde snoek.... peentjes.... eendebout...
roomtaartjes.... gekookte eieren.... pekelvleesch.... zóólang, tot hij
’t hartwater kreeg en naar buiten moest om door een hapje frissche
lucht wat te bedaren. Toen liep hij de straat uit. Op een hoop
koopmansgoederen zat een werkman—’t was juist schafttijd—een roodaarden
pot met groente en aardappelen te leêgen. De vrouw keek er bij toe.
Iedere schep van de vork bracht een dampenden hap naar den gapenden
mond, terwijl ’t vet, in kleine bolletjes, plassend in den pot
terugdroop. De man bleef even rusten; hij kon niet meer. Verder liep ’t
kind. Nog nooit had hij zoo’n honger gehad. Hij geeuwde er van. En voor
’t eerst deed hij zich zelf vragen, ingegeven door de krampachtige
luchtborreling in zijn maag, door het gevoel van zwakte, de verbreking
zijner veerkracht. Uit een kelder dampte de prikkelende lucht van
gebraden uien, een geurige walm. Toen kwam ’t kind onwillekeurig te
staan voor een fruitwagen op den hoek eener dwarsstraat; manden vol
splijtende, langlijvige pruimen; sappige, malsche peren; blozende,
bolle appelen. In ’t kleine beursje waren twee centen. Angstig, schuw,
met een intense vrees voor God die ’t zag kocht hij drie appelen. Aan
den waterkant verborgen achter kisten en vaten, werden ze verslonden.
’t Sloeg twee uur. ’t Rauwe goed stilde den eersten aandrang tot eten
en toen ’t laatste klokhuis, groote, huppelende, wijd-uitloopende
kringen op ’t watervlak tooverend, verdwenen was, kon ’t den knaap
niets meer schelen of God boos was, of er straf zou volgen.
Datzelfde jaar kwam hij op ’t gymnasium, mocht den Zaterdag verzuimen.
Daar kreeg hij zijn eersten vriend, den zoon van een advokaat. Weer
herinnert zich Max hoe ze in ’t begin getwist hebben. De jonge vriend
was nog nooit in de Synagoog geweest, rookte Zaterdags, kende geen
woord Hebreeuwsch, was ’n vroegrijp ventje.
„Gelooven ze bij jullie thuis an die malligheid?,” had Aby gevraagd.
„Zeker! Wie gelooft daar nou niet an?”
„O jee, wat zijn jullie toch stom! Pa zegt, dat jouw oom ’n
bijgeloovige huichelaar is.”
„Zoo, dan’s jouw pa gek!”
Dit argument had Aby beantwoord—’t gesprek werd zachtjes gevoerd,
terwijl de Latijnsche leeraar op het bord stond te schrijven—door onder
de schoolbank een geniepigen trap tegen Max’s scheen te geven. Het
slachtoffer had geschreeuwd, met ’t gevolg dat de onderwijzer wou weten
wat er gebeurde. Max wou niets verraden, kreeg een uur schoolblijven.
’s Avonds wachtte Aby hem op.
„Da-was heel mooi, om niet te klikken,” zei hij met warm enthousiasme:
„Hou je nou maar of ik je dien trap niet gegeven heb. Wil je?”
„’t Was gemeen om ’t zoo stiekem te doen!”
„Dan most jij ook maar niet zeggen, dat mijn pa gek is!”
„Dan most jouw pa mijn oom niet uitschelden...”
„Da’s mijn schuld niet. Wil je rooken, zeg?”
„Nee ’k rook niet!”
„Kan je ’t niet, hè?”
„Kunnen.... D’r is wat an! Oom wil ’t niet hebben!”
„Wat ben jij nog ’n flauwe! Jasses!.... Zeg, ziet ’t d’r mooi uit in
jullie kerk?
„Mot je maar ’s kommen kijken.”
„Laten ze je zoo maar binnen?”
„Nee, die ’s goed. Jij bent toch ook ’n jood!”
Aby trok een diepzinnig gezicht.
.... „’k Mot ’t toch ook eens zien.... Pa zegt, dat ze ons niet
binnenlaten, omdat we spek eten...”
„Spek?.... Durven jullie.... Dat zou ’k niet lusten.”
„Dien, de keukenmeid, bakt spekpannekoeken, zoo-as de koning ze niet
beter krijgt. Zulke dikke! Wil ik ’s een stukkie voor je meebrengen?”
..... „’k Lus ’t niet!”
„As je ’t eerst maar proeft.”
„Oom zegt, dat d’r altijd beesten in zitten.”
„Bè-je nou gek!”
.... „’n Varken is ’n vies, vuil dier.”
„Nou, ik zal ’s ’n stuk van ’n pannekoek voor je meebrengen....”
Een paar dagen later had Aby tusschen zijn schoolboeken in een grauw
papier een reep weggemoffeld. Onder schooltijd schoof hij ’t zijn vrind
toe. Maar ’t rook zoo zuur en ’t zag er zoo tranig uit, dat Max ’t maar
stilletjes onder de bank liet glijden. Toch vond hij dat zoo’n
merkwaardig bewijs van vriendschap, dat hij na die
spekpannekoeken-gebeurtenis zich heel nauw bij Aby aansloot en zijn
vrije middagen met den jeugdigen liberaal doorbracht.
Op een mooien Woensdag-namiddag waren ze gaan roeien. Aby’s ouders
wisten er niets van en Max had vergeten permissie te vragen. Op den
plas dreven ze in ’t langwerpig bakje. Aby doopte zijn handen telkens
in ’t water, een volgens hem uitstekend middel, om de blaren, door de
spanen gevormd, te genezen. Max blies met een wanhopig gezicht tegen de
zijne om de pijn te verminderen. Uit vermoeidheid bleven de kinderen
drijven.
....„Roeien is heerlijk.... heerlijk!” had Max huichelachtig verklaard;
zijn goed dreef van ’t water, waarmee de roeier Aby hem bespat had en
z’n handen gloeiden, alsof ze geroosterd waren. „Ja,” was het
geestdrift-volle antwoord: „maar ’t zijn beroerde spanen, ze deugen
geen cent....”
Daarop waren ze aan ’t droomen geraakt. In een zachte, klotsende
trilling kabbelde ’t water tegen het bootje. Zilverrimpeltjes en
lichtplasjes omstraalden en omstuwden de golfjes. Een blinken,
klateren, schateren van licht; een krioelend gespeel van vroolijke
tintjes, dartelende schitterplekjes, brutale glim-figuurtjes, tooverden
een schetterenden, bewegelijken reuzenspiegel, waarin de randen van ’t
bootje in waggelende grilvormen knikkebollend kaatsten. Ritselend, met
suizend geknap bogen de biezen aan de oevers in veerkrachtige, wuivende
opwipping; rood-fluweelen koppen van duikelaars knikten loom en
vervelend. Heel in de verte kartelden de scherpe omtrekken van den
dorpstoren tegen de hard-blauwe lucht, als uitgeknipt in den hemel. In
een mijmerende, weeke overgeving lag ’t landschap. Een nerveuze
loomheid gleed over het water....
„Waar denk je an?” vroeg Aby op eens, zelf uit zijn droom wakker
wordend.
„An niks....”
„Ik dacht an wat d’r achter de wolken zou zijn....”
„Nou God natuurlijk!...”
„God?”
„Zeker.”
„God? Ik zeg je dat ’r geen is.” Op dat „ik” lei Aby een gewichtigen
nadruk. Die verklaring klonk wel eenigszins komisch, daar de jeugdige
theologant met ’n bezweet gezichtje naar de blaren in zijn handen zat
te kijken.
In de ooren van den eenigen toehoorder was ’t een vreeselijke profanie.
„Zeg hou nou op met die enge dingen.... We zitten in ’n bootje....”
„Hè wat ’n flauwe kul!”
„Nee jij bent flauw.... As we nou gestraft worden, omdat je dat
zegt....”
„Nou zal ’k expres schommelen!”
„Jò, pas op! Jò, hou op!”
Aby brulde van ’t lachen, daarna kreeg hij medelijden met den angst van
zijn kameraad.
„Zie je nou wel dat ’t niks geeft! Jij zal wel an ’m gelooven, hè? Ik
niet, pa ook niet.”
„Natuurlijk is d’r een.”
„Heb jij ’m ooit gezien?”
„Hè, wat ’n vraag!”
„Heit je oom ’m ooit gezien?”
„Nee natuurlijk.”
„Heit je tante ’m ooit gezien?”
„Nee zeg ik al.”
„Nou niemand heit ’m nog gezien!”
„As je dood bent, zie j’m.”
„Da’s kles. Hij is d’r niet.”
„Zoo! Wie heit dan de heele boel gemaakt?”
„Da’s zelf gekomme.”
„Ach je bè-gek!”
„Bè-jij dan door God gemaakt of door je moeder?”
„Da-weet ik niet.”
„Wat ben jij ’n uil!”
„Tante zegt dat ze me gebracht hebben...”
Hier schaterde Aby ’t weer uit, waarna hij met een geleerd gezicht, met
een erg nuchtere oppervlakkigheid een geheimzinnig-realistische
beschrijving gaf op welke wijze kinderen op de wereld komen. Aby’s
wetenschap vervulde Max met een groot ontzag. Over „het ontstaan van
den mensch” had hij in zijn onschuld nog nooit nagedacht. Nu opende
zich voor hem een vreemd veld. Hij deed allemaal malle vragen, begreep
er niets van, geloofde ’t maar half, maar langzaam nestelde zich toch
in zijn kleine hoofdje een lauw begrip van ’t leven, tegelijk met een
angstige ingeving om niets van zijn belangrijke ontdekkingen aan tante
of oom te laten merken.
„Zie je nou,” vervolgde Aby in den vollen triomf zijner superieure
kennis: „da-wist je nog niet eens. Zal je nou ook wel gaan begrijpen,
dat God maar ’n sprookie is, om je zoet te houen.”
„Da’s onzin. Je heb toch niet al die kerken voor niks?”
„Die zijn d’r nou eenmaal.... Da’s geen bewijs!.... Bewijs jij nou
dàt-ie d’r is!”
Max keek bedenkelijk.
.... „Eerstens zegt oom ’t.... tweedens staat ’t in den bijbel....
derdens mot iemand ’t water en ’t land toch gemaakt hebben....
vierdens... Ach, wat ’n onzin!....”
„Ik zeg je,”—weer de nadruk op dat „ik”—„ik zeg je, dat ’r geen is. Wil
je ’t lezen? ’k heb d’r ’n boekie over....”
„’n Boekie?”
„Stiekem van m’n ouwe weggenomen. Wil j’t lezen?”
„Jò, ik durf niet, as oom ’t merkt....”
.... „Jij met je oom! Da’s toch je pa niet. Zeg ik zal ’t je morgen
geven en dat andere boekie over de kinderen ook.... je weet wel.”
Hierna stak Aby een cigarette op, met dikke koonen rukkend den rook
wegspuwend, zenuwachtig-haastig, niettegenstaande hij zich alle moeite
gaf ’t lekker te vinden en ’n bedaard gezicht te trekken.
„Zouën vader en moeder dan niet in den hemel zijn?” vroeg Max na eenig
stilzwijgen: „’k heb altijd geloofd da-ze bij God zijn...”
„Wel nee .... de hemel is enkel wolken.... as j’op ’t kerkhof komt,
legt de heele boel in ’n kist. Vin jij dat ook niet griezelig, dat ze
je zoo in den grond stoppen?....”
„’k Heb d’r nog nooit over gedacht....”
’t Ventje verviel in een droomerig nadenken, schuw opkijkend naar den
blauwen hemel, die over ’t water welfde.
Diezelfde week werd oom zwaar ziek en stierf. ’t Eerste sterfbed, dat
Max bijwoonde. Dat was een gruwelijke avond geweest; niet om ’t
verdriet, maar om de aangrijpende realiteit van ’t oogenblik. Tante
huilde, zuchtte, lamenteerde beneden, liefderijk omringd door een paar
goedige, praatzieke vriendinnen. Boven lag ’t verdroogde manneke te
reutelen. Wijd was de mond opengespannen, met eene schokkende,
zenuwachtige trekking van de onderkaak. Kwijnend openden zich de
oogleden, lieten ’t slijmerige wit der oogen doorschemeren. Bij ’t bed
met kaarsen in de hand, stonden twee wakers, vuile, smerige kerels,
wier neuzen drupten. En als de kaakbeweging ophield, een zwaardere
reuteling door de werkstakende longen uitgestooten werd, bogen zich de
vieze, vunzige mannetjes dichter over den zieke. Eens dachten ze, dat
hij dood was, hield er een haastig de kaars voor den mond, maar de vlam
flikkerde en telkens dreunden ze eentonig, zonder gevoel, als betaalde
huurwezens, den Hebreeuwschen zang op, dien weer plotseling afbrekend,
als ’t wegstervende, tanige stuk lichaam in ’t bed nog geluid deed
hooren. Max keek met een wezenlooze ontzetting nu eens naar ’t
vermagerde, hoekig gezicht op ’t kussen, dat er in zijn stuiptrekking
afschuwelijk uitzag, dan naar de verlichte tronies van de doodshaviken.
Toen kwam tante er bij; de verplegers veegden hun neuzen schoon met ’t
vlak hunner zwarte, rimpelige handen, morsten kaarsvet op de dekens,
keken nog nauwkeuriger met ’t licht in den mond van den stervende.
Plotseling galmden ze luider, onafgebroken dompe klanken uitstootend:
een opborrelende zucht, krakend, pijnlijk, klonk uit de dekens;
sneller, heescher, matbrabbelend gonsde de lijkzang.... de kaars voor
den verdroogden mond met de zwarte tandstompjes vlamde helder op,
zonder afwijkingen.... Er lag een lijk.
Den volgenden dag was ’t een geloop en gedraaf door de gangen. ’s
Avonds kwamen vrouwen ’t doodshemd naaien. Max zat er bij toe te kijken
op een stoof. Half suf nam ’t kind alles in zich op, met verwilderde
verwondering luisterend naar ’t gekakel van de babbelmenschjes. Telkens
kreeg hij een koude rilling over den rug als een der vrouwen het linnen
knarsend tusschen de nagels schuurde. ’t Plassend gefrommel van ’t
witte, glanzende goed, ’t suizend scherpe gescheur vermengde zich met
de beklagende gemeenpraatjes, de oprakeling van al ’t goede van den
doode. Koffie, prikkelend van geur en dikke vettige koek gingen rond;
de vingers pikten deftig bedaard en ’t licht in ’t hoekje, waar de
knaap neerhurkte, werd regelmatig onderschept door de eentonige
armbeweging van een der naaiende juffers.
Toen was ’t kind even opgestaan, in de gang geloopen om zijne loome
slaperigheid te verdrijven. Juist werd de doodkist opgedragen. De leege
doos gaf klotsende, holle stooten tegen de nauwe trap. En in pijnlijke
nieuwsgierigheid was hij meegeloopen, stil sluipend naar boven. ’t Lijk
werd gereinigd. Telkens glipte ’t beenige hoofd in willooze neerzakking
omlaag. ’t Lichaam in zijn vellige magerheid, zijn kleurloosheid, ’t
hoekige, gerimpelde gelaat—bijna onherkenbaar—gaven Max een gevoel van
braking. Toch bleef hij toekijken met huiverende graagte, verschool
zich half achter ’t bed om niet gezien te worden, hield den zakdoek
stijf tegen den neus geperst, niet in te ademen die walgelijk zoete
ontbindingslucht. Die gesloten, donker getinte oogleden, die
groenig-witte onnatuurlijke kleur, die ontzenuwde machteloosheid van ’t
heele lichaam, die harde gekromde vingers, met de groote nagels.... dat
alles drukte ’t kind, dampte zijn hersens weg in een halve
bewusteloosheid. Eerst toen ’t lijk in de kist gleed, de knieën
hardhandig opgetrokken werden, omdat de beenen te lang waren; ’t harige
hoofd op den houten bodem bonsde en het deksel onder naargeestig,
kakkelend gebed, piepend opgeschroefd werd, klonk er een flauwe kreet
achter ’t ledikant, was ’t kind ineengezakt. Groote tranen biggelden
over ’t bleeke gezichtje, niet van verdriet.... van angst, afschuw,
ontzetting, schrikkelijk doordringende vrees. Onhoorbaar snikkend,
flitsten nevelgedachten door de moede hersentjes, doortrilde hem een
koortshuivering, een groote angstgolf en in de wirwar van dompige
vraagjes, van snel elkander verdringende pijnvleugjes, glipte en
hamerde de twijfling door ’t hoofdje:.... „als.... als.... als d’r geen
God is.... waar?.... waar? waar?....” En dien heelen nacht woelde hij
in ’t bed, stond een keer op, keek uit ’t raam en plotseling met een
kramp van ontzetting, dook hij weer onder de dekens, diep zich
verbergend, stikkend van warmte, badend in ’t zweet, vloog nóg eens op,
draaide met een wilden ruk de deur op slot, schoot onder de kussens,
klappertandend, klam, ellendig.... en viel onbewust in slaap.
’s Morgens was de begrafenis. In de voorste koets met ’n paar
bloedverwanten, werd ’t kind dommelend heen en weer geschud. De
neergelaten, strakgespannen gordijntjes ritselden aan de zijden
bandjes; langzaam voorwaarts schokte ’t voertuig. Alleen de
gelijkmatige kleppering der hoeven drong met ’t rumoer van de straat
door. Zoo sukkelde men naar ’t kerkhof. Op de zwarte draagbaar in ’t
bidhuis kwam de kist te staan, al de volgers er omheen. Het deksel werd
afgeschroefd. ’t Knaapje lei een zak met aarde onder ’t hoofd van ’t
lijk. Gotogot! Gotogot!.... Die glibberige aaiing van de haren! Dat
weeke, vochtige vel! Gotogot!.... Een oud, gebogen geestelijke sprak nu
een gebed. Al de familieleden bromden er doorheen. Weg stierven de
tonen in de holten van ’t bidhuis. En voort ging het. Alle
bloedverwanten en vrienden droegen de baar uit ’t koude, vierkante
portaal in de warme, zonnige volte van het in licht badende kerkhof.
Heen tusschen al die opstaande zerken kroop de kleine stoet, schaduw
afwerpend op ’t welig opschietend groen, opvangend den goddelijken
weerschijn van den melkwitten, stralenden hemel; de laatste gang van de
overblijfselen in die mooie natuur, dat licht, die opleving....
Langzaam zakte de doos, wiebelend aan de touwen, dat zand in fijne
straaltjes afgleed. Een broer wierp snikkend drie schoppen aarde in de
diepte. Klots.... klots.... klots. Bevend greep ook ’t kind de spade,
schepte kortstootend op, halve schepjes, liet ’t mulle zand met een
afgewend gezicht afglijden, driemaal ritselend, schuifelend, zacht als
poeder. Toen wierp hij zich krampachtig, snikkend, alsof zijn ziel wou
barsten, aan de borst van ’n neef....
’t Was afgeloopen.
Een week later werden de lessen op het gymnasium hervat. Inniger sloot
Max zich bij zijn vriend aan en de twee knapen, in zoo verschillende
richting opgevoed, konden avonden lang als volwassen menschen over de
meest ondoorgrondelijke dingen met ’t grootste aplomb redeneeren.
Meestal dreef Aby zijn brutale meeningen door, want ’t besliste „ik
zèg” maakte een grooten indruk op ’t nog weifelend karakter van den
ander. En langzamerhand bleef Max uit de Synagoge weg! Oom was er niet
meer om hem te bestraffen; tante—kwakkelend, ziekelijk na den dood van
haar man—ging zelf niet meer naar de kerk. De stelling, dat er geen
Opperwezen is, schoot dieper en dieper wortel, in ’t gemoed van den
knaap. Eerst liet hij zijn middaggebed met zekere huivering na. ’t Eten
bekwam hem even goed. Toen bad hij ’s avonds niet meer, voelde zich
tóch angstig, alsof hij iets verkeerds deed. Ook dat ging over. Vrijdag
en Zaterdag dreunde hij ’t Hebreeuwsch gebed op, om de ziekelijke vrouw
niet te ergeren, deed ’t met een toonloos geluid, denkend aan
schoolzaken of andere dingen. De jaren verliepen. Boeken werden
verslonden. Multatuli had de plaats van een afgod in de harten van de
twee vrienden veroverd. Ernstiger, meer ontwikkeld zochten ze als twee
vroegrijpe menschjes, naar de oorzaak van alles. In ’t hart van Max
nestelde zich onwillekeurig een vurige natuuraanbidding, ’t gevolg van
de behoefte om een Iets—wat doet de naam er toe!—te vereeren, in zich
om te dragen. Uren kon hij rondloopen buiten in de velden, in de
bosschen, met stille, warme verrukking voor al ’t levende, aangegrepen
door ’t onverklaarbaar schoone om hem heen. Uren kon hij kijken naar
een eenvoudig bloempje, met een bekruiping van poëtische extase, met
zinnelijk opgaan in ’t kleine vormpje, met heete popeling om ’n
onbegrepen dank te uiten.
Na ’t Eindexamen mochten ze een reisje ondernemen, de eerste maal, dat
ze de geboortestad verlieten. Na de terugkomst wachtte hen de
ontgroening en de hoogeschool.
Uitgelaten van dol pleizier, twee geelbekkige vogeltjes, die voor ’t
eerst uit ’t nest wippen, gingen ze heen, maakten een voetreisje door
de Belgische Ardennen—’n bescheiden uitstapje, dat hun reusachtig
toescheen—en ze genoten in een roes van genot, dubbel, omdat voor hen
alles nieuw, frisch van bekoring, zuiver van indruk was.
Op een avond zaten ze aan den oever der Maas, in ’t stadje Namen. Van
het terras eener sociëteit, heel in de verte, klonk droomerige,
wegtokkelende, kirrendzachte muziek; slepende klanken, zoete melodieën,
die opjubelden en straks weer als klaagtonen zwevend wegstierven.
Anders was ’t stil, heel stil, drukkend. Met een sterke strooming gleed
de rivier, een dikke verzilverde draad, in stuwende, borrelende
schuring langs de pijlers van een brug, waarvan alleen de sombre
omtrekken en bleeke gloeipuntjes van lantaarns zichtbaar waren. Aan den
hemel glansde de maan als een groot geel oog, licht uitstralend.
Op den anderen oever, hoog in de wolken, donker, brutaal lijnend haar
massieve vormen, hief zich de citadel; een vette schaduw, een dikke
zware prop in den nacht.
Sterren glimmerden hel, ernstige kijkertjes. Soms buitelde een golfje
wit spattend uiteen tegen ’t graniet van de bedding. Soms ritselde ’t
groen met een wrijvend geluidje.
Toen, heel eenvoudig, ’n spontane opwelling, fluisterde Max voor zich
heen....: „Daar ìs ’n God....”
Op de academie toonde hij zich intelligent, maakte zich veel vrinden.
Hier ontbolsterde hij heelemaal, toonde zijn eerlijk karakter, toonde
zich dweper voor al ’t mooie, maar de vinnige bestrijder, de vurige
vijand van alle konventie, van alle vormen. Sedert dien avond in Namen
had hij begrepen, de ingeving van zijn hart volgend. Met zijn kalme
philosophie deed hij nu dikwijls wonderen. Eens op ’n kamerjool, had
een aangeschoten student hem voor „jood” uitgescholden. Max had
geglimlacht, niets geantwoord. Den volgenden dag zocht hij den
twistzoeker op:
„Zie je Karel, da-was ’n domheid van je, om dàt te zeggen. ’k Kan d’r
niet kwaad om worden. Waarachtig niet! Wat is ’n jood?.... Och lieve
God, ’t is zóo klein ’n mensch jood te noemen, vin je dat nou zelf
niet? Wat is ’n jood, vraag ik?.... ’k Zou de heele wereld willen
wakker schudden, dat vervloekte onderscheid willen breken! ’t Is zoo
árm, jood of ketter of paap te zeggen, zoo voos, zoo misselijk! Dat ze
niet voelen dat de zon an den hemel staat en de lucht d’r is voor
allen! Jij vóélt dat ook!... Kerel, zie je wel, nou lach je zelf om die
ui van gister”....
Soms schaterde hij ’t uit achter zijn krant. Die hem begrepen lachten
mee. .... „De krant is weer ’n publieke kleingeestigheid.... Ha! Ha!
Ha! Ha!.... kostelijk!” .... en hij las half verbitterd, half spottend
heel gewone dingen voor: .... „Gevraagd een R. K. dienstmeisje.... Er
biedt zich aan een klerk P. G.... De vereeniging tot ondersteuning van
hulpbehoevende Protestantsche blinden.... Vergadering der Katholieke
Kiesvereeniging.... De ondergeteekenden roepen de hulp in voor een
Joodsch huisvader....”
De woelingen der kerkelijke partijen in de Kamers vond hij walgelijk.
Hij zou de leiders van al die richtingen alleen maar willen vragen....
„Geloof j’an God?” .... niets meer. Als men—zijn rijkdom was bekend—bij
hem kwam om geld voor de een of andere sekte, weigerde hij botweg.
Liefdadigheid voor ’t algemeen was een zijner utopieën. Hij bezocht
alle kerken, met steeds klimmende verbazing en belangstelling de
menigte bestudeerend, die daar regelmatig, vol vormenijver, bijeenkwam;
offerde nooit in de bussen; bad zelf nooit. .... „Ik dank elk oogenblik
van den dag, zonder woorden, thuis.... of buiten, als de natuur in me
dringt, of de kunst..... O de mooie, mooie kunst!....”
Als hij stierf wou hij niet op de Joden-begraafplaats. Neen, bij de
anderen, op de Algemeene. Dat was een zijner stokpaardjes: .... „Vat je
dat, dat al die kisten met beenderen in soorten liggen? Kun j’an ’n
doodskop zien, wat voor vormendomheid in die kast woelde? Nou heb je
joodsche, protestantsche, katholieke, mahomedaansche.... lijkwurmen,
verbeel-je!.... En de planten op de graven zuigen de sappen en bloeien
van liberale, christelijke, orthodoxe uitwasemingen! O die krankzinnige
vooroordeelen....”
Bij kunstenaars was hij gezien, omdat hij zoo’n juist gevoel toonde en
zelf mooie dingen schrijven kon. Eens maakte hij kennis met een knap
musicus, die met zijn eigen godsdienst dweepte en hatelijk,
onverdraagzaam was tegenover andere. Hij brak de kennis met dien man
af:.... „Van gewone menschen begrijp ik veel. Bij ’n artist kan ’k geen
kleinheid velen. Die moeten voelen wat ’n vorm beteekent, hoe laf die
is tegenover God.... Die man is geen artist, die mist zuiver
sentiment....”
„Mag ik je voorstellen? Mijn nichtje Dora.... m’n vriend Max
Kremer....”
Ze bogen voor elkander. De neef liet ze alleen en met een diepe
bewondering bleef Max voor ’t slanke meisje staan.
’t Was op een fancy-fair. Dora was bloemverkoopster. Ze zag er
onschuldig, zonnig uit, lente-koninginnetje van ’t feest. ’t Was bijna
voor ’t eerst, dat de jonge man een vrouw in baltoilet, in dat
gracieuse, verleidelijke glinsterkleed zag. Die indruk drong in hem
door, half-bedwelmend als de geur van een uitbottende roos. Zijn oogen
rustten met zooveel schittering in de hare, dat ze verlegen werd en
toch blij. Ze vond z’n oogen mooi.
Na afloop was er bal. Driemaal had Max’s naam in Dora’s boekje gestaan,
driemaal hadden ze gedanst. Zoo’n dans.... de muziek hoor je, den vloer
voel je niet. Lucht zuigt om je heen, koelte blazend tegen je warme
hoofd. Moeheid merk je niet. Je hebt ’t meisje in je armen, houdt haar
om ’t middel dat de stof van haar kleed één is met je handschoen en de
handen rusten in elkaar, als electrisch gesmeed. Soms hijg je naar
adem, soms druk je de warme gestalte tegen je an. Soms kijk je neer,
ziet de donshaartjes wuiven in ’t blanke nekje, ziet de rozige oortjes
trillen, soms ontmoet je elkaars blikken, half bevreemd dat j’elkander
zoo innig omvat. Soms ben je alles vergeten, soest je geheugen weg,
zwaai je, draag je, vlieg je voort als een wezenloos lichaam, toch met
een huivering van geluk in je. Dan houdt de muziek op, wor je
koud-wakker, brengt het meisje deftig terug en je voelt je beklemd als
je voor haar staat, met een aandrang haar niet aan te zien of
wonderlijk lang. Zoo’n dans....
„D’r ouwe is ’n kwaje! Jongens, da’s lang niet maklijk!”....
Dit was Karels bedenking, toen Max twee maanden later, plotseling bij
hem binnenviel, hem kort en bondig vertelde, dat hij smoorlijk op Dora
verliefd was en dolgraag bij Karels oom geïntroduceerd zou worden.
.... „Als ik openhartig met je spreek, Karel, wil ik ook ’n even rond
antwoord. Wij hebben éen keer ’n kleine kwestie gehad, toen jij boven
je theewater was.... Da’s al lang vergeten.... Zeg wil jij je moeite
geven.... of.... heb j’r zelf iets tegen, dat ’n jood....”
.... „Bè-je mal kerel, nee! Je hebt me nou toch al beter leeren kennen!
Laat dat maar rusten. Mijn zegen heb je, maar oom.... ’n Beste vent....
maar koppig als ’n stier, en die—je neemt ’t me niet kwalijk?—die kan
joden niet luchten....”
„Da’s leelijk genoeg....”
„Zeg dat wel.”
„Zoo kerksch?”
„Nee da’s ’t woord niet. Hij komt er nooit... ’t Is ’n idée fixe van
’m.... Rassenhaat....”
„Dan mot ’r toch ’n bepaalde reden zijn!”
„Die is d’r ook. Een beroerde reden. Waarachtig, je kunt ’t ’m niet
kwalijk nemen. Z’n ouwe heeft zich verdronken, toen die ’n klap kreeg
van ’n bankier.... ’n jood.... die.... nou affijn daàr was ’n luchie
an.... En ’n hoop schulden zijn d’r achtergebleven. Oom is in zaken ’n
kraan van ’n vent, heeft zich d’r heelemaal bovenop gewerkt en alles
van z’n ouwe afbetaald... ’k Wou dat mijn ouwe ’t eens voor mij
deed....”
„Zeg, is d’r anders geen reden?”
„Nee.”
„Maar daar valt dan toch tegen te praten, hè?”
„Nou, ’k wil ’t probeeren, maar ’k zeg, d’r komt geen jood over z’n
vloer.”
„’t Is treurig dat-ie ’n haat heeft tegen allen, omdat d’r éen....”
„Ja maar kerel, as je ouwe.... Da’s niet mis, da-vergeet je nooit!”
„’k Had al met Dora gesproken.”
„Natuurlijk „ja” gezegd, niet?”
„Natuurlijk? Waarom natuurlijk?”
„Wel zonder j’n compliment te maken, jij hebt ’n tong.... ’t Is ’n
lieve meid.... As je d’r krijgt heb-ie wat an d’r....”
„Da-weet ik. As je wist....”
„’k Heb ’t al lang begrepen. Niet voor niks ben jij op al die concerten
geweest.... Bè-je klaar voor je doktoraal, zeg?...”
„Volgende maand.”
„Boffert!”
„Da’s maar zoo, zoo.”
„Wablief? ’n Meisje om te stelen, geld as water! ’k Zie jou nog ’s in
de Kamer!....”
„Ga zitten,” zei tante.
Max zette zich neer naast ’t oude vrouwtje, wier bandeau even
ravenzwart glom als vroeger, wier vel alleen wat meer gerimpeld was.
Tante had uit haar vroegere ziekte een hevige doofheid overgehouden,
bediende zich nu van een hoorn. Ze kwam bijna niet meer van haar stoel
af. Als ze uitging, reed ze. Een oude meid, Rika, nam het huishouden
waar, was tevens de onmisbare raadgeefster in gevallen, dat tante
gewichtige dingen in haar hoofd vermaalde. Neef Max was de afgod van ’t
wegkwijnende vrouwtje. Als hij haar op kwam zoeken, schoot een glim van
levensvreugde over ’t gegroefde gezicht, hingen de kleine
blinkend-zwarte oogen aan zijn lippen. Ofschoon ze niet lezen kon,
bewaarde ze zorgvuldig de kranten, waarin zijn naam voorkwam als hij
examens gedaan had. Meestal wipte neef Vrijdagsavonds naar binnen,
smeet zijn sigaar voor de deur weg, las het vrouwtje een stukje voor,
hard in den hoorn schreeuwend, tot ze knorrend van pleizier, als een
verwend, oud poesje in slaap dutte—’t instrument zachtjes in den schoot
plofte—en ze met een trek van lekker genoegen bleef knikkebollen, tot
de jonge man, luidruchtig geeuwend—haar uit ’t slaapje wakker
schudde....
„Alles wel, tante?”
„Mot wat harder spreken, heb ’n kou gevat, versta niks vandaag....”
„Alles wel?”
„Ja, ja, ja! Je ziet d’r best uit.—Rika! Rika!.... ’t Gas stoomt!—Nee
Max, jij niet!.... ’t is Sjabbes.... da-mag niet.... da-weet je wel!”
.... „’k Heb al zoo’n boel op m’n geweten, tante. Laat de meid maar in
de keuken blijven. ’k Zal ’t wel neerdraaien....”
„Nee, nee! Da-wil ik niet.... Rika! Rika! Zoo ben je daar, kind.... Ach
toe draai ’t gas wat neer, wil je?.... En dan de koffie.... ’k heb d’r
geleerd kiks [1] te bakken. Da-mot je proeven.”
„Met pleizier.”
„Is d’r nieuws in de gemeente?”
„Dat zal u wel beter weten dan ik. Toch wilde ’k nog eens ernstig met u
spreken, tante.”
„Wat zeg je? Harder! Wat spreek je toch zachies vandaag!”
„Tante je mot niet boos worden.”
.... „Ikke.... boos.... op jou?”
„Ik ga trouwen.”
„Soo, soo, soo!.... Wat zè-je daar! Dat doet me pleizier....”—ze vatte
zijn hand: „jij bent zoo verstandig, da-je meisje wel goed mot wezen...
da-verdien je.... Enne, enne... hier uit de stad?”
„Ja, tante.”
„Soo, soo, soo....” Een tintelende pret kwam over ’t ouwe gezichtje. Ze
vergat heelemaal den naam te vragen, bij de gedachte dat ze ’t
misschien nog halen zou, ’n kindje van haar neef „tante” of „groótmoe”
of zoo iets te hooren zeggen: „Soo, soo, soo.... enne.... enne.... is
ze mooi?”
„O God, as je d’r zag....”
„Enne, enne.... geld....?”
.... „Da-geloof ’k wel...., Da’s bijzaak!”
.... „Bijzaak.... Nee da’s geen bijzaak, da’s hoofdzaak.... Zoo is ’t
goed,... heel goed.... Nou komp geld bij geld.... Waarom heb-ie d’r
niet meegebrocht?”
„D’r zijn moeilijkheden tante.”
„Wa-zeg-ie? Harder! Harder!”
„D’r vader is d’r tegen. Versta-je?”
.... „D’r tegen?.... Is die man gek?.... Is die man gek? Tegen jou?....
Tegen jou?.... Hè-’k heelemaal den naam niet gevraagd!.... Is die man
gek!”
.... „’t Is ’n christenmeisje, tante! Daar zit ’m de knoop!”
„Wat zè-je? Watte? Heb niet goed verstaan!”
„’t Is Dora Daanders! Daanders, de houthandelaar! Ken je toch wel
tante?”
Langzaam gleed een intense verbazing over ’t gerimpeld gezichtje, een
ongeloovige glimlach, een knipperen van de oogleden alsof ze de grap
doorzag.
.... „Malle jongen! Een oud mensch voor de gek te houden! Wil-je nog ’n
stuk kiks? Lekker is ze, hè?”
„Dank u! Tante, ’t is geen gekheid. Versta je me? ’k Vat wel da-je d’r
tegen bent maar als je Dora zag, als je d’r hoorde....”
Tante’s kopje bibberde rinkelend tegen ’t bakje. Strak, met wijd
geopende pupillen keek ze den neef aan. De onderkaak bewoog zich
zenuwachtig, in een zoeken naar driftige woordjes.
.... „Jij? jij!.... De dochter van zoo’n haurik! [2] ... Jij overloopen
naar de Gojjem [3].... Wat, wou jij dat doen?.... De zoon van ’n
parnes! [4].... Adonoi! [5].... Mo’k dat beleven!”
„Tante win je nou niet op!”
„Wat zè-je?”
„’k Hou van d’r tante. Je weet da’k niks om ’n geloof maal.... Wor d’r
nou niet boos om!....”
.... „Jij ’n gojje trouwen? Weet jij toch ook, hoe wij, arme Jidde [6],
geleeje hebben! Hoe ze ons trappen!.... Mot je me dat op m’n ouwe dag
andoen?.... Hoef jij hier niet meer te komme!.... Is ’t uit tusschen
ons.... Uit!....”—Bevend was ze opgestaan en wees naar de deur:—„’k
Hà-gedacht, da-je me blij wou maken... Als j’n gojje trouwt.... krijg
je geen cent van me.... geen cent.... niet zooveel om ’n hemp van te
koopen!....”
Met een gevoel van pijn keek de jonge man naar ’t driftige menschje. ’t
Speet hem, dat ze ’t zich zóo aantrok. Toch gistte er langzaam een
venijnige bitterheid in zijn hart. Vooral bij ’t laatste dreigement
steeg hem ’t bloed naar ’t hoofd. Heftig sloeg hij met de vuist op de
tafel, dat de kopjes kletterden. Maar hij werd zich weer meester, nam
bedaard zijn hoed, schreeuwde in den hoorn, dat hij er nog eens over
denken zou en ging snel heen.
Op straat barstte zijn verkropte spijt los. Met ’t ouwe mensch lag hij
nu overhoop.
Met Dora’s vader was ’t gegaan, zooals Karel vermoed had. Grimmig had
Daanders geweigerd Max te ontvangen. „Als je vriend ’n jood is, kun j’m
thuis laten!” had het driftig geluid; en toen Karel over de goede
hoedanigheden van zijn vriend had uitgeweid, over zijn knapheid, zijn
rijkdom, was het antwoord geweest: „Ja, ja, dat ken ’k allemaal. Maar
al was ie ’n prins, joden wil ’k niet over m’n vloer. Basta.”
Alles kantte zich dus tegen zijn voornemen. Een zwartgallige loomheid
schokte hem neer. Hij twijfelde. Deed hij goed?.... Mocht hij die
eeuwenoude, ingewortelde, ingekankerde geloofswetten overtreden? Was
het joodsche volk blind geweest al die tijden? Waarom had het,
verdrukt, getergd als het werd, zich zoo heftig aan zijn vormen
vastgeklampt? Was het enkel fanatisme, ingezogen met de moedermelk;
waren al de verlichte joden huichelaars geweest, transigeerend met hun
mooiste opwellingen?.... Zijn heele vrijzinnige wezen twijfelde
plotseling, met een wegzinken van den bodem van al zijn ideale denken
van vroeger.
Buiten de stad gekomen, herstelde hij zich. In den donkeren nacht
schitterden ontelbare sterren, hel-blinkend blauw licht. Hij bleef
staan, machtig aangetrokken door die groote Majesteit en zijn armen
opheffend naar den hemel, herkreeg hij plotseling al zijn geestkracht,
den lust om door te zetten, den moed om die kleingeestige banden der
menschen te breken.