I.

Donderdag te Rotterdam. In de steeg voor ’t Stadhuis een oppropping van

sleeperswagens, boerenkarretjes, trouwkoetsen. De ruwe, bruine kerels

op de wiebelende bokken der lage, plompe voertuigen rukken

nijdig-vloekend, aan de teugels, dat de bekken der paarden in rimpelige

krullen naar achteren dreigen te barsten.

Een boer, de groote voeten in klompen, waaruit stekelig-harde

hooibossen opschieten, schreeuwt met hoogrood, bol gezicht en

kwaadaardige, kantige gebaren, tegen een viezen slagersjongen, die met

z’n bloederigen handwagen in de klit verward zit. Angstig loerend,

kijkt de koetsier van de helderblinkende trouwkoets opzij, vol vrees

aangereden te worden. Nieuwsgierigen luieren op de stoepen aan de

overzij, kijken lachend toe bij ’t lawaai. Nu mengt zich een agent in

de volte. Kalm de driftige uiteenzettingen van een half dozijn stemmen

aanhoorend, geeft hij korte bevelen, pakt de teugels van ’t voorste

beest aan; een klein gesteiger, geknars van hoeven, geschrap over de

keien, een aanzetten van den voerman: het kluwen wikkelt zich dreunend,

vloekend, schor-gillend af en de menigte, teleurgesteld in haar

belustheid op ongelukken en vechtpartijen, kruipt en dringt nu weer om

den ingang van ’t stadhuis. De bruiloftskoetsier herneemt z’n

deftig-stijve houding, de zweep steil naar boven gestoken, ’t dikke

uiteinde rustend in de zij. Een onoogelijke dot gele bloemen hangt op

zijn borst. Aan de kopstellen der paarden slingeren lintjes,

veelkleurig, vastgehouden door bonte rosetjes.

Al de nieuwsgierige hoofden en de kastjes met trouwberichten aan de

deurposten, spiegelen zich in dwaze, dik-uitpuilende glimvormen in de

blinkende wanden en glinsterende, gebogen ruiten der koets. Van de

treeplank is de palfrenier gesprongen—kleiner lijkend onder zijn

hoogen, wijdrandschen hoed—en houdt den knop van de koetsdeur met zijn

grove hand vast. Dikke plooien en rimpels van den te grooten wit-gelen,

beduimelden handschoen liggen ’r om heen. Op de stoep voor den ingang

staat een agent met vergrijsde, zilveren haren.

Daar openen zich de binnendeuren. ’t Midden houdend van den breeden

looper, vertoont zich het bruidspaar, gevolgd door de getuigen. Van

achteren komt er gisting in de menigte, men dringt nieuwsgierig op.

Bijna rakelings gaan bruid en bruigom voorbij, hinderlijk aangekeken.

De ouderwetsche juffrouw van ’t stadhuis houdt den sleep op. De jonge

vrouw stijgt in, bleek, met vochtige oogen. De jonge man volgt. Als hij

bukt om in te stappen, stoot hij in de zenuwachtige haast van ’t

oogenblik, zijn hoogen hoed tegen den bovenrand der koets, dat er een

deuk in komt. Een straatjongen lacht hardop. Een ander roept

ginnegappend, terwijl de deur dichtvalt: „Nah, ’t is maar ’n

jodenhoed!...” en de menigte giegelt.

De palfrenier is intusschen op de treeplank gesprongen, houdt zich

waggelend aan de roode koorden vast; de koets zet zich in beweging,

ratelt snel weg door de drukke, rumoerige straten.

In de kleine, warme, zwaar-gevoerde ruimte van ’t voertuigje zitten ze

naast elkander. Geen woord wordt er gesproken. Beiden zijn te vol van

de plechtige stemming van ’t oogenblik. Het reutelend gehamer van de

wielen over de oneffen keien, het gegons van de dreunende koets, het

gerinkel en geklapper der ruiten, het voorbijschieten der schimmen van

voorbijgangers, is als een bedwelmende roes om hen heen. Alleen heeft

zijn hand de hare gevonden in ’t geglibber van ’t satijnen kleed; door

de handschoenen deelt zich een uitstralende warmte mede. Een zachte

druk, telkens herhaald en beantwoord, geeft hun ’t weldadig juichend

gevoel, dat ze elkander toebehooren, dat ze jong zijn, levenslustig,

dat éénzelfde gloed van liefde in hen optrilt.... dat ze ’t doel

bereikt hebben. Mollig zit zij in ’t rugkussen weggedoken, in de

deinende schokking van ’t rijtuig op en neer gewiegd, zich overgevend

aan de elastische schommeling, die een weelderig gevoel van bevrediging

over haar brengt. En toch....

Hij tuurt naar de ruitjes van ’t vloerkleedje, telt ze, ziet ze op en

neer huppelen naast zijn glimmende laarzen; nu en dan ziet hij de

huizen wegdwarrelen in een radde opeenvolging van lijntjes en

kleurtjes, en al maar door voelt hij de warmte van haar kleine handje,

poezelig weggedoken, rustend in de zijne. Tegen ’t eind van den rit

ontwaken ze. Hij kijkt haar aan met een langen passie-vollen blik,

drukt de kleine hand hartstochtelijk en fluistert heel zacht alleen

haar naam. In dat „Dora!”.... ligt alles besloten, een wereld, een

lijdensgeschiedenis.

'n Jodenstreek? · 第 2 / 7 题