HISTORISCHE AANTEEKENING
OVER THOMAS MORE
Op het einde der 15de en het begin der 16de eeuw vonden in Engeland
ingrijpende veranderingen plaats in het ekonomische en sociale leven.
De oude feudale verhoudingen raakten in verval, het voornaamste
bestaansmiddel, de landbouw, werd gerevolutioneerd door het opkomen
van een stand van vrije kapitalistische pachters en door den snellen
overgang van graanbouw tot veeteelt, die voor den adel voordeelig was.
Het vroegere feudale landbouw-bedrijf had behoefte gehad aan zooveel
mogelijk arbeidskrachten, aan vele menschen op het land, het nieuwe
kapitalistische bedrijf had behoefte aan zooveel mogelijk land en
zoo min mogelijk menschen, aan het uitsparen van arbeidskrachten. De
heeren stalen op groote schaal de gemeente-landerijen, verklaarden
deze tot privaatbezit en verdreven de boeren; in korten tijd verdwenen
tienduizenden boerenbedrijven. Ten gevolge van deze geweldadige
onteigening ontstond een talrijk overtollig proletariaat. Er was geen
industrie in-opkomst, dus geen behoefte aan arbeidskrachten, er waren
geen koloniën die dit proletariaat konden opzuigen, het vond geen ander
bestaansmiddel dan bedelen of stelen. Een barbaarsch-strenge wetgeving
trachtte de landloopers uit te roeien door ze onmenschelijk streng te
straffen; gedurende de regeering van Hendrik VIII werden 72.000 groote
en kleine dieven ter dood gebracht. Maar door bloedwetten kon het
vraagstuk der armoede als sociaal verschijnsel niet worden opgelost.
De algemeene nood gaf nieuw voedsel aan de oud-christelijke
overlevering van gemeenschappelijk bezit der verbruiks-middelen, de
kettersche communistische sekten der Lollarden en der Wederdoopers
vonden vele aanhangers onder de arme klassen. Maar dit vage communisme
geboren uit vertwijfeling over de ellende des levens, bevatte geen
enkel element van maatschappelijken vooruitgang noch van aanpassing aan
de maatschappelijke omstandigheden.
Slechts één man was er in Engeland, één enkele die te midden van de
algemeene radeloosheid een uitweg zag. Die man was Thomas More. Zijn
algemeene kennis op philosophisch, ekonomisch en politiek gebied,
zijn doorzicht in de behoeften en de hulpmiddelen van den tijd, zijn
geniale intuïtie en zijn brandende begeerte de armen en verdrukten te
helpen, hadden hem het spoor doen vinden van een nieuw communisme, van
het gemeenschappelijk bezit der produktiemiddelen en de planmatige
organisatie der produktie op nationale schaal.
More werd in 1478 geboren; hij studeerde in Oxford en werd daar een
geestdriftig aanhanger van de „nieuwe richting” in de wetenschap:
het humanisme (de studie der latijnsche en grieksche oudheid). Deze
richting bestreed de misbruiken in de roomsche kerk, maar wilde vredige
hervorming, geen scheuring. Nadat hij zijn studie voltooid had werd
More advocaat en kreeg veel praktijk onder de Londensche kooplieden, de
klasse die toen meer dan welke andere ook, den ekonomischen vooruitgang
belichaamde. Hierdoor verkreeg hij theoretische en praktische kennis
op maatschappelijk gebied. In 1504 werd hij tot lid van het Parlement
gekozen; daar kwam hij al spoedig in konflikt met de willekeur van
den koning (Hendrik VII) en was genoodzaakt zich uit het openbare
leven terug te trekken. Toen in 1507 Hendrik VIII, een kweekeling der
humanisten, den troon beklom, scheen het of een nieuwe koers ging
beginnen; More die in groot aanzien stond bij den jongen vorst, werd
koninklijk ambtenaar en een man van invloed aan het hof.
In 1515 maakte hij als gevolmachtigde der kooplieden deel uit van een
gezantschap dat naar Vlaanderen ging om te trachten een handelstraktaat
tot stand te brengen. Daar schreef hij de Utopia, het werk dat zijn
naam onsterfelijk zou maken. Het bevat zoowel een doordringend-scherpe
kritiek van de maatschappelijke misstanden zijner dagen als een
uitvoerige beschrijving van den socialistischen heilstaat.
Van een hersenschim: vage hoop, of herinnering aan ver verleden, is het
communisme in de Utopia voor de eerste maal tot een wetenschappelijke
gedachte geworden, geboren uit doorzicht in de maatschappelijke
behoeften en de maatschappelijke hulpmiddelen.
Eén hersenschimmig bestanddeel bevatte het communisme van More
echter nog: hij zag geen ander middel het te verwezenlijken dan door
het initiatief van een wijs en machtig vorst. Dit hersenschimmig
bestanddeel, de verwachting namelijk dat de heerschende klassen
(vorsten of kapitalisten) voor het socialisme gewonnen zouden
kunnen worden en het verwezenlijken, kon eerst verdwijnen na het
ontstaan van het moderne proletariaat, de klasse wier positie in
het produktie-proces de socialistische inrichting der maatschappij
voor haar maakt tot den eenigen weg ter ontkoming aan ellende en
bestaans-onzekerheid.
Drie eeuwen lang volgden alle socialistische denkers de banen, waarin
More hun was voorgegaan; toen eerst waren de tijden rijp voor een
nieuwen grooten stap van het menschelijk denken, den stap van utopisch
tot wetenschappelijk socialisme.
De Utopie had geen invloed op More’s verhouding tot den koning. De
tijdgenooten beschouwden het werk als de luimige vrucht van luimige
uren, een fantastisch gedachtespel. Hij steeg al hooger in ’s Konings
gunst, werd minister en rijkskanselier. Maar zijn onbuigzaamheid van
geweten en zijn liefde tot het volk moesten hem in konflikt brengen
met het algemeene streven naar machtsuitbreiding van den vorst. Om een
tegenwicht te vormen tegen de spaansche monarchie, wilde Hendrik zich
verbinden met Frankrijk en een fransche prinses tot vrouw nemen. Maar
daartoe moest hij zich van Catharina, de spaansche prinses waarmee
hij gehuwd was, laten scheiden en de paus, die geheel in de macht
van Spanje was geraakt, weigerde die scheiding te bekrachtigen. Toen
besloot Hendrik met Rome te breken, hij verklaarde de engelsche kerk
voor onafhankelijk en zichzelven tot haar hoofd. De geestelijkheid
waagde het niet tegen deze „Hervorming” in verzet te komen, ook hoopte
zij er voordeel van te halen. Hendrik onteigende kloosters en kerken
op groote schaal. Spekulanten en gunstelingen maakten zich meester van
de kerkgoederen, uit wier inkomsten voorheen duizenden behoeftigen
gespijzigd waren. Zoo stond de „Hervorming” van Hendrik in lijnrechte
tegenstelling tot de behoeften van het volk.
More trachtte in den strijd tusschen paus en koning onzijdig te
blijven, maar dit bleek op den duur niet mogelijk. Een jaar nadat
de engelsche geestelijkheid Hendrik als hoofd der kerk van Engeland
erkend had legde hij het ambt van rijkskanselier neer. De koning
beschouwde deze daad als rebellie en hoogverraad; More werd in den
Tower opgesloten en na een lange gevangenschap door de laffe rechters
met hulp van een omgekocht getuige veroordeeld en den 6den Juli 1535
ter dood gebracht.
Er zijn verschenen van
HENRIËTTE ROLAND HOLST-VAN DER SCHALK
Sonnetten en verzen in terzinnen geschreven. Tweede druk 1913.
De Nieuwe Geboort. 1902. Derde druk 1913.
Opwaartsche wegen. 1907. Tweede druk 1914.
De vrouw in het woud. 1912. Tweede druk 1917.
Thomas More. 1912. Tweede druk 1916.
Het Feest der Gedachtenis. 1915.
In eene editie van ƒ 1,25 ingenaaid en ƒ 1,75 gebonden per deel.
Stempels van S. H. de Roos.