VIERDE BEDRIJF

De Theemskade bij Londenbrug. Nacht. Aan gindsche zijde van de

brug aan den anderen oever, ziet men flauw de omtrekken der

stadspoort.

William, Grynæus, later Kingston, Margreet en de nar.

WILLIAM Hier zijn wij waar wij moeten wezen: dit is

de afgesproken plek.

GRYNÆUS Kingston is er

nog niet....

WILLIAM Maar hij komt zeker: dat ’s er een

van het soort die hun woord gestand doen. Hij

en gij Simon, bevriende’ ons nog; al d’anderen

verstoven na dien slag.... De nacht is geurig....

GRYNÆUS Ja, door de zoelte hangt een geur van vlier....

WILLIAM Hoe genoot hij de zomerzoete geuren

van zulke nachten.... Ach Simon, ik kan

het niet gelooven....

GRYNÆUS En toch is het waar:

van ginds-af ziet, verschole’ in fulpen duister

zijn bloedeloos hoofd op ons neer....

WILLIAM Afgrijslijk....

o dat we enkel d’arme geknotte romp

begraven mogen, en moete’ overlaten

het edelste ten prooi....

GRYNÆUS Stil, ik hoor schreden.

Wie komt daar?

KINGSTON William Kingston. Zijt gij het,

mijnheer Grynæus? Is niet William Roper

met u?

WILLIAM Hier ben ik Kingston. Dank dat gij

gekomen zijt.... wij hunkeren te hooren....

En toch.... mijn hart huivert.... O Kingston,

hoe ging hij op?

KINGSTON Blijde als een kind, dat huiswaarts

naar moeder keert, en even gerust.

Maar o vrienden, de schande.... o de schande....

Hoe kan één van ons die daarbij was, nog

het licht verdrage’.... Een getuig’nis, gevlochten

uit dikke en drieste leugens hebben zij

gedraaid tot den strik, om mee te verworgen

den nek, die het nobelste hart van England

bond aan het beste brein.... Hoordet g’ op welke

gronden het vonnis werd geveld?

WILLIAM Alleen

geruchten. Men zegt, een gekocht getuige

zwoer, dat hij vader had gehoord betwisten,

en honen ’s konings kerkelijk opperrecht.

Is dat waar, Kingston?

KINGSTON Ja, Judas’ geslacht

is nog niet uitgestorven.... ik wil trachten

geregeld te verhalen, maar de woorden

stokken mij in de keel.

WILLIAM Zeg eerst of vader

’t band zijner zwijgzaamheid verbroken heeft.

Opende hij hun, waarom zijn geweten

te zweren hem verbood?

KINGSTON Ja William, en

de reden was als wij konden verwachten

van een man gelijk hij.... Kon ik in woorden

uitdrukken welk gevoel alle, ook de rechters

deed opstaan toen hij binnen werd gebracht!

Het was geen deernis met zijn lijdend wezen,

zijn gebogen gestalte, moeizaam gaande

geleund op eenen stok.... het was ontzag

voor een milde majesteit, uitgerezen

boven het leed.... Toen mijnheer Audley alvoor

d’ aanklacht te lezen Morus heuschelijk

begroette, en bood voor ’t laatst in naam des konings

vergiffenis, hoopte ik even dat hij

had toegestemd te zweeren, en ’t zoo tusschen

hen was gekomen overeen. Maar rustig

klonk reeds zijn antwoord door de zaal:

„Mijnheeren rechters,

ik ben den koning zeer erkentelijk,

maar bid tot God, dat hij in zijn genade

mij helpe in mijn gezindheid te volharden

tot dit flakkerlicht wordt gebluscht.”

Toen wist ik

dat hij zijn leve’ in handen van de rechters

legde, en niets hem redden kon, dan mooglijk

hun manhafte moed.... ik oude dwaas hoopte

daarop....

GRYNÆUS Ge wist toch dat de koningin

zijn ondergang gezworen had.... haar willen

reikt ver.

KINGSTON De rechters zetten zich, en mijnheer Southwell

las d’ aanklacht voor.... Gij kent de punten?

WILLIAM Ja.

KINGSTON Toen hij gedaan had, kreeg uw vader ’t woord

tot zijn verdeed’ging, zittend, want hij had een

zetel verzocht, zeggend zich te gevoelen

te zwak om lang te staan.... Langs d’ eerste punten

gleed hij met korte woorden heen; gekomen

tot de hoofdzaak,

zei hij nadrukkelijk, nimmer te hebben

gezocht, één mensch met woorden te bewerken

den eed te weigeren, noch één ontsloten

de gronden van zijn weig’ring. God kwam het toe

en God alleen, de gedachten te richten,

geen aardsche rechters mochten ’t doen. Daarom

bestreed hij, dat hij door te zwijgen zich

verraderlijk tegen zijn koning keerde,

en zou het bestrijden zijn leven lang.

Hier zag hij rond; zijn stem was weeker toen hij

voortvoer: „Ik heb in deze eigen zaal

veel jaren recht gesproken, vele malen

in menschelijke zwakheid mij vergist.

Maar nooit—hier zocht de oogen van zijn rechters

zijn vrije blik—heb ik bewust gebogen

onrecht tot recht: dit maakt mij stout, een woord

tot u uit innerlijken drang te spreken.”

Hij rees op, zijn gestalte strekte zich,

zijn vaal, ingezonken gelaat bezielde

de blos van heilgen ijver; warmte trilde

door de diepere tonen van zijn stem,

toen hij riep „Rechters, ik bezweer u, rechters,

o buigt het recht niet krom.”

Toen ging hij kalmer

weer voort, hun toonend hoe gemeenschap vergt

om vast te staan, zede en recht, als de steenen

de kalk behoeven, te vormen een bouw;

hoe zoo zij, van wie op aardsche rechters

was geen beroep, nu ’t recht krombogen, dit

zou zijn den bouw der maatschappij ontwrichten

zoodat geen mensch meer veilig wonen kon.

Rustig en zacht besloot hij: „ge weet wel

dat ik mijn leven niet terug wil winnen

als in een kansspel uit uw hand. Ik heb

mijn anker reeds gelicht, en merk den stroom

mij voeren naar de wijde wateren

der eeuwigheid. Maar gij blijft en het volk

van Eng’land blijft: voor u zelf pleit ik, en voor

dat volk. Moog God van uw hoofden afwenden

dit erge doen.” Toen zonk hij in zijn zetel

terug, en sloot d’ oogen....

GRYNÆUS Leken de rechters

ontroerd?

KINGSTON Een mompelen ging tusschen hen

en ik ving enk’le woorden op die deden

opscheemren voor mijn hart een zweem van hoop.

„Wij kunnen niet”.... „er is geen grond”.... „het schuldig

sterft op de tong”.... maar mijnheer Southwell trad

naar voren, en ik zag op zijn gluipgezicht

een lachje van boosaardig triomfeeren

en voelde mij verstijven, want ik kende

hem voor een nijdaard, Morus slecht gezind.

Met effen stem vroeg hij het hof verlof

hun alsnog voor te stellen een getuige

die zelf gehoord had ’t schennend woord ontvallen

aan Morus’ lip. Ik geef mijn hoofd, Grynæus

zoo die getuigenis niet was te voren

bekonkeld tusschen hen....

GRYNÆUS ’t Is zeer waarschijnlijk,

maar ik bid u, ga voort....

KINGSTON De getuige

werd vóórgebracht, een zek’re Rich. Hij zwoer

waarheid te zeggen, en dischte op den rechters

dit dwaas verhaal. Hoe hij onlangs in opdracht

tot Morus ging, met Southwell en een klerk,

zijn kerker te doorzoeken naar geschriften;

en terwijl d’ anderen zochten, vroeg hij

More tot een vraag verlof, te weten:

zoo ’t parlement hem, Rich, tot koning maakte,

of More hem dan erkennen zou. En Morus

zeide van ja. Toen vroeg Rich verder, of

zoo het parlement hem tot paus verklaarde

More hem als paus erkennen zou. Maar Morus

antwoordde, vragend op zijn beurt, of zoo

het parlement God niet meer God verklaarde

te zijn, hij Rich, zich reek’nen zou gebonden

aan zoo’n besluit. En Rich „wel zeker niet,

geen parlement had macht dat te bepalen.”

Waarop More „evenmin, een wereldsch vorst te maken

tot hoofd der christenheid.”

GRYNÆUS En deze plompe leugen

nam het hof aan als een bewijs van schuld!....

Niet te gelooven.... Wat antwoordde Morus?

KINGSTON Hij bracht den rechters in herinnering

hoe hij alree verklaard had, en ’t bezworen,

nooit te hebben aan eenig mensch ontsloten

in deze zaak, de gronden van zijn hart,

en bad hen te bedenken, dat zoo hij

een man was, die met eeden speelde als waren ’t

ballen, hij niet vóór hen zou staan, maar zeet’len

tusschen hen in „Immers slechts een eed scheidt mij

als u bekend is, van mijn ouden staat.”

Ik zag bij ’t woord sommigen van de rechters

de oogen neerslaan, als beschaamd.

Toen, zich wendend naar waar Rich stond, sprak hij

verder, niet in toorn, maar gestreng van wezen:

„Ik heb eeden altijd gehouden heilig,

en daarom mijnheer Rich, bedroeft mij meer

uw meineed nu, dan mijn bedreigde leven.

Ik ken u sinds de dagen van uw jeugd,

—wij woonden immers in hetzelfde kerspel—

als een lichtzinnig mensch, een erge speler,

en nimmer hield ik u voor eenen man

dien ik, of dien een ander zou verkiezen

tot zijn vertrouweling.”

WILLIAM Antwoordde Rich?

KINGSTON O neen, met een uitdagend lachje hoorde

hij ’t streng-klinkend woord van uw vader aan,

en haalde, toen die zweeg, de schouders op

als vond hij zich te goed hem te weerspreken.

WILLIAM Verdorven hart, is in u alle schaamte

dan dood?

KINGSTON Schaamte? ’k wed, hij zal morgen pralen

met zijn meineed als zijn verdienste.... Mompelt

men niet, dat hij eerstdaags geadeld wordt...

Maar gij verlangt verder te hooren.... Als

merkte hij niet het ergelijk gebaar

van den ellend’ling, wendde tot de rechters

Morus zich weer, met vaste klare stem

vragend, of dit hun toescheen geloofwaardig,

dat hij, een oud man, in de school des levens

geoefend in lange geslotenheid,

zou hebben geopend ’t geheime boek

van zijn geweten, dat hij niemand toonde

—ook niet den trouwste’ en meest vertrouwden vriend—

aan een nietswaardig mensch, dobb’laar en drinker,

dien hij laag achtte en waartoe niets hem dreef.

Hij bracht hun in herinnering, hoe de koning

had uitgezonden tot hem, in zijn kerker,

veelmalen, mannen van beproefd verstand,

opdat hun schranderheid hem zou ontlokken

zijn welbewaard geheim—maar steeds vergeefs.

„Houdt ge het dan voor mogelijk,” besloot hij,

„dat waar zoovele goede schutters waren

afgedeinsd, en hadde’ alle ’t doel gemist,

zoo plomp een hand zou zijn bij d’ eerste poging

geslaagd?”—O vrienden ik had het wel willen

uitschreeuwen, willen roepen tot de rechters:

zie waarheid op dit voorhoofd zeet’len, hoor

haar klank die hartgrondige stem doorgulden;

en zie dan daarheen, naar dat driest gezicht,

waar alle lage drifte’ op achterlieten

hun slijm’rig spoor.... Kunt ge in trouwe ’t een

getuigenis tegen het ander wegen?

Maar ach, ik zweeg....

WILLIAM Wat had het ook gegeven!....

Sprak een der rechters nog aan de getuig’nis

van Rich zijn twijfel uit?

KINGSTON Geen. Mijnheer Audley

rees, zeggend dat nu uw vader de faam

van den getuige aantastte, hij moest vragen

Southwell, of die iets had gehoord....

WILLIAM Maar Southwell

had gewis niets gehoord....

KINGSTON Southwell bezwoer

zijn aandacht was hij zoo bij zijn taak geweest,

dat niets tot hem drong van hun beider spreken.

Maar snel rees Morus op, en weder klonken

zijn strenge woorden door de dompe zaal:

„Southwell, waarom bevlekt gij uw geweten

met valsch te zweren?”; en hij verhaalde hoe

hij den leugenaar had gemerkt, begeerig

happend naar ’t woord, dat hem More zou verderven,

gespannen luistren, en toen ’t uitbleef, den

schurk had gezien met een gebaar van wrevel

zich afwenden, of hij ’t niet kroppen kon.

WILLIAM Zei Southwell iets?

KINGSTON Hij veinsde niet te hooren,

verdiept in zijn papieren, maar ik zag

zijn gezicht vertrekken en zich verharden

tot een masker van haat.... Het was de beurt

nu aan zijn slangenrede.... ik bid u, laat

mij u bespare’ en besparen mijzelven

dat glinst’rend web van boosaardige leugens

weer uit te spreiden.... ’t walgt me....

WILLIAM Enkel dit:

waagde hij het, zich te beroepen op

de Judas-getuig’nis van dien meineedge?

KINGSTON Hij waagde het. Schaamteloos was de wijze

waarop hij uw vader hoonde, met woorden

groen van venijn. Zie die spotter, sprak hij,

staande bij hen die Rome felst bestookten

weleer vooraan.... maar nu zijn koning, die

twintig jaar lang met de room zijner gunsten

hem heeft gevoed, zijn hulp behoeft, zie, nu

verschuilt hij achter Rome en haar geboden

zijn verraderlijk hart....

WILLIAM Ellendeling!

GRYNÆUS Ik vreesde dit.... Antwoordde Morus nog

op deze rede?

KINGSTON Hij verklaarde

dat hij eerst na het oordeel spreken zou.

De rechters trokken zich terug tot hunne

beraadslaging.... een doffe zwaarte lag

over de broeiing van den heeten noen

waar vliegen droomerig doorgonsden.... soms

hoorde men even een gedempt gefluister

als was er tusschen ons een doode.... More

had het gelaat in de handen verborgen

en peinsde of bad.... Ik weet niet of het lang was

dat wij wachtten.... de tijd bestond niet meer,

niets bestond als een doffe

knaging van onrust en benauwenis.

Eindelijk hoorden wij schreden, de rechters

keerden door de holle gangen terug.

Stappen naderden, deuren sprongen open,

en ’k las op de schuldbewuste gezichten

hun eigen schande. Audley stelde de vraag,

en zesmaal spitsten zich de droge lippen

tot het gruwelijk onverzoenbaar woord

dat toonloos zonk in de beklemde stilte:

„schuldig—schuldig—schuldig—schuldig—schuldig—

schuldig.”—Zes malen kromp mijn hart ineen.

Ik zag naar uwen vader, waar hij zat:

een licht van troosting, vrede en klaarheid straalde

van dat ontspannen rustig-mild gelaat.

Toen kwam het vonnis, en wij huiverden

bij de klank van die vreeselijke woorden:

„zal met gloeiende tangen eerst genepen

dan ’t hart hem worden uitgerukt,” maar toen

volgde dat de koning in zijn genade

het tot onthoofding had verzacht;—hoe licht

getroost is toch de mensch in zijn ellende:

wij voelden iets verruimd.

WILLIAM En vader?

KINGSTON Hij

rees op, en met zachte heldere stem,

als waren wij allen bijeen in vrede,

begon hij te spreken, zeggend alleen

zoolang met zwijgzaamheid te hebbe’ omsloten

zijn lip, uit vrees dat vervolging hem vinden

mocht zwak, en klein van hart,

want hij voelde ’t in zich niet onvervaard

gelijk de martelaren die getuigend

uitlokken lijde’ en gaan ten jubeldood,

en ’t scheen hem hoogmoed toe door eigen doen

op zich te laden, wat hij tot het einde

misschien niet standvastig zou dragen....

WILLIAM O vader,

dat ’s uw ootmoed’ge zin.... Ach, Kingston, wij

vielen hem hard, omdat hij zijn vertrouwen

weghield voor ons....

KINGSTON Na die bekentenis

verklaarde hij met mannelijke woorden

waarom hij niet kon zweeren, sprekend uit

wat nu in Engeland alle rechtschapen

harten denken, maar niemand zegt:

hoe koning Hendrik de hervorming niet

tot stand wil brengen om de kerk te rein’gen,

maar uit belustheid op het goed der kerk,

en hoe de geestelijken die hem steunen

als hem beweegt begeerlijkheid—of vrees.

Hier zweeg hij even, over zijn gezicht

trok donk’re schaduw toen hij voortvoer: „nu

zullen de kloosters worden opgeheven,

der armen wett’lijk erfdeel, hun geschonken

tot de verlichting van hun lange nood,

wordt hun ontgrist door gewelddaad’ge handen;

de borsten waaraan ’t arme volk zich laafde

verdrogen: hoor ze krijten van den dorst.”

Weer zweeg hij; zijn wezen versomberde

een nieuwe vlaag van aanstormende smart:

hij sidderde, zijn wijd-gesperde oogen

schenen achter de hoofden van de rechters

een ontzetting te zien; en haar bedreiging

beefde in ’t schrille stijgen van zijn stem:

„ik zie de duizenden, die veilig leefden

op ’t kloostergoed, worden door nieuwe heeren

verjaagd om plaats te maken voor de schapen;

ik zie ’t reed’looze vee vreten de menschen,

ik zie de troepen hongerige zwervers

dolen over ’t land;—ik zie de zweepen dalen

en weer opspringen in der beulen vuist,

en de galgen niet ophouden te dragen

hunner verschrikking vreemd-bengelende bloem”:

en, als den hemel nemend tot getuige

hief hij de armen hoog „dat heet hervorming,

o monsterlijke, monsterlijke leugen,

hemeltergend onrecht, zaad van langen haat”....

WILLIAM O vader, vader, liefde tot de armen

dreef u in den dood....

GRYNÆUS Ja dat was het,

en ik merkte het niet....

KINGSTON Toen hij ’t gemoed ontlast had

effende zich zijn weze’ opnieuw tot vrede;

een klare zilvervlam brandde zijn stem.

Hij wist wel, zei hij, dat één steen niet stuiten

kan losgebroken stroom: hem overstelpen

de wateren. En hij, die schier alleen

zich stelde in den weg van ’t vorstlijk willen

moest zoo worde’ overstelpt en ondergaan.

Maar dat men onrecht niet kon keeren was

nooit rede om niet tegen onrecht te strijden:

„niet alle strijders kunnen zegen oogsten,

maar alle kunne’, onrecht weerstaande, nader

brengen uw dag, gerechtigheid, op aard.”

Hij zei dit zacht, als beschaamd voor de and’ren

die niet hadden weerstaan.

Maar ik voelde wereldsche eere, praal

van weidsche daden en wapenenluister

verbleeke’ en zinken naast dit simpel woord,

zich stil ontvouwend als een zilv’rig bloeisel

hoog aan den stengel der recht-oppe daad.

WILLIAM Sprak hij nog meer?

KINGSTON Zijn rechters aanziend met

een glimlach die zoet als olijventwijg

boven de bitterheid van dat uur zweefde

zei hij hun mild vaarwel. Hij bad hen, hem

te willen gedenken in hun gebeden

niet als den man dien zij daar vonnisten,

maar als den makker, wiens beeld vóór hen rees

uit heugnis van veel zacht-gesleten uren

die mensch binden aan mensch. Eens zouden zij

en hij weer samenkomen waar de draden

van hun verwarde willen zeker gingen

zich effenen tot glanzend vreugde-web.

WILLIAM Niet meer?

KINGSTON Ja toch: hij liet den koning weten

dat Morus, met dankbaar hart oude dagen

gedenkend, zonder wrok ging in den dood.

Dat was het laatste.

WILLIAM Hij heet een verrader!

KINGSTON En toen gaf mijnheer Audley mij bevel

om More terug te voeren naar den Tower

te lijden daar den dood als ’t vonnis wou.

De rechters gingen heen....

WILLIAM Mijn arme Kingston,

moest gij dat zijn?

KINGSTON William, ik weet niet of

hemelsche boodschappers nog tot de menschen

dalen om hen te sterken met hun aêm.

Maar zoo ’t geschiedt stond zulk een hemelling

vast, door ons ongezien, achter uw vader

hem toewuivend op blanke wiek genâ.

Want toen ik tot hem trad, en droefheid mij

zoo overmande, dat ik luid uitsnikte

of dit zou zijn de laatste dienst dien ik

ging aandoen den beminden man, de laatste

bloem die veeljaarge plant van vriendschap dreef,

sloeg hij zijn arm vertroostend om mijn hals,

en lachte mij mild-bemoedigend toe.

„Kingston,” zei hij „wees welgemoed man, laat

uw hart zich niet bezwaren om uw last;

mij behaagt wèl dat gij me zult geleiden,

oude vriend, naar de poort der eeuwigheid.

Ik ga, zegenend onze goede aarde,

maar blijde dat het is mijn tijd te gaan,

want ik heb uitgestaan veel moeienissen”.

Toen omhelsde hij mij, en wie ons beide

daar zag, die had gezworen hem den trooster,

en mij, afwachtend smadelijken dood!

WILLIAM Wij zijn ’t die troost behoeven, niet meer hij....

KINGSTON Ach, een afscheid is hem nog zwaar gevallen....

Vrouwe Margreet verhaalde u wis, hoe zij

opwachte zijn terugweg, en zich wierp

tusschen de mannen van de wacht? Ik wist niet

dat zulke kloekheid wonen kan in ’t schuchter

gemoed van een teedere vrouw....

WILLIAM Margreet

heeft haars vaders wezen geërfd; ook zijne

groothartigheid.... wij alle steune’ op haar....

ik kan niet denken wat mijn leven wezen

zou zonder dezen steun.... Zeg mij, Kingston

hoe was het mooglijk dat zij tot hem drong

ondanks de wacht, dat al die hellebarden

haar niet stuitten, een wapenlooze vrouw?

Was het verrassing? Weken z’ uit erbarmen?

Zij zelf weet niets, zegt ze, als dat vaders aanschijn

riep tot haar, van ver, en zoo’n grooten drang

haar overmocht, om hem nog ééns te kussen

dat vrees en schuwheid van haar lieten, en zij

gezogen werd naar waar hij stond....

KINGSTON Ik kan

u dit alleen maar zeggen, William; wij

hoorden, toen wij onder den Tower landden

een stem die riep „vader,” en weer „vader.”

Zulk een angst van verlangen zwol daarin

dat allen stilhielden en het hoofd wendden,

naar dien roep als van een verschrikte vogel

die om zijn jongen krijt. Ik zag haar staan,

de armen voor zich uitgestrekt, en naast haar

uws vaders oude nar met het vroegwijze

kindergezicht, toen vreemdvertrokken grijnzend

in smartelijken lach. Ik hoorde hem

schreeuwen: „nu vrouwe,” en zag hem voorwaarts storten

tusschen de pieken, zij hem na. Maar even

verdween z’ in wriemling van wapens en lijven,

toen zag ik haar weer, ijlings verder schietend

als tusschen gouden flikk’ringen een visch.

Zij dook op aan de zijde van uw vader

hing als een drenkeling hem om den hals....

Mijn oude oogen loopen weder over

bij de herinnering....

GRYNÆUS Meent ge dat Morus

blij was zijn lieveling nog eens te zien,

of viel ’t hem zwaar?

KINGSTON Mij scheen ’t dat vreugde en droefheid

streden in hem. Toen zij viel in zijn armen

zag ik een glans verhelderen zijn edel

ontvleescht gelaat, en een oneindig-teed’ren

blik uit zijn milde grijze oogen glijden

over haar zachtgebogen hoofd. Maar plots

doorschokte hem een siddering, hij klemde

de lippen saam, als een man die verbijt

een felle pijn. Toen schudde hij meewarig

het hoofd, en streelde haar en kuste haar

en maakte haar armen voorzichtig los

van om zijn hals. Hij hield haar van zich af

rondziende, als zocht hij wie haar weg kon voeren.

Maar toen zij voor de tweede maal zich klampte

aan hem, zacht-kreunend, zag ik op zijn voorhoofd

de druppels paarlen van den bangen strijd

en aan zijn wimpers hingen zware tranen.

Even aarzelde hij, toen overbuigend

tot haar, fluisterde hij dicht aan haar oor

wat geen onzer verstond, maar met een schok

kwam z’ overend, kuste hem en verdween

als zwolg de grond haar op.... Wij gingen verder.

WILLIAM Hij vroeg haar een belofte te gedenken

die zij hem eenmaal deed.... Haar grootste schat

is een verfrommeld briefje, in haast geschreven

dat hij haar deed zenden, vlak voor het end.

Hij roemt haar daarin zijn dappere kind

die hij nooit zóó als in het uur beminde

dat zij voor het laatst hem hing om den hals,

want hem behaagde boven maat als liefde

alle wereldsche bloôheid overwint.

Er komt over haar een wondere blijheid

als zij ’t herleest....

KINGSTON Het heeft zoo moeten wezen,

maar waarom is voor ’t hart een duist’re zee....

Het ziet de vrucht niet blinken van zijn lijden,

en vruchtloos lijden van goeden en wijzen

onthutst het hart.

GRYNÆUS Misschien dat vruchten rijpen

die wij niet zien....

KINGSTON Zeg mij William, is ’t waar

dat gij het vaderlijk erf moet verlaten?

Beval de koning ’t waarlijk?

WILLIAM Hij beval ’t.

Kingston, wij mogen niet meer wonen waar

zijn beeld oprijst uit de vertrouwde steenen

en alle dingen spreken met zijn stem.

De wraak der machtigen verslaat ons, maar

één troost houdt mij staande in het bitter zwerven

dat nu begint: ik wil het aardsche doen

van onzen heilige gaan nederschrijven

in een getrouw relaas: zoo zal zijn geest

voortleven, en de komende geslachten

ten voorbeeld zijn....

GRYNÆUS Maar zult ge ook vermogen

d’ eigenste kern en klankkleur van dien geest

in woord te beelden? ’k voel in hem een wezen

dat ons allen ontgaat.

KINGSTON Ja, niemand onzer

doorziet hem gansch. Onze zielen begrijpen

van zijn ziel ’t stuk, waar eigen kracht toe reikt;

zoo zult ook gij, mijn goede William, beelden

wat ge van hem verstaat.

GRYNÆUS Zijn eigen werken

beelden hem beter dan een onzer ’t kan.

WILLIAM Kingston, ge weet, de koning gaf verlof

dat wij zijn arme romp begraven mogen....

zij noemen ’t gunst.... Vrouwe Margreet verweent

haar oogen van verlangen, eens te koest’ren

nog, en te bedden zacht zijn wreedgeschonden hoofd.

Weet gij een weg, Kingston?

KINGSTON Mijn beste William,

ik heb daartoe geen macht. Kom: ’k hoor de hanen

de komst verkonden van den nieuwen dag.

Hoe leeg en kil rijst hij, hoe arm aan vreugde!

Ja, leven is somtijds een zware vracht.

God sterke u, William, en de uwen allen;

ge ziet mij spoedig weer.

WILLIAM Dank voor uw komen,

Kingston, en steun ons verder met uw trouw. (Kingston af.)

Kom keeren wij ook huiswaarts Simon: wis

waakt mijn Margreet, wachtend van mij te hooren

wat Kingston heeft verhaald.

(William en Grynæus af—Margreet en de nar komen van de andere

zijde op; de nar spiedt behoedzaam rond.)

DE NAR Vrouwe Margreet,

zet u hier, en wacht totdat ge zult hooren

driemaal herhaald, het krassen van een uil.

Kom dan en stel u rechts onder de poort

en houdt uw voorschoot op.... wij zullen slagen.

Wees niet vervaard: wie ons bevrienden houden

wacht op de brug....

MARGREET Goede nar, wees gerust.

Mijn hart bonst, maar niet in vervaardheid, enkel

van verlangen, en dat wordt dra gestild.

Ga, haast u: voor de tweede maal al kraaiden

de hanen en de nacht wordt dun. (de nar verdwijnt.)

Ik dank u

God, dat het liefste hoofd nog eens zal rusten

gelijk het deed zoo vaak, in dezen schoot.

Thomas More: Een treurspel in verzen · 第 9 / 13 题