Jacob Drieman is erg ziek; de dokter komt elken dag en Mevrouw Mung
doet wat ze kan om hulp te verschaffen. Eindelijk is het gevaar
geweken; Jacob zit een poosje op en wordt met krachtige soepjes en
andere dingen door Mevrouw Mung en Mevrouw Kemper opgekweekt. Arthur en
Constant hebben dikwijls voor zijn bed gezeten en hebben zijn
verzuchtingen aangehoord. Hij is zoo bang, dat hij niet sterk genoeg
zal worden om de kar te duwen en wat moet er dan van zijne vrouw en
kinderen worden, „dan ben ik niets dan een lastpost,” zegt hij.
Als Arthur thuis komt, is hij stil en nadenkend en als Grootmoeder
vraagt wat hem scheelt, zegt hij:
„Grootmoeder, als ik een ezel krijg, mag ik er dan mee doen wat ik
wil?”
„Zeker mijn jongen; ik vertrouw je genoeg om te weten, dat je hem niet
zult slaan of afbeulen.”
Arthur zit weer na te denken en zegt dan:
„Grootmoeder, ik zou toch niet veel aan een ezel hebben, alleen op
Zondag en in de vacantie.”
Grootmoeder kijkt verwonderd op en zegt:
„En zou dit dan niet prettig zijn?”
„Ja, dat wel, maar....”
„Wat dan?”
„Het zou niet noodig zijn, terwijl Jacob er niet buiten kan.”
„Wat wou je dan?”
„Mag ik den ezel aan Jacob geven? ik geloof dat ik er dan veel meer
pleizier van zou hebben, ja, ik weet het wel zeker, Grootmoeder, ik zou
het heerlijk vinden, mag ik het doen?”
Grootmoeder kan niet laten hem te omhelzen en zegt niets dan:
„Ga je gang, beste jongen.”
„O Grootmoeder! wat ben ik blij! wat zal Jacob blij zijn en zijn vrouw
en al de kinderen en Constant. Pandoer! Pandoertje! kom eens hier oude
jongen, hop Marianneke! O Grootmoeder ik ben zoo blij. Hein weet een
ezel, mag ik hem met Hein gaan koopen?”
„Laat Hein maar eens bij mij komen.”
Grootmoeder overlegt met Hein en op een Zaterdagmiddag gaat deze met
Arthur naar een buurtschap, drie kwartier buiten het dorp en ze komen
juist tegen etenstijd terug met een mooien, grijzen ezel. Het is een
zachtzinnig dier, een beetje mager, maar goed gezond. Hij mag op
Conifera blijven, totdat Jacob genoeg hersteld is om uit te gaan.
Zondagmiddag gaat Arthur Constant af halen en samen zullen ze het
groote nieuws aan Jacob gaan vertellen.
De sneeuw is hard bevroren en de straatweg is heerlijk glad gebaand. De
jongens loopen vroolijk over den weg en Pandoer loopt mee. Als ze het
huis van Jacob binnen komen, zien ze dezen aan de tafel zitten met
zijne vrouw en 5 kinderen. Er worden dadelijk twee stoelen voor de
jongens leeg gemaakt door Jentje en Gerrit, die elk op een takkebos aan
den haard gaan zitten.
„Goeien morgen jongeheeren,” zegt Jacob, „zit ik hier noe niet mooi? ik
bin toch zoo blied, dat ik hier weer zoo zitten mag bie mien vrouw en
kinders. Ik bin noe niet meer zoo neerslachtig, foei, foei, wat heb ik
gelamenteerd! ik bin dankbaor, dat ik weer beter word en ik verlang
hard dat ik aan het wark zal kunnen gaon en dan maor weer met moed
vooruut.”
„De dokter hef ezegd dat je nog lange niet achter de kar meugt loopen,”
zegt de vrouw, „de longen kunnen dat niet lieën.”
„Dat zol wat moois wezen,” zegt Jacob, „ik mot toch aan ’t verdienen
gaon?”
De vrouw schudt het hoofd en ziet de jongens aan.
Arthur heeft een kleur van opgewondenheid; Constant stoot hem aan en
zegt:
„Toe dan, zeg het.”
„Jacob, wou je nog zoo graag een ezel hebben?”
„Een ezel? nou, of ik; maor ik mot nog een winter door warken en den
zomer ook, veur dat ik het geld er veur heb.”
„Jao, en eerst weer ziek worden,” zegt de vrouw.
„Kom, geen zorgen veur den tied,” zegt Jacob.
„Jao, noe isse zoo moedig, maor och!” en de vrouw zucht.
„Toe dan,” zegt Constant.
„Jacob,” zegt Arthur, „hoe zou je het vinden als hier een ezel kwam
binnen loopen?”
„Dan zol ik zeggen: kom binnen lief diertjen, maor dan zolle wel gauw
weer wegloopen.”
„Heb je een stal?”
„Jao, in ’t schuurtjen, een mooie, warme stal, jao, dat is geen
bezwaor, maor ’t geld!”
„Toe dan,” zegt Constant.
„Jacob, ik heb een ezel voor je.”
Jacob zet groote oogen op en zegt dan:
„Och jongeheer, ik kan hem zuuver niet betaolen, ’t volgend jaar
misschien wel, ak gezond blief.”
„Jacob, ik geef je den ezel present, ik heb het geld er voor van Vader,
Moeder en Grootmoeder gekregen.”
Jacob wil wat zeggen, maar hij slikt en begint te hoesten.
Constant staat vlug op en zegt:
„Kom Mung, ga gauw mee, dan kan hij er eens over denken. ’t Is echt
waar,” zegt hij in ’t voorbijgaan tegen vrouw Drieman, „de ezel staat
al op Conifera op stal, ik heb hem gezien; kom Arthur, gauw!”
Als de jongens buiten de deur zijn, zegt Constant:
„De man was heelemaal van streek van blijdschap, het is beter, dat we
nu weg gaan.”
„Ja, dat geloof ik ook, kom, gauw naar huis, ga je mee?”
„Graag; zullen we den ezel buiten laten loopen?”
De jongens hebben den heelen middag pret met den ezel en Grootmoeder is
een oogenblik bang, dat Arthur berouw zal krijgen, maar neen, hij is
den heelen tijd zoo gelukkig, omdat hij dat heele gezin van Jacob voor
armoede kan bewaren en Grootmoeder is weldra gerust gesteld.
Dien avond, dadelijk na het eten, komt vrouw Drieman op Conifera, om
Mevrouw Mung te spreken. Zij komt vragen of het werkelijk waar is van
dien ezel, haar man kan het niet gelooven.
„Ja, het is zeker waar, geloof het gerust. Zoo gauw Jacob den ezel
hebben wil, kan hij hem krijgen.”
„Maor Mevrouw, ik heb nooit van een kind eheurd, dat zoo iets zol doen
en zoo goed is, als die jongeheer Arthur.”
„’t Is een beste jongen, dat is waar, maar geloof mij, er zijn wel meer
goede jongens die het graag zouden doen, maar ze kunnen niet altijd.”
De vrouw kijkt ongeloovig en zegt:
„Mien man wou den jongenheer graag zelf spreken, zou hie bie Jacob
willen komen?”
„Ja zeker, ik zal hem laten roepen.”
Rika gaat Arthur uit den stal halen en als deze hoort, dat hij naar
Jacob moet, zegt hij:
„Mag ik Constant gaan halen?”
„Zeker, blijf je niet te lang weg?”
„Neen Grootmoeder, schenk u mijn kopje thee maar in, vóór dat het koud
is, ben ik weer thuis.”
De beide jongens komen weldra bij Jacob de deur in en ze zullen nooit
dezen avond vergeten; Jacob is zoo door en door gelukkig, hij weet niet
wat hij zeggen zal om het te toonen.
„Nu zal ik vooruut komen, jongeheer, dat zul je eens zien! nu kan ik
heele vrachtjes naar de stad brengen: nu kan Janus Trot er ons niet uut
dringen; jongens! wat zal het noe een mooi zaakjen worden, noe kan ik
onze appels naor de markt brengen, ze bint zoo duur, en vrouw, we
zullen in de toekomende lente wat snieboonen en ander spul in den grond
maken en als het dan een mooi gewas geeft, kan ik het in de stad
verkoopen. Ik kon de kar niet meer vooruut kriegen.”
„De jongeheeren,” zegt de vrouw, „hebben dikwijls geholpen, noe onlangs
nog in de sneeuw.”
„Jao, dat was mooi, ik kan oe niet dankbaor genoeg zijn, als ik het
vergelden kan, later, noe, ik zal mien best doen.”
De jongens nemen afscheid en als ze naar huis wandelen, zegt Arthur:
„Wij zouden er toch niet zóó veel plezier van gehad hebben.”
„Neen, dat geloof ik ook en je plezier zou toch bedorven zijn, als je
dien armen stumper achter zijn kar hadt zien zwoegen. Nu zal het elken
keer als we hem ’s morgens zien rijden, een plezier voor je zijn.”
„Voor jou ook,” zegt Arthur.
„Ja zeker, ik ben blij, dat je het gedaan hebt.”