HOOFDSTUK X.

Den volgenden morgen springt Arthur vroeg uit zijn bed; hij is zoo

nieuwsgierig om te zien hoeveel sneeuw er bij gekomen is. De wind is

bedaard en het heeft opgehouden met sneeuwen.

„Hoe prachtig!” zegt Arthur hardop, als hij het gordijn opgehaald

heeft. Hij staat een poos te kijken, nog nooit zag hij zoo iets moois;

alles is smetteloos wit, de boomen, de struiken en de grond en de lucht

daarboven is helderblauw en overal waar de zon haar stralen zendt,

schitteren duizende diamanten.

Haastig loopt Arthur naar den overloop en roept aan Grootmoeders deur:

„Grootmoe! heeft u al naar buiten gekeken? het is prachtig! de zon

schijnt zoo mooi op de sneeuw, ik ga me gauw aankleeden.”

Hein is al bezig paadjes te graven van de keuken naar den stal en nu

komt Arthur gauw helpen. Er ligt een manshoogte tegen de staldeur.

„Ja jongeheer, je zult er van in de krant lezen, alles is versperd, de

treinen zullen blijven steken; de bakker zal er niet door kunnen en je

kunt ook niet naar school.”

„Niet naar school?” zegt Arthur verbaasd.

„Neen, zeker niet, we kunnen hier zoo gauw niet vandaan komen, kijk

maar eens voor het huis.”

Arthur loopt naar de voorkamer en nu ziet hij, hoe de sneeuw tot bergen

is opgewaaid, op den oprit ligt de sneeuw wel een meter hoog.

„Ik wil toch naar school,” zegt Arthur, „ik zal wel plekjes vinden waar

ik door kan, ik neem een schop mee.”

Hein lacht en zegt:

„Probeer het maar, het is mij goed.”

Arthur roept Pandoer, trekt zijn overjas aan en gooit zijn pet een eind

van zich af.

„Apporte!”

Pandoer brengt dadelijk de pet bij hem en als Arthur zich bukt, zet

Pandoer hem de pet achterste voor op het hoofd.

„Mooi, knap gedaan. Nu een weg zoeken, vooruit!”

Pandoer zakt diep in de sneeuw, maar hij komt er toch telkens weer uit.

„Geef mij dan het kleine sneeuwploegje Hein.”

Hiermee gewapend zoekt Arthur een weg, waar de Oostenwind de sneeuw

niet heeft kunnen opwaaien.

„Toe maar Pandoer, loop jij maar vooruit.”

Die slimme hond, hij weet overal plekjes te vinden, waar de sneeuw niet

zoo hoog ligt en met een omweg, komen zij bij den straatweg. Zoo nu en

dan moet Hein met de schop te hulp komen, maar het is hem erg

meegevallen.

„Ja Hein, als je niet door den berg heen kunt komen, moet je er omheen

loopen, want er boven overheen gaat ook niet.”

„Zeg dat wel jongeheer. Als nu de sneeuwploeg maar kwam.”

„Nu ga ik eerst ontbijten en als ik klaar ben, zal de ploeg er wel zijn

en anders ga ik met dit kleine ding, ik wil er door.”

Grootmoeder vindt goed dat hij het probeert; het is nu helder licht dag

en zonder gevaar.

„Als ik Pandoer eens meenam? dan breng ik hem bij oom Bantam.”

„Goed mijn jongen, doe dat.”

Arthur legt zijn boeken op het driehoekig sleedje, en met zijn dikke

slobkousen en overschoenen, baggert hij door de sneeuw.

Wat is Pandoer blij, dat hij mee mag; hij rolt zich door de sneeuw en

proest en snuift als een walvisch.

Op den straatweg gekomen, kijkt Arthur uit naar den sneeuwploeg, maar

er is niets te zien. Daar hoort hij heel in de verte een spoorfluit,

nog eens en nog eens, onophoudelijk door.

„Hè, wat fluiten ze, misschien kunnen ze niet verder, ja, dat zal het

zijn.”

De straatweg is hier open en vrij; de wind van gisteren heeft de sneeuw

voor zich uitgejaagd en Arthur kan er gemakkelijk door komen. Maar

waarom zou de sneeuwploeg niet komen?

Daar ziet hij van verre Constant; hij waadt met moeite door de sneeuw,

want hij heeft geen ploegje bij zich. Arthur wacht op hem en gooit

onderwijl met sneeuwballen. Hij geniet van het prachtige weer en het

uitzicht over de zuiver witte velden, die schitteren in den

zonneschijn.

„Wat een leuk ding heb je daar,” zegt Constant nader komend, „laat mij

ook eens duwen. Hoe ben je gisteren avond thuis gekomen Mung?”

Arthur vertelt het en hoort van Constant, dat deze ook met moeite het

hek van de Pastorie is doorgekomen.

„Kom Pandoer, vooruit!” zegt Arthur, „hoe zou het met Jacob zijn? och

lieve deugd, zijn huis zit heelemaal onder de sneeuw, er komt toch rook

uit den schoorsteen. Wat is die sneeuw daar op gewaaid, maar daar

achter is een opening, daar staat de vrouw.”

„Dag vrouw Drieman, hoe is het met Jacob?”

„Hie is zoo benauwd, Jentje is naor den dokter; hie wou geen doctor

hebben, hie zegt, dat ie dan geen ezel kan koopen, al de spaorduuten

zullen weg gaon aan apotheker en dokter, maor ik kan hem zoo niet in de

benauwdheid laoten.”

De jongens weten niet wat ze zeggen zullen en gaan erg onder den indruk

verder den weg op. Eindelijk zegt Arthur:

„Wat is het toch raar verdeeld; Jacob zou zoo graag een ezel hebben en

hij kan hem niet krijgen en hij heeft hem toch zoo noodig en ik...”

„Ja, als hij hem niet krijgt, kan hij het zeker niet volhouden om

boodschappen te doen,” zegt Constant.

„En wat dan?” vraagt Arthur.

„Ja, dat weet ik niet, hij kan niet op een andere manier den kost

verdienen en als zijn vrouw met de kar gaat, wie moet dan de

huishouding doen, dat kan toch ook niet. Krijg jij gauw een ezel?”

„Ja, ik denk het wel, Vader zal een postwissel zenden, ik weet niet

hoeveel.”

„Je zult in de week niet veel aan een ezel hebben, overdag ben je naar

school en ’s avonds werken.”

„Ja, alleen op Zondag en in de vacantie. Maar dat zal wel leuk zijn.”

„Hoor de trein fluit nog altijd, wat beduidt dat toch?”

„Zouden ze vast zitten? wat zou ik graag helpen graven. Kijk eens daar

vooruit in de sneeuw, wat gek, allemaal zwarte dingen, zijn dat

kraaien?”

„Wel neen, dat zijn hoofden, die uit de sneeuw komen. Hoe kan dat?”

„Ik zie het al, het zijn menschen die de sneeuw opruimen; wel doossie!

ze ligt een manshoogte, hoe komen we daar door? voor dat ze dat weg

hebben, kunnen we hier wel een paar uur wachten.”

„Laten we over het bouwland gaan, Pandoer! zoek eens gauw een pad.”

Ze loopen over het bouwland en zakken soms diep in de sneeuw. Ze worden

erg warm en vermoeid en eindelijk blijven ze steken, ze kunnen niet

verder.

„Hoor! bellen gerinkel.”

Ze kijken naar den weg en daar zien ze den sneeuwploeg. Verscheiden

mannen met schoppen loopen er bij.

„Laten wij er gauw heen gaan, hier komen we toch niet door.”

De jongens gaan denzelfden weg terug en komen erg vermoeid bij den

ploeg. Ze laten er zich op neervallen en blijven er hijgend en puffend

op liggen. De menschen zijn druk aan het graven, de vier paarden staan

te dampen en laten zoo nu en dan de bellen rinkelen. De jongens blijven

niet lang werkeloos, ze willen mee helpen, ze nemen telkens de schop

van iemand die uitrust en al kunnen ze nog niet veel, alle beetjes

helpen.

Eindelijk is de dam doorgegraven, maar niet breed genoeg voor den

ploeg. De paarden worden afgespannen en éen voor éen door den nauwen

weg gebracht en dan de ploeg op zijn kant gezet en er door getrokken.

„Ziezoo, gaat er nu maar weer op zitten jongens, allo! huut! vooruut!”

Wat zijn de jongens blij, dat ze met hun boeken en het kleine ploegje

mee kunnen gaan en als ze eindelijk op school komen, is de deur dicht,

want het is al kwart voor elf.

„We kunnen het toch heusch niet helpen,” zeggen ze tot den concierge,

die hen open doet. Ze vertellen hoeveel moeite ze gedaan hebben en ze

hooren, dat Gerard Bunte in het geheel niet gekomen is.

„Mag Pandoer hier bij jou blijven, als ’t je blieft?” vraagt Arthur,

„ik moet hem anders nog bij Oom Bantam brengen.”

„Is het een kwade?”

„Neen, volstrekt niet.”

„Nu, laat hem dan hier maar liggen, blijf jullie bij hem tot de 4de les

begint.”

Als de directeur hoort, hoe de jongens zich een weg gebaand hebben,

zegt hij:

„Flink gedaan! als je voortaan altijd zoo moedig voorwaarts gaat en een

baan breekt door alle moeielijkheden heen, dan kun je het ver brengen.”

Pang! daar vliegt de deur open, Pandoer springt het locaal binnen,

recht naar Arthur toe. Algemeen gelach, maar mijnheer is gelukkig niet

boos en Pandoer wordt opgesloten bij den concierge.

Twee Vrinden · 第 15 / 18 题