In een schuur achter de pastorie van Dominé Kemper, is Dries bezig hout
te zagen en klein te hakken. Het is een man van bijna 60 jaar; zijn
gezicht is bruinachtig geel, vol rimpels en zwarte baardstoppels, want
het is Vrijdag en Dries laat zich alleen des Zaterdags scheren. Hij
heeft een dikke wang; Jeanne dacht eerst dat hij kiespijn had, maar nu
weet zij al lang dat het een pruim tabak is.
Geertruid staat voor de open deur naar hem te kijken. Hij heeft haar
wel gezien, maar hij neemt niets geen notitie van haar. Hij heeft het
laatste blokje van een berkeboom met den bijl doorgekloofd en begint nu
al de houtjes netjes op te stapelen. Hij moet zich gedurig bukken en
als hij dan weer recht staat, trekt hij telkens zijn broek op en steunt
met de hand in den rug, als of hij pijn heeft.
Geertruid blijft staan kijken en denkt onderwijl het volgende:
„Zou hij het prettig vinden om die houtjes op te stapelen? ’t Ziet er
wel prettig uit, precies een blokkendoos. Wat heeft hij vuile handen,
ik zou hem niet graag een hand geven, waarom wascht hij ze niet. Hoe
moet ik hem nu vriendelijk maken? hij ziet er alweer knorrig uit. Nu
heeft hij de pruim in de andere wang, vies!”
„Dag Dries.”
„Hm.”
„Dries, ik zeg je goeden dag.”
„Kom je mij weer plagen?”
„Neen, ik plaag je niet, ik wil je wel een handje helpen.”
„Dat kun je net denken, ik heb je hier niet noodig.”
Geertruid krijgt een kleur en zegt in zich zelf: „zie je nu wel, hij
kan niet vriendelijk worden.”
Zij loopt op een draf naar huis en zoekt Moeder, die bezig is bij
broertjes wieg kousen te mazen.
„Moeder, nu heb ik geprobeerd om Dries vriendelijk te maken, maar hij
is knorrig tegen mij, ’t helpt niet.”
„Wat heb je dan gedaan?”
Geertruid vertelt alles en Moeder zegt:
„Nu kan ik wel nagaan, dat jullie hem dikwijls geplaagd hebt, hij
verwacht niets geen goed van je, hij vertrouwt je niet.”
Geertruid kijkt hare Moeder verschrikt aan, krijgt een kleur en zegt:
„’t Is een vervelende brompot.”
„Ja, en dien moet jullie nu veranderen in een vriendelijken man.”
„Och Moeder, dat kan immers niet?”
„Geef je nu den moed al op? je hebt nog niets gedaan dan hem goeden dag
zeggen. Denk je dat hij dat zoo prettig vindt? Wat kan hem dat schelen
of zoo’n kind, dat hem altijd plaagt, hem goeden dag zegt? Als hij veel
van je hield, zou hij het wel prettig vinden. Toen ik een klein meisje
was, liep ik zoo graag langs het huis van een oude dame, alleen om een
groetje van haar te krijgen.”
„Ik weet niet hoe ik het doen moet,” zegt Geertruid klagend.
„Stel je nu maar eens in de plaats van Dries en bedenk dan wat je graag
zoudt willen. Ga nu maar weer naar buiten.”
Geertruid gaat langzaam de deur uit, drentelt naar het schuurtje en
gaat op eenigen afstand op een kruiwagen zitten met de hand onder de
kin en peinst en peinst....
Dries heeft intusschen de houtjes netjes opgestapeld en een ander stuk
van een boom onder de zaag gelegd; hij veegt den mond af met den rug
van zijn hand en begint weer te zagen.
Daar komt Mina met een kommetje koffie voor Dries.
„Mina, Mina!” zegt Geertruid haastig opspringend, „toe laat mij het aan
Dries geven, toe maar, ik zal niet morsen.”
„Voorzichtig dan,” zegt Mina, „pas op, zachtjes loopen.”
Geertruid loopt voetje voor voetje met het kommetje naar Dries; dat
gaat gelukkig goed.
„Dries, daar is een kopje koffie voor je.”
„Zet daar maar neer,” zegt Dries terwijl hij doorgaat met zagen.
Geertruid is teleurgesteld; ze had gedacht dat hij haar vriendelijk of
niet vriendelijk zou bedanken, maar toch in elk geval bedanken.
Ze loopt weer naar huis en vertelt aan Moeder wat ze gedaan heeft. Deze
lacht en strijkt Geertruid liefkozend over haar gladharig bolletje.
„Houd maar vol, doe je best maar, de man kan niet zoo gauw veranderen,
het is hem nooit geleerd en hij heeft nooit veel vriendelijkheid
ondervonden, hij kent het nog niet. Als je nu altijd vriendelijk tegen
hem bent, zal hij misschien van je gaan houden en naar je verlangen.
Kijk, loopt daar de poedel van Arthur?”
„Ja!” juicht Geertruid en ze loopt naar den weg.
„Pandoer! kom eens hier!”
Daar komt Pandoer aangesprongen en ook Arthur loopt naar het hek van de
Pastorie.
„Dag Geertruid, is Lorre weer droog?”
„Ja, maar ze is zoo leelijk opgedroogd, de wangetjes zijn heelemaal wit
geworden.”
„Zal ik ze opverven? ik heb een kleurdoos.”
„Kun je het mooi?”
„Ja zeker, geef maar mee.”
„Ja maar, ze is heelemaal zoo leelijk, het haar is losgeweekt en het
lijf is zoo raar met bultjes.”
„O, dat is niets, Grootmoeder weet er misschien wel raad voor, geef
maar hier.”
Geertruid loopt het huis in en Arthur staat naar Pandoer te kijken die
een kapelletje naloopt. De dorpsklok slaat 12 uur en even daarna komt
Dries langs het huis en gaat het hek uit. Op den weg blijft hij stil
staan, haalt een pijp uit den vestzak en een papieren zak uit zijn jas.
Hij neemt er voorzichtig een beetje tabak uit en stopt dat in de pijp.
Het kleine restje bergt hij voorzichtig weer weg en terwijl hij de pijp
in den mond houdt, trekt hij zijn broek op en haalt een luciferdoosje
te voorschijn. Hij steekt de pijp op met den laatsten lucifer uit het
doosje, dat hij met een knorrig gezicht weggooit en loopt dan naar het
dorp toe.
Arthur heeft hem goed bekeken en zegt in zich zelf: „Arme drommel.”
„Hier is Lorre,” zegt Geertruid terug komend, „wanneer breng je haar
terug?”
„Dat weet ik niet, als ze klaar is, denk ik. Hoe is het met dat kleine
diertje in de wieg? Kan het al haast loopen?”
„Loopen? nog lang niet, jij hebt ook geen verstand van kleine kinderen;
je moet niet zeggen diertje.”
„Dat is juist een lief naampje, ik vind een jong hondje ook lief en een
poesje.”
„En jonge biggetjes,” zegt Geertruid, „en kuikentjes en eendjes; mijn
broertje is toch het liefst van allemaal.”
„Die man, die hier zoo even het hek uitkwam, was dat jullie tuinman?”
vraagt Arthur.
„Ik weet niet welke man.”
„Ik dacht er over, of hij ook een aardig kindje zou zijn geweest met
zulke kleine rose vingertjes en zachte wangetjes.”
„Wat deed die man dan?” vraagt Geertruid.
„Hij stak zijn pijpje op; hij had zulke zwarte barsterige handen en hij
liep met een afgezakte broek.”
„O, dat is Dries!” en Geertruid schatert van het lachen, „hij een lief
kindje! o, hoe bedenk je het!”
„Ja,” zegt Arthur, „als jouw broertje nu aan arme menschen werd gegeven
en precies zoo opgevoed als Dries, dan kreeg hij later ook zulke handen
en dan ging hij misschien ook tabak kauwen en dan kreeg hij ook zoo’n
vies gezicht.”
„Hè neen, dat moet je niet zeggen van mijn lief broertje, dan vind ik
je niets aardig.”
Arthur begint te lachen en zegt:
„Jantje is nu een heel lief kindje, gelukkig dat hij bij jullie is en
niet bij Dries. Maar het is daarom toch waar wat ik zeg, en Dries is
een arme stumper en ik denk dat niemand van hem houdt. Wat zou ik het
naar vinden als niemand van mij hield.”
„Dan moest hij maar wat vriendelijker zijn en zich goed wasschen. Zal
ik je eens wat zeggen? Moeder heeft gezegd dat ik hem vriendelijk moest
maken, maar ik weet niets te bedenken om hem een pleziertje mee te
doen; zou jij wat weten? wat zou hij graag willen hebben?”
„Tabak,” zegt Arthur.
„Ja? o, gelukkig, ik zal wat aan Vader vragen.”
„Weet je wat Dries ook wel graag zou willen hebben?”
„Neen, wat dan?”
„Een paar bretels.”
Geertruid kijkt hem nadenkend aan en vraagt: „Bretels? waarvoor?”
„Wel, om zijn broek mee vast te houden.”
„O ja, ja! dat zal ik aan Moeder zeggen, gelukkig! nu weet ik wat.”
„Ik moet gauw naar huis,” zegt Arthur, „dag Geertruid, bonjour!” en met
Lorre vóor in zijn blouse, rent Arthur naar Conifera.
„Moeder,” zegt Geertruid binnenkomend, „ik weet wat! bretels!”
Mevrouw Kemper kijkt verwonderd en vraagt:
„Wat wou je daarmee?”
„Voor Dries, toe Moesje, mag ik bretels hebben?”
„Moet Moeder ze koopen en Geertruid ze aan Dries geven?”
Geertruid zegt aarzelend:
„Ja, toe Moesje, als ’t u blieft?”
„Moeder moet zoo veel koopen, je moet iets bedenken dat geen geld
kost.”
„Hè Moeder, Arthur zei dat Dries zoo blij zou zijn met bretels, is
zeven cent genoeg? die heb ik nog.”
Mevrouw Kemper lacht en zegt:
„Ik weet wat, vind je het prettig als het een presentje is heelemaal
alleen van jou?”
„Ja, dan zou hij misschien wel van mij houden, is zeven cent genoeg?”
„Ja, maar dan moet je ze zelf breien van geel katoen.”
„Breien? ikke?”
„Ja, je kunt immers al recht breien en dan zal ik je wel helpen, je
zult eens zien hoe goed het gaat en telkens als je een flink stuk
gebreid hebt, zal ik je een cent geven om het breikatoen mee te
betalen.”
Geertruid kijkt haar moeder nog weifelend aan, dan komt er plotseling
een glans over haar gezicht en vroolijk juicht zij:
„Ik zal zelf de bretels maken en ze zelf betalen! wat zal Dries blij
zijn!”