HOOFDSTUK II.

De Pastorie van Dominé Kemper is in het dorp naast de kerk gelegen. Het

huis is begroeid met roode en witte rozen; een mooie tuin vol bloemen

en heesters ligt er vóor en achter het huis is een moestuin en een

schuur. Groote dennen staan aan het hek bij de straat.

In de huiskamer vóor aan den tuin, zit Mevrouw Kemper met eenig

naaiwerk. Haar achtjarig dochtertje Jeanne staat bij de wieg van haar

slapend broertje.

„Moeder, is dat waar, is broertje nu al slecht?”

„Kindje, hoe kom je er aan, hij weet nog niet wat goed en slecht is.”

„Zijn wij dan allemaal slecht, Constant, Geertruid en ik, en u en Vader

ook.”

„Maar kind, waarom vraag je dat, wie zegt dat?”

„Dat zegt Dries; hij zegt altijd zulke nare dingen, hij heeft Geertruid

aan het huilen gemaakt.”

Mevrouw legt haar naaiwerk op tafel en vraagt:

„Waar is Geertruid?”

„Ze is naar boven gegaan om haar kastje op te ruimen, ze had het

gisteren niet gedaan, en ze wou zoo graag niet slecht zijn.”

Mevrouw staat op, zeggende:

„Pas even op broertje, ik kom dadelijk weer bij je.”

Jeanne gaat weer bij het wiegje staan, ziet naar het lieve kindje, naar

zijn kleine vuistjes, die uit de strookjes van zijn nachtponnetje te

voorschijn komen.

Wat zijn het kleine vingertjes, ze kunnen nog niets vasthouden, nog

niet eens Jeanne’s vinger, want broertje is nog maar vier weken oud.

Jeanne bekijkt haar eigen handen en dan weer die van broertje. „Hij kan

nog niets,” denkt zij, „en ik kan al lezen en schrijven en den

kruissteek, en ik kan een strik maken, en broertje kan alleen slapen,

zuigen en huilen. Hij is nog een beetje dom, maar niet slecht, neen het

is mijn lief broertje en Dries is een aap.”

Daar komt Moeder weer binnen met Geertruid aan de hand.

„Vertel me nu eens wat Dries gezegd heeft.”

De zevenjarige Geertruid gaat op het pianostoeltje zitten.

„Dries was boos; we hadden de zaag verstopt in den tijd toen hij naar

huis was om te eten en toen zei hij, dat we ondeugende kinderen waren

vol slechtheid, en dat broertje ook slecht was en wij allemaal en alle

menschen en toen zei Jeanne dat u en Vader niet slecht waart en dat hij

een leelijke aap was en toen begon hij zoo te brommen, dat ik er bang

van werd. Vindt u ons zoo slecht Moeder?”

„Neen lieve Geertruid, je bent niet slecht; maar ook niet goed, dat

weet je wel.”

Geertruid kijkt haar Moeder aan en dan naar buiten. Eensklaps springt

zij van het pianostoeltje en zegt:

„Zal ik mijn kastje heel netjes maken?”

Mevrouw Kemper trekt Geertruid naar zich toe, slaat den arm om haar

heen en zegt:

„Je wilt graag een goed kind zijn, denk er nu om, dat je Dries niet

altijd moet plagen; doe je hem wel ooit een pleziertje?”

Geertruid denkt na, maar ze kan niets bedenken.

„Dries is ook altijd zoo brommerig en knorrig, hij is nooit aardig

tegen ons.”

„Hij is een aap!” zegt Jeanne.

„Kindertjes,” zegt Moeder ernstig, „als de menschen onvriendelijk tegen

je zijn, moet je eerst eens bedenken of je ook schuld hebt, en dat moet

je weer goed maken, en als je geen schuld hebt, moet je op allerlei

manieren probeeren om de menschen vriendelijk te maken; als je het

heusch wilt, zal het wel lukken, probeer het maar eens.”

„Moeten we Dries vriendelijk maken? Zoo’n knorrepot? hij kan niet

lachen, ik heb het nog nooit gezien.”

„Stel je nu maar eens in zijn plaats.”

„Met een pruim in den mond,” zegt Jeanne lachend.

„Neen Jeanne, zonder gekheid; als je nu even als Dries heel alleen

waart en zelf je eten moest koken in zoo’n ongezellig kamertje, en als

je niemand hadt, die verlangend naar je uitkeek; niemand die van je

hield. En als je niets geleerd hadt dan hout zagen en harken en

spitten, en als je daarom maar heel weinig geld verdiendet; veel te

weinig om zeep en schoone kleeren te koopen.”

„Hè Moeder,” zegt Geertruid, „dat zou ik heel akelig vinden.”

„En als er dan kinderen kwamen om je te plagen, zou je dan vriendelijk

zijn?”

Jeanne en Geertruid kijken elkaar aan en Jeanne zegt:

„Misschien zou ik ze wel een klap geven.”

„Heeft Dries dat ooit gedaan?”

„Neen, hij bromt alleen.”

„Probeer dan nu eens om vriendelijk tegen hem te zijn, maak hem eens

een enkele keer in zijn leven blij met iets. Misschien bedenk je wel

iets.”

Jeanne en Geertruid vinden nu zelf, dat ze niets aardig tegen dien

armen Dries zijn geweest en kunnen nu best begrijpen, dat hij ook niet

aardig tegen haar is.

„Moeder,” zegt Geertruid, „ik heb den vreemden jongen weergezien.”

„Welken jongen?”

„Ik geloof, dat hij op Conifera woont; hij liep door het dorp met een

zwarten poedel.”

„Is hij van Constant’s leeftijd?”

„Ja, hij zal ook zoowat twaalf jaar zijn.

„Het zou prettig zijn voor Broer als het een aardige jongen is.”

„Hij ziet er aardig uit,” zegt Jeanne, „ik hoop dat we hem nog eens

tegen komen.”

Daar gaat de deur open en wat komt daar binnen? een zwarte poedel.

„Hé moeder, dat is de poedel,” roept Jeanne en ze loopt naar den hond,

die even rond kijkt en dan wegloopt.

„Hier! Fidel! Bruno! Hector! kom dan mijn hondje!” roept Geertruid.

De hond loopt de openstaande voordeur uit en rent over het grind naar

den weg en verdwijnt achter de dennen.

Jeanne schatert van het lachen en zegt eindelijk:

„Hoe kun je hem ook zulke gekke namen geven, Bruno, een zwarten hond

Bruno en Fidel! o kind!”

„Bedenk jij dan eens een naam,” zegt Geertruid, „roep hem eens, ik wed

dat hij bij jou ook niet komt.”

Jeanne gaat op de stoep staan en fluit.

„Dacht je dat hij nu komen zou?”

„Ja, kijk maar.”

En werkelijk, daar springt de hond weer te voorschijn van achter de

dennen, kijkt even naar de meisjes en keert dan terug.

Zonder zich een oogenblik te bedenken, hollen de meisjes den tuin door

naar de straat en staan plotseling voor den vreemden jongen.

Heel verlegen staan ze elkaar aan te kijken, totdat ze alle drie

beginnen te lachen en de jongen zegt:

„Ik wou zoo graag kennis met jullie maken, ik ken hier niemand, ik ben

alleen bij Grootmoeder op Conifera.”

„Kom dan maar mee,” zegt Jeanne, „ga mee naar Moeder.”

„Hoe heet je?” vraagt Geertruid.

„Arthur Mung, en hoe heet jullie.”

„Ik heet Geertruid Kemper en zij heet Jeanne en mijn groote broer heet

Constant en het kleine broertje heet Jantje. Heb je den poedel naar ons

toegezonden?”

„Ja, was dat niet goed bedacht? Nu hebben we in eens kennis gemaakt.”

„Hoe heet de hond?” vraagt Jeanne.

„Raad eens.”

„Pollux of Nero.”

„Neen, je kunt het toch niet raden, hij heet Pandoer.”

„Pandoer? wat een gekke naam.”

„Neen, niets gek, zoo heette mijn oudtante ook; och neen, ik meen, de

hond van mijn oudtante. Hij is zoo slim, kijk, nu kwispelt hij met zijn

klein staartje, hij verstaat me wel, niet waar Pandoer?”

De hond springt tegen hem op en tracht hem in ’t gezicht te likken.

„Neen Pandoer, dat mag volstrekt niet, dat weet je wel. Nu moet je

dansen, kom, hop Marianneke!”

Pandoer gaat op zijn achterste pooten staan en draait éenmaal in ’t

rond.

„Goed zoo, nu is het genoeg.”

De kinderen gaan de voordeur in en komen binnen bij Mevrouw Kemper.

„Moeder,” zegt Jeanne, „dit is Arthur Mung van Conifera. Pandoer heeft

gevraagd of hij binnen mocht komen.”

Mevrouw Kemper ziet lachend naar Arthur en den hond en zegt:

„Kom binnen Arthur, ik vind het aardig dat we je nu leeren kennen, we

hebben juist over je gesproken.”

Pandoer loopt door de kamer, snuffelt overal, komt bij de wieg, gaat

met de voorpooten op den rand staan en kijkt kwispelstaartend naar het

kindje.

„Pas op!” roept Geertruid angstig, „hij zal Jantje kwaad doen.”

„Neen,” zegt Arthur, „hij is dol op kleine kinderen; bij zijn vorigen

baas moest hij altijd op het kind passen, hij denkt misschien dat het

dat is.”

Nu hooren ze iets in de wieg; klein broertje wordt wakker en beweegt

zijn armen en hoofdje. Arthur kijkt er naar en zegt:

„Hé, zoo’n klein kind heb ik nog nooit gezien, zoo ben ik toch niet

geweest?”

„Ja zeker, Jantje is niet zoo heel klein, Jeanne was veel kleiner.”

Arthur bekijkt Jeanne en dan weer het kindje, dat erge rimpels trekt en

in zijn oogen gaat wrijven, voorteekens van een huilbui. Arthur en

Pandoer kijken met de grootste belangstelling en als Jantje hard begint

te huilen, vraagt Arthur:

„Wat scheelt hem?”

„Hij heeft honger, ik zal de flesch klaar maken, wil je zien hoe hij

drinkt?”

„O ja, graag,” zegt Arthur en als Mevrouw het kindje uit de wieg neemt

en op haar schoot de flesch geeft, staat hij met alle aandacht te

kijken.

„Wat leuk, dat is nog aardiger dan een jong hondje; je kunt haast niet

begrijpen dat dit nu een groote man kan worden, misschien wel een groot

man.”

„Een groote man en een groot man,” zegt Geertruid, „waarom zeg je dat?

dat is tweemaal het zelfde.”

„Neen,” zegt Arthur, „lang niet hetzelfde. Een groot man kan wel heel

klein zijn. Napoleon was een groot man en toch heel klein.”

„Dat begrijpen ze nog niet,” zegt Moeder, „Constant zou het wel

vatten.”

„Ik begrijp het wel,” zegt Jeanne, „tante Cor heeft gezegd, dat Jantje

een groot man moest worden en toen heeft tante mij verteld, dat een

groot man allemaal goede dingen doet, altijd en altijd door bedenkt hij

dingen, die goed zijn voor alle menschen. Deed Napoleon dat?”

„Neen; maar ze noemen Napoleon een groot man, omdat hij een groot

veldheerstalent bezat en door zijn buitengewoon vasten wil zooveel

bezwaren kon overwinnen. Jammer dat iemand met zoo’n krachtigen wil

niet iets anders en beters wilde dan landen veroveren. Hij had een

groot en een goed man kunnen zijn.”

Arthur staat in gedachten verzonken en zegt dan:

„Eerst goed en dan groot.”

„Juist, dat heb je goed gedacht.”

„Moeder,” zegt Jeanne, „ik wou dat Jantje een groot man werd en een

goed man.”

„Hè ja,” zegt Arthur, „dat wou ik ook en dat ik hem dan zien kon.”

Moeder glimlacht en zegt: „Geef jullie allemaal dan een goed voorbeeld

aan dit kleine ventje, hij kan veel van jullie leeren; hij kent nu nog

geen goed en geen kwaad.”

Daar komt Constant binnen, zeer verwonderd een vreemden jongen te zien.

„Dag!” zegt hij. „Zeg, Geertruid, Lorre ligt in de beek.”

Geertruid kijkt verschikt en vraagt:

„Waar? hoe komt dat? wie heeft dat gedaan?”

„Ik, bij ongeluk en ik kan haar er niet weer uit krijgen.”

De tranen springen Geertruid in de oogen.

„Mijn lieve Lorre, nare jongen, waarom heb je dat gedaan? waar is het?

ik wil er haar uit halen, hi, hi, hi, nare jongen!”

Huilend loopt ze de kamer uit.

„Constant,” zegt moeder, „ga mee, zorg dat ze niet in de beek valt en

vraag of Dries helpen wil.”

„Mag ik mee?” vraagt Arthur.

„Zeker, loop maar mee.”

De kinderen loopen om het huis heen en Arthur ziet al gauw een aardig

brugje en dan een stroomende beek.

„Kijk, daar ligt ze,” zegt Constant, „het is daar een beetje diep, ik

kan er niet bij komen.”

„Wat is het eigenlijk?” vraagt Arthur.

„Mijn lieve poppetje,” zegt Geertruid huilend.

„Wacht maar,” zegt Arthur, „Pandoer kom hier! zoek!”

Pandoer snuffelt aan Arthur’s hand.

„Daar! in het water!”

Pandoer loopt heen en weer langs de beek en kijkt Arthur altijd aan en

springt tegen hem op, maar begrijpt niet wat hij doen moet.

„Apporte!” roept Arthur en doet alsof hij wat in het water werpt.

De hond jankt van plezier en is op het punt in de beek te springen,

maar hij ziet geen rimpelje in het water, hij weet niet wat hij

apporteeren moet.

„Domme hond,” zegt Constant.

„Neen, slimme hond,” zegt Arthur, „hij laat zich niet voor den gek

houden. Kom hier, Pandoer, luister goed, je moet een pop uit het water

halen, kijk daar is ze.”

Pandoer ziet zijn baas aan en kwispelt met zijn staart.

„Neen Pandoer, kijk in het water, daar!”

Pandoer springt heen en weer en begint te janken.

„Heb je nog een pop?” vraagt Arthur.

„Ik heb er negen,” zegt Geertruid.

„Haal er dan een.”

„Ja, maar je moogt haar niet in het water gooien.”

„Neen, zeker niet, haal maar gerust.”

Geertruid loopt op een draf weg en komt terug met een groote pop.

Arthur neemt haar in de hand, laat er den hond aan ruiken en doet dan

alsof hij haar in het water wil werpen. „Apporte!” roept hij en

verstopt haastig de pop op zijn rug. De hond springt rond, kijkt naar

het water en naar de lucht en dan eensklaps achter Arthur en hapt in de

pop.

„Neen! neen, neen!” gilt Geertruid, „mijn mooie Emma, pas op!”

„Wat een domme hond,” zegt Constant.

„Neen,” zegt Arthur, „ik ben dom, dat ik het hem niet zeggen kan. Daar!

apporte!” Hij gooit zijn hoed in ’t water; dadelijk springt Pandoer hem

na en komt er mee terug bij Arthur.

„Mooi!” roept Constant, „maar nu is je hoed nat.”

„Ja, ik kon niet verdragen, dat je mijn hond dom vindt. Kom hier

Pandoer, ruik nu eens goed.”

Hij houdt hem een grooten steen en dan de pop onder den neus. Als

Pandoer genoeg gesnuffeld heeft, gooit Arthur den steen in ’t water,

dicht bij de verdronken pop. Nu springt de hond in de beek, duikt en

hapt naar den steen, maar hij kan hem niet vast houden, de steen is te

groot en hij komt onverrichter zake terug. Hij schudt zich uit vóor

Arthur’s voeten en kijkt hem jankend aan.

„Allons! zoek! apporte!” zegt Arthur weer met een gebiedende stem.

De hond springt weer in het water en nu ziet hij de pop naast den

steen. Gelukkig! denkt Pandoer, hij hapt in de jurk en is in een

oogenblik uit het water met de druipnatte pop in den bek en legt haar

kwispelstaartend voor Arthur’s voeten.

„Hoezee!” juichen de kinderen, „hoezee! beste Pandoer, knap gedaan!”

„Hè,” zegt Arthur, „dat heeft geduld gekost. Mijn arme hoed, wat zal

Grootmoeder wel zeggen!”

Eensklaps keert hij zich naar Constant en zegt:

„Ga je examen doen voor de H. B. S.?”

„Ja,” zegt Constant, „de volgende week.”

„Ik ook,” zegt Arthur.

„Hè, dat is leuk,” roept Constant verheugd, „dan gaan we samen, gauw

aan Moeder vertellen, ga je mee?”

Ze gaan samen naar huis, Geertruid is al vooruit geloopen en vertelt

hoe Pandoer Lorre gered heeft.

„Is het nu een slimme hond of niet?” vraagt Arthur binnenkomend.

„Een heel slimme,” zegt Mevrouw, „maar ik geloof dat jij ook slim

bent.”

Arthur lacht en naar de wieg gaande, kijkt hij naar Jantje en aait heel

zacht over het handje, dat op het laken ligt.

„Aardig diertje,” zegt hij, „ik ben nieuwsgierig hoe je worden zult.

Maar ik moet naar huis.”

„Moeder,” zegt Constant, „hij gaat ook examen doen, we kunnen samen

gaan, is dat niet leuk? mag ik hem nu wegbrengen tot Conifera? dan

kunnen we er over praten.”

„Goed jongen, ga maar mee Constant, tot Conifera en dan terug komen.”

Arthur neemt afscheid en druk pratend gaan de de jongens samen den weg

op.

Twee Vrinden · 第 6 / 18 题