Het lijnwaad.--Schoenen van
zeehondenvel.--Schietkatoen.--Verschillende planten.--De
vischvangst.--Schildpad-eieren.--Jup gaat vooruit.--De
kraal.--Jacht op muffeldieren.--Nieuwe dieren en
planten.--Gedachten aan het vaderland.
De eerste week van Januari besteedde men met het vervaardigen van
het noodige linnen voor de kolonisten. De naalden, die in het kistje
gevonden waren, gingen weldra ijverig op en neer in krachtige, hoewel
niet fijne handen, en hetgeen er genaaid werd, werd stevig genaaid.
Er was geen gebrek aan garen, daar Cyrus Smith op het denkbeeld was
gekomen om hetzelfde te gebruiken, dat reeds gediend had bij het
vervaardigen van den luchtballon. Dit werd met bewonderenswaardig
geduld losgetornd door Gideon Spilett en Harbert; Pencroff had dit werk
moeten opgeven, daar het veel te kriebelig voor hem was; maar wanneer
het op naaien aankwam, had hij zijn gelijke niet. Iedereen weet dan
ook dat de zeelui bijzonder veel aanleg voor het kleermakersvak hebben.
Het linnen, waarvan de ballon gemaakt was, werd vervolgens van
vet gezuiverd door middel van soda en potasch, hetgeen men door
verbranding van planten verkreeg; het werd weder lenig, toen ook het
vernis er af was, en nadat het vervolgens langen tijd aan de lucht
werd blootgesteld, herkreeg het zijn zuiver witte kleur.
Eenige dozijnen hemden en kousen--deze laatste wel te verstaan niet
gebreid maar van linnen genaaid--waren spoedig vervaardigd. Welk
een genot voor de kolonisten om eindelijk weder helder linnen te
kunnen aantrekken.--Wel is waar was het zeer hard en ruw linnen,
maar om zulk een kleinigheid bekommerden zij zich niet, en 't was
een feest tusschen lakens te slapen, die van de slaapplaatsen van
't Rotshuis wezenlijke bedden maakten.
In dezen tijd vervaardigden zij ook schoenen van zeehondenvel, die
juist bijtijds de schoenen en laarzen konden vervangen, welke zij
uit Amerika meegebracht hadden.
Zeker was het, dat die schoenen lang en wijd waren en nooit knelden
aan de voeten der wandelaars.
Met den aanvang van het jaar 1866 werd de warmte grooter, en de jacht
leverde nog steeds goeden voorraad op. Het wemelde inderdaad van
konijnvarkens, water- en muskuszwijnen, kangaroes en pluimgedierte,
en Gideon Spilett en Harbert waren te goede schutters om voortaan
een enkel schot te missen.
Cyrus Smith beval hun echter steeds aan zoo zuinig mogelijk met
het kruit te zijn en hij nam maatregelen om het kruit en lood,
dat in de kist gevonden was, en dat hij voor later wilde bewaren,
te vervangen. Immers hij wist niet waar het lot hem en de zijnen nog
eens kon brengen, ingeval zij hun rijk verlieten.
Men moest zich dus wapenen tegen alle behoeften, die zich konden
voordoen en het kruit sparen, door andere bestanddeelen te verschaffen,
die gemakkelijk te vernieuwen waren.
Om het lood te vervangen, waarvan Cyrus Smith geen enkel spoor op
het eiland ontdekt had, vervaardigde hij zonder veel moeite ijzeren
hageltjes, die gemakkelijk te maken waren. Daar deze hageltjes niet
zoo zwaar als lood waren, moest hij ze grooter maken, en elk schot
bevatte er nu minder, doch de behendigheid der jagers kwam aan dit
gebrek te gemoet. Kruit had Cyrus Smith genoeg kunnen maken, want
hij had salpeter, zwavel en koolstof tot zijn beschikking; maar deze
bereiding eischt de grootste zorg en zonder daartoe vervaardigde
werktuigen, is het moeilijk de goede soort te leveren.
Cyrus Smith gaf er dus de voorkeur aan om schietkatoen te maken,
waarbij het katoen niet onmisbaar is, daar het er slechts bij gebruikt
wordt als verbindingsmiddel. Als zoodanig kan even goed gebezigd
worden de grondstof van elke plant, die men bijna zuiver vindt niet
alleen in het katoen, maar ook in de spinbare vezels van hennep en
vlasplanten, in papier, in oud linnen, in het merg van den vlierboom,
enz. De vlierboom groeide overvloedig op het eiland aan den mond van
de Roode Beek en de kolonisten gebruikten reeds in plaats van koffie
de bessen van dit gewas, dat tot de kamperfoelieplanten behoort.
Het was dus voldoende dit merg te verzamelen, en wat de andere
bestanddeelen betreft, die noodig waren tot het maken van schietkatoen,
daarvoor had men slechts salpeterzure-potasch noodig. Daar
Cyrus Smith reeds zwavelzuur had, viel het hem ook niet moeilijk,
salpeterzure-potasch te bereiden, door er salpeter bij te brengen,
dat de natuur hem verschafte.
Hij besloot dus schietkatoen te maken en te gebruiken, hoewel hij er
de vrij groote bezwaren van erkende. Er is namelijk een belangrijk
verschil van uitwerking en de ontbranding gaat uiterst snel, daar
het op honderd zeventig in plaats van op twee honderd veertig graden
ontvlamt, en eindelijk ontwikkelt het een te plotselinge warmte, wat
voor vuurwapenen niet wenschelijk is. Een voordeel was daarentegen, dat
het tegen vocht bestand is, de loopen der geweren niet vuil maakt en de
ontploffingskracht viermaal grooter is dan die van het gewone buskruit.
Om schietkatoen te vervaardigen was het voldoende om het merg van
den vlierboom een kwartier lang in salpeterzure-potasch te houden,
het vervolgens in water uit te spoelen en dan te laten drogen. De
poging van den ingenieur slaagde uitnemend en de jagers hadden weldra
een goed bereid middel tot hun beschikking, dat, wanneer het met mate
gebruikt werd, zeer goede resultaten opleverde.
Tegen dien tijd ontgonnen zij ook een bunder grond op de bergvlakte,
terwijl het overige als weide werd gehouden.
Verscheidene keeren maakten zij uitstapjes in de bosschen en zij
brachten dan een gansche verzameling van wilde planten mede; door
een goede bewerking zouden zij tot spinazie, sterrekers, rammenas en
rapen gewijzigd worden en de voeding met stikstofhoudende spijzen,
waaraan de kolonisten van Lincoln tot nog toe onderworpen waren,
een weinig afwisselen. Zij brachten eveneens een groote hoeveelheid
hout en steenkolen aan. Elke tocht was, tegelijkertijd een middel
om de wegen te verbeteren, die langzamerhand effen werden onder de
wielen van de kar.
De konijnenfokkerij leverde steeds een overvloed van voedsel aan het
Rotshuis. De fokkerij was zoo gelegen, dat hare bewoners nooit op het
afgezette gedeelte der bergvlakte konden komen en bijgevolg de nieuw
aangelegde plannen niet konden verwoesten. Wat de oesterbank betreft,
deze was te midden van de rotsen gelegen; zij verschafte steeds nieuwen
voorraad, en de kolonisten genoten er dagelijks van. Weldra bracht
de vischvangst, hetzij in het meer, hetzij in de Mercy, zeer veel op,
want Pencroff had lijnen in het water gezet met ijzeren haken, waaraan
dikwijls forellen en andere visschen kwamen, die heerlijk smaakten en
wier zilverkleurige zijden met kleine gele vlekken overdekt waren. Nab,
die met de zorg voor de spijzen belast was, kon dus altijd een weinig
afwisseling in het middagmaal brengen. Het brood ontbrak nog slechts
aan de tafel der kolonisten, en dit was werkelijk een zeer groot gemis.
In dien tijd begon men ook jacht te maken op de zeeschildpadden,
die zeer dikwijls op het strand kwamen bij kaap Mandibule. Over het
geheele strand zag men kleine hoogten, waarin ronde eieren verborgen
waren, met harde, witte schaal en waarvan het wit de eigenschap mist
om, evenals dat van vogeleieren, te stremmen. De zon broedt ze uit,
en het aantal er van was natuurlijk zeer groot, daar elke schildpad
jaarlijks tot twee honderd vijftig eieren legt.
"Een waar eierenveld," merkte Gideon Spilett op, "men heeft ze slechts
te oogsten."
Maar zij stelden zich niet met de voortbrengselen tevreden; zij
maakten ook jacht op de voortbrengers, waarbij niet minder dan twaalf
schildpadden gevangen werden, die werkelijk niet te versmaden waren met
het oog op hun maaltijden. Nab werd dikwijls geprezen, en te recht,
voor de schildpadsoep, die hij bereidde met welriekende planten en
prikkelende kruiden.
Nog moet een zeer gelukkige omstandigheid vermeld worden, waardoor
zij weder nieuwen voorraad voor den winter konden opdoen. Een groot
aantal zalmen waagden zich in de Mercy en gingen verscheidene mijlen
stroomopwaarts. Duizenden van deze visschen, die ongeveer twee en
een halven voet lang waren, stortten zich in de rivier en het was
voldoende den mond te versperren om een groot aantal te vangen. Eenige
honderden werden gezouten en bewaard voor den tijd dat de wintervorst
elke vischvangst onmogelijk zou maken.
Jup werd tot kamerdienaar verheven. Hij kreeg een jasje en een
korte broek van wit linnen en een voorschoot, waarvan de zakken zijn
grootste geluk uitmaakten, want hij stak er altijd zijn handen in en
duldde niet, dat men ze doorzocht. De behendige aap was uitmuntend
gedresseerd door Nab en men zou gezegd hebben dat hij en de neger
elkander begrepen, wanneer zij samen spraken. Jup had overigens een
waarachtige genegenheid voor Nab, en Nab wederkeerig voor hem. Wanneer
hij niet van dienst kon zijn, hetzij om hout aan te brengen of om in
den top van den een of anderen boom te klimmen, bracht Jup het grootste
gedeelte van zijn tijd in de keuken door en trachtte Nab in alles
na te bootsen wat hij dezen zag doen. De meester legde overigens het
grootste geduld en den meesten ijver aan den dag in het onderrichten
van zijn leerling, en de leerling toonde een merkwaardig vlug begrip
voor de lessen, die zijn meester hem gaf.
Men oordeele over het genoegen, dat Jup op een dag aan de bewoners
van het Rotshuis verschafte, toen hij met een servet over den arm,
de tafel kwam dekken, zonder dat men het hem gezegd had. Hij kweet
zich behendig en oplettend van zijn taak, nam de borden weg, bracht de
schotels op, schonk de glazen vol, en alles met zulk een ernst, dat de
kolonisten, maar vooral Pencroff, er het grootste pleizier in hadden.
"Jup, de soep!"
"Jup, nog wat vleesch!"
"Jup, een bord!"
"Jup! Beste Jup! Knappe Jup!"
Jup werd met bevelen overstelpt en voldeed aan alles zonder zich het
minst van streek te laten brengen; hij lette op alles en schudde met
zijn verstandigen kop, toen Pencroff zijn aardigheid van den eersten
dag herhaalde en zeide:
"Wij zullen bepaald je traktement moeten verdubbelen, Jup!"
Het is onnoodig te zeggen, dat Jup zeer gehecht was aan het Rotshuis
en dat hij zijn meester dikwijls door het bosch vergezelde zonder ooit
eenigen lust te toonen om te ontvluchten. Men moest hem zien loopen,
met zijn stok, dien Pencroff voor hem gemaakt had, als een geweer op
schouder! Moest men de eene of andere vrucht uit den top van een boom
hebben, in een oogwenk was hij dan boven! Was het rad van den wagen
uit het spoor, handig bracht Jup hem door een enkelen duw er weder in.
"Wat een kerel!" riep Pencroff dikwijls uit. "Als hij even ondeugend
als goed was, dan zou er met hem geen huis te houden zijn!"
Tegen het einde van Januari ondernamen de kolonisten eenige groote
werken in het middengedeelte van het eiland. Men had besloten om
bij de bron van de Roode Beek, aan den voet van den berg Franklin
een kraal aan te leggen, die bestemd was voor de herkauwende dieren,
wier tegenwoordigheid hinderlijk zou geweest zijn voor de bewoners
van het Rotshuis, en voor al de muffeldieren, die de wol moesten
verschaffen voor de winterkleederen.
Iederen morgen begaf zich de kolonie soms geheel, soms alleen
vertegenwoordigd door Cyrus Smith, Harbert en Pencroff, naar de
bronnen van de rivier, een wandeling van vijf mijl onder dicht lommer
en langs een nieuw aangelegden weg, dien men den Kraalweg genoemd had.
Toen na drie weken de kraal gereed was, moest men een groote drijfjacht
aanleggen aan den voet van den berg Franklin, te midden van de
weilanden, waar de herkauwende dieren meestal verblijf hielden. Dit
had plaats op den 7den Februari, een prachtigen zomerdag, en allen
namen er aan deel.
De twee onagga's, die reeds zeer goed gedresseerd waren en bereden
werden door Gideon Spilett en Harbert, bewezen hierbij grooten dienst.
Men moest de muffeldieren en geiten tot een kudde brengen, door
ze te omsingelen en den kring steeds nauwer te maken. Cyrus Smith,
Pencroff, Nab en Jup vatten post op verschillende punten van het woud,
terwijl de beide ruiters met Top in een straal van een halve mijl om
de kraal rondreden.
De muffeldieren waren op dat gedeelte van het eiland zeer talrijk. Deze
prachtige dieren, zoo groot als gemzen, met horens die sterker
ontwikkeld zijn dan die der rammen, met een grijze langharige vacht,
geleken veel op wilde steenschapen.
Het was een vermoeiende dag, waarop de jacht plaats had. Welk een
heen en weer loopen, op en neer rennen en schreeuwen! Van de honderd
muffeldieren die men insloot, ontsnapte meer dan tweederde gedeelte
aan de jagers; maar bij het einde waren er toch een dertigtal van
deze herkauwende dieren en een tiental wilde geiten naar de kraal
gedreven, waarvan de geopende deur een uitweg scheen te bieden,
terwijl zij hen voor goed gevangen hield.
De einduitslag was gunstig en de kolonisten hadden geen reden tot
klagen. Het grootste gedeelte van deze muffeldieren waren wijfjes,
waarvan sommige zelfs spoedig jongen ter wereld zouden brengen. Het
was dus waarschijnlijk dat de kudde zou vermeerderen, en dat niet
alleen de wol, maar ook de huiden binnen korten tijd in overvloed
voorhanden zouden zijn.
De jagers kwamen dien avond uitgeput in het Rotshuis terug. Den
volgenden dag gingen zij nochtans weder vroeg naar de kraal. De
gevangenen hadden wel getracht de omheining om te stooten, maar waren
er niet in geslaagd en zij werden al spoedig bedaard.
Gedurende de maand Februari viel er niets bijzonders voor. Het
dagelijksch werk werd geregeld volbracht, en terwijl men den Kraalweg
en den weg naar de Ballonhaven verbeterde, legde men ter zelfder tijd
een derden aan, die van de kraal naar de westkust liep. Het onbekende
gedeelte van het eiland Lincoln vormden nog steeds de groote bosschen
op het Slangen-schiereiland, waar de wilde dieren, die Gideon Spilett
hoopte te verdrijven, een schuilplaats zochten.
Voor dat het koude jaargetijde weder aanbrak, werd de meeste zorg
besteed aan de wilde planten, die van het bosch naar de bergvlakte
waren overgebracht. Harbert keerde zelden van een tocht terug zonder
eenige nuttige kruiden mede te brengen. Soms waren het exemplaren
van cichoreiplanten, waarvan ook het zaad door sterke persing een
uitmuntende olie kon verschaffen; een ander maal was het zuring,
waarvan de eigenschap om scheurbuik te genezen niet te versmaden was;
vervolgens eenige van die kostbare knolvormige wortels, die sedert
onheuglijke tijden in Zuid-Amerika werden verbouwd, de aardappels,
waarvan men tegenwoordig meer dan twee honderd soorten kent. De
moestuin, die nu goed onderhouden, geregeld begoten en tegen de
aanvallen van vogels beschermd werd, was in kleine vakken verdeeld,
waarop salade, aardappels, zuring, rammenas en andere kruiddragende
planten groeiden. De grond op de bergvlakte was zeer vruchtbaar en
men mocht hopen dat hij een overvloedigen oogst zou afwerpen.
Het ontbrak evenmin aan afwisselende dranken, en op voorwaarde dat
men geen wijn zou eischen, behoefden zelfs zij, die het moeilijkst
te bevredigen waren, zich niet te beklagen. Cyrus Smith had bij
de Oswego-thee, die hem door de dubbele Amerikaansche lipbloem
werd verschaft, en bij de gistende sappen uit de wortels van den
drakenboom, zeer goed bier weten te bereiden; hij maakte het uit
het jonge schot van de abies-nigra, dat, na goed gekookt en gegist
te hebben, dien aangenamen en bijzonder gezonden drank verschaft,
dien de Anglo-Amerikanen "springbeer" noemen.
Tegen het einde van den zomer was ook het gevogelte met een groot
aantal vermeerderd.
Alles slaagde dus naar wensch, dank zij den moed en den ijver van deze
mannen. De Voorzienigheid deed zeker veel voor hen; maar getrouw aan
het groote voorschrift, hielpen zij eerst zich zelven, en kwam de
hemel hun vervolgens te hulp.
Na die warme zomerdagen, was het voor de kolonisten het grootste genot
om 's avonds, wanneer hun werk volbracht was, zich aan den zoom van de
bergvlakte neer te zetten onder een begroeide veranda, die Nab zelf
vervaardigd had. Daar praatten zij en onderwezen elkander en maakten
plannen, en de vroolijke zeeman vermaakte onophoudelijk die kleine
maatschappij, waarin altijd de meest onverstoorde eendracht heerschte.
Zij spraken ook over hun vaderland, over dat dierbare en groote
Amerika. Hoe stond het met den burgeroorlog? Hij kon niet lang meer
geduurd hebben! Richmond was zeker spoedig in handen van generaal Grant
gevallen! Het innemen van de hoofdstad der geconfedereerden had het
laatste feit van dezen noodlottigen krijg moeten zijn. Het Noorden
had nu gezegepraald en de goede zaak overwonnen. Hoe welkom zou het
een of andere nieuwsblad voor de ballingen van het eiland Lincoln
geweest zijn! Reeds elf maanden was alle gemeenschap tusschen hen en
de overige wereld afgebroken en binnen korten tijd, den 24sten Maart,
zou de gedenkdag aanbreken van den dag, waarop de ballon hen op deze
onbekende kust had geworpen! Toen waren zij slechts schipbreukelingen,
die zelf niet wisten of zij hun ellendig leven aan de elementen zouden
kunnen betwisten.
En nu, dank zij de kunde van hun aanvoerder, dank zij hun eigen
vernuft, waren zij kolonisten geworden, voorzien van wapenen,
werktuigen en instrumenten, die de dieren, planten en delfstoffen
van het eiland, dat is te zeggen de drie rijken der natuur, tot hun
nut hadden weten te exploiteeren.
Ja, zij spraken dikwijls over dat alles, en maakten nog tallooze
plannen voor de toekomst!
Cyrus Smith luisterde gewoonlijk stilzwijgend naar zijn
lotgenooten. Somtijds glimlachte hij over een opmerking van Harbert,
een aardigheid van Pencroff, maar altijd en overal dacht hij aan die
onverklaarbare feiten, aan dat zonderlinge raadsel, waarvan het geheim
hem nog steeds duister bleef!