XXVI.

Op weg naar de kust.--Eenige apen.--Een nieuwe stroom.--Een

bosch op de kust.--De hagedis.--Gideon Spilett wordt door

Harbert benijd.--De bamboe.

Ten zes ure 's morgens, na hun ontbijt, begaven de kolonisten zich op

pad, met het plan om langs den kortst mogelijken weg, de westelijke

kust van het eiland te bereiken. In hoeveel tijd konden zij daar

komen? Cyrus Smith had gezegd in twee uur, maar dat hing af van

de hinderpalen, die zij op hun weg zouden ontmoeten. Dit gedeelte

van het Far-West scheen dicht begroeid te zijn, en evenals in het

kreupelhout was hier een groote verscheidenheid van planten. Het was

dus waarschijnlijk dat zij zich met de bijl in de hand een weg door

het gras, het kreupelhout en de slingerplanten moesten banen--en met

het geweer ook, als zij zich het gebrul der wilde dieren herinnerden,

dat zij dien nacht gehoord hadden.

Zij vertrokken niet vóór zich overtuigd te hebben, dat de prauw goed

op het drooge lag. Pencroff en Nab zorgden voor de levensmiddelen, die

hen gedurende twee dagen in het leven moesten houden. Aan jagen werd

thans niet meer gedacht en de ingenieur had hun het schieten verboden,

ten einde hun tegenwoordigheid in den omtrek niet te verraden.

De eerste bijlslagen troffen het kreupelhout, even boven den waterval,

en met het kompas in de hand wees Cyrus Smith hun de richting, die

zij volgen moesten. Het bosch bestond nu voor een groot gedeelte uit

boomen, die zij reeds in de nabijheid van het meer en de bergvlakte

het Verre Uitzicht gevonden hadden. De kolonisten konden dus slechts

zeer langzaam voorwaarts gaan op den weg, dien zij zich zelven moesten

banen, en die, volgens de meening van den ingenieur, verderop in

verband moest staan met de Roode Beek.

Gedurende de eerste uren van hun tocht zagen zij de troepen apen weer,

die de grootste verbazing aan den dag legden bij het aanschouwen van

menschen, welke zij voor de eerste maal schenen te ontmoeten. Gideon

Spilett kon niet nalaten te vragen, of die vlugge en krachtige dieren

hen niet voor verbasterde broeders zouden aanzien. En wezenlijk,

de eenvoudige voetgangers, die bij elken stap dien zij deden, door

de takken werden tegengehouden, staken niet zeer schitterend af bij

de behendige dieren, die van den eenen tak op den anderen sprongen,

zonder dat hen iets in hun sprong tegenhield. De apen waren hier zeer

talrijk, maar gelukkig gaven zij geen teekenen van vijandigheid. Ook

zagen de kolonisten nog wilde zwijnen, konijnen, varkens, kangaroes

en andere knaagdieren en twee of drie koula's die Pencroff gaarne

met een geweerschot begroet had.

"Maar," zeide hij, "de jacht is niet geopend. Springt dus maar, mijn

vrienden, en vliegt in vrede voort! Bij onzen terugkeer zullen wij

wel eens een paar woordjes samen spreken!"

Tegen half tien werd de weg, die hen recht naar het zuidwesten leidde,

plotseling door een onbekend water versperd, dat tusschen de dertig

en veertig voet breed was, en welks snelle stroom, het gevolg van

zijn hellende bedding, brekende op de talrijke rotsen, zich met

groot gedruisch voortspoedde. Deze rivier was diep en zeer helder,

maar geheel onbevaarbaar.

"Nu kunnen wij niet verder!" riep Nab uit.

"Jawel," antwoordde Harbert, "want het is slechts een beek, die wij

gemakkelijk kunnen overzwemmen."

"Waartoe zou dat leiden?" vroeg Cyrus Smith. "Zeer waarschijnlijk

loopt deze rivier naar zee. Laten wij aan den linker oever blijven,

en wanneer wij dien volgen zou het mij zeer verwonderen zoo wij niet

aan de kust uitkomen. Vooruit dus!"

"Een oogenblik," sprak de reporter. "Hoe is de naam dezer rivier,

mijne vrienden? Laten wij onze aardrijkskunde bijhouden."

"Gij hebt gelijk!" beaamde Pencroff.

"Doop gij haar, beste jongen," zeide de ingenieur tot Harbert.

"Ware het niet beter dat wij eerst de monding zochten?" merkte

Harbert aan.

"Ook goed," antwoordde Cyrus Smith. "Laten wij dan niet langer

stilstaan."

"Nog even!" riep Pencroff uit.

"Wat is er?" vroeg de reporter.

"De jacht is wel verboden, maar de vischvangst toch niet, veronderstel

ik," zeide de matroos.

"Wij hebben geen tijd te verliezen," gaf de ingenieur hierop ten

antwoord.

"Kom, vijf minuten!" hernam Pencroff. "Ik vraag slechts vijf minuten

in het belang van ons ontbijt!"

En Pencroff knielde aan den kant van de beek, stak zijn beide handen

in het heldere water en spoedig legde hij eenige kreeften op het droge.

"Dat zal goed smaken!" riep Nab uit, terwijl hij de matroos te

hulp kwam.

"Alles is hier op het eiland, behalve tabak," mompelde Pencroff met

een zucht.

Zij hadden geen vijf minuten oponthoud door die merkwaardige vangst,

want de kreeften waren in overvloed in de beek. Van deze schaaldieren,

waarvan de schubben een blauwe kobaltkleur hebben, en die van een

schaar voorzien zijn, vulden zij een zak en vervolgden toen hun weg.

Nu zij den oever van deze rivier hielden, ging de tocht veel

gemakkelijker en sneller. Ook hier was geen enkele menschelijke

voetstap te vinden. Nu en dan ontdekten zij het spoor van groote

viervoetige dieren die zeker hun dorst aan deze beek plachten te

lesschen, maar overigens niets en het was niet in dit gedeelte van

het Far-West dat het konijn getroffen was door het hageltje, hetwelk

aan Pencroff een tand kostte.

Toch moest Cyrus Smith tot het besluit komen, toen hij den snellen

stroom gadesloeg, dat hij en zijn vrienden zich verder van de

westelijke kust bevonden dan zij eerst gemeend hadden.

De rivier werd echter langzamerhand breeder en het water kalmer. De

boomen stonden aan beide zijden der rivier even dicht naast elkander,

en men kon er onmogelijk doorheen zien; maar dat onafzienbare bosch

was zeker geheel verlaten, want Top blafte niet en het verstandige

dier zou zich wel gehaast hebben hen te waarschuwen, zoo er zich

vreemdelingen in den omtrek van het water hadden bevonden.

Het was half elf toen Harbert, die hen een eind voor was, tot groote

verbazing van Cyrus Smith plotseling uitriep:

"De zee!"

En eenige oogenblikken later hadden zij den zoom van het bosch bereikt

en zagen zij de westelijke kust van het eiland voor zich. Maar welk

een verschil was er tusschen deze kust en die waarop het toeval

hen geworpen had. Geen rotsen, geen klippen, zelfs geen strand. Het

bosch vormde de kust en de laatste boomen, door de golven gebeukt,

bogen zich over het water. Het was geen kust, zooals de natuur

die gewoonlijk vormt, namelijk een zeer breed strand van zand of

een rotsketen, maar een prachtig bosch, waarin de schoonste boomen

groeiden. De oever was zoo hoog dat hij ook bij springtij boven de

oppervlakte der zee uitstak, en op dien vruchtbaren grond, door een

rots begrensd, schenen die boomen even vast geplant te zijn als in

het binnengedeelte van het eiland.

Het weer was schoon en van de steile kust, waarop Pencroff en Nab

het maal bereidden, kon men zijn blik zeer ver laten gaan. De horizon

was helder, maar geen zeil was er te bespeuren. Op de geheele kust,

zoover het oog reikte, was geen schip noch overblijfsel van eenig

vaartuig te zien. Maar de ingenieur was niet eer overtuigd, dan nadat

hij de kust van de uiterste punt tot aan het Slangen-schiereiland

zou onderzocht hebben.

Het ontbijt was spoedig genuttigd en ten half twaalf beval Cyrus

Smith te vertrekken. In plaats van hun weg over de klippen te nemen

en het strand te volgen, moesten de kolonisten nu den zoom van het

bosch houden, die evenwijdig met de kust liep.

De afstand die de monding van de rivier scheidde van het

Hagedis-voorgebergte, was ongeveer twaalf mijlen. In vier uur hadden

zij, wanneer het strand begaanbaar was, en zelfs zonder zich te

haasten, dien afstand kunnen afleggen, maar nu hadden zij het dubbele

van dien tijd noodig om hun doel te bereiken, want de boomen die zij

moesten omloopen, het hout dat zij moesten kappen, de slingerplanten

die zij moesten breken, dat alles hield hen gedurig op.

Overigens was geen enkel spoor te zien van een schipbreuk. Wel is

waar, zooals Gideon Spilett opmerkte, had de zee alles weder mede

kunnen slepen, en men kon dus nog niet beweren, al vond men ook geen

enkel bewijs, dat er geen schip op dit gedeelte van de kust van het

eiland Lincoln gestrand was.

De redeneering van den reporter was juist, en bovendien bewees het

voorgevallene met het hageltje ontegenzeggelijk dat er hoogstens drie

maanden geleden een geweerschot op het eiland gelost was.

Het was reeds vijf uur in den namiddag en nog was het

Slangenschiereiland twee mijlen verwijderd van de plaats waar de

kolonisten zich thans bevonden. Het was zeer waarschijnlijk dat wanneer

zij kaap Hagedis bereikt hadden, Cyrus Smith en zijn makkers den tijd

niet zouden hebben om voor het ondergaan der zon naar het kamp, dat

zij bij de bronnen der Mercy opgeslagen hadden, terug te keeren. Dus

zouden zij genoodzaakt zijn in deze streek den nacht door te brengen.

Tegen zeven uur 's avonds kwamen de kolonisten uitgeput van vermoeienis

aan kaap Hagedis, een soort van krul door de zee gevormd. Hier eindigde

het bosch van het schiereiland en de kust in het westelijk gedeelte

herkreeg weder het aanzien van een gewone kust met haar rotsen, klippen

en strand. Het was dus mogelijk, dat een schip op dit gedeelte was

stuk geslagen, maar de nacht viel in en zij moesten hun onderzoek

tot den anderen dag staken. Pencroff en Harbert gingen terstond een

geschikte plaats zoeken om hun nachtverblijf op te slaan. De laatste

boomen van het bosch van het Verre Westen eindigden in dat gedeelte

en daaronder vond Harbert kleine groepen bamboes.

"Zie zoo," zeide hij, "dat is een kostbare vondst."

"Kostbaar?" vroeg Pencroff.

"Ja, zeker," antwoordde Harbert. "Als ik je alleen maar zeg, Pencroff,

dat de schors dezer bamboes, in smalle reepen gesneden, zeer goed

voor manden en korven geschikt is; die schors kan, tot een zachte

massa gekneed, tot Chineesch papier bereid worden; de halmen kunnen,

naarmate zij groot zijn, tot stokken, kachelpijpen en waterleidingen

dienen; de groote bamboezen kunnen zeer goed aangewend worden om

het een of ander te vervaardigen en nooit zullen de insecten er in

komen. Ik wil er nog niet eens bijvoegen dat, wanneer men de ruimte,

die er tusschen beide knoopen is, doorzaagt, en voor bodem er een

beschot dwars over heen legt, men op deze wijs stevige groote vaten

verkrijgt, die bij de Chineezen zeer in zwang zijn! En dat alles zou

u onverschillig wezen? Maar...."

"Maar?"

"Ik zal je ook nog zeggen, dat die bamboes in Indië als asperges

gegeten worden."

"Asperges van dertig voet lang!" riep de matroos uit. "En smaken

zij goed?"

"Uitmuntend," antwoordde Harbert. "Maar het zijn geen stengels van

dertig voet die men eet, maar jonge halmpjes."

"Heel goed, beste jongen, heel goed!" gaf Pencroff ten antwoord.

"Ook is het merg van jonge halmen, in de azijn gelegd, een zeer

lekker zuur."

"Het wordt hoe langer hoe beter.

"En bovendien is er tusschen de knoopen een suikerachtige likeur,

waaruit wij een geurigen drank kunnen bereiden."

"Is dat alles?" vroeg de matroos.

"Ja."

"En wij kunnen het niet rooken?"

"Neen, beste Pencroff, wij kunnen het niet rooken."

Lang hadden Harbert en Pencroff niet naar een geschikte plaats voor den

nacht te zoeken. De rotsen, die tamelijk ver van elkander verwijderd

waren, door het slaan der golven tegen de kust en den noordwesten

wind, boden holen aan waarin zij zich gerust te slapen konden leggen,

zonder voor den invloed van de nachtlucht bevreesd te zijn. Maar op

het oogenblik dat zij op het punt stonden om in een dezer holen door

te dringen, werden zij door een hevig gebrul daarvan weerhouden.

"Terug!" riep Pencroff. "Wij hebben niets dan hagel in onze geweren

en die dieren, die zulk een gebrul laten hooren, geven daar evenveel

om als om zoutkorrels!"

De matroos greep Harbert bij den arm, sleepte hem mede uit de rots,

juist op hetzelfde oogenblik dat zich een prachtig dier aan den

ingang vertoonde.

Het was een tijgerkat van ongeveer dezelfde grootte als die welke men

in Azië vindt, dat wil zeggen, dat zij van den kop tot den staart

vijf voet lang was. Op haar huid waren regelmatige zwarte vlekken,

die weder doorsneden werden door het witte haar van haar buik. Harbert

herkende in haar terstond den krachtigen vijand van den tijger en veel

meer te duchten dan een jaguar, die slechts de vijand van den wolf is!

De tijgerkat sloop, langzaam en behoedzaam om zich ziende, voorwaarts;

de haren stonden rechtop, haar oogen schitterden, alsof het niet de

eerste maal was, dat zij de tegenwoordigheid van een mensch voelde.

Op dit oogenblik kwam de reporter van achter een hooge rots en Harbert,

die meende dat hij de tijgerkat nog niet bespeurd had, snelde naar

hem toe; maar Gideon Spilett wenkte hem met de hand en vervolgde

zijn weg. Het was zijn eerste tijger niet; hij naderde hem tot op

tien pas en stond toen onbeweeglijk stil met de aangelegde karabijn,

zonder een spier te verroeren.

De tijgerkat trok zijn leden samen en sprong op den jager toe, maar op

hetzelfde oogenblik trof een kogel hem tusschen zijn oogen en viel hij

dood ter aarde. Harbert en Pencroff snelden naar het dier. Ook Cyrus

en Nab kwamen in allerijl toeschieten en stonden eenige oogenblikken

in stomme verbazing over het prachtige beest, dat voor hen op den grond

lag en welks huid een sieraad zou wezen in de zaal van het Rotshuis.

"O, mijnheer Spilett, wat bewonder en benijd ik u!" riep Harbert

opgetogen uit.

"Goed, beste jongen," antwoordde de reporter, "gij zoudt hetzelfde

gedaan hebben."

"Ik! Met dezelfde koelbloedigheid!"

"Verbeeld je eens, Harbert, dat die tijgerkat een haas was, dan zoudt

gij met de grootste kalmte een schot op hem lossen."

"Nu, is het niet erger?" vroeg Pencroff.

"En thans," sprak Gideon, "nu deze tijgerkat haar hol verlaten heeft,

zie ik geen enkele reden, waarom wij dit voor van nacht niet zouden

innemen."

"Maar anderen kunnen er in wederkeeren!" zeide Pencroff.

"Als wij maar een vuur aan den ingang aanleggen, dan zullen zij het

niet wagen binnen te dringen."

"Dan naar de woning van de tijgerkat!" antwoordde de matroos, terwijl

hij het lijk van het dier achter zich meesleepte. De kolonisten begaven

zich thans naar de verlaten schuilplaats van de tijgerkat en daar,

terwijl Nab haar van de huid ontdeed, verzamelden zij een groote

hoeveelheid droog hout, dat in overvloed in het bosch voorhanden was.

Maar toen Cyrus Smith ook een groep bamboezen zag, sneed hij eenigen

af en mengde die tusschen het brandhout.

Toen dit gedaan was, maakten zij de grot gereed, die met beenderen

lag bezaaid; zij laadden hun wapens voor het geval dat zij soms

onverwachts mochten aangevallen worden; daarop gebruikten zij hun

avondmaal en voor zij zich ter ruste begaven, staken zij den stapel

hout voor den ingang aan.

Terstond daarop knetterde een waar vuurwerk in de lucht. Het was

het bamboes, dat wanneer het vlam vat als een vuurwerk ontploft. Dat

geraas alleen was reeds voldoende om wilde dieren angst aan te jagen.

Maar dit middel om een luide ontploffing te weeg te brengen, was niet

door den ingenieur uitgedacht, want, volgens Marco Polo, gebruiken de

Tartaren het reeds sedert eeuwen met goed gevolg om de wilde dieren

in Midden-Azië op een afstand te houden.

Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen · 第 30 / 37 题