Op weg naar de kust.--Eenige apen.--Een nieuwe stroom.--Een
bosch op de kust.--De hagedis.--Gideon Spilett wordt door
Harbert benijd.--De bamboe.
Ten zes ure 's morgens, na hun ontbijt, begaven de kolonisten zich op
pad, met het plan om langs den kortst mogelijken weg, de westelijke
kust van het eiland te bereiken. In hoeveel tijd konden zij daar
komen? Cyrus Smith had gezegd in twee uur, maar dat hing af van
de hinderpalen, die zij op hun weg zouden ontmoeten. Dit gedeelte
van het Far-West scheen dicht begroeid te zijn, en evenals in het
kreupelhout was hier een groote verscheidenheid van planten. Het was
dus waarschijnlijk dat zij zich met de bijl in de hand een weg door
het gras, het kreupelhout en de slingerplanten moesten banen--en met
het geweer ook, als zij zich het gebrul der wilde dieren herinnerden,
dat zij dien nacht gehoord hadden.
Zij vertrokken niet vóór zich overtuigd te hebben, dat de prauw goed
op het drooge lag. Pencroff en Nab zorgden voor de levensmiddelen, die
hen gedurende twee dagen in het leven moesten houden. Aan jagen werd
thans niet meer gedacht en de ingenieur had hun het schieten verboden,
ten einde hun tegenwoordigheid in den omtrek niet te verraden.
De eerste bijlslagen troffen het kreupelhout, even boven den waterval,
en met het kompas in de hand wees Cyrus Smith hun de richting, die
zij volgen moesten. Het bosch bestond nu voor een groot gedeelte uit
boomen, die zij reeds in de nabijheid van het meer en de bergvlakte
het Verre Uitzicht gevonden hadden. De kolonisten konden dus slechts
zeer langzaam voorwaarts gaan op den weg, dien zij zich zelven moesten
banen, en die, volgens de meening van den ingenieur, verderop in
verband moest staan met de Roode Beek.
Gedurende de eerste uren van hun tocht zagen zij de troepen apen weer,
die de grootste verbazing aan den dag legden bij het aanschouwen van
menschen, welke zij voor de eerste maal schenen te ontmoeten. Gideon
Spilett kon niet nalaten te vragen, of die vlugge en krachtige dieren
hen niet voor verbasterde broeders zouden aanzien. En wezenlijk,
de eenvoudige voetgangers, die bij elken stap dien zij deden, door
de takken werden tegengehouden, staken niet zeer schitterend af bij
de behendige dieren, die van den eenen tak op den anderen sprongen,
zonder dat hen iets in hun sprong tegenhield. De apen waren hier zeer
talrijk, maar gelukkig gaven zij geen teekenen van vijandigheid. Ook
zagen de kolonisten nog wilde zwijnen, konijnen, varkens, kangaroes
en andere knaagdieren en twee of drie koula's die Pencroff gaarne
met een geweerschot begroet had.
"Maar," zeide hij, "de jacht is niet geopend. Springt dus maar, mijn
vrienden, en vliegt in vrede voort! Bij onzen terugkeer zullen wij
wel eens een paar woordjes samen spreken!"
Tegen half tien werd de weg, die hen recht naar het zuidwesten leidde,
plotseling door een onbekend water versperd, dat tusschen de dertig
en veertig voet breed was, en welks snelle stroom, het gevolg van
zijn hellende bedding, brekende op de talrijke rotsen, zich met
groot gedruisch voortspoedde. Deze rivier was diep en zeer helder,
maar geheel onbevaarbaar.
"Nu kunnen wij niet verder!" riep Nab uit.
"Jawel," antwoordde Harbert, "want het is slechts een beek, die wij
gemakkelijk kunnen overzwemmen."
"Waartoe zou dat leiden?" vroeg Cyrus Smith. "Zeer waarschijnlijk
loopt deze rivier naar zee. Laten wij aan den linker oever blijven,
en wanneer wij dien volgen zou het mij zeer verwonderen zoo wij niet
aan de kust uitkomen. Vooruit dus!"
"Een oogenblik," sprak de reporter. "Hoe is de naam dezer rivier,
mijne vrienden? Laten wij onze aardrijkskunde bijhouden."
"Gij hebt gelijk!" beaamde Pencroff.
"Doop gij haar, beste jongen," zeide de ingenieur tot Harbert.
"Ware het niet beter dat wij eerst de monding zochten?" merkte
Harbert aan.
"Ook goed," antwoordde Cyrus Smith. "Laten wij dan niet langer
stilstaan."
"Nog even!" riep Pencroff uit.
"Wat is er?" vroeg de reporter.
"De jacht is wel verboden, maar de vischvangst toch niet, veronderstel
ik," zeide de matroos.
"Wij hebben geen tijd te verliezen," gaf de ingenieur hierop ten
antwoord.
"Kom, vijf minuten!" hernam Pencroff. "Ik vraag slechts vijf minuten
in het belang van ons ontbijt!"
En Pencroff knielde aan den kant van de beek, stak zijn beide handen
in het heldere water en spoedig legde hij eenige kreeften op het droge.
"Dat zal goed smaken!" riep Nab uit, terwijl hij de matroos te
hulp kwam.
"Alles is hier op het eiland, behalve tabak," mompelde Pencroff met
een zucht.
Zij hadden geen vijf minuten oponthoud door die merkwaardige vangst,
want de kreeften waren in overvloed in de beek. Van deze schaaldieren,
waarvan de schubben een blauwe kobaltkleur hebben, en die van een
schaar voorzien zijn, vulden zij een zak en vervolgden toen hun weg.
Nu zij den oever van deze rivier hielden, ging de tocht veel
gemakkelijker en sneller. Ook hier was geen enkele menschelijke
voetstap te vinden. Nu en dan ontdekten zij het spoor van groote
viervoetige dieren die zeker hun dorst aan deze beek plachten te
lesschen, maar overigens niets en het was niet in dit gedeelte van
het Far-West dat het konijn getroffen was door het hageltje, hetwelk
aan Pencroff een tand kostte.
Toch moest Cyrus Smith tot het besluit komen, toen hij den snellen
stroom gadesloeg, dat hij en zijn vrienden zich verder van de
westelijke kust bevonden dan zij eerst gemeend hadden.
De rivier werd echter langzamerhand breeder en het water kalmer. De
boomen stonden aan beide zijden der rivier even dicht naast elkander,
en men kon er onmogelijk doorheen zien; maar dat onafzienbare bosch
was zeker geheel verlaten, want Top blafte niet en het verstandige
dier zou zich wel gehaast hebben hen te waarschuwen, zoo er zich
vreemdelingen in den omtrek van het water hadden bevonden.
Het was half elf toen Harbert, die hen een eind voor was, tot groote
verbazing van Cyrus Smith plotseling uitriep:
"De zee!"
En eenige oogenblikken later hadden zij den zoom van het bosch bereikt
en zagen zij de westelijke kust van het eiland voor zich. Maar welk
een verschil was er tusschen deze kust en die waarop het toeval
hen geworpen had. Geen rotsen, geen klippen, zelfs geen strand. Het
bosch vormde de kust en de laatste boomen, door de golven gebeukt,
bogen zich over het water. Het was geen kust, zooals de natuur
die gewoonlijk vormt, namelijk een zeer breed strand van zand of
een rotsketen, maar een prachtig bosch, waarin de schoonste boomen
groeiden. De oever was zoo hoog dat hij ook bij springtij boven de
oppervlakte der zee uitstak, en op dien vruchtbaren grond, door een
rots begrensd, schenen die boomen even vast geplant te zijn als in
het binnengedeelte van het eiland.
Het weer was schoon en van de steile kust, waarop Pencroff en Nab
het maal bereidden, kon men zijn blik zeer ver laten gaan. De horizon
was helder, maar geen zeil was er te bespeuren. Op de geheele kust,
zoover het oog reikte, was geen schip noch overblijfsel van eenig
vaartuig te zien. Maar de ingenieur was niet eer overtuigd, dan nadat
hij de kust van de uiterste punt tot aan het Slangen-schiereiland
zou onderzocht hebben.
Het ontbijt was spoedig genuttigd en ten half twaalf beval Cyrus
Smith te vertrekken. In plaats van hun weg over de klippen te nemen
en het strand te volgen, moesten de kolonisten nu den zoom van het
bosch houden, die evenwijdig met de kust liep.
De afstand die de monding van de rivier scheidde van het
Hagedis-voorgebergte, was ongeveer twaalf mijlen. In vier uur hadden
zij, wanneer het strand begaanbaar was, en zelfs zonder zich te
haasten, dien afstand kunnen afleggen, maar nu hadden zij het dubbele
van dien tijd noodig om hun doel te bereiken, want de boomen die zij
moesten omloopen, het hout dat zij moesten kappen, de slingerplanten
die zij moesten breken, dat alles hield hen gedurig op.
Overigens was geen enkel spoor te zien van een schipbreuk. Wel is
waar, zooals Gideon Spilett opmerkte, had de zee alles weder mede
kunnen slepen, en men kon dus nog niet beweren, al vond men ook geen
enkel bewijs, dat er geen schip op dit gedeelte van de kust van het
eiland Lincoln gestrand was.
De redeneering van den reporter was juist, en bovendien bewees het
voorgevallene met het hageltje ontegenzeggelijk dat er hoogstens drie
maanden geleden een geweerschot op het eiland gelost was.
Het was reeds vijf uur in den namiddag en nog was het
Slangenschiereiland twee mijlen verwijderd van de plaats waar de
kolonisten zich thans bevonden. Het was zeer waarschijnlijk dat wanneer
zij kaap Hagedis bereikt hadden, Cyrus Smith en zijn makkers den tijd
niet zouden hebben om voor het ondergaan der zon naar het kamp, dat
zij bij de bronnen der Mercy opgeslagen hadden, terug te keeren. Dus
zouden zij genoodzaakt zijn in deze streek den nacht door te brengen.
Tegen zeven uur 's avonds kwamen de kolonisten uitgeput van vermoeienis
aan kaap Hagedis, een soort van krul door de zee gevormd. Hier eindigde
het bosch van het schiereiland en de kust in het westelijk gedeelte
herkreeg weder het aanzien van een gewone kust met haar rotsen, klippen
en strand. Het was dus mogelijk, dat een schip op dit gedeelte was
stuk geslagen, maar de nacht viel in en zij moesten hun onderzoek
tot den anderen dag staken. Pencroff en Harbert gingen terstond een
geschikte plaats zoeken om hun nachtverblijf op te slaan. De laatste
boomen van het bosch van het Verre Westen eindigden in dat gedeelte
en daaronder vond Harbert kleine groepen bamboes.
"Zie zoo," zeide hij, "dat is een kostbare vondst."
"Kostbaar?" vroeg Pencroff.
"Ja, zeker," antwoordde Harbert. "Als ik je alleen maar zeg, Pencroff,
dat de schors dezer bamboes, in smalle reepen gesneden, zeer goed
voor manden en korven geschikt is; die schors kan, tot een zachte
massa gekneed, tot Chineesch papier bereid worden; de halmen kunnen,
naarmate zij groot zijn, tot stokken, kachelpijpen en waterleidingen
dienen; de groote bamboezen kunnen zeer goed aangewend worden om
het een of ander te vervaardigen en nooit zullen de insecten er in
komen. Ik wil er nog niet eens bijvoegen dat, wanneer men de ruimte,
die er tusschen beide knoopen is, doorzaagt, en voor bodem er een
beschot dwars over heen legt, men op deze wijs stevige groote vaten
verkrijgt, die bij de Chineezen zeer in zwang zijn! En dat alles zou
u onverschillig wezen? Maar...."
"Maar?"
"Ik zal je ook nog zeggen, dat die bamboes in Indië als asperges
gegeten worden."
"Asperges van dertig voet lang!" riep de matroos uit. "En smaken
zij goed?"
"Uitmuntend," antwoordde Harbert. "Maar het zijn geen stengels van
dertig voet die men eet, maar jonge halmpjes."
"Heel goed, beste jongen, heel goed!" gaf Pencroff ten antwoord.
"Ook is het merg van jonge halmen, in de azijn gelegd, een zeer
lekker zuur."
"Het wordt hoe langer hoe beter.
"En bovendien is er tusschen de knoopen een suikerachtige likeur,
waaruit wij een geurigen drank kunnen bereiden."
"Is dat alles?" vroeg de matroos.
"Ja."
"En wij kunnen het niet rooken?"
"Neen, beste Pencroff, wij kunnen het niet rooken."
Lang hadden Harbert en Pencroff niet naar een geschikte plaats voor den
nacht te zoeken. De rotsen, die tamelijk ver van elkander verwijderd
waren, door het slaan der golven tegen de kust en den noordwesten
wind, boden holen aan waarin zij zich gerust te slapen konden leggen,
zonder voor den invloed van de nachtlucht bevreesd te zijn. Maar op
het oogenblik dat zij op het punt stonden om in een dezer holen door
te dringen, werden zij door een hevig gebrul daarvan weerhouden.
"Terug!" riep Pencroff. "Wij hebben niets dan hagel in onze geweren
en die dieren, die zulk een gebrul laten hooren, geven daar evenveel
om als om zoutkorrels!"
De matroos greep Harbert bij den arm, sleepte hem mede uit de rots,
juist op hetzelfde oogenblik dat zich een prachtig dier aan den
ingang vertoonde.
Het was een tijgerkat van ongeveer dezelfde grootte als die welke men
in Azië vindt, dat wil zeggen, dat zij van den kop tot den staart
vijf voet lang was. Op haar huid waren regelmatige zwarte vlekken,
die weder doorsneden werden door het witte haar van haar buik. Harbert
herkende in haar terstond den krachtigen vijand van den tijger en veel
meer te duchten dan een jaguar, die slechts de vijand van den wolf is!
De tijgerkat sloop, langzaam en behoedzaam om zich ziende, voorwaarts;
de haren stonden rechtop, haar oogen schitterden, alsof het niet de
eerste maal was, dat zij de tegenwoordigheid van een mensch voelde.
Op dit oogenblik kwam de reporter van achter een hooge rots en Harbert,
die meende dat hij de tijgerkat nog niet bespeurd had, snelde naar
hem toe; maar Gideon Spilett wenkte hem met de hand en vervolgde
zijn weg. Het was zijn eerste tijger niet; hij naderde hem tot op
tien pas en stond toen onbeweeglijk stil met de aangelegde karabijn,
zonder een spier te verroeren.
De tijgerkat trok zijn leden samen en sprong op den jager toe, maar op
hetzelfde oogenblik trof een kogel hem tusschen zijn oogen en viel hij
dood ter aarde. Harbert en Pencroff snelden naar het dier. Ook Cyrus
en Nab kwamen in allerijl toeschieten en stonden eenige oogenblikken
in stomme verbazing over het prachtige beest, dat voor hen op den grond
lag en welks huid een sieraad zou wezen in de zaal van het Rotshuis.
"O, mijnheer Spilett, wat bewonder en benijd ik u!" riep Harbert
opgetogen uit.
"Goed, beste jongen," antwoordde de reporter, "gij zoudt hetzelfde
gedaan hebben."
"Ik! Met dezelfde koelbloedigheid!"
"Verbeeld je eens, Harbert, dat die tijgerkat een haas was, dan zoudt
gij met de grootste kalmte een schot op hem lossen."
"Nu, is het niet erger?" vroeg Pencroff.
"En thans," sprak Gideon, "nu deze tijgerkat haar hol verlaten heeft,
zie ik geen enkele reden, waarom wij dit voor van nacht niet zouden
innemen."
"Maar anderen kunnen er in wederkeeren!" zeide Pencroff.
"Als wij maar een vuur aan den ingang aanleggen, dan zullen zij het
niet wagen binnen te dringen."
"Dan naar de woning van de tijgerkat!" antwoordde de matroos, terwijl
hij het lijk van het dier achter zich meesleepte. De kolonisten begaven
zich thans naar de verlaten schuilplaats van de tijgerkat en daar,
terwijl Nab haar van de huid ontdeed, verzamelden zij een groote
hoeveelheid droog hout, dat in overvloed in het bosch voorhanden was.
Maar toen Cyrus Smith ook een groep bamboezen zag, sneed hij eenigen
af en mengde die tusschen het brandhout.
Toen dit gedaan was, maakten zij de grot gereed, die met beenderen
lag bezaaid; zij laadden hun wapens voor het geval dat zij soms
onverwachts mochten aangevallen worden; daarop gebruikten zij hun
avondmaal en voor zij zich ter ruste begaven, staken zij den stapel
hout voor den ingang aan.
Terstond daarop knetterde een waar vuurwerk in de lucht. Het was
het bamboes, dat wanneer het vlam vat als een vuurwerk ontploft. Dat
geraas alleen was reeds voldoende om wilde dieren angst aan te jagen.
Maar dit middel om een luide ontploffing te weeg te brengen, was niet
door den ingenieur uitgedacht, want, volgens Marco Polo, gebruiken de
Tartaren het reeds sedert eeuwen met goed gevolg om de wilde dieren
in Midden-Azië op een afstand te houden.