XXV.

Het vertrek.--De eb.--De boomen- en plantenwereld.--Het

boomkruipertje.--Het bosch.--De Eucalypten.--De

koortsboom.--Apen.--De waterval.--Nachtelijk kamp.

Den anderen dag--30 October--was alles gereed tot hun voorgenomen

onderzoek, dat door de laatste gebeurtenissen zoo hoog noodzakelijk

was geworden. De dingen hadden inderdaad zulk een wending genomen,

dat de kolonisten van het eiland Lincoln thans niet meer er aan

dachten geholpen te worden, maar veeleer om hulp te verleenen.

Zij kwamen dus overeen de Mercy zoo ver die bevaarbaar was,

te volgen. Een gedeelte van den weg konden zij dus, zonder zich

veel te vermoeien, afleggen, en ook zagen zij zich nu in staat

levensmiddelen en wapenen tot in het westelijke gedeelte van het eiland

te brengen. Zij moesten niet alleen bedacht zijn op de voorwerpen,

welke zij met zich namen, maar ook op die, welke zij misschien naar het

Rotshuis terug zouden moeten voeren. Zoo er schipbreuk geleden was op

de kust, gelijk zij veronderstelden, zou het niet aan overblijfselen

ontbreken, die hun goed te stade zouden kunnen komen. Met dit

vooruitzicht zou de wagen hun van meer dienst kunnen wezen dan de

ranke boot, maar die zware en groote wagen moesten zij voorttrekken;

hij zou dus hun tocht niet gemakkelijker gemaakt hebben, en Pencroff

kon niet nalaten evenals over zijn half pond tabak, zijn spijt te

kennen te geven, dat er in de kist niet een paar flinke paarden van

New-Jersey waren, die de kolonisten nu zoo goed te stade zouden komen!

De levensmiddelen, welke zij medegenomen hadden, bestonden uit vleesch,

bier en likeuren, een hoeveelheid, waaraan zij drie dagen lang genoeg

zouden hebben--want langer dacht Cyrus Smith zijn onderzoek niet te

doen duren. Bovendien zouden zij onderweg hun voorraad wel vernieuwen

en Nab nam dus zijn klein draagbaar fornuis mede.

Zij voorzagen zich verder slechts van de twee houthakkersbijlen,

om zich een weg door het dicht begroeide woud te banen, alsook van

den verrekijker en van het kompas. Verder nog een paar geweren met

vuursteenen, die van meer nut zouden zijn dan percussiegeweren, daar

men gemakkelijk andere vuursteenen kon vinden, voor het geval dat men

ze verloor. Ook karabijnen en eenige kardoezen namen zij mede. Van

het buskruit moesten zij ook een kleinen voorraad bij zich hebben,

maar de ingenieur was van plan om een ontplofbare zelfstandigheid te

maken, die hen in staat zou stellen, het buskruit te sparen. Verder

staken zij nog een kort-jan bij zich en op deze wijs toegerust, konden

de kolonisten zich gerust in die dichte bosschen wagen en behoefden

zij niet te vreezen, dat zij het er niet goed zouden afbrengen.

Het is onnoodig er bij te voegen, dat Pencroff, Harbert en Nab hun

hoogste wenschen vervuld zagen, hoewel Cyrus Smith hen had doen beloven

dat zij, zonder zijn toestemming, geen geweerschot zouden lossen.

Ten zes ure 's morgens staken zij van wal. Allen scheepten zich in,

ook Top, en het vaartuig stevende toen naar de monding der Mercy.

Nu en dan, wanneer zij gemakkelijk den oever konden bereiken, landden

zij. Dan onderzochten Gideon Spilett, Harbert en Pencroff de kust met

hun geweer op schouder, voorgegaan door Top. Behalve het wild, was het

ook wel mogelijk dat zij op hun weg de eene of andere zeldzame plant

vonden, die zij niet mochten verwaarloozen; de jeugdige natuurkundige

zag zijn wenschen dan ook vervuld, want hij ontdekte spoedig een soort

van wilde spinazie, die zij gemakkelijk zouden kunnen overplanten.

"Weet gij wat dit voor een plant is?" vroeg Harbert aan den matroos.

"Tabak!" riep Pencroff uit, die dit kruid, dat hij zooveel liefde

toedroeg, nooit anders dan in zijn pijp gezien had.

"Neen, Pencroff," antwoordde Harbert, "het is geen tabak maar

mostaard!"

"Loop heen met je mostaard!" zeide Pencroff; "maar zoo ge soms een

tabaksplantje vindt, neem het dan toch vooral mee."

"Wij zullen het eenmaal vinden!" hernam Gideon Spilett.

"Ja?" riep Pencroff uit. "Waarlijk, dien dag zou ik niets meer weten,

dat ons op het eiland ontbrak."

De verschillende planten, die zij met wortel en al hadden uitgetrokken,

werden in de boot gelegd, welke door Cyrus Smith, die geheel in

gedachten verzonken was, niet werd verlaten.

De reporter, Harbert en Pencroff stapten menigmaal aan wal, nu eens

op den rechter, dan weder op den linkeroever der Mercy. De eerste was

minder rotsachtig, maar de andere boschrijker. De ingenieur zag nu

ook, met behulp van zijn kompas, dat de richting der rivier, sedert

de eerste wending, noordoostelijk was geworden en drie mijlen lang

bijna geheel lijnrecht was. Maar wel moest hij veronderstellen, dat

die richting verderop veranderen zou en dat de Mercy noordwestelijk

zou loopen, naar het voorgebergte van den Franklin, die haar van

water moest voorzien.

Bij een dezer uitstapjes gelukte het Gideon Spilett zich meester

te maken van een paar hoenders. Het waren vogels met lange en

spitse bekken, zeer langen hals, korte vleugels en bijna geen

staarten. Harbert herkende ze terstond voor grashoenders en zij

besloten dat zij de bewoners van den toekomstigen kippenren zouden

zijn.

Tot nog toe hadden zij geen geweerschot gelost en het eerste, dat in

het bosch van Far-West knalde, was om een prachtigen vogel te treffen,

die op een ijsvogel geleek.

"Ik herken hem!" riep Pencroff uit, en ondanks zichzelf ging zijn

geweer af.

"Wat herkent gij?" vroeg de reporter.

"De vogel, die ons de eerste maal ontsnapt is, en naar wien wij dit

gedeelte van het bosch genoemd hebben."

"De amerikaansche boomkruiper," zeide Harbert.

Het was inderdaad een boomkruiper met zijn lange veeren, waarover een

metaalkleurige glans ligt verspreidt. Eenige kogeltjes hadden hem ter

aarde doen vallen en Top bracht hem naar de boot, tegelijk met eenige

parkieten, zoo groot als duiven, groenkleurig, met karmozijnroode

vleugels en rechtopstaande witte kuiven.

De eer hiervan kwam den knaap toe, die er ook trotsch op was. De

parkietjes waren een beter wild dan de boomkruiper waarvan het vleesch

taai is, maar men kon Pencroff moeilijk tot de overtuiging brengen

dat hij niet den koning der eetbare vogels had gedood.

Het was tien uur in den morgen toen de prauw een tweede bocht der Mercy

bereikte, ongeveer vijf mijlen verwijderd van de monding. Hier legden

de kolonisten weder aan om te ontbijten en een half uur brachten zij

door onder de hooge en zware boomen. De rivier was hier nog zestig à

zeventig voet breed en haar bedding vijf à zes voet diep. De ingenieur

had wel bemerkt dat verscheidene vertakkingen den stroom voedden,

maar het waren onbevaarbare beken.

Het bosch strekte zich, zoover het oog reikte, achter hen uit. Nergens,

noch in het hooge struikgewas, noch onder de boomen, noch op den

oever van de Mercy, was het spoor van eenig menschelijk wezen te

zien. De kolonisten vonden nergens iets wat hun verdacht voorkwam,

en het was blijkbaar dat nooit een bijl deze stammen had gekloofd en

nooit een mes ze had gesnoeid.

Zoo eenige schipbreukelingen op het eiland waren geworpen, hadden zij

de kust nog niet verlaten, en niet onder deze zware boomen moesten

zij de overblijfselen van een waarschijnlijke schipbreuk zoeken. De

ingenieur spoorde hen dus tot grooter spoed aan om de westkust van het

eiland Lincoln te bereiken, die volgens zijn berekening hoogstens vijf

mijlen verwijderd was. Zij roeiden dus verder, maar de bedding van de

Mercy scheen niet zooals zij eerst dachten naar de kust te loopen, maar

veeleer naar den berg Franklin; zij besloten dus zoolang van de prauw

gebruik te maken als er genoeg water was om vlot te blijven. Hierdoor

bespaarden zij zich groote vermoeienissen en wonnen zij veel tijd,

want zij zouden zich, door dat dichtbegroeide kreupelhout door middel

van hun bijl, een weg hebben moeten banen. Weldra echter hield de

stroom geheel op; zij moesten dus hun roeispanen weder gebruiken. Nab

en Harbert plaatsten zich dan ook op de bank, Pencroff aan het roer

en zij roeiden de rivier verder op.

Het scheen dat het bosch in de richting van Far-West lichter werd. De

boomen stonden minder dicht bij elkaar en vaak zag men er geheel

afzonderlijk staande. Maar juist door dat zij meer verspreid stonden,

konden zij beter partij trekken van die vrije en frissche lucht, welke

om hen heen speelde en waren zij dan ook weelderiger dan de overigen.

Wat prachtige exemplaren van de plantenwereld dezer streek! Zeker zou

een kruidkundige, op hun gezicht, zonder aarzelen de parallel kunnen

noemen, die over het eiland Lincoln loopt!

"Het zijn eucalypten!" riep Harbert uit.

Het waren inderdaad die prachtige planten, de laatste reuzen van den

zoom der tropische luchtstreken en stamverwanten van die, welke men

in Australië, Nieuw-Zeeland en in alle overige landen vindt, welke

onder dezelfde breedte als het eiland Lincoln gelegen zijn. Sommigen

verhieven zich tot een hoogte van twee honderd voet. De stam had dan

bij den wortel een omvang van twintig voet en over de schors liepen

netvormige vezels, die een zeer aangename geur verspreidden en die vijf

duim dik waren. Niets prachtigers, maar ook niets zeldzamers dan deze

grootsche eucalypten, waarvan de bladeren schuin naar het licht zijn

gekeerd en alzoo de stralen der zon tot op de aarde doen doordringen!

"Dat zijn eerst boomen!" riep Nab uit, "maar zijn zij tot iets

geschikt?"

"Och," antwoordde Pencroff. "Er moeten zoowel reuzenplanten als

reuzenmenschen zijn. Die dienen tot niets anders dan om op de kermis

vertoond te worden!"

"Ik geloof dat gij u vergist, Pencroff," antwoordde Gideon Spilett,

"en dat het hout dezer boomen tegenwoordig door de schrijnwerkers

zeer veel gebruikt wordt."

"En ik voeg er bij," zeide de knaap, "dat deze eucalypten tot een

familie behooren, die zeer nuttige leden telt: daar hebt ge den

Indischen pereboom, met zijn granaatperen; den kruidnagelboom, die ons

kruidnagelen geeft; den granaatappelboom, die granaatappels draagt;

verder de Anjelier-myrten, uit wier vruchten een vrij goede wijn kan

bereid worden, ook nog de myrte "ugni," die zeer veel alcohol bevat;

de myrte "caryophyllus," waarvan de schors kaneel geeft; de "engenia

pementa," die ons de spaansche peper schenkt; de gewone myrte, wier

bessen onze peper kunnen vervangen; de eucalyptus robusta, die een

uitnemende manna voortbrengt; de eucalyptus gunei, waarvan het sap

door gisting tot bier bereid kan worden, en eindelijk alle andere

boomen, die onder den naam van levensboomen of ijzerhout bekend zijn,

en die allen tot de familie der myrteceeën behooren, en zes en veertig

geslachten en dertien honderd soorten tellen."

Zij lieten den knaap stil zijn botanisch lesje opzeggen. Cyrus hoorde

hem met een glimlach op het gelaat aan en Pencroff met een zekeren

trots, die moeilijk te beschrijven is.

"Goed Harbert, heel goed Harbert," zeide Pencroff, "maar ik durf

toch beweren dat al die nuttige boomen, welke gij ons daar opnoemt,

toch zulke reuzen niet zijn als deze!"

"Dat is zoo, Pencroff!"

"En het komt dus op mijn gezegde van daareven neer, dat reuzen tot

niets geschikt zijn!"

"Dat hebt ge mis, Pencroff," zeide toen de ingenieur, "en juist zijn

die reusachtige eucalypten, welke ons nu beschaduwen, tot iets nut."

"En tot wat dan?"

"Het land waar zij groeien, maken zij gezond.--Weet ge hoe men ze in

Australië en Nieuw-Zeeland noemt?"

"Neen, mijnheer Cyrus."

"Men noemt ze koortsboomen."

"Omdat ze koorts geven?"

"Neen, omdat zij die wegnemen."

"Goed, dat ga ik opschrijven," zeide de reporter.

"Schrijf het op, Spilett, want het schijnt gebleken, dat daar waar men

eucalypten vindt, moeraskoortsen worden geweerd. Men heeft getracht om

dit natuurgeneesmiddel in zuidelijk Europa en het noorden van Afrika,

waar de grond zeer ongezond is, over te brengen en het heeft zeer

heilzaam op de bewoners gewerkt. In de streken waar men myrtenbosschen

vindt heerschen geen koortsen meer."

"O, welk een eiland! Welk een gezegend eiland!" riep Pencroff

uit. Waarlijk er ontbreekt ons niets dan...."

"Dat zal ook wel komen, Pencroff, wij zullen het wel vinden,"

antwoordde de ingenieur, "maar laten wij nu weder in de boot gaan en

zoover varen als de rivier onze prauw dragen kan!"

Het vaartuig ging nu dwars door het bosch; de boomen werden hoe langer

hoe dichter, en zoo de oogen van den matroos hem niet bedrogen,

meende hij apen tusschen het kreupelhout te bespeuren. Zelfs meer

dan eens stonden twee of drie van deze dieren op eenigen afstand van

de boot en zagen zij de kolonisten aan, zonder dat zij eenigen angst

aan den dag legden bij het zien van een mensch, want zij wisten nog

niet dat zij iets van dezen te vreezen hadden. De kolonisten zouden

ze gemakkelijk met de kolf van hun geweer hebben kunnen dooden,

maar Cyrus Smith verzette zich tegen zulk een doelloozen moord,

waartoe Pencroff wel lust scheen te hebben. Bovendien was het zeer

voorzichtig gezien, want van deze apen, die zeer sterk en behendig

zijn, konden zij veel te vreezen hebben en beter was het ze niet uit

te tarten door een onnoodigen aanval.

Wel is waar beschouwde de matroos de apen alleen als voedingsmiddel,

en inderdaad zijn deze dieren, welke slechts plantaardig voedsel

gebruiken, een zeer smakelijk wild.

Tegen vier uur werd het bevaren der Mercy nog lastiger en nu ontmoetten

zij telkens hinderpalen door waterplanten, en reeds ging de bedding

der rivier onder de uiterste punten van het Franklin-gebergte door. De

oorsprong kon dus niet ver verwijderd meer wezen, daar zij zich voedde

met alle beken van de zuidelijke helling van den berg.

"Binnen een kwartier zullen wij genoodzaakt zijn halt te houden,

mijnheer Cyrus," zeide de matroos.

"Welnu, dan zullen wij halt houden, Pencroff, en wij zullen ons kamp

voor den nacht opslaan."

"Hoever kunnen wij van het Rotshuis verwijderd zijn?" vroeg Harbert.

"Ongeveer zeven mijlen," hernam de ingenieur, "maar dan zijn de

bochten die de rivier maakt, en die ons in het noordwesten brachten,

medegerekend."

"Zullen wij nog verder gaan?" vroeg de reporter.

"Ja, zoolang wij kunnen," gaf Cyrus Smith ten antwoord. "Morgen,

bij het krieken van den dag, zullen wij de boot hier achterlaten en

dan hoop ik binnen twee uur de kust bereikt te hebben. Dan hebben

wij het verdere van den dag voor ons om dat gedeelte te onderzoeken."

"Vooruit dan!" antwoordde Pencroff.

Bij een laatste wending der rivier zagen zij door de boomen een

waterval. De boot stootte nu op vasten wal, en eenige oogenblikken

later lag zij, aan een boomstam vastgemaakt, op den rechter oever

der rivier.

Het was nu vijf uur. De laatste zonnestralen verdwenen achter de boomen

en verlichtten nog den kleinen waterval, waarvan het schuim schitterde

met alle kleuren van den regenboog. Zij kampeerden in dezen omtrek,

die zeer prachtig was. De kolonisten ontscheepten zich en zij legden

nu een vuur aan onder zeer breede takken, waaronder Cyrus Smith en

zijn makkers, zoo noodig, een nachtverblijf hadden kunnen vinden.

Spoedig was het avondmaal genuttigd, want zij hadden honger en zij

moesten nu voor een nachtverblijf zorgen. Maar bij het vallen van den

avond, had een verdacht gebrul hun aandacht getrokken. Zij besloten

dus het vuur voor den nacht aan te houden, zoodat zij in hun slaap

door het flikkeren der vlammen tegen alle aanvallen beschermd waren.

Nab en Pencroff waakten om beurten en spaarden dan ook geen

brandstof. Misschien bedrogen zij zich niet, toen zij meenden

eenige schimmen van dieren om hun kamp te zien dwalen, hetzij in het

kreupelhout of onder de boomen; maar de nacht ging zonder bijzondere

gebeurtenissen voorbij en den anderen dag, 31 October, om vijf uur

in den morgen, waren allen gereed om te vertrekken.

Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen · 第 29 / 37 题