Het vertrek.--De eb.--De boomen- en plantenwereld.--Het
boomkruipertje.--Het bosch.--De Eucalypten.--De
koortsboom.--Apen.--De waterval.--Nachtelijk kamp.
Den anderen dag--30 October--was alles gereed tot hun voorgenomen
onderzoek, dat door de laatste gebeurtenissen zoo hoog noodzakelijk
was geworden. De dingen hadden inderdaad zulk een wending genomen,
dat de kolonisten van het eiland Lincoln thans niet meer er aan
dachten geholpen te worden, maar veeleer om hulp te verleenen.
Zij kwamen dus overeen de Mercy zoo ver die bevaarbaar was,
te volgen. Een gedeelte van den weg konden zij dus, zonder zich
veel te vermoeien, afleggen, en ook zagen zij zich nu in staat
levensmiddelen en wapenen tot in het westelijke gedeelte van het eiland
te brengen. Zij moesten niet alleen bedacht zijn op de voorwerpen,
welke zij met zich namen, maar ook op die, welke zij misschien naar het
Rotshuis terug zouden moeten voeren. Zoo er schipbreuk geleden was op
de kust, gelijk zij veronderstelden, zou het niet aan overblijfselen
ontbreken, die hun goed te stade zouden kunnen komen. Met dit
vooruitzicht zou de wagen hun van meer dienst kunnen wezen dan de
ranke boot, maar die zware en groote wagen moesten zij voorttrekken;
hij zou dus hun tocht niet gemakkelijker gemaakt hebben, en Pencroff
kon niet nalaten evenals over zijn half pond tabak, zijn spijt te
kennen te geven, dat er in de kist niet een paar flinke paarden van
New-Jersey waren, die de kolonisten nu zoo goed te stade zouden komen!
De levensmiddelen, welke zij medegenomen hadden, bestonden uit vleesch,
bier en likeuren, een hoeveelheid, waaraan zij drie dagen lang genoeg
zouden hebben--want langer dacht Cyrus Smith zijn onderzoek niet te
doen duren. Bovendien zouden zij onderweg hun voorraad wel vernieuwen
en Nab nam dus zijn klein draagbaar fornuis mede.
Zij voorzagen zich verder slechts van de twee houthakkersbijlen,
om zich een weg door het dicht begroeide woud te banen, alsook van
den verrekijker en van het kompas. Verder nog een paar geweren met
vuursteenen, die van meer nut zouden zijn dan percussiegeweren, daar
men gemakkelijk andere vuursteenen kon vinden, voor het geval dat men
ze verloor. Ook karabijnen en eenige kardoezen namen zij mede. Van
het buskruit moesten zij ook een kleinen voorraad bij zich hebben,
maar de ingenieur was van plan om een ontplofbare zelfstandigheid te
maken, die hen in staat zou stellen, het buskruit te sparen. Verder
staken zij nog een kort-jan bij zich en op deze wijs toegerust, konden
de kolonisten zich gerust in die dichte bosschen wagen en behoefden
zij niet te vreezen, dat zij het er niet goed zouden afbrengen.
Het is onnoodig er bij te voegen, dat Pencroff, Harbert en Nab hun
hoogste wenschen vervuld zagen, hoewel Cyrus Smith hen had doen beloven
dat zij, zonder zijn toestemming, geen geweerschot zouden lossen.
Ten zes ure 's morgens staken zij van wal. Allen scheepten zich in,
ook Top, en het vaartuig stevende toen naar de monding der Mercy.
Nu en dan, wanneer zij gemakkelijk den oever konden bereiken, landden
zij. Dan onderzochten Gideon Spilett, Harbert en Pencroff de kust met
hun geweer op schouder, voorgegaan door Top. Behalve het wild, was het
ook wel mogelijk dat zij op hun weg de eene of andere zeldzame plant
vonden, die zij niet mochten verwaarloozen; de jeugdige natuurkundige
zag zijn wenschen dan ook vervuld, want hij ontdekte spoedig een soort
van wilde spinazie, die zij gemakkelijk zouden kunnen overplanten.
"Weet gij wat dit voor een plant is?" vroeg Harbert aan den matroos.
"Tabak!" riep Pencroff uit, die dit kruid, dat hij zooveel liefde
toedroeg, nooit anders dan in zijn pijp gezien had.
"Neen, Pencroff," antwoordde Harbert, "het is geen tabak maar
mostaard!"
"Loop heen met je mostaard!" zeide Pencroff; "maar zoo ge soms een
tabaksplantje vindt, neem het dan toch vooral mee."
"Wij zullen het eenmaal vinden!" hernam Gideon Spilett.
"Ja?" riep Pencroff uit. "Waarlijk, dien dag zou ik niets meer weten,
dat ons op het eiland ontbrak."
De verschillende planten, die zij met wortel en al hadden uitgetrokken,
werden in de boot gelegd, welke door Cyrus Smith, die geheel in
gedachten verzonken was, niet werd verlaten.
De reporter, Harbert en Pencroff stapten menigmaal aan wal, nu eens
op den rechter, dan weder op den linkeroever der Mercy. De eerste was
minder rotsachtig, maar de andere boschrijker. De ingenieur zag nu
ook, met behulp van zijn kompas, dat de richting der rivier, sedert
de eerste wending, noordoostelijk was geworden en drie mijlen lang
bijna geheel lijnrecht was. Maar wel moest hij veronderstellen, dat
die richting verderop veranderen zou en dat de Mercy noordwestelijk
zou loopen, naar het voorgebergte van den Franklin, die haar van
water moest voorzien.
Bij een dezer uitstapjes gelukte het Gideon Spilett zich meester
te maken van een paar hoenders. Het waren vogels met lange en
spitse bekken, zeer langen hals, korte vleugels en bijna geen
staarten. Harbert herkende ze terstond voor grashoenders en zij
besloten dat zij de bewoners van den toekomstigen kippenren zouden
zijn.
Tot nog toe hadden zij geen geweerschot gelost en het eerste, dat in
het bosch van Far-West knalde, was om een prachtigen vogel te treffen,
die op een ijsvogel geleek.
"Ik herken hem!" riep Pencroff uit, en ondanks zichzelf ging zijn
geweer af.
"Wat herkent gij?" vroeg de reporter.
"De vogel, die ons de eerste maal ontsnapt is, en naar wien wij dit
gedeelte van het bosch genoemd hebben."
"De amerikaansche boomkruiper," zeide Harbert.
Het was inderdaad een boomkruiper met zijn lange veeren, waarover een
metaalkleurige glans ligt verspreidt. Eenige kogeltjes hadden hem ter
aarde doen vallen en Top bracht hem naar de boot, tegelijk met eenige
parkieten, zoo groot als duiven, groenkleurig, met karmozijnroode
vleugels en rechtopstaande witte kuiven.
De eer hiervan kwam den knaap toe, die er ook trotsch op was. De
parkietjes waren een beter wild dan de boomkruiper waarvan het vleesch
taai is, maar men kon Pencroff moeilijk tot de overtuiging brengen
dat hij niet den koning der eetbare vogels had gedood.
Het was tien uur in den morgen toen de prauw een tweede bocht der Mercy
bereikte, ongeveer vijf mijlen verwijderd van de monding. Hier legden
de kolonisten weder aan om te ontbijten en een half uur brachten zij
door onder de hooge en zware boomen. De rivier was hier nog zestig à
zeventig voet breed en haar bedding vijf à zes voet diep. De ingenieur
had wel bemerkt dat verscheidene vertakkingen den stroom voedden,
maar het waren onbevaarbare beken.
Het bosch strekte zich, zoover het oog reikte, achter hen uit. Nergens,
noch in het hooge struikgewas, noch onder de boomen, noch op den
oever van de Mercy, was het spoor van eenig menschelijk wezen te
zien. De kolonisten vonden nergens iets wat hun verdacht voorkwam,
en het was blijkbaar dat nooit een bijl deze stammen had gekloofd en
nooit een mes ze had gesnoeid.
Zoo eenige schipbreukelingen op het eiland waren geworpen, hadden zij
de kust nog niet verlaten, en niet onder deze zware boomen moesten
zij de overblijfselen van een waarschijnlijke schipbreuk zoeken. De
ingenieur spoorde hen dus tot grooter spoed aan om de westkust van het
eiland Lincoln te bereiken, die volgens zijn berekening hoogstens vijf
mijlen verwijderd was. Zij roeiden dus verder, maar de bedding van de
Mercy scheen niet zooals zij eerst dachten naar de kust te loopen, maar
veeleer naar den berg Franklin; zij besloten dus zoolang van de prauw
gebruik te maken als er genoeg water was om vlot te blijven. Hierdoor
bespaarden zij zich groote vermoeienissen en wonnen zij veel tijd,
want zij zouden zich, door dat dichtbegroeide kreupelhout door middel
van hun bijl, een weg hebben moeten banen. Weldra echter hield de
stroom geheel op; zij moesten dus hun roeispanen weder gebruiken. Nab
en Harbert plaatsten zich dan ook op de bank, Pencroff aan het roer
en zij roeiden de rivier verder op.
Het scheen dat het bosch in de richting van Far-West lichter werd. De
boomen stonden minder dicht bij elkaar en vaak zag men er geheel
afzonderlijk staande. Maar juist door dat zij meer verspreid stonden,
konden zij beter partij trekken van die vrije en frissche lucht, welke
om hen heen speelde en waren zij dan ook weelderiger dan de overigen.
Wat prachtige exemplaren van de plantenwereld dezer streek! Zeker zou
een kruidkundige, op hun gezicht, zonder aarzelen de parallel kunnen
noemen, die over het eiland Lincoln loopt!
"Het zijn eucalypten!" riep Harbert uit.
Het waren inderdaad die prachtige planten, de laatste reuzen van den
zoom der tropische luchtstreken en stamverwanten van die, welke men
in Australië, Nieuw-Zeeland en in alle overige landen vindt, welke
onder dezelfde breedte als het eiland Lincoln gelegen zijn. Sommigen
verhieven zich tot een hoogte van twee honderd voet. De stam had dan
bij den wortel een omvang van twintig voet en over de schors liepen
netvormige vezels, die een zeer aangename geur verspreidden en die vijf
duim dik waren. Niets prachtigers, maar ook niets zeldzamers dan deze
grootsche eucalypten, waarvan de bladeren schuin naar het licht zijn
gekeerd en alzoo de stralen der zon tot op de aarde doen doordringen!
"Dat zijn eerst boomen!" riep Nab uit, "maar zijn zij tot iets
geschikt?"
"Och," antwoordde Pencroff. "Er moeten zoowel reuzenplanten als
reuzenmenschen zijn. Die dienen tot niets anders dan om op de kermis
vertoond te worden!"
"Ik geloof dat gij u vergist, Pencroff," antwoordde Gideon Spilett,
"en dat het hout dezer boomen tegenwoordig door de schrijnwerkers
zeer veel gebruikt wordt."
"En ik voeg er bij," zeide de knaap, "dat deze eucalypten tot een
familie behooren, die zeer nuttige leden telt: daar hebt ge den
Indischen pereboom, met zijn granaatperen; den kruidnagelboom, die ons
kruidnagelen geeft; den granaatappelboom, die granaatappels draagt;
verder de Anjelier-myrten, uit wier vruchten een vrij goede wijn kan
bereid worden, ook nog de myrte "ugni," die zeer veel alcohol bevat;
de myrte "caryophyllus," waarvan de schors kaneel geeft; de "engenia
pementa," die ons de spaansche peper schenkt; de gewone myrte, wier
bessen onze peper kunnen vervangen; de eucalyptus robusta, die een
uitnemende manna voortbrengt; de eucalyptus gunei, waarvan het sap
door gisting tot bier bereid kan worden, en eindelijk alle andere
boomen, die onder den naam van levensboomen of ijzerhout bekend zijn,
en die allen tot de familie der myrteceeën behooren, en zes en veertig
geslachten en dertien honderd soorten tellen."
Zij lieten den knaap stil zijn botanisch lesje opzeggen. Cyrus hoorde
hem met een glimlach op het gelaat aan en Pencroff met een zekeren
trots, die moeilijk te beschrijven is.
"Goed Harbert, heel goed Harbert," zeide Pencroff, "maar ik durf
toch beweren dat al die nuttige boomen, welke gij ons daar opnoemt,
toch zulke reuzen niet zijn als deze!"
"Dat is zoo, Pencroff!"
"En het komt dus op mijn gezegde van daareven neer, dat reuzen tot
niets geschikt zijn!"
"Dat hebt ge mis, Pencroff," zeide toen de ingenieur, "en juist zijn
die reusachtige eucalypten, welke ons nu beschaduwen, tot iets nut."
"En tot wat dan?"
"Het land waar zij groeien, maken zij gezond.--Weet ge hoe men ze in
Australië en Nieuw-Zeeland noemt?"
"Neen, mijnheer Cyrus."
"Men noemt ze koortsboomen."
"Omdat ze koorts geven?"
"Neen, omdat zij die wegnemen."
"Goed, dat ga ik opschrijven," zeide de reporter.
"Schrijf het op, Spilett, want het schijnt gebleken, dat daar waar men
eucalypten vindt, moeraskoortsen worden geweerd. Men heeft getracht om
dit natuurgeneesmiddel in zuidelijk Europa en het noorden van Afrika,
waar de grond zeer ongezond is, over te brengen en het heeft zeer
heilzaam op de bewoners gewerkt. In de streken waar men myrtenbosschen
vindt heerschen geen koortsen meer."
"O, welk een eiland! Welk een gezegend eiland!" riep Pencroff
uit. Waarlijk er ontbreekt ons niets dan...."
"Dat zal ook wel komen, Pencroff, wij zullen het wel vinden,"
antwoordde de ingenieur, "maar laten wij nu weder in de boot gaan en
zoover varen als de rivier onze prauw dragen kan!"
Het vaartuig ging nu dwars door het bosch; de boomen werden hoe langer
hoe dichter, en zoo de oogen van den matroos hem niet bedrogen,
meende hij apen tusschen het kreupelhout te bespeuren. Zelfs meer
dan eens stonden twee of drie van deze dieren op eenigen afstand van
de boot en zagen zij de kolonisten aan, zonder dat zij eenigen angst
aan den dag legden bij het zien van een mensch, want zij wisten nog
niet dat zij iets van dezen te vreezen hadden. De kolonisten zouden
ze gemakkelijk met de kolf van hun geweer hebben kunnen dooden,
maar Cyrus Smith verzette zich tegen zulk een doelloozen moord,
waartoe Pencroff wel lust scheen te hebben. Bovendien was het zeer
voorzichtig gezien, want van deze apen, die zeer sterk en behendig
zijn, konden zij veel te vreezen hebben en beter was het ze niet uit
te tarten door een onnoodigen aanval.
Wel is waar beschouwde de matroos de apen alleen als voedingsmiddel,
en inderdaad zijn deze dieren, welke slechts plantaardig voedsel
gebruiken, een zeer smakelijk wild.
Tegen vier uur werd het bevaren der Mercy nog lastiger en nu ontmoetten
zij telkens hinderpalen door waterplanten, en reeds ging de bedding
der rivier onder de uiterste punten van het Franklin-gebergte door. De
oorsprong kon dus niet ver verwijderd meer wezen, daar zij zich voedde
met alle beken van de zuidelijke helling van den berg.
"Binnen een kwartier zullen wij genoodzaakt zijn halt te houden,
mijnheer Cyrus," zeide de matroos.
"Welnu, dan zullen wij halt houden, Pencroff, en wij zullen ons kamp
voor den nacht opslaan."
"Hoever kunnen wij van het Rotshuis verwijderd zijn?" vroeg Harbert.
"Ongeveer zeven mijlen," hernam de ingenieur, "maar dan zijn de
bochten die de rivier maakt, en die ons in het noordwesten brachten,
medegerekend."
"Zullen wij nog verder gaan?" vroeg de reporter.
"Ja, zoolang wij kunnen," gaf Cyrus Smith ten antwoord. "Morgen,
bij het krieken van den dag, zullen wij de boot hier achterlaten en
dan hoop ik binnen twee uur de kust bereikt te hebben. Dan hebben
wij het verdere van den dag voor ons om dat gedeelte te onderzoeken."
"Vooruit dan!" antwoordde Pencroff.
Bij een laatste wending der rivier zagen zij door de boomen een
waterval. De boot stootte nu op vasten wal, en eenige oogenblikken
later lag zij, aan een boomstam vastgemaakt, op den rechter oever
der rivier.
Het was nu vijf uur. De laatste zonnestralen verdwenen achter de boomen
en verlichtten nog den kleinen waterval, waarvan het schuim schitterde
met alle kleuren van den regenboog. Zij kampeerden in dezen omtrek,
die zeer prachtig was. De kolonisten ontscheepten zich en zij legden
nu een vuur aan onder zeer breede takken, waaronder Cyrus Smith en
zijn makkers, zoo noodig, een nachtverblijf hadden kunnen vinden.
Spoedig was het avondmaal genuttigd, want zij hadden honger en zij
moesten nu voor een nachtverblijf zorgen. Maar bij het vallen van den
avond, had een verdacht gebrul hun aandacht getrokken. Zij besloten
dus het vuur voor den nacht aan te houden, zoodat zij in hun slaap
door het flikkeren der vlammen tegen alle aanvallen beschermd waren.
Nab en Pencroff waakten om beurten en spaarden dan ook geen
brandstof. Misschien bedrogen zij zich niet, toen zij meenden
eenige schimmen van dieren om hun kamp te zien dwalen, hetzij in het
kreupelhout of onder de boomen; maar de nacht ging zonder bijzondere
gebeurtenissen voorbij en den anderen dag, 31 October, om vijf uur
in den morgen, waren allen gereed om te vertrekken.