XVIII.

Pencroff twijfelt niet meer.--De oude uitloozing.--Een

onderaardsche tocht.--De weg door het graniet.--Top is

verdwenen.--De middelste spelonk.--De inwendige put.--Een

geheim.--Een stoot met het houweel.--Terugtocht.

Cyrus Smith was volkomen geslaagd in zijn plannen, maar volgens zijn

gewoonte liet hij zijn tevredenheid volstrekt niet blijken, en met

gesloten lippen en strakken blik bleef hij onbeweeglijk staan. De

vreugde van Harbert kende paal noch perk; Nab sprong op van blijdschap;

en Pencroff schudde zijn dikken kop, terwijl hij mompelde:

"Kom aan, dat gaat goed met onzen ingenieur!"

De nitro-glycerine had dan ook een krachtige uitwerking gedaan. De

uitloozing, die men aan het meer gegeven had, was zoo groot dat de

hoeveelheid water, die nu wegspoelde, driemaal meer was dan vroeger. De

uitslag was dus, dat eenigen tijd later de oppervlakte van het meer

reeds twee voet gedaald moest wezen.

Zij keerden nu naar de Schoorsteenen terug om hun spaden, houweelen,

touwen, steen en zwam te halen; daarop gingen zij weder naar de

bergvlakte. Top vergezelde hen.

Onderweg kon Pencroff toch niet laten om tot den ingenieur te zeggen:

"Maar weet ge wel, mijnheer Cyrus, dat wij door middel van deze

heerlijke likeur, die gij bereid hebt, wel het geheele eiland zouden

kunnen doen springen!"

"Ongetwijfeld, zoowel het eiland als het vasteland en de geheele aarde

zelf," antwoordde Cyrus Smith. "Het geldt hier slechts de quaestie

van hoeveelheid."

"Kunnen wij die nitro-glycerine niet voor onze vuurwapenen gebruiken,"

vroeg de matroos.

"Neen, Pencroff, de zelfstandigheid is al te krachtig. Maar wij

kunnen wel schietkatoen er van vervaardigen, en zelfs buskruit, daar

wij stikstof, salpeter, zwavel en vuur hebben. Maar ongelukkigerwijs

ontbreken ons de wapenen."

"Och, mijnheer Cyrus," antwoordde de matroos, "met een weinig goeden

wil!"

Blijkbaar had Pencroff het woord "onmogelijk" uit het woordenboek

van het eiland Lincoln geschrapt.

Toen zij op de bergvlakte kwamen, zagen zij reeds met een oogopslag

dat hun werk gelukt was en dat, waar zij zoozeer naar verlangd

hadden, de opening boven de oppervlakte van het water uitstak. Zij

was ongeveer twintig voet breed, maar slechts twee voet hoog. Dus niet

meer dan de opening van een riool. Zij hadden dan ook onmogelijk er in

kunnen gaan, zoo Nab en Pencroff niet terstond met hun houweelen een

voldoende ruimte hadden uitgehouwen. De ingenieur drong naar binnen

en zag dat men zeer goed verder kon doordringen, en waarschijnlijk

tot de oppervlakte der zee zou kunnen komen. En zoo er dan, gelijk

zeer waarschijnlijk was, een grot aanwezig was in het binnenste van

deze rotsachtige massa, dan zou men ook het middel wel vinden om deze

bewoonbaar te maken.

"Welnu, mijnheer Cyrus, wat weerhoudt ons om er binnen te gaan? Gij

ziet dat Top ons reeds is voorgegaan!"

"Best," antwoordde de ingenieur. "Maar wij moeten alles goed kunnen

zien." Nab sneed eenig harsachtige takken af.

Nab en Harbert snelden naar den oever van het meer, waar een aantal

boomen stonden, en spoedig keerden zij terug, beladen met takken,

waarvan zij flambouwen maakten. Zij ontstaken ze met hun vuursteenen

en met Cyrus Smith aan het hoofd drongen zij die donkere gang binnen,

die tot hiertoe door het instroomende water was gevuld. Zij daalden

zeer langzaam af en onwillekeurig konden zij een zekere aandoening

niet van zich weren, bij het bezoeken van die diepten, waar geen

menschelijk wezen ooit een voetstap gezet had. Zij spraken niet, maar

dachten, dat het wel mogelijk zou kunnen wezen, dat eenig gevaarlijk

dier in die rots huisvestte. Zij moesten dus voorzichtig te werk gaan.

Maar Top ging vooruit en men kon op het dier vertrouwen, in geval

van nood zou het wel waarschuwen.

Toen zij ongeveer een honderd pas afgelegd hadden, stond Cyrus

Smith stil.

"Wel Cyrus!" zeide Gideon Spilett. "Hier zijn wij op een onbekend

gebied, goed geborgen in deze diepten, maar in elk geval onbewoonbaar."

"Waarom onbewoonbaar?" vroeg de matroos.

"Omdat het te klein en te donker is."

"Kunnen wij het dan niet wijder maken, en van openingen voorzien

waar de dag en de lucht doordringen?" vroeg Pencroff, die niets

onmogelijk achtte.

"Laten wij maar verder gaan," antwoordde Cyrus Smith, "en ons onderzoek

voortzetten. Misschien is de natuur ons lager gunstiger."

"Wij zijn pas op een derde der hoogte," merkte Harbert op.

"Op een derde ongeveer, ja," antwoordde Smith, "het is dus niet

onwaarschijnlijk, dat een honderd pas lager...."

"Waar is Top toch?...," vroeg Nab plotseling.

Men zocht overal, maar de hond was niet te vinden.

"Hij is zeker doorgegaan," zeide Pencroff.

"Laten wij hem inhalen," hernam de ingenieur.

Zij daalden verder af. De ingenieur sloeg alles rondom zich nauwkeurig

gade.

Zij stonden eensklaps weder stil, daar eenig geluid, als door een

pijp tot hen kwam.

"Het is Top, die blaft!" riep Harbert uit.

"Ja," antwoordde Pencroff, "en onze dappere hond blaft zelfs met

woede."

"Wij hebben onze houweelen," zeide Smith. "Laten wij op onze hoede

wezen. Vooruit!"

"Het wordt hoe langer hoe merkwaardiger," mompelde Gideon Spilett

aan het oor van den matroos, die toestemmend knikte.

Cyrus Smith en zijn makkers liepen zoo snel zij konden voorwaarts

om den hond te hulp te komen. Het geblaf van Top werd hoe langer

hoe duidelijker en heftiger. Zou hij misschien in gevecht zijn met

een dier dat hij in zijn hol gestoord had? Zeker was het dat allen

het gevaar door hun nieuwsgierigheid vergaten. Zij liepen niet meer,

zou men zeggen, maar zij gleden als het ware naar beneden, en eenige

minuten later, ongeveer een zestig voet lager, hadden zij Top bereikt.

Toen veranderde de nauwe gang plotseling in een ruime en prachtige

grot. Hier liep Top, van woede blaffende, heen en weer, terwijl Nab en

Pencroff, door hun toortsen tegen den wand te slaan, een helder licht

verspreidden in alle hoeken en gaten en Cyrus Smith, Gideon Spilett

en Harbert met hun houweelen in de hand zich op alles voorbereidden.

De groote grot was geheel leeg. Zij doorkruisten haar in alle

richtingen. Maar er was niets, geen dier, geen levend wezen! En toch

bleef Top blaffen. Noch de liefkoozingen, noch de bedreigingen van

zijn meester konden hem tot bedaren brengen.

"Er moet ergens een opening wezen waardoor het water uit het meer in

zee liep," zeide de ingenieur.

"Zeker," antwoordde Pencroff, "laten wij dus oppassen niet in een

gat te vallen."

"Vooruit, Top, vooruit!" riep Smith.

De hond, aangemoedigd door deze woorden van zijn meester, ijlde naar

het uiteinde van de grot en begon daar nog heftiger te blaffen dan

te voren. Zij volgden hem en bij het licht der toortsen kon men zeer

duidelijk een opening, een bepaalde put tusschen de rotsen zien. Hier

had dus de uitloozing plaats gehad, maar ditmaal was het geen gang

waarin men zich durfde wagen, maar een put met loodrechte wanden,

waar men onmogelijk zou kunnen ingaan.

Zij hielden thans hun toortsen boven de opening, maar zagen

niets. Cyrus Smith wierp er een brandenden tak in. Deze verlichtte

wel de put, maar niets was er nog te zien. Daarop werd de vlam met

een sissend geluid uitgedoofd en zij konden hieruit opmaken, dat de

tak de oppervlakte der zee bereikt had.

De ingenieur berekende den tijd dien het stuk hout noodig had gehad

om beneden te komen, en hieruit maakte hij op, dat de put negentig

voet diep was.

De bodem van de grot was dus negentig voet boven de oppervlakte

der zee.

"Ziedaar onze woning," zeide Cyrus Smith.

"Maar zij was door een ander wezen bewoond," antwoordde Gideon Spilett,

wiens nieuwsgierigheid nog niet voldaan was.

"Welnu, welk wezen het ook zijn moge, het is door die opening ontvlucht

en heeft zijn woning aan ons afgestaan."

"Het doet er niet toe," voegde Pencroff er bij, "maar ik had een

kwartier geleden wel Top willen wezen, want zonder reden zou hij niet

geblaft hebben!"

Cyrus Smith zag zijn hond aan en wie dicht bij hem had gestaan,

zou gehoord hebben hoe hij bij zich zelf mompelde:

"Ja, ik ben overtuigd, dat Top er meer van weet dan wij!"

Het toeval en het doorzicht van den ingenieur had hun een goede woning

bezorgd. Toch moesten zij nog twee bezwaren overwinnen, namelijk licht

in deze grot te doen doordringen, en ten tweede een gemakkelijken

toegang maken. Misschien zou het hun gelukken om den achterwand te

doorboren die aan de zeezijde gelegen was. En zoo zij het licht eenmaal

hadden, was het even gemakkelijk een deur zoowel als vensters te maken.

"Dus dan maar aan het werk, mijnheer Cyrus," zeide Pencroff. "Ik

heb mijn houweel en zal door dezen wand wel licht maken. Waar moet

ik beginnen?"

"Hier," antwoordde de ingenieur, en wees den matroos een vrij groote

holte, waar de wand stellig minder dik moest wezen.

Pencroff deed een fermen houw in de rots, en een half uur lang liet

hij, bij het licht der toortsen, de stukken rotsblok om zich heen

vliegen. De rots schitterde onder zijn houweel. Nab loste hem af en

daarna Gideon Spilett.

Het werk was reeds twee uur aan den gang, en het scheen dat dit

gedeelte van den wand nooit doorboord zou kunnen worden, toen Gideon

Spilett een hevigen stoot met zijn houweel toebracht, zoodat dit door

den wand heenvloog en aan de andere zijde terecht kwam.

"Hoezee! hoezee!" riep Pencroff uit. De wand was daar slechts twee

voet dik.

Cyrus Smith keek door de opening, welke zich tachtig voet boven den

grond bevond. Vóór hen lag de kust en verder de onmetelijke zee.

Maar door deze vrij groote opening drong het licht in volle stralen

binnen en deed een prachtige uitwerking in de ruime grot.

Allen waren verstomd van verbazing. Daar, waar zij slechts een duistere

spelonk gezocht hadden, vonden zij een paleis, en Nab nam zijn hoed af,

alsof hij zich in een tempel bevond. Kreten van bewondering ontglipten

aan ieders mond. Het hoezee weerklonk en stierf weg van de eene echo

in de andere, tot aan het uiterste punt der sombere gewelven.

"En nu, mijn vrienden," sprak Cyrus Smith, "als wij deze grot voldoende

verlicht hebben, als wij onze kamers, magazijnen en werkplaatsen in

het linker gedeelte hebben ingericht, dan blijft ons nog een groote

ruimte over waar wij onze studeerkamer en ons museum kunnen maken."

"En hoe zullen wij haar noemen?...." vroeg Harbert.

"Rotshuis," antwoordde Cyrus Smith, en deze naam werd met een hoezee

van alle zijden begroet.

De toortsen waren bijna geheel opgebrand, en om terug te keeren

moesten zij door de nauwe gang, de bergvlakte bereiken; zij kwamen

dus overeen dat zij de werkzaamheden tot inrichting hunner nieuwe

woning tot den volgenden dag zouden staken.

Vóór zij vertrokken, wierp Cyrus Smith nog een blik in de donkere

put en luisterde met ingehouden adem. Maar geen enkel geluid vernam

hij, zelfs niet het ruischen van het water. Zij wierpen nogmaals een

brandenden tak er in. Weder werden de wanden van de put verlicht, maar

evenmin als de eerste maal was er iets te zien. Zoo eenig zeemonster

verrast was geworden door het onverwachts afdrijven van het water,

dan had het nu toch het strand bereikt.

Toch kon de ingenieur, die met alle aandacht luisterde en het oog

steeds in de diepte gevestigd hield, geen enkel woord uiten.

De matroos naderde hem toen en stootte hem aan:

"Mijnheer Smith!" zeide hij.

"Wat wilt gij, beste vriend?" vroeg de ingenieur alsof hij uit een

droom ontwaakte.

"De toortsen gaan bijna uit."

"Vooruit dan!" antwoordde Cyrus Smith.

Zij verlieten nu de grot en gingen naar boven. Top sloot den kleinen

stoet, maar liet nog steeds een geknor hooren.

Tegen vier uur hadden zij de opening van de gang bereikt, juist toen

de toortsen van Nab en Smith uitdoofden.

Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen · 第 22 / 37 题