Vierpootig.

Vierpuntig.

Vierregelig.

Vierschaar, V., -scharen.

Viersnarig.

Vierspan, O., -spannen.

Viersprong, M., -sprongen.

Vierstemmig.

Vierstoot, M., -stooten.

Viertal, O., -tallen.

Viertallig.

Viertandig.

Viertijd, M.

Viervakkig.

Viervingerig.

Viervlak, O., -vlakken.

Viervlakkig.

Viervleugelig.

Viervoet, M. (Te -).

Viervoeter, M., -voeters.

Viervoetig.

Viervorst, M., -vorsten.

Viervoud, O., -vouden.

Viervoudig.

Vierwekig.

Vierwerf.

Vierwielig.

Vierzijdig.

Vies, viezer, viest.

Viesheid, V., -heden.

Viezevazen (mv.), V.

Viezigheid, V., -heden.

Vigeeren, vigeerde, heeft gevigeerd.

Vigilante, V., vigilantes.

Vigileeren, vigileerde, heeft gevigileerd.

Vignet, O., vignetten. Vignetje, O., -jes.

Vijand, M., vijanden.

Vijandelijk.

Vijandelijkheid, V., -heden.

Vijandig, vijandiger, vijandigst.

Vijandigheid, V., -heden.

Vijandin, V., vijandinnen.

Vijandschap, V., -schappen.

Vijf (telw.). Als znw. V., vijven. Vijfje, O., -jes.

Vijfdaagsch.

Vijfde.

Vijfdehalf, -halve.

Vijfdepart, O., -parten; -partje, O., -jes.

Vijfderhande.

Vijfderlei.

Vijfduizendste.

Vijfhoek, M., -hoeken.

Vijfhoekig.

Vijfhonderd.

Vijfhonderden (smousjassen), vijfhonderdde, heeft gevijfhonderd.

Vijfhonderdje, O., -jes.

Vijfhonderdste.

Vijfjarig.

Vijfje (geldstuk), O., -jes.

Vijfkantig.

Vijfmaal.

Vijfponder, M., -ponders.

Vijfstoot, M., -stooten.

Vijftal, O., -tallen.

Vijftallig.

Vijftien, vijftienen.

Vijftiende.

Vijftiendehalf, -halve.

Vijftienderhande.

Vijftienderlei.

Vijftienhonderd.

Vijftienjarig.

Vijftienmaal.

Vijftienvoud, O., -vouden.

Vijftienvoudig.

Vijftig, vijftigen.

Vijftiger, M., vijftigers.

Vijftigjarig.

Vijftigmaal.

Vijftigponder, M., -ponders.

Vijftigste.

Vijftigtal, O., -tallen.

Vijftigvoud, O., -vouden.

Vijfvingerig.

Vijfvoetig.

Vijfvoud, O., -vouden.

Vijfvoudig.

Vijfwouter, ook Wiewouter, M., vijfwouters en wiewouters.

Vijfzijdig.

Vijg, V., vijgen. Vijgje, O., -jes.

Vijgeblad, O., -bladeren.

Vijgeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.

Vijgenkorf, M., -korven.

Vijgenmand, V., -manden.

Vijgenmat, V., -matten; -matje, O., -jes.

Vijgepeer, V., -peren.

Vijgetouw. O., -touwen.

Vijl, V., vijlen. Vijltje, O., -jes.

Vijlen (met eene vijl), vijlde, heeft gevijld.

Vijlenkapper, M., -kappers.

Vijling, V., vijlingen.

Vijlsel, O.

Vijver, M., vijvers. Vijvertje, O., -jes.

Vijzel (stampvat), M., vijzels. Vijzeltje, O., -jes.

Vijzel (schroef), V., vijzels.

Vijzelen, vijzelde, heeft gevijzeld.

Vijzelmolen, M., -molens.

Vilder, M., vilders.

Vilderij, V., vilderijen.

Vildersbedrijf, O.

Vilderskar, V., -karren.

Vilderspaard, O., -paarden.

Vilderswerk, O.

Vilhout, O., -houten.

Villa, V., villa's. Villatje, O., -jes.

Villapark, O., -parken.

Villen, vilde, heeft gevild.

Vilmes, O., -messen.

Vilt, O., vilten.

Viltachtig.

Vilten (bnw.).

Viltig.

Viltpapier, O.

Vilveld, O., -velden.

Vim, V., vimmen. Vimmetje, O., -jes.

Vin, V., vinnen. Vinnetje, O., -jes.

Vinden, vond, heeft gevonden.

Vinder, M., vinders.

Vinding, V.

Vindingrijk, -rijker, -rijkst.

Vindingrijkheid, V.

Vindingskracht, V.

Vindster, V., vindsters.

Vinger, M., vingers en vingeren. Vingertje, O., -jes.

Vingerbreed, O.

Vingerdik, -dikke.

Vingerdoekje, O., -doekjes.

Vingerhoed, M., -hoeden; -hoedje, O., -jes.

Vingerhoedskruid, O.

Vingerkom, V., -kommen; -kommetje, O., -jes.

Vingerlid, O., -leden.

Vingerling, M., vingerlingen. Vingerlingetje, O., -jes.

Vingerring, M., -ringen.

Vingertop, M., -toppen.

Vingerzetting, V., -zettingen.

Vink, M., vinken. Vinkje, O., -jes.

Vinkekooi, V., -kooien.

Vinken, vinkte, heeft gevinkt.

Vinkenbaan, V., -banen.

Vinkenei, O., -eieren.

Vinkenhuisje, O., -jes.

Vinkennet, O., -netten.

Vinkenslag (knip), O., -slagen.

Vinkentijd, M.

Vinkentouw, O.

Vinkenvangst, V.

Vinker, M., vinkers.

Vinkeslag (zang), M.

Vinnig, vinniger, vinnigst.

Vinnigheid, V., -heden.

Violeeren, violeerde, heeft gevioleerd.

Violenbed, O., -bedden.

Violenstroop, V.

Violet, violette.

Violet (bloem), V., violetten. Violetje, O., -jes.

Violetbruin.

Violetkleurig.

Violier, V., violieren. Violiertje, O., -jes.

Violist, M., violisten.

Violoncel, V., violoncels.

Violoncellist, M., violoncellisten.

Viool (bloem), V., violen. Viooltje, O. -jes.

Viool (instrument), V., violen. Viooltje, O., -jes.

Vioolblok, O., -blokken.

Vioolconcert, O., -concerten.

Vioolhars, O. en V.

Vioolkast, V., -kasten.

Vioollessenaar, M., -lessenaars.

Vioolsleutel, M.

Vioolsnaar, V., -snaren.

Vioolsonate, V., -sonaten.

Vioolspel, O.

Vioolspeler, M., -spelers.

Virtuoos, M., virtuozen.

Virtuositeit, V.

Visch (als voorwerpsnaam), M., visschen; (als stofnaam), V. Vischje,

O., -jes.

Vischachtig.

Vischakte, V., -akten.

Vischangel, M., -angels.

Vischarend, M., -arenden.

Vischbank, V., -banken.

Vischben, V., -bennen.

Vischboer, M., -boeren.

Vischgaren, O.

Vischgraat, V., -graten.

Vischgrommer, M., -grommers.

Vischgrond, M., -gronden.

Vischhaak, M., -haken.

Vischhandelaar, M., -handelaars.

Vischhoek, M., -hoeken.

Vischhoeker, M., -hoekers.

Vischhouder, M., -houders.

Vischkar, V., -karren.

Vischkooper, M., -koopers.

Vischlepel, M., -lepels.

Vischlijm, V.

Vischlucht, V.

Vischmarkt, V.

Vischnet, O., -netten.

Vischotter, M., -otters.

Vischpastei, V., -pasteien; -pasteitje, O., -jes.

Vischplaats, V., -plaatsen.

Vischrecht, O.

Vischrijk, -rijker, -rijkst.

Vischrijkheid, V.

Vischschub, V., -schubben.

Vischsloep, V., -sloepen.

Vischsoep, V.

Vischtorpedo, V., -torpedo's.

Vischtuig, O., -tuigen.

Vischvangst, V.

Vischvrouw, V., -vrouwen.

Vischwater, O., -waters en -wateren.

Vischweer, V., -weren.

Vischwijf, O., -wijven.

Vischwijventaal, O.

Vischwinkel, M., -winkels.

Viseeren, viseerde, heeft geviseerd.

Visie, V.

Visioen, O., visioenen.

Visitatie, V., visitatiën en visitaties.

Visite, V., visites.

Visiteboekje, O., -boekjes.

Visiteeren, visiteerde, heeft gevisiteerd.

Visitekaartje, O., -kaartjes.

Visiteur, M., visiteurs.

Visite-uur, O., -uren.

Visschen, vischte, heeft gevischt.

Visschenbloed, O.

Visschengeslacht, O.

Visscher, M., visschers en visscheren. Visschertje, O., -jes.

Visscherij, V., visscherijen.

Visscherijtentoonstelling, V.

Visscherijwet, V.

Visscherman, M., -lui.

Visschersbedrijf, O.

Visschersboot, V., -booten.

Visschersdorp, O., -dorpen.

Visschershut, V., -hutten.

Visscherslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.

Visscherspink, V., -pinken.

Visschersring, M.

Visschersschuit, V., -schuiten.

Visschig, visschiger, visschigst.

Vissing (scheepsw.), V., vissings.

Visum, O.

Vitachtig, -achtiger, -achtigst.

Vitachtigheid, V.

Vitaliteit, V.

Vitlust, M.

Vitrine, V., vitrines.

Vitriool, V. en O.

Vitse, V., vitsen.

Vitten, vitte, heeft gevit.

Vitter, M., vitters. Vittertje, O., -jes.

Vitterig, vitteriger, vitterigst.

Vitterigheid, V.

Vitterij, V., vitterijen.

Vitzucht, V.

Vivaciteit, V.

Vivat, O., vivats.

Vivisectie, V.

Vizier (Turksch minister), M., viziers en vizieren.

Vizier (van een geweer en helm), O., vizieren.

Vizierklep, V., -kleppen.

Vizierkorrel, V., -korrels.

Vizierlijn, V., -lijnen.

Vla. Zie Vlade.

Vlaag, V., vlagen. Vlaagje, O., -jes.

Vlaak, V., vlaken.

Vlaamsch.

Vlaamsch, O.

Vlade en Vla, V., vladen en vlaas. Vlaatje, O., -jes.

Vlag, V., vlaggen. Vlagje en vlaggetje, O., -jes.

Vlag (plant), O.

Vlaggejongen, M., -jongens.

Vlaggejonker, M., -jonkers.

Vlaggekapitein, M., -kapiteins.

Vlaggekoord, O., -koorden.

Vlaggelijn, V., -lijnen.

Vlaggen, vlagde, heeft gevlagd.

Vlaggendoek, O.

Vlaggenkaart, V., -kaarten.

Vlaggenkist, V., -kisten.

Vlaggeschip en Vlagschip, O., -schepen.

Vlaggestok, M., -stokken.

Vlaggetouw, O., -touwen.

Vlagofficier, M., -officieren.

Vlagvertoon, O.

Vlak (vlek, smet), V., vlakken. Vlakje, O., -jes.

Vlak (vlakte), O., vlakken.

Vlak, vlakker, vlakst.

Vlak (bijw.).

Vlaken, vlaakte, heeft gevlaakt.

Vlakgang, V., -gangen.

Vlakheid, V.

Vlakken (vlekken), vlakte, heeft en is gevlakt.

Vlakken (effen maken), vlakte, heeft gevlakt.

Vlakkerig, vlakkeriger, vlakkerigst.

Vlakkig, vlakkiger, vlakkigst.

Vlakte, V., vlakten.

Vlaktemaat, V., -maten.

Vlakteuitgebreidheid, V., -heden.

Vlam, V., vlammen. Vlammetje, O., -jes.

Vlammen, vlamde, heeft gevlamd.

Vlammig.

Vlamoven, M., -ovens.

Vlampijp, V., -pijpen.

Vlamvormig.

Vlas, O., vlassen.

Vlasachtig, -achtiger, -achtigst.

Vlasbaard, M., -baarden.

Vlasboer, M., -boeren.

Vlasbouw, M.

Vlasdotter, V.

Vlashekelaar, M., -hekelaars.

Vlaskop, M. en V., -koppen; -kopje, O., -jes.

Vlasland, O., -landen.

Vlassen (bnw.).

Vlassen, vlaste, heeft gevlast.

Vlasser, M., vlassers.

Vlassig, vlassiger, vlassigst.

Vlasspinner, M., -spinners.

Vlasstengel, M., -stengels.

Vlasvink, M., -vinken.

Vlaswiek, V., -wieken.

Vlaszaad, O.

Vlecht, V., vlechten. Vlechtje, O., -jes.

Vlechten, vlocht, heeft gevlochten.

Vlechter, M., vlechters.

Vlechting, V., vlechtingen.

Vlechtriet, O.

Vlechtsel, O., vlechtsels.

Vlechtster, V., vlechtsters.

Vlechtwerk, O.

Vledermuis en Vleermuis, V., -muizen; -muisje, O., -jes.

Vleesch, O., vleezen.

Vleeschbank, V., -banken.

Vleeschblok, O., -blokken.

Vleeschdag, M., -dagen.

Vleeschelijk.

Vleeschetend.

Vleeschextract, O.

Vleeschhal, V., -hallen.

Vleeschhouwer, M., -houwers.

Vleeschkeuring, V.

Vleeschkleur, V.

Vleeschklomp, M., -klompen.

Vleeschmaatschappij, V., -maatschappijen.

Vleeschmes, O., -messen.

Vleeschnat, O.

Vleeschpastei, V., -pasteien; -pasteitje, O., -jes.

Vleeschpin, V., -pinnen.

Vleeschpot, M., -potten.

Vleeschschotel, M., -schotels.

Vleeschspijzen (mv.), V.

Vleeschuitdeeling, V.

Vleeschvoeding, V.

Vleeschvork, V., -vorken.

Vleeschwonde, V., -wonden.

Vleet, V., vleten.

Vleezen (bnw.).

Vleezig, vleeziger, vleezigst.

Vleezigheid, V.

Vlegel, M., vlegels. Vlegeltje, O., -jes.

Vlegelachtigheid, V.

Vleien (mooi praten), vleide, heeft gevleid.

Vleiend, vleiender, vleiendst.

Vleier, M., vleiers. Vleiertje, O., -jes.

Vleierij, V., vleierijen.

Vleister, V., vleisters. Vleistertje, O., -jes.

Vleitaal, V.

Vleiwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.

Vleizucht, V.

Vlek (vlak), V., vlekken. Vlekje, O., -jes.

Vlek (gehucht), O., vlekken. Vlekje, O., -jes.

Vlekkeloos, -looze.

Vlekkeloosheid, V.

Vlekken, vlekte, heeft en is gevlekt.

Vlekkenwater, O.

Vlektyphus, M.

Vlerk, V., vlerken. Vlerkje, O., -jes.

Vlerken, vlerkte, heeft gevlerkt.

Vlerkprauw, V., -prauwen.

Vlet, V., vletten. Vletje, O., -jes.

Vletten, vlette, heeft gevlet.

Vletter, M., vletters.

Vletterman, M., -lieden.

Vleug, V., vleugen. Vleugje, O., -jes.

Vleugel, M., vleugels en vleugelen. Vleugeltje, O., -jes.

Vleugeladjudant, M., -adjudanten.

Vleugelen (de armen binden), vleugelde, heeft gevleugeld.

Vleugelman, M., -mannen.

Vleugelpiano, V., -piano's.

Vlieboot, V., -booten.

Vlieden, vlood, vloden, is gevloden.

Vlieg, V., vliegen. Vliegje, O., -jes.

Vliegekop, M., -koppen.

Vliegen, vloog, vlogen, heeft en is gevlogen.

Vliegenaas, O.

Vliegend.

Vliegenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.

Vliegeneter, M., -eters.

Vliegenkampernoelie, V.

Vliegenkap, V., -kappen.

Vliegenkast, V., -kasten.

Vliegenklap, M., -klappen.

Vliegenkleed, O., -kleeden.

Vliegenlijm, V.

Vliegenmasker, O., -maskers.

Vliegennet, O., -netten.

Vliegenpapier, O.

Vliegens.

Vliegensvlug (bijw.).

Vliegenvanger, M., -vangers.

Vliegenvangertje (plant), O., -jes.

Vliegenvergif, O.

Vliegenwaaier, M., -waaiers.

Vliegepoot, M., -pooten.

Vlieger, M., vliegers. Vliegertje, O., -jes.

Vliegertouw, O., -touwen.

Vliegkamp, O., -kampen.

Vliegluis, V., -luizen.

Vliegmachine, V., -machines.

Vliegpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.

Vliegveld, O., -velden.

Vliegwerk, O.

Vliegwiel, O., -wielen.

Vlier, V., vlieren.

Vliering, V., vlieringen. Vlierinkje, O., -jes.

Vlierpit, V., -pitten.

Vlies, O., vliezen. Vliesje, O., -jes.

Vliesachtig, -achtiger, -achtigst.

Vliesvleugelig.

Vliet, M., vlieten. Vlietje, O., -jes.

Vlieten, vloot, vloten, is gevloten.

Vliezig, vlieziger, vliezigst.

Vlij, V., vlijen.

Vlijen (voegen, schikken), vlijde, heeft gevlijd.

Vlijing, V.

Vlijm, V., vlijmen. Vlijmpje, O., -jes.

Vlijmen, vlijmde, heeft gevlijmd.

Vlijt, V.

Vlijtig, vlijtiger, vlijtigst.

Vlinder, M., vlinders. Vlindertje, O., -jes.

Vlinderbloemig.

Vloed, M., vloeden.

Vloedanker, O., -ankers.

Vloeddeur, V., -deuren.

Vloedgolf, V., -golven.

Vloeibaar, -baarder, -baarst.

Vloeibaarheid, V.

Vloeibaarmaking, V.

Vloeibaarwording, V.

Vloeiboek, O., -boeken.

Vloeiblok, O., -blokken.

Vloeien, vloeide, is en heeft gevloeid.

Vloeiend, vloeiender, vloeiendst.

Vloeiendheid, V.

Vloeimiddel, O., -middelen.

Vloeipapier, O.; -papiertje, O., -jes.

Vloeipijp, V., -pijpen.

Vloeiplank, V., -planken.

Vloeirol, V., -rollen.

Vloeistof, V., -stoffen.

Vloek, M., vloeken. Vloekje, O., -jes.

Vloekbeest, O., -beesten.

Vloeken, vloekte, heeft gevloekt.

Vloeker, M., vloekers.

Vloekgenoot, M., -genooten.

Vloekgespan, O.

Vloekwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.

Vloekwaardigheid, V.

Vloekwoord, O., -woorden.

Vloer, M., vloeren. Vloertje, O., -jes.

Vloerbalk, M., -balken.

Vloerdweil, V., -dweilen.

Vloeren, vloerde, heeft gevloerd.

Vloering, V., vloeringen.

Vloerkleed, O., -kleeden.

Vloermat, V., -matten.

Vloerplank, V., -planken.

Vloertapijt, O., -tapijten.

Vloerzand, O.

Vloerzeil, O., -zeilen.

Vloghaver, V.

Vlok, V., vlokken. Vlokje, O., -jes.

Vlokachtig.

Vlokken, vlokte, is en heeft gevlokt.

Vlokkig, vlokkiger, vlokkigst.

Vlonder, M., vlonders. Vlondertje, O., -jes.

Vloo, V., vlooien. Vlooitje, O., -jes.

Vlooiebeet, M., -beten.

Vlooien, vlooide, heeft gevlooid.

Vlooienkruid, O.

Vloot, V., vloten. Vlootje, O., -jes.

Vlootrevue, V., -revues.

Vlootschouw, V., -schouwen.

Vlootvoogd, M., -voogden.

Vlos, O.

Vlossen (bnw.).

Vlossig, vlossiger, vlossigst.

Vlossigheid, V.

Vloszijde, V.

Vlot, O., vlotten. Vlotje, O., -jes.

Vlot, vlotter, vlotst.

Vloteling, M., vlotelingen.

Vlotgaand.

Vlotgras, O.

Vlotten, vlotte, heeft en is gevlot.

Vlotter, M., vlotters.

Vlouw, V., vlouwen.

Vlucht, V., vluchten.

Vluchteling, M. en V., vluchtelingen. V. ook vluchtelinge.

Vluchten, vluchtte, is gevlucht.

Vluchthaven, V., -havens.

Vluchtheuvel, M., -heuvels.

Vluchtig, vluchtiger, vluchtigst.

Vluchtigheid, V.

Vluchtigjes.

Vlug, vlugger, vlugst.

Vlugheid, V.

Vlugschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes.

Vlugzout, O.

Vocaal, V., vocalen.

Vocaal, vocale.

Vocaalspelling, V., -spellingen.

Vocatief en Vocativus, M., vocatieven.

Vocht, O., vochten.

Vochten, vochtte, heeft gevocht.

Vochtig, vochtiger, vochtigst.

Vochtigheid, V.

Vod, O., en Vodde, V., vodden. Vodje, O., -jes.

Voddenkooper, M., -koopers.

Voddenkoopster, V., -koopsters.

Voddenkraam, V., -kramen.

Voddenkrabber, M., -krabbers.

Voddenmand, V., -manden.

Voddenmarkt, V., -markten.

Voddenraapster, V., -raapsters.

Voddenraper, M., -rapers.

Vodderij, V., vodderijen. Vodderijtje, O., -jes.

Voddewerk, O.

Voddig, voddiger, voddigst.

Voddigheid, V.

Voeden, voedde, heeft gevoed.

Voeder (persoon), M., voeders.

Voeder en Voer (voedsel), O. Voertje, O., -jes.

Voederen en Voeren, voederde en voerde, heeft gevoederd en gevoerd.

Voeding, V.

Voedingscommissie, V., -commissies en -commissiën.

Voedingskabel, M., -kabels.

Voedingsmiddel, O., -middelen.

Voedingsproces, O., -processen.

Voedingsstof, V., -stoffen.

Voedsel, O.

Voedster, V., voedsters. Voedstertje, O., -jes.

Voedsteren, voedsterde, heeft gevoedsterd.

Voedsterkind, O., -kinderen.

Voedsterling, M. en V., voedsterlingen. V. ook voedsterlinge.

Voedzaam, -zamer, -zaamst.

Voedzaamheid, V.

Voeg, V., voegen. Voegje. O., -jes.

Voegblok, O., -blokken.

Voege, V. (In dier -).

Voegen, voegde, heeft gevoegd.

Voeghout, O., -houten.

Voegijzer, O., -ijzers.

Voeglijk, -lijker, -lijkst.

Voeglijkheid, V.

Voegpasser, M., -passers.

Voegwerk, O.

Voegwoord, O., -woorden.

Voegzaam, -zamer, -zaamst.

Voegzaamheid, V.

Voelbaar, -bare.

Voeldraad, M., -draden.

Voelen, voelde, heeft gevoeld.

Voeler, M., voelers.

Voelhoorn en Voelhoren, M., -hoorns en -horens.

Voeling, V.

Voelspriet, M., -sprieten.

Voer (wagenvracht), O., voeren. Voertje, O., -jes.

Voer (voedsel). Zie Voeder.

Voerder, M., voerders.

Voeren (vervoeren, brengen enz.), voerde, heeft gevoerd.

Voeren (van binnen bekleeden), voerde, heeft gevoerd.

Voering, V., voeringen. Voerinkje, O., -jes.

Voerkatoen, O.

Voerlaken, O.

Voerloon, O., -loonen.

Voerman, M., -lieden en -lui.

Voerstraal, M., -stralen.

Voertuig, O., -tuigen.

Voerwiel, O., -wielen.

Voet, M., voeten. Voetje, O., -jes.

Voetangel, M., -angels.

Voetbad, O., -baden.

Voetbal, O. (naam van een spel).

Voetballen, voetbalde, heeft gevoetbald.

Voetbalveld, O., -velden.

Voetboei, V., -boeien.

Voetbreed, O.

Voeteeren, voeteerde, heeft en is gevoeteerd.

Voetenbankje, O., -bankjes.

Voeteneinde en -eind, O.

Voetenkussen, O., -kussens.

Voetenschrabber, M., -schrabbers; -schrabbertje, O., -jes.

Voetenzak, M., -zakken.

Voeteuvel, O.

Voetganger, M., -gangers.

Voetgangster, V., -gangsters.

Voetkus, M.

Voetlicht, O.

Voetmaat, V., -maten.

Voetpad, O., -paden.

Voetreis, V., -reizen; -reisje, O., -jes.

Voetspoor, O.

Voetstoots.

Voetstuk, O., -stukken.

Voetval, M.

Voetveeg, M., -vegen.

Voetvolk, O.

Voetwassching, V.

Voetzand, O.

Voetzoeker, M., -zoekers.

Voetzool, V., -zolen.

Vogel, M., vogels en vogelen. Vogeltje, O., -jes.

Vogelaar, M., vogelaars en vogelaren.

Vogelbekdier, O., -dieren.

Vogelen, vogelde, heeft gevogeld.

Vogelknip, V., -knippen.

Vogelkooi, V., -kooien.

Vogellijm, V.

Vogelmarkt, V.

Vogelnest, O., -nesten; -nestje, O., -jes.

Vogelperspectief, O.

Vogelroer, O., -roers.

Vogelschieten, O.

Vogelschrik, M., -schrikken.

Vogelslag, O., -slagen.

Vogelverschrikker, M., -verschrikkers.

Vogelvlucht, V.

Vogelvrij.

Vogelvrijverklaring, V.

Vogelzaad, O.

Voile, V., voiles.

Vol, voller, volst.

Volaarde, V.

Volbloed (bnw.).

Volbloedig, -bloediger, -bloedigst.

Volbloedigheid, V.

Volbouwen, volbouwde, heeft volbouwd; ook bouwde vol, heeft volgebouwd.

Volbrassen, braste vol, heeft volgebrast.

Volbrengen, volbracht, heeft volbracht.

Volbrenger, M., -brengers.

Volbrenging, V.

Voldaan.

Voldaanheid, V.

Voldingen, voldong, heeft voldongen.

Voldingend, -dingender, -dingendst.

Voldoen, voldeed, voldeden, heeft voldaan.

Voldoend, -doender, -doendst.

Voldoendheid, V.

Voldoener, M., -doeners.

Voldoening, V.

Voldoeningsleer, V.

Voldragen.

Vole, V., voles.

Voleinden, voleindde, heeft voleind.

Voleinder, M., -einders.

Voleindigen, voleindigde, heeft voleindigd.

Voleindiger, M., -eindigers.

Voleindiging, V.

Voleinding, V.

Volgbriefje, O., -jes.

Volgeestig.

Volgeling, M. en V., volgelingen. V. ook volgelinge.

Volgen, volgde, heeft en is gevolgd.

Volgenderwijze en -wijs.

Volgens.

Volger, M., volgers en volgeren.

Volgieten, goot vol, goten vol, heeft volgegoten.

Volgkoets, V., -koetsen.

Volgnummer, O., -nummers.

Volgooien, gooide vol, heeft volgegooid.

Volgorde, V.

Volgreeks, V., -reeksen.

Volgroeid.

Volgtrein, M., -treinen.

Volgzaam, -zamer, -zaamst.

Volgzaamheid, V.

Volhandig.

Volhandigheid, V.

Volharden, volhardde, heeft volhard.

Volharder, M., -harders.

Volharding, V.

Volhardingsvermogen, O.

Volheid, V.

Volhouden, hield vol, heeft volgehouden.

Volhouder, M., -houders.

Volhouding, V.

Volhoudster, V., -houdsters.

Volière, V., volières.

Volière-gaas, O.

Volijverig, -ijveriger, -ijverigst.

Voljarig.

Volk, O., volkeren en volken. Volkje, O., -jes.

Volkenkunde, V.

Volkenrecht, O.

Volkenrechtelijk.

Volkomen, -komener, -komenst.

Volkomenheid, V.

Volkplanter, M., -planters.

Volkplanting, V., -plantingen.

Volkrijk, -rijker, -rijkst.

Volkrijkheid, V.

Volksaard, M.

Volksbadhuis, O., -badhuizen.

Volksbelang, O., -belangen.

Volksbestaan, O.

Volksbeweging, V., -bewegingen.

Volksbibliotheek, V., -bibliotheken.

Volksbijeenkomst, V., -bijeenkomsten.

Volksblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.

Volksboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.

Volksbond, M., -bonden.

Volksconcert, O., -concerten.

Volksdichter, M., -dichters.

Volksdracht, V., -drachten.

Volksdrank, M., -dranken.

Volkseditie, V., -edities.

Volksfeest, O., -feesten.

Volksgaarkeuken, V., -keukens.

Volksgebruik, O., -gebruiken.

Volksgeest, M.

Volksgeloof, O.

Volksgeluk, O.

Volksgewoonte, V., -gewoonten.

Volksgezang, O.

Volksgodsdienst, M., -godsdiensten.

Volksgunst, V.

Volkshaat, M.

Volkshuis, O., -huizen.

Volkskarakter, O.

Volkskerk, V.

Volksklasse, V., -klassen.

Volkskleeding, V.

Volkskunde, V.

Volksleeraar, M., -leeraars.

Volksleeszaal, V., -leeszalen.

Volksleger, O., -legers.

Volksleider, M., -leiders.

Volkslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.

Volksman, M., -mannen.

Volksmeening, V., -meeningen.

Volksmenigte, V.

Volksmenner, M., -menners.

Volksnaam, M., -namen.

Volksonderwijs, O.

Volksoploop, M., -oploopen.

Volksopstand, M., -opstanden.

Volksoverlevering, V., -overleveringen.

Volkspark, O., -parken.

Volksredenaar, M., -redenaars.

Volkregeering, V., -regeeringen.

Volksroman, M., -romans.

Volkssanatorium, O., -sanatoria.

Volksschool, V., -scholen.

Volkssouvereiniteit, V.

Volksspel, O., -spelen.

Volksspraak, V.

Volkssprookje, O., -jes.

Volksstam, M., -stammen.

Volksstem, V.

Volkstaal, V.

Volkstrots, M.

Volksuitgave, V., -uitgaven.

Volksvergadering, V., -vergaderingen.

Volksverhaal, O., -verhalen.

Volksverhuizing, V., -verhuizingen.

Volksvermaak, O., -vermaken.

Volksvertegenwoordiger, M., -vertegenwoordigers.

Volksvertegenwoordiging, V., -vertegenwoordigingen.

Volksvlijt, V.

Volksvoordracht, V., -voordrachten.

Volksvoorlezing, V., -voorlezingen.

Volksvooroordeel, O., -vooroordeelen.

Volksvriend, M., -vrienden.

Volkswil, M.

Volkswoede, V.

Volkszaak, V., -zaken.

Volkuip, V., -kuipen.

Volledig, -lediger, -ledigst.

Volledigheid, V.

Volleerd.

Vollemaan, V.

Vollemaansgezicht, O., -gezichten.

Vollen, volde, heeft gevold.

Voller, M., vollers.

Vollerij, V., vollerijen.

Vollersaarde, V.

Vollerskuip, V., -kuipen.

Vollersmolen, M., -molens.

Vollerswerk, O.

Volling, V., vollingen.

Volloopen, liep vol, is volgeloopen.

Volmaakt, -maakter, -maakst.

Volmaaktheid, V., -heden.

Volmacht, V., -machten.

Volmachtigen, volmachtigde, heeft gevolmachtigd.

Volmaken, volmaakte, heeft volmaakt.

Volmaking, V.

Volmolen, M., -molens.

Volmondig, -mondiger, -mondigst.

Volontair, M., volontairs.

Volop.

Volprijzen, volprees, volprezen, heeft volprezen.

Volschenken, schonk vol, heeft volgeschonken.

Volslagen, -slagener, -slagenst.

Volsmijten, smeet vol, smeten vol, heeft volgesmeten.

Volstaan, volstaat, volstond, heeft volstaan.

Volstandig, -standiger, -standigst.

Volstrekt, -strekter, -strektst.

Volstrekt (bijw.).

Volstrektelijk.

Volstrektheid, V.

Volstroomen, stroomde vol, is volgestroomd.

Voltallig, -talliger, -talligst.

Voltalligheid, V.

Volte (volheid), V.

Volte (in de rijkunst), V., voltes.

Volteekend.

Voltigeeren, voltigeerde, heeft gevoltigeerd.

Voltigeur, M., voltigeurs.

Voltobbe, V., -tobben.

Voltooien, voltooide, heeft voltooid.

Voltooier, M., -tooiers.

Voltooiing, V., -tooiingen.

Voltooister, V., -tooisters.

Voltrekken, voltrok, voltrokken, heeft voltrokken.

Voltrekker, M., -trekkers.

Voltrekking, V., -trekkingen.

Voluit.

Volume, O.

Volumineus, volumineuzer, volumineust.

Voluptueus, voluptueuze.

Volvaardig, -vaardiger, -vaardigst.

Volvaardigheid, V.

Volvet, volvette.

Volvoerder, M., -voerders.

Volvoeren, volvoerde, heeft volvoerd.

Volvoering, V.

Volwassen.

Volwerpen, wierp vol, heeft volgeworpen.

Volwichtig.

Volzalig.

Volzee.

Volzin, M., -zinnen; -zinnetje, O., -jes.

Vomeeren, vomeerde, heeft gevomeerd.

Vomitief, O., vomitieven.

Vond, M., vonden. Vondje, O., -jes.

Vondel, M., vondels.

Vondeling, M. en V., vondelingen. V. ook vondelinge. Vondelingetje,

O., -jes.

Vondelingshuis, O., -huizen.

Vonder, M., vonders.

Vondst, V., vondsten.

Vonk, V., vonken. Vonkje, O., -jes.

Vonkelen (eigenlijk), vonkelde, heeft gevonkeld. Verg. Fonkelen.

Vonkeling, V.

Vonken, vonkte, heeft en is gevonkt.

Vonnis, O., vonnissen.

Vonnissen, vonniste, heeft gevonnist.

Vonnissing, V.

Vont, V., vonten.

Voogd, M., voogden.

Voogdes, V., voogdessen.

Voogdij, V., voogdijen.

Voogdijkind, O., -kinderen.

Voogdijraad, M., -raden.

Voogdijschap, V., -schappen.

Voois (zangwijs), V., vooizen.

Voor en Vore, V., voren.

Voor en Vóór.

Vooraan.

Vooraanzitting, V.

Vooraf.

Voorafgaand.

Voorafspraak, V., -spraken; -spraakje, O., -jes.

Vooral.

Vooralsnog.

Voorarbeid, M.

Voorarm, M., -armen.

Vooravond, M., -avonden.

Voorbaan, V., -banen.

Voorbaat, V.

Voorbabbelen, babbelde voor, heeft voorgebabbeld.

Voorband, M., -banden.

Voorbank, V., -banken; -bankje, O., -jes.

Voorbarig, -bariger, -barigst.

Voorbarigheid, V., -heden.

Voorbedacht.

Voorbedachtelijk.

Voorbedachtheid, V.

Voorbede, V., -beden.

Voorbeding, O., -bedingen.

Voorbedingen, bedong voor, heeft voorbedongen.

Voorbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.

Voorbeeldeloos, -loozer.

Voorbeeldig, -beeldiger, -beeldigst.

Voorbeeldigheid, V.

Voorbehoedmiddel, O., -middelen.

Voorbehoud, V.

Voorbehouden, behield voor, heeft voorbehouden.

Voorbereiden, bereidde voor, heeft voorbereid.

Voorbereider, M., -bereiders.

Voorbereiding, V., -bereidingen.

Voorbericht, O., -berichten; -berichtje, O., -jes.

Voorbeschikken, beschikte voor, heeft voorbeschikt.

Voorbeschikking, V., -beschikkingen.

Voorbestaan, O.

Voorbestemmen, bestemde voor, heeft voorbestemd.

Voorbestemming, V.

Voorbezit, O.

Voorbidden, bad voor, baden voor, heeft voorgebeden.

Voorbidder, M., -bidders.

Voorbidding, V., -biddingen.

Voorbiecht, V.

Voorbij.

Voorbijdragen, droeg voorbij, heeft voorbijgedragen.

Voorbijdraven, draafde voorbij, heeft en is voorbijgedraafd.

Voorbijdringen, drong voorbij, is voorbijgedrongen.

Voorbijgaan, gaat voorbij, ging voorbij, heeft en is voorbijgegaan.

Voorbijgaand.

Voorbijgang, M.

Voorbijganger, M., -gangers.

Voorbijijlen, ijlde voorbij, is voorbijgeijld.

Voorbijkomen, komt voorbij, kwam voorbij, kwamen voorbij, is

voorbijgekomen.

Voorbijlaten, liet voorbij, heeft voorbijgelaten.

Voorbijleeren, leerde voorbij, heeft en is voorbijgeleerd.

Voorbijloopen, liep voorbij, heeft en is voorbijgeloopen.

Voorbijrijden, reed voorbij, reden voorbij, heeft en is voorbijgereden.

Voorbijstreven, streefde voorbij, is voorbijgestreefd.

Voorbijtrekken, trok voorbij, trokken voorbij, is voorbijgetrokken.

Voorbijvliegen, vloog voorbij, vlogen voorbij, is voorbijgevlogen.

Voorbijzeilen, zeilde voorbij, heeft en is voorbijgezeild.

Voorbinden, bond voor, heeft voorgebonden.

Voorbode, M. en V., -boden.

Voorboezem, M., -boezems.

Voorbout, M., -bouten; -boutje, O., -jes.

Voorbramra, V., -raas.

Voorbramsteng, V., -stengen.

Voorbramzeil, O., -zeilen.

Voorbrengen, bracht voor, heeft voorgebracht.

Voorburg, M., -burgen.

Voorbuur, M., -buren.

Voorcijferen, cijferde voor, heeft voorgecijferd.

Voorcijfering, V.

Voordacht, V.

Voordans, M., -dansen; -dansje, O., -jes.

Voordansen, danste voor, heeft voorgedanst.

Voordanser, M., -dansers.

Voordat.

Voorde en Voord, V., voorden.

Voordeel, O., -deelen; -deeltje, O., -jes.

Voordeelig, -deeliger, -deeligst.

Voordeeligheid, V.

Voordeur, V., -deuren.

Voordewind, M.

Voordewind (bijw.).

Voordezen.

Voordienen, diende voor, heeft voorgediend.

Voordiener, M., -dieners.

Voordiening, V.

Voordochter, V., -dochters; -dochtertje, O., -jes.

Voordoen, deed voor, deden voor, heeft voorgedaan.

Voordraaien, draaide voor, heeft voorgedraaid.

Voordracht, V., -drachten.

Voordragen, droeg voor, heeft voorgedragen.

Voordwarstouw, O., -touwen.

Vooreb en Voorebbe, V.

Vooreergisteren.

Vooreerst.

Vooreinde, O., -einden.

Voorgaan, gaat voor, ging voor, is voorgegaan.

Voorgaats.

Voorgalerij, V., -galerijen.

Voorgang, M.

Voorganger, M., -gangers.

Voorgangster, V., -gangsters.

Voorgebed, O., -gebeden.

Voorgebergte, O., -gebergten.

Voorgemeld.

Voorgenoemd.

Voorgerecht, O., -gerechten.

Voorgestoelte, O., -gestoelten.

Voorgevel, M., -gevels; -geveltje, O., -jes.

Voorgeven, gaf voor, gaven voor, heeft voorgegeven.

Voorgeven, O.

Voorgeving, V.

Voorgevoel, O.

Voorgezang, O., -gezangen.

Voorgoed (bijw.).

Voorgoochelen, goochelde voor, heeft voorgegoocheld.

Voorgooi, V.

Voorgooien, gooide voor, heeft voorgegooid.

Voorgracht, V., -grachten.

Voorgrond, M., -gronden.

Voorhaar, O.

Voorhamer, M., -hamers.

Voorhand, V., -handen.

Voorhanden (bijw.).

Voorhang, M., -hangen.

Voorhangen, hing voor, heeft voorgehangen.

Voorhangsel, O., -hangsels en -hangselen.

Voorhaven, V., -havens.

Voorhebben, heeft voor, had voor, hadden voor, heeft voorgehad.

Voorheen.

Voorhistorisch.

Voorhoede, V., -hoeden.

Voorhoef, M., -hoeven.

Voorhof, O. en M., -hoven.

Voorhoofd, O., -hoofden; -hoofdje, O., -jes.

Voorhoofdsbeen, O., -beenderen.

Voorhouden, hield voor, heeft voorgehouden.

Voorhuid, V., -huiden.

Voorhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.

Voorijzer, O., -ijzers.

Voorin.

Voor-Indië, O.

Vooringenomen, -genomener, -genomenst.

Vooringenomenheid, V.

Voorinnemen, nam voorin, namen voorin, heeft vooringenomen.

Voorjaar, O., -jaren; -jaartje, O., -jes.

Voorjaarsbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes.

Voorjaarskoorts, V., -koortsen.

Voorjaarsnachtevening, V., -eveningen.

Voorjaarsopruiming, V., -en.

Voorjaarsregen, M., -regens; -regentje, O., -jes.

Voorjaarsreis, V., -reizen.

Voorjaarsveiling, V., -veilingen.

Voorjaarsvergadering, V., -vergaderingen.

Voorjaarsweder, en -weer, O.

Voorkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.

Voorkasteel, O., -kasteelen.

Voorkauwen, kauwde voor, heeft voorgekauwd.

Voorkennis, V.

Voorkeuken, V., -keukens; -keukentje, O., -jes.

Voorkeur, V.

Voorkind, O., -kinderen.

Voorklimmen, klom voor, klommen voor, heeft en is voorgeklommen.

Voorkomen, komt voor, kwam voor, kwamen voor, is voorgekomen; ook

voorkomt, voorkwam, voorkwamen, heeft voorkomen.

Voorkomen, O.

Voorkomend, -komender, -komendst.

Voorkomendheid, V.

Voorkoming, V.

Voorkoop, M., -koopen.

Voorkooper, M., -koopers.

Voorkoopster, V., -koopsters.

Voorkrijgen, kreeg voor, kregen voor, heeft voorgekregen.

Voorkwartier, O., -kwartieren.

Voorlaatst.

Voorland, O.

Voorlang.

Voorlast, M.

Voorlastig.

Voorlaten, liet voor, heeft voorgelaten.

Voorleden. Zie Verleden.

Voorleder en Voorleer, O.

Voorleggen, legde voor en leide voor, heeft voorgelegd en voorgeleid.

Voorlegging, V.

Voorlezen, las voor, lazen voor, heeft voorgelezen.

Voorlezer, M., -lezers.

Voorlezersbankje, O., -bankjes.

Voorlezing, V., -lezingen.

Voorlichten, lichtte voor, heeft voorgelicht.

Voorlichter, M., -lichters.

Voorlichting, V.

Voorliefde, V.

Voorliegen, loog voor, logen voor, heeft voorgelogen.

Voorliggen, lag voor, lagen voor, heeft voorgelegen.

Voorlijf, O., -lijven; -lijfje, O., -jes.

Voorlijk (scheepsw.), O., -lijken.

Voorlijk, -lijker, -lijkst.

Voorlijkheid, V.

Voorloop (geestrijk vocht), V.

Voorloopen, liep voor, heeft en is voorgeloopen.

Voorlooper, M., -loopers.

Voorloopig.

Voorluik, O., -luiken.

Voormaals.

Voormaand, V., -maanden.

Voormaken, maakte voor, heeft voorgemaakt.

Voormalig.

Voorman, M., -mannen.

Voormars, V., -marsen.

Voormarszeil, O., -zeilen.

Voormast, M., -masten.

Voormeten, mat voor, maten voor, heeft voorgemeten.

Voormiddag, M., -middagen: -middagje, O., -jes.

Voormiddagwacht, V.

Voormouw, V., -mouwen.

Voormuur, M., -muren.

Voorn. Zie Voren.

Voornaald, V., -naalden.

Voornaam, M., -namen.

Voornaam, -namer, -naamst.

Voornaamwoord, O., -woorden.

Voornacht, M., -nachten.

Voornamelijk.

Voornemen, O., -nemens.

Voornemen, nam voor, namen voor, heeft voorgenomen.

Voornoemd.

Voornoen, M.

Vooroever, M., -oevers.

Vooronder, O., -onders; -ondertje, O. -jes.

Vooronderstellen, vooronderstelde, heeft voorondersteld.

Vooronderstelling, V., -stellingen.

Vooroordeel, O., -oordeelen.

Voorop.

Vooropstellen, stelde voorop, heeft vooropgesteld.

Vooropzetten, zette voorop, heeft vooropgezet.

Voorouderlijk.

Voorouders en Voorouderen (mv.), M.

Voorover.

Vooroverlijden (het vroeger sterven), O.

Vooroverloopen, liep voorover, heeft voorovergeloopen.

Voorovervallen, viel voorover, is voorovergevallen.

Voorpaard, O., -paarden.

Voorpand, O., -panden; -pandje, O., -jes.

Voorplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes.

Voorplecht, V., -plechten.

Voorplein, O., -pleinen.

Voorpoort, V., -poorten.

Voorpoot, M., -pooten; -pootje, O. -jes.

Voorportaal, O., -portalen.

Voorpost, M., -posten.

Voorpostengevecht, O., -gevechten.

Voorpostenlinie, V., -liniën.

Voorpraten, praatte voor, heeft voorgepraat.

Voorprediken en Voorpreeken, predikte voor en preekte voor, heeft

voorgepredikt en voorgepreekt.

Voorproef, V.; -proefje, O., -jes.

Voorproeven, proefde voor, heeft voorgeproefd.

Voorproever, M., -proevers.

Voorraad, M.

Voorraadkamer, V., -kamers.

Voorraadschuur, V., -schuren.

Voorraam, O., -ramen.

Voorrad, O., -raderen.

Voorrang, M.

Voorrecht, O., -rechten.

Voorrede, V., -redenen; -redetje, O., -jes.

Voorrekenen, rekende voor, heeft voorgerekend.

Voorriem, M., -riemen.

Voorrijden, reed voor, reden voor, heeft en is voorgereden.

Voorrijder, M., -rijders.

Voorroepen, riep voor, heeft voorgeroepen.

Voorschans, V., -schansen.

Voorschenken, schonk voor, heeft voorgeschonken.

Voorschenker, M., -schenkers.

Voorschieten, schoot voor, schoten voor, heeft voorgeschoten.

Voorschieter, M., -schieters.

Voorschijn (Te -).

Voorschilderen, schilderde voor, heeft voorgeschilderd.

Voorschip, O.

Voorschoen, M., -schoenen.

Voorschoenen, voorschoende, heeft gevoorschoend.

Voorschoot, O., -schooten; -schootje, O., -jes.

Voorschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes.

Voorschotbank, V., -banken.

Voorschreven.

Voorschrift, O., -schriften.

Voorschrijven, schreef voor, schreven voor, heeft voorgeschreven.

Voorschrijving, V.

Voorschuiven, schoof voor, schoven voor, heeft voorgeschoven.

Voorschutting, V.

Voorshands.

Voorslaan, slaat voor, sloeg voor, heeft voorgeslagen.

Voorslag (voorstel), M., -slagen.

Voorslag (van een klokkenspel en in de muziek), O.

Voorslemphout, O., -houten.

Voorsmaak, M.; -smaakje, O.

Voorsmijten, smeet voor, smeten voor, heeft voorgesmeten.

Voorsnijden, sneed voor, sneden voor, heeft voorgesneden.

Voorsnijder, M., -snijders.

Voorsnijmes, O., -messen.

Voorspan, O., -spannen.

Voorspannen, spande voor, heeft voorgespannen.

Voorspel, O., -spelen; -spelletje, O., -jes.

Voorspelden, speldde voor, heeft voorgespeld.

Voorspelder, M., -spelders; -speldertje, O., -jes.

Voorspelen, speelde voor, heeft voorgespeeld.

Voorspeler, M., -spelers.

Voorspellen (de letters voorzeggen), spelde voor, heeft voorgespeld.

Voorspellen (voorzeggen), voorspelde, heeft voorspeld.

Voorspeller, M., -spellers.

Voorspelling, V., -spellingen.

Voorspelster, V., -spelsters.

Voorspiegelen, spiegelde voor, heeft voorgespiegeld.

Voorspiegeling, V., -spiegelingen.

Voorspijs, V., -spijzen.

Voorspoed, M.

Voorspoedig, -spoediger, -spoedigst.

Voorspoediglijk.

Voorspraak (persoon), M. en V., -spraken; (het voorspreken), V.

Voorspreken, sprak voor, spraken voor, heeft voorgesproken.

Voorspreker, M., -sprekers.

Voorstaan, staat voor, stond voor, heeft voorgestaan.

Voorstad, V., -steden.

Voorstand, M.

Voorstander, M., -standers.

Voorstandster, V., -standsters.

Voorstappen, stapte voor, heeft en is voorgestapt.

Voorste.

Voorsteek, M., -steken.

Voorsteken, stak voor, staken voor, heeft voorgestoken.

Voorstel, O., -stellen; -stelletje, O., -jes.

Voorstellen, stelde voor, heeft voorgesteld.

Voorsteller, M., -stellers.

Voorstelling, V., -stellingen.

Voorstellingsgave, V.

Voorstellingsvermogen, O.

Voorstelster, V., -stelsters.

Voorstemmen, stemde voor, heeft voorgestemd.

Voorstemmer, M., -stemmers.

Voorsteng, V., -stengen.

Voorsteven, M., -stevens.

Voorstoot, M.

Voorstooten, stiet voor, heeft voorgestooten; ook stootte voor.

Voorstraat, V., -straten.

Voorstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.

Voort.

Voortaan.

Voortand, M., -tanden; -tandje, O., -jes.

Voortarbeiden, arbeidde voort, heeft voortgearbeid.

Voortbabbelen, babbelde voort, heeft voortgebabbeld.

Voortblazen, blies voort, bliezen voort, heeft voortgeblazen.

Voortbouwen, bouwde voort, heeft voortgebouwd.

Voortbrengen, bracht voort, heeft voortgebracht.

Voortbrenger, M., -brengers.

Voortbrenging, V.

Voortbrengingskracht, V.

Voortbrengingsvermogen, O.

Voortbrengsel, O., -brengsels en -brengselen.

Voortbrengster, V., -brengsters.

Voortdommelen, dommelde voort, heeft voortgedommeld.

Voortdragen, droeg voort, heeft voortgedragen.

Voortdraven, draafde voort, is voortgedraafd.

Voortdrijven, dreef voort, dreven voort, heeft en is voortgedreven.

Voortdrijver, M., -drijvers.

Voortdrijving, V.

Voortduren, duurde voort, heeft voortgeduurd.

Voortdurend.

Voortduring, V.

Voortduur, M.

Voortduwen, duwde voort, heeft voortgeduwd.

Voorteeken, O., -teekenen en -teekens.

Voorteekenen, teekende voor, heeft voorgeteekend.

Voorteekening, V.

Voortellen, telde voor, heeft voorgeteld.

Voortelling, V.

Voortent, V.

Voorteten, at voort, aten voort, heeft voortgegeten.

Voortfladderen, fladderde voort, is voortgefladderd.

Voortgaan, gaat voort, ging voort, is voortgegaan.

Voortgang, M., -gangen.

Voortgetogen (verl. deelw.).

Voortgeven, gaf voort, gaven voort, heeft voortgegeven.

Voortglijden, gleed voort, gleden voort, is voortgegleden.

Voorthelpen, hielp voort, heeft voortgeholpen.

Voorthollen, holde voort, heeft en is voortgehold.

Voorthuppelen, huppelde voort, heeft en is voortgehuppeld.

Voortijd, M., -tijden.

Voortijds.

Voortijlen (voortsnellen), ijlde voort, is voortgeijld.

Voortjagen, jaagde voort, heeft en is voortgejaagd; ook joeg voort.

Voortkomen, komt voort, kwam voort, kwamen voort, is voortgekomen.

Voortkrijgen, kreeg voort, kregen voort, heeft voortgekregen.

Voortkruien, krooi voort, krooien voort, heeft en is voortgekrooien;

ook kruide voort, heeft en is voortgekruid.

Voortkruipen, kroop voort, kropen voort, is voortgekropen.

Voortkuieren, kuierde voort, is voortgekuierd.

Voortleiden, leidde voort, heeft voortgeleid.

Voortloopen, liep voort, is en heeft voortgeloopen.

Voortmaken, maakte voort, heeft voortgemaakt.

Voortmalen, maalde voort, heeft voortgemalen.

Voortocht, M., -tochten.

Voortooveren, tooverde voor, heeft voorgetooverd.

Voortop, M., -toppen.

Voortpakken (zich -), pakte zich voort, heeft zich voortgepakt.

Voortplanten, plantte voort, heeft voortgeplant.

Voortplanting, V.

Voortplantingsorgaan, O., -organen.

Voortpraten, praatte voort, heeft voortgepraat.

Voortraken, raakte voort, is voortgeraakt.

Voortrap, V.

Voortreden, trad voor, traden voor, is voorgetreden.

Voortredeneeren, redeneerde voort, heeft voortgeredeneerd.

Voortreffelijk, -lijker, -lijkst.

Voortreffelijkheid, V., -heden.

Voortrein, M., -treinen.

Voortreizen, reisde voort, is voortgereisd.

Voortrekken (voor-trekken), trok voor, trokken voor, heeft

voorgetrokken.

Voortrekken (voort-rekken), rekte voort, heeft voortgerekt.

Voortrennen, rende voort, is en heeft voortgerend.

Voortrijden, reed voort, reden voort, heeft en is voortgereden.

Voortroeien, roeide voort, heeft en is voortgeroeid.

Voortrollen, rolde voort, heeft en is voortgerold.

Voortrukken, rukte voort, heeft en is voortgerukt.

Voorts.

Voortscharrelen, scharrelde voort, is voortgescharreld.

Voortschieten, schoot voort, schoten voort, heeft en is voortgeschoten.

Voortschoppen, schopte voort, heeft voortgeschopt.

Voortschuiven, schoof voort, schoven voort, heeft en is voortgeschoven.

Voortslaan, sloeg voort, heeft en is voortgeslagen.

Voortsleepen, sleepte voort, heeft voortgesleept.

Voortslenteren, slenterde voort, is voortgeslenterd.

Voortsleuren, sleurde voort, heeft voortgesleurd.

Voortsluipen, sloop voort, slopen voort, is voortgeslopen.

Voortsnellen, snelde voort, is voortgesneld.

Voortspoeden, spoedde voort, is voortgespoed; ook spoedde zich voort,

heeft zich voortgespoed.

Voortspruiten, sproot voort, sproten voort, is voortgesproten.

Voortstappen, stapte voort, is en heeft voortgestapt.

Voortstoomen, stoomde voort, is voortgestoomd.

Voortstreven, streefde voort, is voortgestreefd.

Voortstrompelen, strompelde voort, is voortgestrompeld.

Voortstroomen, stroomde voort, is en heeft voortgestroomd.

Voortstudeeren, studeerde voort, heeft voortgestudeerd.

Voortstuiven, stoof voort, stoven voort, heeft en is voortgestoven.

Voortsturen, stuurde voort, heeft voortgestuurd.

Voortstuwen, stuwde voort, heeft voortgestuwd.

Voortsukkelen, sukkelde voort, heeft en is voortgesukkeld.

Voorttelen, teelde voort, heeft voortgeteeld.

Voortteling, V.

Voorttellen, telde voort, heeft voortgeteld.

Voorttrekken, trok voort, trokken voort, heeft en is voortgetrokken.

Voortvarend, -varender, -varendst.

Voortvarendheid, V.

Voortvertellen, vertelde voort, heeft voortverteld.

Voortvlieden, vlood voort, vloden voort, is voortgevloden.

Voortvliegen, vloog voort, vlogen voort, heeft en is voortgevlogen.

Voortvloeien, vloeide voort, is voortgevloeid.

Voortvluchtig.

Voortvragen, vraagde voort, heeft voortgevraagd; ook vroeg voort.

Voortwaaien, waaide voort, heeft en is voortgewaaid; ook woei voort,

woeien voort.

Voortwaggelen, waggelde voort, is voortgewaggeld.

Voortwandelen, wandelde voort, heeft en is voortgewandeld.

Voortwerpen, wierp voort, heeft voortgeworpen.

Voortwillen, wilde voort, heeft voortgewild.

Voortwoekeren, woekerde voort, heeft en is voortgewoekerd.

Voortzeggen, zeide voort, heeft voortgezegd en voortgezeid.

Voortzeilen, zeilde voort, heeft en is voortgezeild.

Voortzenden, zond voort, heeft voortgezonden.

Voortzetten, zette voort, heeft voortgezet.

Voortzetter, M., -zetters.

Voortzetting, V.

Voortzondigen, zondigde voort, heeft voortgezondigd.

Voortzweepen, zweepte voort, heeft voortgezweept.

Vooruit.

Vooruitbestellen, bestelde vooruit, heeft vooruitbesteld.

Vooruitbestelling, V., -bestellingen.

Vooruitbetalen, betaalde vooruit, heeft vooruitbetaald.

Vooruitbetaling, V., -betalingen.

Vooruitbrengen, bracht vooruit, heeft vooruitgebracht.

Vooruitdraven, draafde vooruit, is vooruitgedraafd.

Vooruitdrijven, dreef vooruit, dreven vooruit, heeft en is

vooruitgedreven.

Vooruitdringen, drong vooruit, heeft en is vooruitgedrongen.

Vooruitduwen, duwde vooruit, heeft vooruitgeduwd.

Vooruitgaan, gaat vooruit, ging vooruit, is vooruitgegaan.

Vooruitgang, M.

Vooruithebben, heeft vooruit, had vooruit, hadden vooruit, heeft

vooruitgehad.

Vooruithelpen, hielp vooruit, heeft vooruitgeholpen.

Vooruitijlen, ijlde vooruit, is vooruitgeijld.

Vooruitjagen, jaagde vooruit, heeft en is vooruitgejaagd; ook joeg

vooruit.

Vooruitkomen, komt vooruit, kwam vooruit, kwamen vooruit, is

vooruitgekomen.

Vooruitloopen, liep vooruit, is vooruitgeloopen.

Vooruitmaking, V., -makingen.

Vooruitnemen, nam vooruit, namen vooruit, heeft vooruitgenomen.

Vooruitraken, raakte vooruit, is vooruitgeraakt.

Vooruitreizen, reisde vooruit, is vooruitgereisd.

Vooruitrennen, rende vooruit, is vooruitgerend.

Vooruitrijden, reed vooruit, reden vooruit, is en heeft vooruitgereden.

Vooruitsnellen, snelde vooruit, is vooruitgesneld.

Vooruitsteken, stak vooruit, staken vooruit, heeft vooruitgestoken.

Vooruitstreven, streefde vooruit, is vooruitgestreefd.

Vooruitstrevend.

Vooruitvliegen, vloog vooruit, vlogen vooruit, is vooruitgevlogen.

Vooruitzeilen, zeilde vooruit, is vooruitgezeild.

Vooruitzenden, zond vooruit, heeft vooruitgezonden.

Vooruitzicht, O., -zichten.

Vooruitzien, zag vooruit, zagen vooruit, heeft vooruitgezien.

Vooruitziend.

Voorvader, M., -vaderen en -vaders.

Voorvaderlijk.

Voorval, O., -vallen; -valletje, O., -jes.

Voorvallen, viel voor, is voorgevallen.

Voorvechter, M., -vechters.

Voorvenster, O., -vensters.

Voorvertrek, O., -vertrekken; -vertrekje, O., -jes.

Voorvijl, V., -vijlen.

Voorvinger, M., -vingers.

Voorvlak, O., -vlakken.

Voorvliegen, vloog voor, vlogen voor, heeft en is voorgevlogen.

Voorvloed, M.

Voorvoegen, voegde voor, heeft voorgevoegd.

Voorvoeging, V.

Voorvoegsel, O., -voegsels.

Voorvoet, M., -voeten.

Voorvork, V., -vorken.

Voorwaar.

Voorwaarde, V., voorwaarden.

Voorwaardelijk.

Voorwaarts (bijw.).

Voorwaartsch (bnw.).

Voorwacht, V., -wachten.

Voorwagen, M., -wagens.

Voorwal, M., -wallen.

Voorwand, M., -wanden.

Voorwegen, woog voor, wogen voor heeft voorgewogen.

Voorwenden, wendde voor, heeft voorgewend.

Voorwending, V.

Voorwendsel, O., -wendsels en -wendselen; -wendseltje, O., -jes.

Voorwereld, V.

Voorwereldlijk.

Voorwerk, O.

Voorwerken, werkte voor, heeft voorgewerkt.

Voorwerker, M., -werkers.

Voorwerp, O., -werpen; -werpje, O., -jes.

Voorwerpen, wierp voor, heeft voorgeworpen.

Voorwerping, V.

Voorwerpsnaam, M., -namen.

Voorwerpszin, M., -zinnen.

Voorweten, O.

Voorwetend.

Voorwetendheid, V.

Voorwetenschap, V.

Voorwiel, O., -wielen.

Voorwimpel, M., -wimpels.

Voorwind, M.

Voorwinter, M., -winters; -wintertje, O., -jes.

Voorworp, M.

Voorzaal, V., -zalen.

Voorzaat, M., -zaten.

Voorzang, M., -zangen.

Voorzanger, M., -zangers en -zangeren.

Voorzangersambt, O.

Voorzangerschap, O.

Voorzeggen, zeide voor, heeft voorgezegd en voorgezeid; ook voorzeide,

heeft voorzegd en voorzeid.

Voorzegger, M., -zeggers.

Voorzegging, V., -zeggingen.

Voorzegster, V., -zegsters.

Voorzeil, O., -zeilen.

Voorzeiler, M., -zeilers.

Voorzeker.

Voorzet, M.

Voorzetsel, O., -zetsels.

Voorzetten, zette voor, heeft voorgezet.

Voorzichtig, -zichtiger, -zichtigst.

Voorzichtigheid, V.

Voorzichtigheidshalve.

Voorzien, voorzag, voorzagen, heeft voorzien.

Voorzienig.

Voorzienigheid, V.

Voorziening, V., -zieningen.

Voorzijde, V., -zijden.

Voorzingen, zong voor, heeft voorgezongen.

Voorzingen, O.

Voorzinger, M., -zingers.

Voorzitten, zat voor, zaten voor, heeft voorgezeten.

Voorzitter, M., -zitters en -zitteren.

Voorzitterschap, O.

Voorzittershamer, M., -hamers.

Voorzittersplaats, V., -plaatsen.

Voorzittersstoel, M., -stoelen.

Voorzitting, V.

Voorzolder, M., -zolders.

Voorzomer, M., -zomers.

Voorzoom, M., -zoomen.

Voorzoon, M., -zonen en -zoons.

Voorzorg, V., -zorgen.

Voorzorgsmaatregel, M., -maatregelen.

Voorzwemmen, zwom voor, zwommen voor, heeft en is voorgezwommen.

Voos, voozer.

Voosheid, V.

Vorderen (eischen), vorderde, heeft gevorderd.

Vorderen (voortkomen), vorderde, is gevorderd.

Vordering, V., vorderingen.

Vore. Zie Voor.

Voren en Voorn, M., vorens en voorns. Vorentje en voorntje, O., -jes.

Voren (Te -).

Vorenstaand.

Vorig.

Vork, V., vorken. Vorkje, O., -jes.

Vorm, M., vormen. Vormpje, O., -jes.

Vormbak, M., -bakken.

Vormbank, V., -banken.

Vormelijk, -lijker, -lijkst.

Vormelijkheid, V.

Vormeling, M. en V., vormelingen.

Vormen (den vorm geven), vormde, heeft gevormd.

Vormen (het vormsel toedienen), vormde, heeft gevormd.

Vormer, M., vormers.

Vorming, V., vormingen.

Vormkracht, V.

Vormleer, V.

Vormloos en Vormeloos, -looze.

Vormloosheid, V.

Vormnaad, M., -naden.

Vormoog, O., -oogen.

Vormraam, O., -ramen.

Vormschool, V., -scholen.

Vormsel, O.

Vormzand, O.

Vormzijde, V., -zijden.

Vorsch, M., vorschen. Vorschje, O., -jes.

Vorschen, vorschte, heeft gevorscht.

Vorst (heerscher), M., vorsten. Vorstje, O., -jes.

Vorst (van het dak), V., vorsten.

Vorst (koude), V. Vorstje, O., -jes.

Vorstelijk, -lijker, -lijkst.

Vorstendeugd, V., -deugden.

Vorstendom, O., vorstendommen.

Vorstengunst, V.

Vorstenhuis, O., -huizen.

Vorstenkroon, V., -kronen.

Vorstenlanden (mv.), O.

Vorstentelg, M. en V., -telgen.

Vorstenzoon, M., -zonen en -zoons.

Vorstin, V., vorstinnen.

Vorstvrij.

Vos, M., vossen. Vosje, O., -jes.

Voskleurig.

Vossekop, M., -koppen.

Vossengat, O., -gaten.

Vossenhaar, O.

Vossenhol, O., -holen.

Vossenjacht, V., -jachten.

Vossenjager, M., -jagers.

Vossenkuil, M., -kuilen.

Vossenval, V., -vallen.

Vossestaart, M., -staarten.

Vossevel, O., -vellen.

Votiefmis, V., -missen.

Votum, O., votums.

Vouw, V., vouwen. Vouwtje, O., -jes.

Vouwbeen, O., -beenen; -beentje, O., -jes.

Vouwblind, O., -blinden.

Vouwdeur, V., -deuren.

Vouwdoos, V., -doozen.

Vouwen, vouwde, heeft gevouwen.

Vouwer, M., vouwers.

Vouwing, V., vouwingen.

Vouwmachine, V., -machines.

Vouwster, V., vouwsters.

Vouwstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.

Vouwtafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.

Vraag, V., vragen. Vraagje, O., -jes.

Vraagachtig, -achtiger, -achtigst.

Vraagal, M. en V., vraagallen.

Vraagbaak, V., -baken.

Vraagpunt, O., -punten.

Vraagspel (vragen opgeven), O., -spelen.

Vraagspel (van kaartspelers), O., -spellen.

Vraagster, V., vraagsters.

Vraagstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.

Vraagteeken, O., -teekens.

Vraagwoord, O., -woorden.

Vraat, M., vraten. Vraatje, O., -jes.

Vraatachtig, -achtiger, -achtigst.

Vraatzucht, V.

Vraatzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.

Vracht, V., vrachten. Vrachtje, O. -jes.

Vrachtboot, V., -booten.

Vrachtbrief, M., -brieven.

Vrachtgeld, O.

Vrachtkar, V., -karren.

Vrachtloon, O., -loonen.

Vrachtpaard, O., -paarden.

Vrachtrijder, M., -rijders.

Vrachtschip, O., -schepen.

Vrachtschuit, V., -schuiten.

Vrachtslede, V., -sleden.

Vrachtvaarder, M., -vaarders.

Vrachtvaart, V.

Vrachtvrij.

Vrachtwagen, M., -wagens.

Vragen, vraagde, heeft gevraagd; ook vroeg.

Vragenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.

Vragenderwijze en -wijs.

Vrager, M., vragers.

Vrank, ook Frank (bnw.).

Vratig, vratiger, vratigst.

Vratigheid, V.

Vrede, M.

Vredebond, M., -bonden.

Vredebreuk, V.

Vredehandel, M.

Vredelievend, -lievender, -lievendst.

Vredelievendheid, V.

Vrederechter, M., -rechters.

Vredesconferentie, V., -conferenties.

Vredescongres, O., -congressen.

Vredesnaam (In -).

Vredesonderhandeling, V., -onderhandelingen.

Vredespaleis, O.

Vredespijp, V.

Vredestichter, M., -stichters.

Vredestijd, M.

Vredesverdrag, O., -verdragen.

Vredesvoorslag, M., -voorslagen.

Vredesvoorwaarde, V., -voorwaarden.

Vredig, vrediger, vredigst.

Vreedzaam, -zamer, -zaamst.

Vreedzaamheid, V.

Vreemd, vreemder, vreemdst.

Vreemde (In den -).

Vreemdelijk.

Vreemdeling, M. en V., vreemdelingen; V. ook vreemdelinge.

Vreemdelingenboek, O., -boeken.

Vreemdelingenverkeer, O.

Vreemdelingschap, O.

Vreemdelingsrecht, O.

Vreemdenlegioen, O., -legioenen.

Vreemdheid, V.

Vreemdigheid, V., -heden.

Vreemdsoortig, -soortiger, -soortigst.

Vreemdsoortigheid, V.

Vrees en Vreeze, V., vreezen.

Vreesachtig, -achtiger, -achtigst.

Vreesachtigheid, V., -heden.

Vreeselijk en Vreeslijk, -lijker, -lijkst.

Vreeselijkheid, V., -heden.

Vreetster, V., vreetsters.

Vreetwolf, M., -wolven.

Vreevuur, O., -vuren.

Vreezen, vreesde, heeft gevreesd.

Vrek, vrekker, vrekst.

Vrek, M., vrekken. Vrekje, O., -jes.

Vrekachtig, -achtiger, -achtigst.

Vrekachtigheid, V.

Vrekheid, V.

Vrekkig, vrekkiger, vrekkigst.

Vrekkigheid, V.

Vreten, vrat, vraten, heeft gevreten.

Vreter, M., vreters.

Vreterij, V.

Vreugde en Vreugd, V.

Vreugdebedrijf, O., -bedrijven.

Vreugdebetoon, O.

Vreugdedag, M., -dagen.

Vreugdeloos, -loozer.

Vreugdetraan, M., -tranen.

Vreugdevol, -volle.

Vreugdevuur, O., -vuren.

Vriend, ook Vrind, M., vrienden en vrinden. Vriendje en vrindje,

O., -jes.

Vriendelijk, -lijker, -lijkst.

Vriendelijkheid, V., -heden.

Vriendendienst, M., -diensten.

Vriendenfeest, O., -feesten.

Vriendengroet, M., -groeten.

Vriendenkring, M., -kringen.

Vriendenmaal, O., -malen.

Vriendhoudend, -houdender, -houdendst.

Vriendhoudendheid, V.

Vriendin, V., vriendinnen. Vriendinnetje, O., -jes.

Vriendinnenkring, M., -kringen.

Vriendlief, M.; -liefje, O.

Vriendschap, V., -schappen.

Vriendschappelijk, -lijker, -lijkst.

Vriendschappelijkheid, V.

Vriendschapsband, M., -banden.

Vriendschapsbeker, M., -bekers.

Vriendschapsbetoon, O.

Vriendschapsbetrekking, V., -betrekkingen.

Vriendschapsbetuiging, V., -betuigingen.

Vriendschapsdienst, M., -diensten.

Vriendschapsplicht, M., -plichten.

Vriendschapsverbond, O., -verbonden.

Vriespunt, O.

Vriesweder, en -weer, O.

Vriezen, vroor, heeft gevroren en gevrozen.

Vrij, vrijer, vrijst.

Vrijaf.

Vrijage, V., vrijages.

Vrijblijven, bleef vrij, bleven vrij, is vrijgebleven.

Vrijbrief, M., -brieven.

Vrijbuiten, vrijbuitte, heeft gevrijbuit.

Vrijbuiter, M., -buiters.

Vrijbuiterij, V., -buiterijen.

Vrijburg, M, -burgen.

Vrijdag, M., -dagen.

Vrijdagsch.

Vrijden en Vrijen (bevrijden), vrijdde en vrijde, heeft gevrijd.

Vrijdenker, M., vrijdenkers.

Vrijdenkerij, V.

Vrijdingen, dong vrij, heeft vrijgedongen.

Vrijdobbelen, dobbelde vrij, heeft en is vrijgedobbeld.

Vrijdom, M., vrijdommen.

Vrijelijk.

Vrijen (liefde betoonen), vrijde, heeft gevrijd; ook vree, vreeën,

heeft gevreeën.

Vrijen (bevrijden). Zie Vrijden.

Vrijer, M., vrijers. Vrijertje, O., -jes.

Vrijerij, V., vrijerijen. Vrijerijtje, O., -jes.

Vrijerschap, O.

Vrijgeboren.

Vrijgeest, M., -geesten.

Vrijgeesterij, V.

Vrijgelatene, M. en V., -gelatenen.

Vrijgeleibrief, M., -brieven.

Vrijgeleide, O.

Vrijgeven, gaf vrij, gaven vrij, heeft vrijgegeven.

Vrijgevig (mild), -geviger, -gevigst.

Vrijgevigheid, V.

Vrijgezel, M., -gezellen.

Vrijhandelstelsel, O.

Vrijhaven, V., -havens.

Vrijheer, M., -heeren.

Vrijheerlijk.

Vrijheerschap, O.

Vrijheid, V., -heden.

Vrijheidlievend.

Vrijheidminnend.

Vrijheidsboom, M., -boomen.

Vrijheidsgeest, M.

Vrijheidshoed, M., -hoeden.

Vrijheidsliefde, V.

Vrijheidsmaagd, V.

Vrijheidsmin, V.

Vrijheidsmuts, V., -mutsen.

Vrijheidszin, M.

Vrijheidszucht, V.

Vrijhouden, hield vrij, heeft vrijgehouden.

Vrijhuis, O., -huizen.

Vrijjaar, O., -jaren.

Vrijkaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.

Vrijkennen, kende vrij, heeft vrijgekend.

Vrijkenning, V.

Vrijkomen, komt vrij, kwam vrij kwamen vrij, is vrijgekomen.

Vrijkoop, M.

Vrijkoopen, kocht vrij, heeft vrijgekocht.

Vrijkooping, V., -koopingen.

Vrijkorps, O., -korpsen.

Vrijlaten, liet vrij, heeft vrijgelaten.

Vrijlating, V., -latingen.

Vrijleen, O., -leenen.

Vrijloopen, liep vrij, is vrijgeloopen.

Vrijlot, O., -loten; -lootje, O., -jes.

Vrijloten, lootte vrij, heeft en is vrijgeloot.

Vrijmachtig, -machtiger, -machtigst.

Vrijmachtigheid, V.

Vrijmaken, maakte vrij, heeft vrijgemaakt.

Vrijmaker, M., -makers.

Vrijmaking, V., -makingen.

Vrijmarkt, V., -markten.

Vrijmetselaar, M., vrijmetselaars en vrijmetselaren.

Vrijmetselaarsloge, V., -loges.

Vrijmetselarij, V.

Vrijmoedig, -moediger, -moedigst.

Vrijmoedigheid, V., -heden.

Vrijmoediglijk.

Vrijplaats, V., -plaatsen.

Vrijpleiten, pleitte vrij, heeft vrijgepleit.

Vrijpostig, -postiger, -postigst.

Vrijpostigheid, V.

Vrijspraak, V., -spraken.

Vrijspreken, sprak vrij, spraken vrij heeft vrijgesproken.

Vrijspreker, M., -sprekers.

Vrijspreking, V., -sprekingen.

Vrijstaan, staat vrij, stond vrij, heeft vrijgestaan.

Vrijstaat, M., -staten.

Vrijstad, V., -steden.

Vrijstellen, stelde vrij, heeft vrijgesteld.

Vrijstelling, V., -stellingen.

Vrijster, V., vrijsters. Vrijstertje, O., -jes.

Vrijsterschap, O.

Vrijuit.

Vrijvallen, viel vrij, is vrijgevallen.

Vrijvaren, voer vrij, heeft vrijgevaren.

Vrijvechten, vocht vrij, heeft vrijgevochten.

Vrijverklaren, verklaarde vrij, heeft vrijverklaard.

Vrijverklaring, V., -verklaringen.

Vrijvrouw, V., -vrouwen.

Vrijwaarder, M., -waarders.

Vrijwaren, vrijwaarde, heeft gevrijwaard.

Vrijwaring, V., -waringen.

Vrijwillig, -williger, -willigst.

Vrijwilliger, M., -willigers.

Vrijwilligerskorps, O., -korpsen.

Vrijwilligheid, V.

Vrijzinnig, -zinniger, -zinnigst.

Vrijzinnigheid, V.

Vrind. Zie Vriend.

Vroed, vroeder, vroedst.

Vroedheid, V.

Vroedkunde, V.

Vroedkundig.

Vroedkundige, M. en V., -kundigen.

Vroedmeester, M., -meesters.

Vroedschap (vergadering), V.; (een lid daarvan), M., -schappen.

Vroedschapsvergadering, V., -vergaderingen.

Vroedvrouw, V., -vrouwen.

Vroeg, vroeger, vroegst.

Vroegbeurt, V., -beurten.

Vroegdienst, M.

Vroegkerk, V.

Vroegmis, V., -missen.

Vroegpreek, V., -preeken.

Vroegrijp.

Vroegte, V.

Vroegtijdig, -tijdiger, -tijdigst.

Vroegtijdigheid, V.

Vromelijk.

Vromigheid, V.

Vroolijk, -lijker, -lijkst.

Vroolijkheid, V., -heden.

Vroom, vromer, vroomst.

Vroomheid, V.

Vroon, O., vroonen.

Vroongoed, O., -goederen.

Vroonheer, M., -heeren.

Vroonland, O., -landen.

Vroonrecht, O., -rechten.

Vroonvisscherij, V., -visscherijen.

Vroonwater, O., -wateren.

Vrouw, V., vrouwen. Vrouwtje, O., -jes.

Vrouwachtig, -achtiger, -achtigst.

Vrouwelijk.

Vrouwelijkheid, V.

Vrouwenaard, M.

Vrouwenarbeid, M.

Vrouwenbeul, M., -beulen.

Vrouwenbeweging, V.

Vrouwendag, M.

Vrouwendeugd, V.

Vrouwendienst, M.

Vrouwengek, M., -gekken.

Vrouwengestalte, V., -gestalten.

Vrouwenhaar, O.

Vrouwenhand, V., -handen.

Vrouwenhater, M., -haters.

Vrouwenhemd, O., -hemden.

Vrouwenhoed, M., -hoeden.

Vrouwenkiesrecht, O.

Vrouwenkleed, O., -kleederen.

Vrouwenkleeding, V.

Vrouwenklooster, O., -kloosters.

Vrouwenkracht, V.

Vrouwenliefde, V.

Vrouwenlist, V., -listen.

Vrouwenmelk, V.

Vrouwennaam, M., -namen.

Vrouwenregeering, V.

Vrouwenrok, M., -rokken.

Vrouwenroof, M.

Vrouwenschender, M., -schenders.

Vrouwenschennis, V.

Vrouwenschoen, M., -schoenen.

Vrouwenstem, V., -stemmen.

Vrouwenvertrek, O., -vertrekken.

Vrouwenwerk, O.

Vrouwenziekte, V., -ziekten.

Vrouwlief.

Vrouwmensch, O., -lieden en -lui.

Vrouwspersoon, O., -personen.

Vrouwtjelief, O.

Vrouwtjesappel, M., -appels.

Vrucht, V., vruchten. Vruchtje, O., -jes.

Vruchtbaar, -baarder, -baarst.

Vruchtbaarheid, V.

Vruchtbeginsel, O., -beginsels.

Vruchtboom, M., -boomen.

Vruchtdragend.

Vruchteloos, -loozer.

Vruchteloosheid, V.

Vruchtenmesje, O., -mesjes.

Vruchtenschaal, V., -schalen.

Vruchtenwijn, M.

Vruchtgebruik, O.

Vruchtgebruiker, M., -gebruikers.

Vuig, vuiger, vuigst.

Vuigheid, V.

Vuil, vuiler, vuilst.

Vuil, O.

Vuilaardig, -aardiger, -aardigst.

Vuilaardigheid, V., -heden.

Vuilbek, M. en V., -bekken.

Vuilbekken, vuilbekte, heeft gevuilbekt.

Vuilbekkerij, V.

Vuilegoedskist, V., -kisten.

Vuilegoedsmand, V., -manden.

Vuilheid, V., -heden.

Vuiligheid, V., -heden.

Vuilik, M., vuiliken. Vuilikje, O., -jes.

Vuilmaken, maakte vuil, heeft vuilgemaakt.

Vuilnis, V. (Verg. Vullis).

Vuilnisbak, M., -bakken.

Vuilnishoop, M., -hoopen.

Vuilniskar, V., -karren.

Vuilnisman, M., -mannen.

Vuilte, V.

Vuilverbranding, V.

Vuist, V., vuisten. Vuistje, O., -jes.

Vuistgevecht, O., -gevechten.

Vuistrecht, O.

Vuistslag, M., -slagen.

Vuistvechter, M., -vechters.

Vulgair.

Vulgariteit, V.

Vulgata, V.

Vulgus, O.

Vulhaar, O.

Vulhaard, M., -haarden.

Vulhout, O., -houten.

Vulkaan, M., vulkanen.

Vulkachel, V., -kachels.

Vulkanisch.

Vullen, vulde, heeft gevuld.

Vulling (het vullen), V.

Vulling (scheepsw.), V., vullings.

Vullingsgat, O., -gaten.

Vullingsplank, V., -planken.

Vullingsstuk, O., -stukken.

Vullis, O. (Verg. Vuilnis).

Vullisblik, O., -blikken.

Vullisvat, O., -vaten; -vaatje, O., -jes.

Vulpen, V., -pennen. Zie Vulpenhouder.

Vulpenhouder, M., -houders. Ook Vulpen.

Vulpomp, V., -pompen.

Vulsel, O., vulsels.

Vuns, vunzer.

Vunsheid, V.

Vunzig, vunziger, vunzigst.

Vunzigheid, V.

Vuren, vuurde, heeft gevuurd.

Vuren (bnw.).

Vurenhout, O.

Vurenhouten (bnw.).

Vurig, vuriger, vurigst.

Vurigheid, V., -heden.

Vuriglijk.

Vuring, V., vuringen.

Vuur, O., vuren. Vuurtje, O., -jes.

Vuuraanbidder, M., -aanbidders.

Vuurbaak, V., -baken.

Vuurdood, M.

Vuurdoop, M.

Vuurgevecht, O.

Vuurgloed, M.

Vuurhaard, M., -haarden.

Vuurhoudend.

Vuurkast, V., -kasten.

Vuurlak, O.

Vuurlander, M., -landers.

Vuurlijn, V.

Vuurmaker, M., -makers.

Vuurmand, V., -manden.

Vuurmond, M., -monden.

Vuurpijl, M., -pijlen.

Vuurpijlaffuit, V., -affuiten.

Vuurpijltoestel, M. en O., -toestellen.

Vuurplaat, V., -platen.

Vuurpoel, M.

Vuurproef, V., -proeven.

Vuurroer, O., -roers en -roeren.

Vuurrood, -roode.

Vuurscherm, O., -schermen.

Vuurschip, O., -schepen.

Vuurslag, O., -slagen.

Vuurspuwend.

Vuurstroom, M., -stroomen.

Vuurtest, V., -testen.

Vuurtoren, M., -torens.

Vuurvast.

Vuurvreter, M., -vreters.

Vuurwapen, O., -wapenen.

Vuurwerk, O., -werken.

Vuurwerker, M., -werkers.

Vuurwerkerij, V.

Vuurwerkmaker, M., -makers.

Vuurzee, V.

W

W., V., w's.

Waadbaar, -baarder, -baarst.

Waag (het wagen, waagstuk), M. (Een heele -).

Waag (weegtoestel), V., wagen.

Waaghals, M. en V., -halzen; -halsje, O., -jes.

Waaghalzerij, V., -halzerijen.

Waagmeester, M., -meesters.

Waagschaal, V.

Waagspel, O., -spelen.

Waagstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.

Waaien, waaide, heeft gewaaid; ook woei, woeien.

Waaier, M., waaiers. Waaiertje, O., -jes.

Waaierpalm, M., -palmen.

Waaiersluis, V., -sluizen.

Waaiervormig.

Waak, V., waken.

Waakhond, M., -honden.

Waakloon, O., -loonen.

Waaksch, waakscher, meest waaksch.

Waakster, V., waaksters.

Waakzaam, -zamer, -zaamst.

Waakzaamheid, V.

Waal (Luikerwaal), M., Walen.

Waal (rivier), V.

Waal (scheepsw.), V., walen.

Waalsch.

Waalsch, O.

Waalsteen (stofnaam), M.

Waalwortel, V.

Waan, M.

Waanwijs, -wijzer.

Waanwijsheid, V.

Waanzin, M.

Waanzinnig, -zinniger, -zinnigst.

Waar, V., waren.

Waar, ware.

Waar (bijw.).

Waaraan.

Waarachter.

Waarachtig, -achtiger, -achtigst.

Waarachtigheid, V.

Waarbij.

Waarborg, M., -borgen.

Waarborgen, waarborgde, heeft gewaarborgd.

Waarborgfonds, O., -fondsen.

Waarborging, V., -borgingen.

Waarborgkapitaal, O., -kapitalen.

Waarborgsom, V., -sommen.

Waarboven.

Waard, ook Woord en Woerd (mannetjeseend), M., waarden (woorden,

woerden). Waardje (woordje, woerdje), O., -jes.

Waard (kastelein), M., waarden.

Waard (ingedijkt land), V., waarden.

Waard, waarder, waardst.

Waarde, V., waarden.

Waardebepaling, V., -bepalingen.

Waardeerbaar, -bare.

Waardeerder, M., waardeerders.

Waardeeren, waardeerde, heeft gewaardeerd.

Waardeering, V., waardeeringen.

Waardeerster, V., waardeersters.

Waardeleer, V.

Waardeloos.

Waardeloosheid, V.

Waardevermindering, V.

Waardgelder, M., -gelders.

Waardig, waardiger, waardigst.

Waardigheid, V., -heden.

Waardiglijk.

Waardij, V.

Waardijn, M., waardijnen en waardijns.

Waardin, V., waardinnen. Waardinnetje, O., -jes.

Waardoor.

Waardschap, O., -schappen.

Waargeest, M., -geesten.

Waargoed, O.

Waarheen.

Waarheid, V., -heden.

Waarheidlievend.

Waarheidsliefde, V.

Waarheidszin, M.

Waarheidszucht, V.

Waarin.

Waarlangs.

Waarlijk.

Waarloos, -looze.

Waarmaken, maakte waar, heeft waargemaakt.

Waarmaking, V., -makingen.

Waarmede.

Waarmerk, O., -merken.

Waarmerken, waarmerkte, heeft gewaarmerkt.

Waarmerking, V.

Waarna.

Waarnaar.

Waarnaast.

Waarneembaar, -bare.

Waarneembaarheid, V.

Waarnemen, nam waar, namen waar, heeft waargenomen.

Waarnemer, M., -nemers.

Waarneming, V., -nemingen.

Waarnemingsvermogen, O.

Waarnevens.

Waarom.

Waaromheen.

Waaromstreeks.

Waaromtrent.

Waaronder.

Waarop.

Waarover.

Waarschap, M., -schappen.

Waarschijnlijk, -lijker, -lijkst.

Waarschijnlijkheid, V., -heden.

Waarschijnlijkheidsrekening, V.

Waarschuwen, waarschuwde, heeft gewaarschuwd.

Waarschuwer, M., -schuwers.

Waarschuwing, V., -schuwingen.

Waarschuwingsbord, O., -borden.

Waarteeken, O., -teekens.

Waarteekenen, waarteekende, heeft gewaarteekend.

Waartegen.

Waartegenover.

Waartoe.

Waaruit.

Waarvan.

Waarvoor.

Waarzeggen, zeide waar, heeft waargezegd en waargezeid.

Waarzegger, M., -zeggers.

Waarzeggerij, V., -zeggerijen.

Waarzegging, V., -zeggingen.

Waarzegster, V., -zegsters.

Waarzeil, O., -zeilen.

Waarzonder.

Waas, O. Waasje, O.

Wacht (een wachter), M., wachten.

Wacht (het wachthouden en de gezamenlijke wachters), V., wachten.

Wachtel, M., wachtels. Wachteltje, O., -jes.

Wachten, wachtte, heeft gewacht.

Wachter, M., wachters.

Wachtgeld, O., -gelden.

Wachthond, M., -honden.

Wachtkamer, V., -kamers.

Wachtmeester, M., -meesters.

Wachtplaats, V., -plaatsen.

Wachtpost, M., -posten.

Wachtsch, wachtscher, meest wachtsch.

Wachtschip, O., -schepen.

Wachttoren, M., -torens.

Wachtvuur, O., -vuren.

Wachtwoord, O., -woorden.

Wad, O., wadden.

Wade, V., waden.

Waden (door het water gaan), waadde, heeft en is gewaad.

Waden (lijkgewaad aandoen), waadde, heeft gewaad.

Wafel, V., wafels en wafelen. Wafeltje, O., -jes.

Wafelbakker, M., -bakkers.

Wafelijzer, O., -ijzers.

Wafelkraam, V., -kramen.

Wafelmeisje, O., -meisjes.

Wafelvormig.

Wagen, M., wagens. Wagentje, O., -jes.

Wagen, waagde, heeft gewaagd.

Wagenaar, M., wagenaars.

Wagenas, V., -assen.

Wagenhuis, O., -huizen.

Wagenhuur, V.

Wagenmaker, M., -makers.

Wagenmeester, M., -meesters.

Wagenmenner, M., -menners.

Wagenschot, O.

Wagenschotten (bnw.).

Wagensmeer, O.

Wagenspoor, O., -sporen.

Wagenvracht, V., -vrachten.

Wagenweg, M., -wegen.

Wagenwijd.

Wagenziek.

Waggelbeenen, waggelbeende, heeft gewaggelbeend.

Waggelen, waggelde, heeft en is gewaggeld.

Wagon, M., wagons.

Wagonlading, V., -ladingen.

Wak, O., wakken.

Wak, wakker, wakst.

Waken, waakte, heeft gewaakt.

Waker, M., wakers.

Wakersloon, O., -loonen.

Wakheid, V.

Wakker, wakkerder, wakkerst.

Wakkeren, wakkerde, is gewakkerd.

Wakkerheid, V.

Wal, M., wallen. Walletje, O., -jes.

Waldhoorn en Waldhoren, M., -hoorns en -horens.

Waldhoornist, M., -hoornisten.

Walen, waalde, heeft gewaald.

Walendistel, V., -distels.

Walengang, V.

Walg, V.

Walgang, V.

Walgen, walgde, heeft gewalgd.

Walging, V., walgingen.

Walglijk, -lijker, -lijkst.

Walglijkheid, V., -heden.

Walhalla, O.

Waling, V., walingen.

Walkant, M., -kanten.

Walken, walkte, heeft gewalkt.

Walker, M., walkers.

Walkhamer, M., -hamers.

Walking, V.

Walkmolen, M., -molens.

Walkplaats, V., -plaatsen.

Walkstok, M., -stokken.

Walm, M., walmen. Walmpje, O., -jes.

Walmen, walmde, heeft gewalmd.

Walmgat, O., -gaten.

Walmte, V.

Walnoot (boom), M.; (vrucht). V., -noten.

Walnotenboom, M., -boomen.

Walpoort, V., -poorten.

Walros en Walrus, M., -rossen en -russen.

Walrossenvangst, V.

Wals, V., walsen. Walsje, O., -jes.

Walschot, O.

Walsen, walste, heeft gewalst.

Walser, M., walsers.

Walseres, V., walseressen.

Walstempo, O.

Walstroo, O.

Walvisch, M., -visschen.

Walvischbaard, M., -baarden.

Walvischvaarder, M., -vaarders.

Walvischvangst, V.

Wam, V., wammen. Wammetje, O., -jes.

Wambuis, O., wambuizen. Wambuisje, O., -jes.

Wamen, waamde, heeft gewaamd.

Wammen, wamde, heeft gewamd.

Wammes, O.

Wan (wanmand), V., wannen.

Wan (scheepsw.), O., wannen.

Wanbedrijf, O., wanbedrijven.

Wanbegrip, O., wanbegrippen.

Wanbeheer, O.

Wanbeleid, O.

Wanbesef, O.

Wanbesluit, O., wanbesluiten.

Wanbestuur, O.

Wanbetaler, M., wanbetalers.

Wanbetaling, V., wanbetalingen.

Wanbof, M.

Wanboffen, wanbofte, heeft gewanboft.

Wanboffer, M., -boffers.

Wand, M., wanden.

Wandaad, V., wandaden.

Wandalmanak, M., -almanakken.

Wandel, M.

Wandelaar, M., wandelaars en wandelaren.

Wandelaarster, V., wandelaarsters.

Wandelbrug, V., -bruggen.

Wandeldek, O., -dekken.

Wandeldreef, V., -dreven.

Wandelen, wandelde, heeft en is gewandeld.

Wandelhoofd, O., -hoofden.

Wandeling, V., wandelingen. Wandelingetje, O., -jes.

Wandelkaart, V., -kaarten.

Wandelkostuum, O., -kostumen.

Wandelpad, O., -paden; -paadje, O., -jes.

Wandelplaats, V., -plaatsen.

Wandelrit, M., -ritten; -ritje, O., -jes.

Wandelstaf, M., -staven.

Wandelstok, M., -stokken; -stokje, O., -jes.

Wandeltoilet, O., -toiletten.

Wandelweder en Wandelweer, O.

Wandelweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes.

Wandgedierte, O.

Wandkalender, M., -kalenders.

Wandklok, V., -klokken.

Wandluis, V., -luizen.

Wandplaat, V., -platen.

Wandversiering, V., -versieringen.

Wanen, waande, heeft gewaand.

Wang, V., wangen. Wangetje, O., -jes.

Wangedrag, O., wangedragingen, V.

Wangedrocht, O., wangedrochten.

Wangeloof, O.

Wangeluid, O., wangeluiden.

Wangen, wangde, heeft gewangd.

Wangunst, V.

Wangunstig, wangunstiger, wangunstigst.

Wanhoop, V.

Wanhoopskreet, M., -kreten.

Wanhopen, wanhoopte, heeft gewanhoopt.

Wanhopend, wanhopender, wanhopendst.

Wanhopig, wanhopiger, wanhopigst.

Wanhout, O.

Wankant, M., wankanten.

Wankantig.

Wankel, wankeler, wankelst.

Wankelbaar, -baarder, -baarst.

Wankelbaarheid, V.

Wankelen, wankelde, heeft gewankeld.

Wankelheid, V.

Wankeling, V., wankelingen.

Wankelmoedig, -moediger, -moedigst.

Wankelmoedigheid, V.

Wanklank, M., wanklanken. Wanklankje, O., -jes.

Wanklinkend, wanklinkender, wanklinkendst.

Wankoers, M., wankoersen.

Wanluidend, wanluidender, wanluidendst.

Wanluidendheid, V.

Wanlust, M., wanlusten.

Wanlustig, wanlustiger, wanlustigst.

Wanmolen, M., -molens.

Wanneer.

Wannen, wande, heeft gewand.

Wanner, M., wanners.

Wanorde, V.

Wanordelijk, -lijker, -lijkst.

Wanschapen, wanschapener, wanschapenst.

Wanschapenheid, V.

Wanschepsel, O., wanschepsels.

Wansmaak, M., wansmaken. Wansmaakje, O., -jes.

Wansmakelijk, -lijker, -lijkst.

Wanspelling, V., wanspellingen.

Wanspraak, V.

Wanstaltig, wanstaltiger, wanstaltigst.

Wanstaltigheid, V.

Want (handschoen), V., wanten.

Wantje, O., -jes.

Want (visch- en scheepstuig), O.

Want (voegw.).

Wantaal, V.

Wanten (ww).

Wantij, O., wantijen.

Wantrouwen, O.

Wantrouwen, wantrouwde, heeft gewantrouwd.

Wantrouwig, wantrouwiger, wantrouwigst.

Wantrouwigheid, V.

Wantstrop, M., -stroppen.

Wanttalie, V., -talies.

Wanvangst, V.

Wanverhouding, V., -verhoudingen.

Wanvoeglijk, -lijker, -lijkst.

Wanvoeglijkheid, V., -heden.

Wanzijde, V., wanzijden.

Wapen (strijdtuig), O., wapenen en wapens.

Wapen (familieteeken), O., wapens.

Wapenboek, O., -boeken.

Wapenbord, O., -borden.

Wapenbroeder, M., -broeders.

Wapenen, wapende, heeft gewapend.

Wapenfabriek, V., -fabrieken.

Wapenfeit, O., -feiten.

Wapengekletter, O.

Wapenhandel, M.

Wapening, V., wapeningen.

Wapenkamer, V., -kamers.

Wapenkoning, M., -koningen.

Wapenkreet, M., -kreten.

Wapenkunde, V.

Wapenkundige, M., -kundigen.

Wapenmagazijn, O., -magazijnen.

Wapenoefening, V., -oefeningen.

Wapenplaats, V., -plaatsen.

Wapenpracht, V.

Wapenrok, M., -rokken.

Wapenrusting, V., -rustingen.

Wapenschild, O., -schilden.

Wapenschilder, M., -schilders.

Wapenschorsing, V., -schorsingen.

Wapenschouwing, V., -schouwingen.

Wapenstilstand, M.

Wapenstok, M., -stokken.

Wapentuig, O.

Wapper, M., wappers.

Wapperen, wapperde, heeft gewapperd.

War, V. (In de -).

Warande, V., waranden.

Warboel, M.

Warempel.

Waren, waarde, heeft gewaard.

Warenkennis, V.

Wargaren, O., -garens.

Wargeest, M., -geesten.

Warhoofd, M., en V., -hoofden.

Warhoop, M., -hoopen.

Waring, V., waringen.

Warklomp, M., -klompen.

Warkop, M., -koppen.

Warkruid, O.

Warm, warmer, warmst.

Warmbloedig.

Warmen, warmde, heeft gewarmd.

Warming, V.

Warmoes, O.

Warmoezenier, M., warmoezeniers en warmoezenieren.

Warmoezenierster, V., warmoezeniersters.

Warmoezier, M., warmoeziers en warmoezieren.

Warmpjes.

Warmte, V.

Warmtegeleider, M., -geleiders.

Warmtegraad, M., -graden.

Warmwaterbuis, V., -buizen.

Warmwaterkraan, V., -kranen.

Warnest, O., -nesten.

Warnet, O., -netten.

Warrel, M.

Warrelen, warrelde, heeft gewarreld.

Warreling, V., warrelingen.

Warrelklomp, M., -klompen.

Warrelwind, M., -winden.

Warren, warde, heeft geward.

Wars.

Warstruik, M., -struiken.

Wartaal, V.

Wartel, M., wartels.

Wartelblok, O., -blokken.

Wartelhaak, M., -haken.

Warziek, -zieker, -ziekst.

Was (groei), M.

Was (van bijen), O.

Wasachtig.

Wasbal, M., -ballen.

Wasch, V., wasschen. Waschje, O., -jes.

Waschbank, V., -banken.

Waschbeer, M., -beren.

Waschbekken, O., -bekkens.

Waschdag, M., -dagen.

Waschgeld, O.

Waschgoed, O.

Waschhok, O., -hokken.

Waschhuis, O., -huizen.

Waschinrichting, V., -inrichtingen.

Waschketel, M., -ketels.

Waschkom, V., -kommen.

Waschkuip, V., -kuipen.

Waschlijst, V., -lijsten.

Waschloon, O., -loonen.

Waschmachine, V., -machines.

Waschmand, V., -manden.

Waschster, V., waschsters.

Waschtafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.

Waschtobbe, V., -tobben.

Waschvat, O., -vaten.

Waschvrouw, V., -vrouwen.

Waschwater, O.

Waschzak, M., -zakken.

Wasdoek, O.

Wasdom, M.

Wasem, M., wasems.

Wasemen, wasemde, heeft gewasemd.

Waseming, V.

Wasgeel, -gele.

Waskaars, V., -kaarsen.

Waskleurig.

Waslicht, O., -lichten.

Wasschen, wiesch, wieschen, heeft gewasschen; ook waschte.

Wasscher, M., wasschers.

Wasscherij, V., wasscherijen.

Wassching, V., wasschingen.

Wassen (bnw.).

Wassen (met was bestrijken), waste, heeft gewast.

Wassen (groeien), wies, wiesen, is gewassen.

Wassenaar, M., wassenaars.

Wassenbeeldenspel, O., -spellen.

Wat.

Water, O., wateren en waters. Watertje, O., -jes.

Waterachtig, -achtiger, -achtigst.

Waterafvoer, M.

Waterbaars (als stofnaam), V.

Waterbak, M., -bakken.

Waterbed, O., -bedden.

Waterbloem, V., -bloemen.

Waterbouw, M.

Waterbouwkunde, V.

Waterbouwkundig.

Waterbouwkundige, M., -kundigen.

Waterbroodje, O., -jes.

Waterchocolade, V.

Waterdamp, M.

Waterdicht.

Waterdier, O., -dieren.

Waterdrager, M., -dragers.

Waterdruppel, M., -druppels.

Wateren, waterde, heeft gewaterd.

Water-en-vuurnering, V., -neringen.

Waterflesch, V., -flesschen.

Watergeus, M., -geuzen.

Watergezwel, O., -gezwellen.

Waterglas, O., -glazen.

Waterheld, M., -helden.

Waterhoen, O., -hoenders.

Waterhoofd, O., -hoofden.

Waterig, wateriger, waterigst.

Waterigheid, V.

Watering. Zie Wetering.

Waterkan, V., -kannen.

Waterkaraf, V., -karaffen.

Waterkeering, V., -keeringen.

Waterketel, M., -ketels.

Waterkoud.

Waterkraan, V., -kranen.

Waterkruik, V., -kruiken.

Waterkussen, O., -kussens.

Waterlaag, V., -lagen.

Waterlaars, V., -laarzen.

Waterlanders (mv.), M.

Waterlegger, M., -leggers.

Waterleiding, V., -leidingen.

Waterlelie, V., -leliën.

Waterlijn (niveau), V.

Waterlijn (in papier), V., -lijnen; -lijntje, O., -jes.

Waterlinie, V.

Waterloos, -looze.

Waterloozing, V.

Watermerk, O., -merken.

Watermolen, M., -molens.

Waterpartij, V., -partijen.

Waterpas, O., -passen.

Waterpas (bijw.).

Waterpassen, waterpaste, heeft gewaterpast.

Waterpassing, V., -passingen.

Waterplaats, V., -plaatsen.

Waterplant, V., -planten.

Waterplas, M., -plassen.

Waterpokken (mv.), V.

Waterpolitie, V.

Waterpoort, V., -poorten.

Waterpot, M., -potten.

Waterrat en -rot (dier), V.; (persoon), M.; -ratten en -rotten.

Waterrijk, -rijker, -rijkst.

Waterschaarschte, V.

Waterschap, O., -schappen.

Waterschapsbestuur, O., -besturen.

Waterschapsreglement, O., -reglementen.

Waterschoenen (mv.), M.

Waterschout, M., -schouten.

Waterschouw, V.

Watersnood, M.

Watersnoodpoëet, M., -poëten.

Waterspiegel, M.

Waterstaat, M.

Waterstaatsbelang, O., -belangen.

Waterstaatswerken (mv.), O.

Waterstand, M., -standen.

Waterstof, V.

Waterstoof, V., -stoven.

Waterstraal, M., -stralen.

Waterstroom, M., -stroomen.

Watertanden, watertandde, heeft gewatertand.

Watertocht, M., -tochten; -tochtje, O., -jes.

Waterton, V., -tonnen.

Watertoren, M., -torens.

Wateruurwerk, O., -uurwerken.

Waterval, M., -vallen.

Waterverf, V., -verven.

Waterverval, O.

Waterverversching, V.

Watervlak, O.

Watervlek, V., -vlekken.

Watervogel, M., -vogels.

Watervoorraad, M.

Watervrees, V.

Watervrij.

Waterweegkundige, M., -kundigen.

Waterweg, M., -wegen.

Waterwerken (mv.), O.

Waterwild, O.

Waterzak, M., -zakken.

Waterzeil, O., -zeilen.

Waterzonnetje, O.

Waterzucht, V.

Waterzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.

Watteeren, watteerde, heeft gewatteerd.

Watten (mv.), V. Watje, O., -jes.

Watten (bnw.).

Wattenfabriek, V., -fabrieken.

Wauw, wauwer, wauwst.

Wauwelaar, M., wauwelaars.

Wauwelaarster, V., wauwelaarsters.

Wauwelen, wauwelde, heeft gewauweld.

Web, O., webben.

Webbe, V. en O., webben. Webbetje, O. -jes.

Wed, O., wedden.

Wedde, V., wedden.

Wedden, wedde, heeft gewed.

Weddenschap, V., -schappen. Weddenschapje, O., -jes.

Wedder, M., wedders.

Weder en Weer (ram), M., weders en weeren.

Weder en Weer (luchtgesteldbeid), O. Weertje, O.

Weder en Weer, bijw. (Zoo ook in de meeste samenstellingen).

Wederantwoord, O., -antwoorden.

Wederantwoorden, antwoordde weder, heeft wedergeantwoord.

Wederbegeeren, begeerde weder, heeft wederbegeerd.

Wederbrengen, bracht weder, heeft wedergebracht.

Wederbrenger, M., -brengers.

Wederbrenging, V.

Wederdienst, M., -diensten.

Wederdoop, M.

Wederdooper, M., -doopers.

Wederdooperij, V.

Wederdoopster, V., -doopsters.

Wedereisch, M.

Wedereischen, eischte weder, heeft wedergeëischt.

Wedererlangen, erlangde weder, heeft wedererlangd.

Wederga. Zie Wedergade.

Wedergaaf en Wedergave, V.

Wedergade, ook Wederga en Weerga, V.

Wedergeboorte, V.

Wedergeboren.

Wedergeven, gaf weder, gaven weder, heeft wedergegeven.

Wedergroet, M.

Wedergroeten, groette weder, heeft wedergegroet.

Wedergunst, V.

Wederhalen, haalde weder, heeft wedergehaald.

Wederhelft, V., -helften.

Wederhouden, wederhield, heeft wederhouden.

Wederinstorting, V.

Wederkaatsen. Zie Weerkaatsen.

Wederkant. Zie Weerkant.

Wederkeer, M.

Wederkeeren, keerde weder, is wedergekeerd.

Wederkeerig.

Wederkeerigheid, V.

Wederkomen, komt weder, kwam weder, kwamen weder, is wedergekomen.

Wederkomst, V.

Wederkoopen, kocht weder, heeft wedergekocht.

Wederkrijgen, kreeg weder, kregen weder, heeft wedergekregen.

Wederlegbaar, -bare.

Wederlegbaarheid, V.

Wederleggen, wederlegde en wederleide, heeft wederlegd en wederleid.

Wederlegger, M., -leggers.

Wederlegging, V., -leggingen.

Wederleveren, leverde weder, heeft wedergeleverd.

Wederliefde, V.

Wedermin, V.

Wedernemen, nam weder, namen weder, heeft wedergenomen.

Wederom.

Wederontmoeting, V., -ontmoetingen.

Wederopbouw, M.

Wederopbouwing, V.

Wederoprichter, M., -oprichters.

Wederoprichting, V.

Wederopstanding, V.

Wederpartij, V., -partijen.

Wederpartijder, M., -partijders.

Wederrechtelijk, -lijker, -lijkst.

Wederrechtelijk (bijw.).

Wederrechtelijkheid, V.

Wederroepelijk.

Wederroepen, wederriep, heeft wederroepen.

Wederroeping, V.

Wederschelden, schold weder, heeft wedergescholden.

Wederspanneling, M. en V., -spannelingen. V. ook -spannelinge.

Wederspannig, -spanniger, -spannigst.

Wederspannigheid, V.

Wederspoed, M.

Wederspraak, V.

Wederspreken, wedersprak, wederspraken, heeft wedersproken.

Wederstaan, wederstaat, wederstond, heeft wederstaan.

Wederstand en Weerstand, M.

Wederstreven, wederstreefde, heeft wederstreefd.

Wederstrever, M., -strevers.

Wederstrevig, -streviger, -strevigst.

Wederstreving, V., -strevingen.

Wedersturen, stuurde weder, heeft wedergestuurd.

Wedervaren, wedervoer, is wedervaren.

Wedervaren, O.

Wedervergelden, vergold weder, heeft wedervergolden.

Wedervergelding, V.

Wederverkooper, M., -verkoopers.

Wederverschijning, V.

Wedervinden, vond weder, heeft wedergevonden.

Wedervraag, V.

Wederwaardigheid, V., -heden.

Wederwoord, O., -woorden.

Wederwraak, V.

Wederzenden, zond weder, heeft wedergezonden.

Wederzien, ziet weder, zag weder, zagen weder, heeft wedergezien.

Wederzijde, V.

Wederzijds (bijw.).

Wederzijdsch (bnw.).

Wedijver, M.

Wedijveren, wedijverde, heeft gewedijverd.

Wedloop, M., -loopen.

Wedloopen, O.

Wedlooper, M., -loopers.

Wedprijs, M., -prijzen.

Wedren, M., -rennen.

Wedster, V., wedsters.

Wedstrijd, M., -strijden.

Weduwe, ook Weduw en Weeuw, V., weduwen. Weeuwtje, O., -jes.

Weduwendracht, V.

Weduwenfonds en Weduwfonds, O., -fondsen.

Weduwenkas, V., -kassen.

Weduwgeld, O., -gelden.

Weduwgift, V., -giften.

Weduwjaar, O.

Weduwlijk.

Weduwnaar en Weeuwenaar, M., weduwnaars en weeuwenaars.

Weduwschap, O.

Weduwstaat, M.

Weduwvrouw, V., -vrouwen.

Wee, O., weeën.

Wee (bnw.).

Wee (tusschenw.).

Weedasch, V.

Weede, V.

Weedom, M.,

Weefgetouw, O., -getouwen.

Weefkunst, V.

Weefloon, O., -loonen.

Weefsel, O., weefsels en weefselen.

Weefster, V., weefsters.

Weefstoel, M., -stoelen.

Weegblad, O.

Weegbree, V.

Weegbrug, V., -bruggen.

Weegglas, O., -glazen.

Weegkunde, V.

Weegloon, O., -loonen.

Weegluis, V., -luizen; -luisje, O., -jes.

Weegschaal, V., -schalen; -schaaltje, O., -jes.

Weegsteen, M., -steenen.

Weegstempel, M., -stempels.

Weeheid, V.

Week (het weeken), V.

Week (zeven dagen), V., weken. Weekje, O., -jes.

Week (week gedeelte), O.

Week, weeker, weekst.

Weekbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.

Weekbakken.

Weekbericht, O., -berichten.

Weekbeurt, V., -beurten.

Weekblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.

Weekboekje, O., -boekjes.

Weekbriefje, O., -briefjes.

Weekdarm, M., -darmen.

Weekdier, O., -dieren.

Weekelijk, -lijker, -lijkst.

Weekelijkheid, V.

Weekeling, M. en V., weekelingen. V. ook weekelinge.

Weeken, weekte, heeft en is geweekt.

Weekgeld, O., -gelden.

Weekhartig, -hartiger, -hartigst.

Weekhartigheid, V.

Weekheid, V.

Weekhoevig.

Weeklacht, V., -klachten.

Weeklagen, weeklaagde, heeft geweeklaagd.

Weekloon, O., -loonen.

Weekmaken, maakte week, heeft weekgemaakt.

Weekmarkt, V., -markten.

Weekstaat, M., -staten.

Weelde, V., weelden.

Weelderig, weelderiger, weelderigst.

Weelderigheid, V.

Weeldig, weeldiger, weeldigst.

Weemoed, M.

Weemoedig, -moediger, -moedigst.

Weemoedigheid, V.

Weenen, weende, heeft geweend.

Weening, V.

Weepsch, weepscher, meest weepsch.

Weepschheid, V.

Weer (ram). Zie Weder.

Weer (wering), V.

Weer (luchtsgesteldheid). Zie Weder.

Weer (bijw.). Zie Weder.

Weerbaar, -baarder, -baarst.

Weerbaarheid, V.

Weerbaarheidsbond, O.

Weerbarstig, -barstiger, -barstigst.

Weerbarstigheid, V.

Weerbericht, O., -berichten.

Weerdruk, M.

Weerga, V.

Weergaasch, weergasche.

Weergal, V., -gallen.

Weergalm, M.

Weergalmen, weergalmde, heeft weergalmd.

Weergaloos, -looze.

Weergeld, O.

Weerglans, M.

Weerglas, O., -glazen.

Weerhaak, M., -haken; -haakje, O., -jes.

Weerhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.

Weerhanerij, V.

Weerhuisje, O., -jes.

Weerkaatsen, weerkaatste, heeft weerkaatst.

Weerkaatsing, V.

Weerkant en Wederkant, M.

Weerkauwen, weerkauwde, heeft weerkauwd.

Weerklank, M.

Weerklinken, weerklonk, heeft weerklonken.

Weerkunde, V.

Weerkundig.

Weerkundige, M. en V., -kundigen.

Weerlicht (natuurverschijnsel), O.

Weerlicht, V. (Naar de - en Als de -).

Weerlichten, weerlichtte, heeft geweerlicht.

Weerlichts (bijw.).

Weerlichtsch (bnw.).

Weerloos, -loozer.

Weerloosheid, V.

Weeromreis, V., -reizen.

Weeromstuit, M.

Weerpijn, V., -pijnen.

Weerplicht, M.

Weerplichtig.

Weerplichtigheid, V.

Weerprofeet, M., -profeten.

Weerschijn, M. Weerschijntje, O., -jes.

Weerschijnen, weerscheen, weerschenen, heeft weerschenen.

Weerschijnsel, O., -schijnsels.

Weersgesteldheid, V., -heden.

Weerskanten (Van - of Aan -).

Weerslag, M., -slagen.

Weersmaak, M.

Weerspannig, -spanniger, -spannigst.

Weerspannigheid, V.

Weerspiegelen, weerspiegelde, heeft weerspiegeld.

Weerstand, M.

Weerstroom, M.

Weerstuit, M.

Weersverandering, V., -veranderingen.

Weerszijden (Van - of Aan -).

Weertafel, V., -tafels.

Weertij, O., -tijen.

Weervloed, M.

Weervoorspeller, M., -voorspellers.

Weerwijs, -wijze.

Weerwijzer, M., -wijzers.

Weerwil, M. (In -).

Weerwolf, M., -wolven.

Weerwolfsziekte, V.

Weerziek, -zieker, -ziekst.

Weerzin, M.

Wees, M. en V., weezen. V. ook weeze. Weesje, O., -jes.

Weesburger, M., -burgers; V. -burgeres, -burgeressen.

Wees-gegroet, O.

Weeshuis, O., -huizen.

Weesje (prieeltje), O., -jes.

Weesjongen, M., -jongens.

Weeskamer, V., -kamers.

Weeskind, O., -kinderen.

Weesmeester, M., -meesters en -meesteren.

Weesmeisje, O., -meisjes.

Weesmoeder, V., -moeders.

Weesvader, M., -vaders.

Weet, V. Weetje, O.

Weetal, M. en V., weetallen.

Weetgierig, -gieriger, -gierigst.

Weetgierigheid, V.

Weetgraag, -grager, -graagst.

Weetlust, M.

Weetniet, M. en V., weetnieten.

Weeuw. Zie Weduwe.

Weeuwenaar. Zie Weduwnaar.

Weeuwenaarsbotje, O.

Weeuwenaarspijn, V.

Weeuwkrop, V., -kroppen.

Weeuwplant, V., -planten.

Weeuwtje. Zie Weduwe.

Weezenfonds, O., -fondsen.

Weg, M., wegen. Wegje, O., -jes.

Weg (bijw.).

Wegbannen, bande weg, heeft weggebannen.

Wegbergen, borg weg, heeft weggeborgen.

Wegbijten, beet weg, beten weg, heeft en is weggebeten.

Wegblazen, blies weg, bliezen weg, heeft weggeblazen.

Wegblijven, bleef weg, bleven weg, is weggebleven.

Wegboegseeren, boegseerde weg, heeft weggeboegseerd.

Wegborstelen, borstelde weg, heeft weggeborsteld.

Wegbranden, brandde weg, heeft en is weggebrand.

Wegbreken, brak weg, braken weg, heeft en is weggebroken.

Wegbreking, V.

Wegbrengen, bracht weg, heeft weggebracht.

Wegcijferen, cijferde weg, heeft weggecijferd.

Wegdampen, dampte weg, is weggedampt.

Wegdenken, dacht weg, heeft weggedacht.

Wegdieven, diefde weg, heeft weggediefd.

Wegdoen, deed weg, deden weg, heeft weggedaan.

Wegdooien, dooide weg, is weggedooid.

Wegdragen, droeg weg, heeft weggedragen.

Wegdraven, draafde weg, is weggedraafd.

Wegdrijven, dreef weg, dreven weg, heeft en is weggedreven.

Wegdringen, drong weg, heeft en is weggedrongen.

Wegdrogen, droogde weg, is weggedroogd.

Wegdruipen, droop weg, dropen weg, is weggedropen.

Wegdrukken, drukte weg, heeft weggedrukt.

Wegduiken, dook weg, doken weg, is weggedoken.

Wegduwen, duwde weg, heeft weggeduwd.

Wegdwalen, dwaalde weg, is weggedwaald.

Wegedoorn en Wegedoren, V.

Wegen, woog, wogen, heeft gewogen.

Wegens.

Weger (plank), M., wegers. Ook Weeger.

Wegeren, wegerde, heeft gewegerd. Ook Weegeren.

Wegering, V. Ook Weegering.

Wegfrommelen, frommelde weg, heeft weggefrommeld.

Weggaan, gaat weg, ging weg, is weggegaan.

Weggaloppeeren, galoppeerde weg, is weggegaloppeerd.

Wegge, V., weggen. Weggetje, O., -jes.

Weggeven, gaf weg, gaven weg, heeft weggegeven.

Weggieten, goot weg, goten weg, heeft weggegoten.

Wegglijden, gleed weg, gleden weg, is weggegleden.

Weggoochelen, goochelde weg, heeft weggegoocheld.

Weggooien, gooide weg, heeft weggegooid.

Weggraven, groef weg, groeven weg, heeft weggegraven.

Weggraving, V.

Weggrijpen, greep weg, grepen weg, heeft weggegrepen.

Weghakken, hakte weg, heeft weggehakt.

Weghakking, V.

Weghalen, haalde weg, heeft weggehaald.

Weghaling, V.

Wegharken, harkte weg, heeft weggeharkt.

Weghebben, heeft weg, had weg, hadden weg, heeft weggehad.

Weghelpen, hielp weg, heeft weggeholpen.

Weghouwen, hieuw weg, heeft weggehouwen.

Weghuppelen, huppelde weg, is weggehuppeld.

Wegijlen, ijlde weg, is weggeijld.

Weging, V., wegingen.

Wegjagen, jaagde weg, heeft weggejaagd; ook joeg weg.

Wegkaatsen, kaatste weg, heeft weggekaatst.

Wegkabbelen, kabbelde weg, heeft en is weggekabbeld.

Wegkankeren, kankerde weg, is weggekankerd.

Wegkankering, V.

Wegkapen, kaapte weg, heeft weggekaapt.

Wegknippen, knipte weg, heeft weggeknipt.

Wegkomen, komt weg, kwam weg, kwamen weg, is weggekomen.

Wegkrabbelen, krabbelde weg, heeft weggekrabbeld.

Wegkrabben, krabde weg, heeft weggekrabd.

Wegkrijgen, kreeg weg, kregen weg, heeft weggekregen.

Wegkrimpen, kromp weg, is weggekrompen.

Wegkruien, krooi weg, krooien weg, heeft en is weggekrooien; ook

kruide weg, heeft en is weggekruid.

Wegkruipen, kroop weg, kropen weg, is weggekropen.

Wegkunnen, kan weg, kunnen weg, konde of kon weg, gij kondt weg,

konden weg, heeft weggekund.

Wegkwijnen, kwijnde weg, is weggekwijnd.

Wegkwijning, V.

Weglaten, liet weg, heeft weggelaten.

Weglating, V., -latingen.

Wegleggen, legde weg en leide weg, heeft weggelegd en weggeleid.

Wegleiden, leidde weg, heeft weggeleid.

Wegleiding, V.

Weglokken, lokte weg, heeft weggelokt.

Wegloopen, liep weg, is weggeloopen.

Wegmaaien, maaide weg, heeft weggemaaid.

Wegmaaiing, V.

Wegmaken, maakte weg, heeft weggemaakt.

Wegmalen, maalde weg, heeft weggemalen.

Wegmaling, V.

Wegmarcheeren, marcheerde weg, is weggemarcheerd.

Wegmarcheering, V.

Wegmoffelen, moffelde weg, heeft weggemoffeld.

Wegmolmen, molmde weg, is weggemolmd.

Wegnemen, nam weg, namen weg, heeft weggenomen.

Wegneming, V.

Wegpakken, pakte weg, heeft weggepakt.

Wegpleisteren, pleisterde weg, heeft weggepleisterd.

Wegplukken, plukte weg, heeft weggeplukt.

Wegpraten, praatte weg, heeft weggepraat.

Wegraken, raakte weg, is weggeraakt.

Wegrapen, raapte weg, heeft weggeraapt.

Wegredeneeren, redeneerde weg, heeft weggeredeneerd.

Wegreizen, reisde weg, is weggereisd.

Wegrekenen, rekende weg, heeft weggerekend.

Wegrijden, reed weg, reden weg, heeft en is weggereden.

Wegroeien, roeide weg, heeft en is weggeroeid.

Wegroepen, riep weg, heeft weggeroepen.

Wegroesten, roestte weg, is weggeroest.

Wegrollen, rolde weg, heeft en is weggerold.

Wegrooven, roofde weg, heeft weggeroofd.

Wegrotten, rotte weg, is weggerot.

Wegrotting, V.

Wegruimen, ruimde weg, heeft weggeruimd.

Wegruiming, V.

Wegrukken, rukte weg, heeft en is weggerukt.

Wegschaven, schaafde weg, heeft weggeschaafd.

Wegschenken, schonk weg, heeft weggeschonken.

Wegschenking, V.

Wegscheppen, schepte weg, heeft weggeschept.

Wegscheren (scherende wegnemen), schoor weg, schoren weg, heeft

weggeschoren.

Wegscheren (zich -), (wegpakken), scheerde zich weg, heeft zich

weggescheerd.

Wegscheuren, scheurde weg, heeft en is weggescheurd.

Wegschieten, schoot weg, schoten weg, heeft en is weggeschoten.

Wegschillen, schilde weg, heeft weggeschild.

Wegschoffelen, schoffelde weg, heeft weggeschoffeld.

Wegschoppen, schopte weg, heeft weggeschopt.

Wegschrabben, schrabde weg, heeft weggeschrabd.

Wegschrapen, schraapte weg, heeft weggeschraapt.

Wegschrappen, schrapte weg, heeft weggeschrapt.

Wegschudden, schudde weg, heeft weggeschud.

Wegschuieren, schuierde weg, heeft weggeschuierd.

Wegschuilen, school weg, scholen weg, is weggescholen.

Wegschuimen, schuimde weg, heeft weggeschuimd.

Wegschuiven, schoof weg, schoven weg, heeft en is weggeschoven.

Wegschuiving, V.

Wegschuren, schuurde weg, heeft en is weggeschuurd.

Wegschuring, V.

Wegsijpelen, sijpelde weg, is weggesijpeld.

Wegsjouwen, sjouwde weg, heeft weggesjouwd.

Wegslaan, slaat weg, sloeg weg, heeft en is weggeslagen.

Wegsleepen, sleepte weg, heeft weggesleept.

Wegsleepend, -sleepender, -sleependst.

Wegslenteren, slenterde weg, is weggeslenterd.

Wegslijten, sleet weg, sleten weg, is weggesleten.

Wegslijting, V.

Wegslingeren, slingerde weg, heeft en is weggeslingerd.

Wegslinken, slonk weg, is weggeslonken.

Wegsluipen, sloop weg, slopen weg, is weggeslopen.

Wegsluiten, sloot weg, sloten weg, heeft weggesloten.

Wegsluiting, V.

Wegsmelten, smolt weg, is weggesmolten.

Wegsmelting, V.

Wegsmijten, smeet weg, smeten weg, heeft weggesmeten.

Wegsnappen, snapte weg, heeft en is weggesnapt.

Wegsnellen, snelde weg, is weggesneld.

Wegsnijden, sneed weg, sneden weg, heeft weggesneden.

Wegsnijding, V.

Wegsnoeien, snoeide weg, heeft weggesnoeid.

Wegsnoeiing, V.

Wegsnorren, snorde weg, is weggesnord.

Wegspatten, spatte weg, is weggespat.

Wegspoeden, spoedde weg, is weggespoed.

Wegspoelen, spoelde weg, heeft en is weggespoeld.

Wegspoeling, V.

Wegsporen, spoorde weg, is weggespoord.

Wegspringen, sprong weg, is weggesprongen.

Wegstappen, stapte weg, is weggestapt.

Wegsteken, stak weg, staken weg, heeft weggestoken.

Wegstelen, stal weg, stalen weg, heeft weggestolen.

Wegsterven, stierf weg, stierven weg, is weggestorven.

Wegstommelen, stommelde weg, heeft weggestommeld.

Wegstompen, stompte weg, heeft weggestompt.

Wegstoomen, stoomde weg, is weggestoomd.

Wegstooten, stiet weg, heeft weggestooten; ook stootte weg.

Wegstoppen, stopte weg, heeft weggestopt.

Wegstormen, stormde weg, heeft en is weggestormd.

Wegstrijken, streek weg, streken weg, heeft en is weggestreken.

Wegstrooien, strooide weg, heeft weggestrooid.

Wegstroopen, stroopte weg, heeft weggestroopt.

Wegstuiven, stoof weg, stoven weg, is weggestoven.

Wegsturen, stuurde weg, heeft weggestuurd.

Wegstuwen, stuwde weg, heeft weggestuwd.

Wegsukkelen, sukkelde weg, is weggesukkeld.

Wegtimmeren, timmerde weg, heeft weggetimmerd.

Wegtooveren, tooverde weg, heeft weggetooverd.

Wegtrappen, trapte weg, heeft weggetrapt.

Wegtrekken, trok weg, trokken weg, heeft en is weggetrokken.

Wegtroonen, troonde weg, heeft weggetroond.

Wegvallen, viel weg, is weggevallen.

Wegvaren, voer weg, heeft en is weggevaren.

Wegvegen, veegde weg, heeft weggeveegd.

Wegvijlen, vijlde weg, heeft weggevijld.

Wegvisschen, vischte weg, heeft weggevischt.

Wegvlieden, vlood weg, vloden weg, is weggevloden.

Wegvliegen, vloog weg, vlogen weg is weggevlogen.

Wegvloeien, vloeide weg, is weggevloeid.

Wegvluchten, vluchtte weg, is weggevlucht.

Wegvoeren, voerde weg, heeft weggevoerd.

Wegvoering, V.

Wegvreten, vrat weg, vraten weg, heeft en is weggevreten.

Wegwaaien, waaide weg, heeft en is weggewaaid; ook woei weg,

woeien weg.

Wegwandelen, wandelde weg, is weggewandeld.

Wegwasschen, wiesch weg, wieschen weg, heeft weggewasschen.

Wegwedstrijd, M., -wedstrijden.

Wegwenschen, wenschte weg, heeft weggewenscht.

Wegwentelen, wentelde weg, heeft weggewenteld.

Wegwerken, werkte weg, heeft weggewerkt.

Wegwerker, M., -werkers.

Wegwerking, V.

Wegwerpen, wierp weg, heeft weggeworpen.

Wegwerping, V.

Wegwillen, wilde weg, heeft weggewild.

Wegwippen, wipte weg, is weggewipt.

Wegwisschen, wischte weg, heeft weggewischt.

Wegwrijven, wreef weg, wreven weg, heeft weggewreven.

Wegzagen, zaagde weg, heeft weggezaagd.

Wegzakken, zakte weg, is weggezakt.

Wegzeilen, zeilde weg, is weggezeild.

Wegzenden, zond weg, heeft weggezonden.

Wegzending, V.

Wegzetten, zette weg, heeft weggezet.

Wegzijgen, zeeg weg, zegen weg, is weggezegen.

Wegzinken, zonk weg, is weggezonken.

Wegzwemmen, zwom weg, zwommen weg, is weggezwommen.

Wegzweven, zweefde weg, is weggezweefd.

Wei (veld). Zie Weide.

Wei (hui), V.

Weiachtig, -achtiger, -achtigst.

Weiachtigheid, V.

Weide en Wei, V., weiden.

Weidegrond, M., -gronden.

Weiden (grazen en hoeden), weidde, heeft geweid.

Weider, M., weiders.

Weiderij, V., weiderijen.

Weiding, V., weidingen.

Weidmes en Weimes, O., -messen.

Weidsch, weidscher, meest weidsch.

Weidschheid, V.

Weifelaar, M., weifelaars en weifelaren.

Weifelachtig, -achtiger, -achtigst.

Weifelen, weifelde, heeft geweifeld.

Weifeling, V., weifelingen.

Weifelmoedig, -moediger, -moedigst.

Weifelmoedigheid, V.

Weigeld, O.

Weigeraar, M., weigeraars en weigeraren.

Weigerachtig, -achtiger, -achtigst.

Weigeren, weigerde, heeft geweigerd.

Weigerig.

Weigering, V., weigeringen.

Weigroen, O.

Weikaas, V., -kazen.

Weiland, O., -landen.

Weiman, M., -lieden en -lui.

Weimes. Zie Weidmes.

Weinig, minder, minst.

Weinigje, O.

Weit, V.

Weitasch, V., -tasschen.

Weitebrood, O., -brooden.

Weitekoek, M., -koeken.

Weitemeel, O.

Wekelijks (bijw.).

Wekelijksch (bnw.).

Wekken, wekte, heeft gewekt.

Wekker, M., wekkers. Wekkertje, O., -jes.

Wekkerklok, V., -klokken; -klokje, O., -jes.

Wekstem, V., -stemmen.

Wekster, V., weksters.

Wel, V., wellen. Welletje, O., -jes.

Wel, beter, best.

Welaan.

Welbearbeid.

Welbebouwd.

Welbedacht.

Welbegrepen.

Welbehaaglijk.

Welbehagen, O.

Welbeklant.

Welbekomen, O.

Welbekookt.

Welbemand.

Welbemind.

Welberaamd.

Welberaden.

Welbereid.

Welbespraakt, -bespraakter, -bespraaktst.

Welbespraaktheid, V.

Welbesteed.

Welbevolkt.

Welbewaakt.

Welbewerkt.

Welbewoond.

Welbezeild, -bezeilder, -bezeildst.

Welbezeildheid, V.

Welbezocht.

Welboot, V., -booten.

Weldaad, V., -daden.

Weldadig, -dadiger, -dadigst.

Weldadigheid, V., -heden.

Weldadigheidsbazar, M., -bazars.

Weldadigheidsconcert, O., -concerten.

Weldoen, doet wel, deed wel, deden wel, heeft welgedaan.

Weldoen, O.

Weldoener, M., -doeners.

Weldoenster, V., -doensters.

Weldoordacht.

Weldoorkneed, -doorknede.

Weldoortimmerd.

Weldoorvoed.

Weldra.

Weledel.

Weledelachtbaar.

Weledelgeboren.

Weledelgestreng.

Weledelheid, V., -heden.

Weledelzeergeleerd.

Weleer.

Weleerwaard.

Weleerwaardig.

Welfsel, O., welfselen en welfsels.

Welgaan, gaat wel, ging wel, heeft welgegaan.

Welgat, O., -gaten.

Welgeaard.

Welgeboren.

Welgebouwd.

Welgedaan, -gedaner, -gedaanst.

Welgedaanheid, V.

Welgegoed, -gegoeder, -gegoedst.

Welgegrond.

Welgelegen, -gelegener, -gelegenst.

Welgeliefd.

Welgelijkend.

Welgelukken, O.

Welgelukkig.

Welgelukzalig.

Welgemaakt, -gemaakter, -gemaaktst.

Welgemaaktheid, V.

Welgemanierd, -gemanierder, -gemanierdst.

Welgemanierdheid, V.

Welgemeend.

Welgemoed.

Welgemoedheid, V.

Welgemutst.

Welgeordend.

Welgeschapen.

Welgeslaagd.

Welgesteld, -gestelder, -gesteldst.

Welgesteldheid, V.

Welgetroffen.

Welgevallen, O.

Welgevallig, -gevalliger, -gevalligst.

Welgevalligheid, V.

Welgevormd.

Welgezind, -gezinder, -gezindst.

Welgezindheid, V.

Welgrond, M., -gronden.

Welhaast.

Welig, weliger, weligst.

Weligheid, V.

Welingericht.

Wel is waar.

Welk.

Welkom, meer - en meest -.

Welkomst, V.

Welkomstgroet, M., -groeten.

Welkomstlied, O., -liederen.

Welkomthuis (geschenk), O. Welkomthuisje, O., -jes.

Wellen (koken), welde, heeft geweld.

Wellen (smidsw.), welde, heeft geweld.

Wellen (opborrelen), welde, is geweld.

Wellevend, -levender, -levendst.

Wellevendheid, V.

Wellicht.

Welling, V., wellingen.

Welluidend, -luidender, -luidendst.

Welluidendheid, V.

Welluidendheidshalve.

Wellust, M., -lusten.

Wellusteling, M. en V., -lustelingen.

Wellustig, -lustiger, -lustigst.

Wellustigheid, V., -heden.

Welmeenend, -meenender, -meeendst.

Welmeenendheid, V.

Welnemen, O.

Welnu.

Welonderwezen.

Welopgevoed, -gevoeder, -gevoedst.

Welp, O., welpen. Welpje, O., -jes.

Welpomp, V., -pompen.

Welput, M., -putten.

Welriekend, -riekender, -riekendst.

Welriekendheid, V.

Welslagen, O.

Welsmakend.

Welsprekend, -sprekender, -sprekendst.

Welsprekendheid, V.

Welstaan, staat wel, stond wel, heeft welgestaan.

Welstaanshalve.

Welstand, M.

Welste (Van je -).

Weltevreden.

Welvaart, V.

Welvaren, O.

Welvaren, voer wel, heeft welgevaren.

Welvarend, -varender, -varendst.

Welvarendheid, V.,

Welven, welfde, heeft gewelfd,

Welverbonden.

Welvereenigd.

Welverschanst.

Welversierd.

Welversneden.

Welverstaande.

Welversterkt.

Welving, V., welvingen.

Welvoeglijk, -lijker, -lijkst.

Welvoeglijkheid, V., -heden.

Welvoorzien.

Welwater, O.

Welwijs, -wijze.

Welwillend, -willender, -willendst.

Welwillendheid, V., -heden.

Welzalig.

Welzand, O.

Welzijn, O.

Wem, M., wemmen.

Wemelen, wemelde, heeft gewemeld.

Wen, V., wennen. Wennetje, O., -jes.

Wen (voegw.).

Wenden, wendde, heeft gewend.

Wending, V., wendingen.

Wenk, M., wenken. Wenkje, O., -jes.

Wenkbrauw, V., -brauwen; -brauwtje, O., -jes.

Wenken, wenkte, heeft gewenkt.

Wennen, wende, heeft en is gewend.

Wensch, M., wenschen. Wenschje, O., -jes.

Wenschelijk, -lijker, -lijkst.

Wenschelijkheid, V.

Wenschen, wenschte, heeft gewenscht.

Wentelen, wentelde, heeft gewenteld.

Wenteling, V., wentelingen.

Wentelspil, V., -spillen.

Wentelsteen, M., -steenen.

Wentelstok, M., -stokken.

Wentelteefje, O., -teefjes.

Wenteltrap, V., -trappen.

Wenteltrapvormig.

Wepeldorenknop, M., -knoppen.

Wereld, V., werelden.

Wereldbeschouwing, V., -beschouwingen.

Wereldbol, M.

Wereldburger, M., -burgers.

Wereldburgerschap, O.

Werelddeel, O., -deelen.

Wereldgebeurtenis, V., -gebeurtenissen.

Wereldgeschiedenis, V.

Wereldgodsdienst, M., -godsdiensten.

Wereldkaart, V., -kaarten.

Wereldkampioenschap, O.

Wereldkennis, V.

Wereldkundig, -kundiger, -kundigst.

Wereldlijk.

Wereldling, M., en V., wereldlingen.

Wereldrond, O.

Werelds (bijw.).

Wereldsch (bnw.).

Wereldschgezind, -gezinder, -gezindst.

Wereldschgezindheid, V.

Wereldstad, V., -steden.

Wereldtaal, V., -talen.

Wereldtentoonstelling, V., -tentoonstellingen.

Wereldtooneel, O.

Weren, weerde, heeft geweerd.

Werf, V., werven, Werfje, O., -jes.

Werfbrief, M., -brieven.

Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden · 第 46 / 49 题