Stopping, V., stoppingen.
Stopplaats, V., -plaatsen.
Stoprad, O., -raderen.
Stopsajet, O.
Stopsel, O., stopsels. Stopseltje, O., -jes.
Stopsteen, M., -steenen.
Stopster, V., stopsters.
Stopstuk, O., -stukken.
Stopverf, V.
Stopwas, O.
Stopwerk, O.
Stopwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.
Stopzijde, V.
Storeloos. Zie Stoorloos.
Storen, stoorde, heeft gestoord.
Storing, V., storingen.
Storm, M., stormen. Stormpje, O., -jes.
Stormachtig, -achtiger, -achtigst.
Stormachtigheid, V.
Stormbal, M.
Stormband, M., -banden.
Stormen, stormde, heeft gestormd.
Stormenderhand.
Stormhoek, M., -hoeken.
Stormig, stormiger, stormigst.
Stormkat, V., -katten.
Stormklok, V., -klokken.
Stormladder, V., -ladders.
Stormloopen, liep storm, heeft stormgeloopen.
Stormlooper, M., -loopers.
Stormpaal, M., -palen.
Stormram, M., -rammen.
Stormring, M., -ringen.
Stormschade, V.
Stormtuig, O., -tuigen.
Stormvloed, M., -vloeden.
Stormvogel, M., -vogels.
Stormvrij, -vrije.
Stormweder en -weer, O.
Stormwind, M., -winden.
Stortbad, O., -baden.
Stortbui, V., -buien.
Stortebed, O., -bedden.
Storten, stortte, heeft en is gestort.
Stortgoed, O., -goederen.
Storting, V., stortingen.
Stortkar, V., -karren.
Stortkoker, M., -kokers.
Stortregen, M., -regens.
Stortregenen, stortregende, heeft gestortregend.
Stortvloed, M., -vloeden.
Stortzee, V., -zeeën.
Stotteraar, M., stotteraars.
Stotteraarster, V., stotteraarsters.
Stotteren, stotterde, heeft gestotterd.
Stout, stouter, stoutst.
Stouterd, M., stouterds. Stouterdje, O., -jes.
Stoutheid, V.
Stoutigheid, V., -heden.
Stoutmoedig, -moediger, -moedigst.
Stoutmoedigheid, V.
Stoutmoediglijk.
Stouwen, stouwde, heeft gestouwd.
Stoven, stoofde, heeft gestoofd.
Stovengeld, O.
Stovenhok, O., -hokken.
Stovenzetster, V., -zetsters.
Stoving, V.
Straal, M., stralen. Straaltje, O., -jes.
Straalbreking, V., -brekingen.
Straalbundel, M., -bundels.
Straalpijp, V., -pijpen.
Straalsgewijze.
Straat, V., straten. Straatje, O., -jes.
Straatarm.
Straatbelasting, V., -belastingen.
Straatdeun, M., -deunen; -deuntje, O., -jes.
Straatgeld, O.
Straatgevecht, O., -gevechten.
Straatjeugd, V.
Straatjongen, M., -jongens.
Straatlantaren, V., -lantarens.
Straatliedje, O., -liedjes.
Straatmaker en Stratenmaker, M., -makers.
Straatmeid, V., -meiden.
Straatmuzikant, M., -muzikanten.
Straatprediker, M., -predikers.
Straatreiniging, V.
Straatroover, M., -roovers.
Straatrumoer, O.
Straatschender, M., -schenders.
Straatschenderij, V., -schenderijen.
Straatslijpen, O.
Straatslijper, M., -slijpers.
Straatsteen, M., -steenen.
Straattaal, V.
Straatvaarder, M., -vaarders.
Straatveger, M., -vegers.
Straatverlichting, V.
Straatvuil, O.
Straatweg, M., -wegen.
Straatwerker, M., -werkers.
Straf en Straffe, V., straffen. Strafje, O., -jes.
Straf, straffer, strafst.
Strafbaar, -baarder, -baarst.
Strafbaarheid, V.
Strafbaarstelling, V.
Strafbepaling, V., -bepalingen.
Strafblad, O., -bladen.
Straffeloos, -looze.
Straffeloosheid, V.
Straffen, strafte, heeft gestraft.
Straffer, M., straffers.
Strafgevangenis, V., -gevangenissen.
Strafheid, V.
Strafkolonie, V., -kolonies.
Strafoefening, V., -oefeningen.
Strafplaats, V., -plaatsen.
Strafport, O.
Strafrecht, O.
Strafrechter, M., -rechters.
Strafschop, M., -schoppen.
Strafschuldig, -schuldiger, -schuldigst.
Strafschuldigheid, V.
Straftijd, M., -tijden.
Strafverordening, V., -verordeningen.
Strafvordering, V.
Strafwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest strafwaardig.
Strafwaardigheid, V.
Strafwerk, O.
Strafwet, V., -wetten.
Strafwetboek, O., -boeken.
Strafwetgeving, V.
Strafzaak, V., -zaken.
Strak, strakker, strakst.
Strakheid, V.
Strakjes.
Straks.
Stralen, straalde, heeft gestraald.
Stralenkrans, M., -kransen.
Stralenkroon, V., -kronen.
Straling, V.
Stram, strammer, stramst.
Stramheid, V.
Stramien, V. en O.
Strammigheid, V.
Strand, O., stranden.
Strandbericht, O., -berichten.
Strandbewoner, M., -bewoners.
Stranden, strandde, is gestrand.
Strandgoed, O., -goederen.
Stranding, V., strandingen.
Strandjut, M., -jutten.
Strandjutter, M., -jutters.
Strandlooper, M., -loopers.
Strandmuur, M., -muren.
Strandstoel, M., -stoelen.
Strandvogel, M., -vogels.
Strandvond, M., -vonden.
Strandvonder, M., -vonders.
Strandvonderij, V.
Strategie, V.
Strategisch.
Straten, straatte, heeft gestraat.
Stratenplan, O.
Strater, M., straters.
Streek (list), M., streken. Streekje, O., -jes.
Streek (strijking, landstreek, enz.), V. streken. Streekje, O., -jes.
Streektafel, V., -tafels.
Streelen, streelde, heeft gestreeld.
Streeling, V., streelingen.
Streep, V., strepen. Streepje, O., -jes.
Streepjesgoed, O.
Strekel, M., strekels.
Strekken, strekte, heeft gestrekt.
Strekking, V.
Streksch.
Strekzaam, -zamer, -zaamst.
Stremmen, stremde, heeft en is gestremd.
Stremming, V., stremmingen.
Stremsel, O.
Streng, V., strengen. Strengetje, O., -jes.
Streng, strenger, strengst.
Strengelen, strengelde, heeft gestrengeld.
Strengelijk.
Strengeling, V., strengelingen.
Strengen, strengde, heeft gestrengd.
Strengheid, V., -heden.
Strepen, streepte, heeft gestreept.
Streven, streefde, heeft gestreefd.
Stribbelaar, M., stribbelaars.
Stribbelen, stribbelde, heeft gestribbeld.
Stribbelig, stribbeliger, stribbeligst.
Stribbeling, V., stribbelingen.
Striem, V., striemen. Striempje, O., -jes.
Strijd, M., strijden.
Strijdbaar, -baarder, -baarst.
Strijdbaarheid, V.
Strijdbijl, V., -bijlen.
Strijden, streed, streden, heeft gestreden.
Strijder, M., strijders.
Strijdgenoot, M., -genooten.
Strijdhamer, M., -hamers.
Strijdhengst, M., -hengsten.
Strijdig, strijdiger, strijdigst.
Strijdigheid, V., -heden.
Strijdknots, V., -knotsen.
Strijdkrachten (mv.), V.
Strijdleus en -leuze, V., -leuzen.
Strijdlust, M.
Strijdlustig, -lustiger, -lustigst.
Strijdmacht, V., -machten.
Strijdmakker, M., -makkers.
Strijdperk, O., -perken.
Strijdros, O., -rossen.
Strijdschrift, O., -schriften.
Strijdvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Strijdvaardigheid, V.
Strijdvlag, V., -vlaggen.
Strijdvraag, V., -vragen.
Strijdwagen, M., -wagens.
Strijkage, V., strijkages.
Strijkbalk, M., -balken.
Strijkband, M., -banden.
Strijkbloem, V., -bloemen.
Strijkblok, O., -blokken en -bloks.
Strijkbord, O., -borden.
Strijkbout, M., -bouten.
Strijkdeken, V., -dekens.
Strijkdroog.
Strijkel, M., strijkels.
Strijkelings.
Strijken, streek, streken, heeft gestreken.
Strijker, M., strijkers.
Strijkgeld, O.
Strijkgoed, O.
Strijkhoek, M., -hoeken.
Strijkhout, O., -houten.
Strijkijzer, O., -ijzers.
Strijkinstrument, O., -instrumenten.
Strijkkachel, V., -kachels.
Strijkkalk, V.
Strijkkwartet, O., -kwartetten.
Strijklaken, O., -lakens.
Strijklap, M., -lappen.
Strijklijn, V., -lijnen.
Strijkmuziek, V.
Strijkorkest, O.
Strijkplank, V., -planken.
Strijkriem, M., -riemen.
Strijksteen, M., -steenen.
Strijkster, V., strijksters.
Strijkstok, M., -stokken.
Strijkvoeten, strijkvoette, heeft gestrijkvoet.
Strijkvrouw, V., -vrouwen.
Strijkweer, V., -weren.
Strik, M., strikken. Strikje, O., -jes.
Strikken, strikte, heeft gestrikt.
Striklis, V., -lissen; -lisje, O., -jes.
Strikt, strikter, striktst.
Striktelijk.
Striktheid, V.
Strikvraag, V., -vragen.
Stripmeid, V., -meiden.
Strippeling (gestripte tabak), V.
Strippen, stripte, heeft gestript.
Strips (- krijgen).
Stripster, V., stripsters.
Stripzolder, M., -zolders.
Stroef, stroever, stroefst.
Stroefheid, V.
Strompelen, strompelde, heeft en is gestrompeld.
Strompelig, strompeliger, strompeligst.
Stronk, M., stronken. Stronkje, O., -jes.
Stront, V. Strontje, O., -jes.
Stronterig, stronteriger, stronterigst.
Strontig, strontiger, strontigst.
Strontjongen, M., -jongens.
Stroo, O. Strootje, O., -jes.
Stroobos, M., -bossen.
Stroodak, O., -daken.
Stroodok, V., -dokken.
Stroogeel, -gele.
Stroohalm, M., -halmen.
Stroohoed, M., -hoeden.
Stroohut, V., -hutten.
Strooiavond, M.
Strooibiljet, O., -biljetten.
Strooien, strooide, heeft gestrooid.
Strooien (bnw.).
Strooier, M., strooiers.
Strooiing, V., strooiingen.
Strooijonker, M., -jonkers.
Strooimandje, O., -jes.
Strooimeisje, O., -jes.
Strooipenning, M., -penningen.
Strooisel, O.
Strooister, V., strooisters.
Strooisuiker, V.
Strook, V., strooken. Strookje, O., -jes.
Strooken (streelen), strookte, heeft gestrookt.
Strooken (overeenstemmen), strookte, heeft gestrookt.
Strooking (scheepsw.), V.
Strookleurig.
Strooleger, O., -legers.
Stroom, M., stroomen. Stroompje, O., -jes.
Stroomafwaarts.
Stroomatras, V., -matrassen.
Stroomen, stroomde, heeft en is gestroomd.
Stroomgebied, O.
Stroomgod, M., -goden.
Strooming, V., stroomingen.
Stroomkaart, V., -kaarten.
Stroomlevering, V.
Stroomling en Stroomeling, M., stroomlingen en stroomelingen,
Stroomopwaarts.
Stroomrijk, -rijker, -rijkst.
Stroomsnelheid, V., -snelheden.
Stroomsterkte, V.
Stroomverbruik, O.
Stroomversnelling, V., -versnellingen.
Stroomwisselaar, M., -wisselaars.
Stroop (het stroopen), M., stroopen.
Stroop en Siroop, V., stropen en siropen. Stroopje, O., -jes.
Stroopachtig, -achtiger, -achtigst.
Stroopapier, O.
Stroopen, stroopte, heeft gestroopt.
Strooper, M., stroopers.
Strooperij, V., strooperijen.
Stroopkan, V., -kannen.
Strooplepel, M., -lepels.
Stroopmond, M. en V., -monden.
Stroopnagel, M., -nagels.
Stroopop, V., -poppen.
Strooppot, M., -potten.
Strooptocht, M., -tochten.
Stroosnijder, M., -snijders.
Stroovuur, O.; -vuurtje, O.
Stroowisch, V., -wisschen.
Stroozak, M., -zakken.
Strop, M., stroppen. Stropje, O., -jes.
Stropdas, V., -dassen.
Stroperig, stroperiger, stroperigst.
Stroperigheid, V.
Strophe, V., strophen.
Strophisch.
Stroppen, stropte, heeft gestropt.
Stroptouw, O., -touwen.
Strot, M., strotten. Strotje, O., -jes.
Strotklep, V., -kleppen.
Strottenhoofd, O.
Strubbeling, V., strubbelingen.
Structuur, V., structuren.
Struif, V., struiven. Struifje, O., -jes.
Struik, M., struiken. Struikje, O., -jes.
Struikachtig.
Struikelblok, O., -blokken; -blokje, O., -jes.
Struikelen, struikelde, heeft en is gestruikeld.
Struikeling, V., struikelingen.
Struikgewas, O., -gewassen.
Struikroover, M., -roovers.
Struikrooverij, V., -rooverijen.
Struikwinde, V., -winden.
Struis (vogel), M., struisen. Struisje, O., -jes.
Struis (loodwit), V.
Struisch (bnw.).
Struisen, struiste, heeft gestruist.
Struishoen, O., -hoenders.
Struisveder en -veer, V., -vederen en -veeren.
Struisvogel, M., -vogels.
Struisvogelpolitiek, V.
Struweel, O., struweelen.
Stuc, O.
Studeeren, studeerde, heeft gestudeerd.
Studeerkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Studeerlamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes.
Studeerstoel, M., -stoelen.
Studeervertrek, O., -vertrekken; -vertrekje, O., -jes.
Student, M., studenten. Studentje, O., -jes.
Studenten-almanak, M., -almanakken.
Studentenbank, V., -banken.
Studentencorps, O., -corpsen en -corps.
Studentenfeest, O., -feesten.
Studentengrap, V., -grappen.
Studentenhaver, V.
Studentenkamer, V., -kamers.
Studentenleven, O.
Studentenlied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Studentenoppasser, M., -oppassers.
Studentenpartij, V., -partijen.
Studentensociëteit, V., -sociëteiten.
Studententaal, V.
Studententafel, V., -tafels.
Studententijd, M.
Studentenvereeniging, V., -vereenigingen.
Studentikoos.
Studie, V., studiën en studies.
Studiebeurs, V., -beurzen.
Studieboek, O., -boeken.
Studiegeest, M.
Studiejaar, O., -jaren.
Studiekop, M., -koppen.
Studiekosten (mv.), M.
Studietijd, M.
Studieus.
Stug, stugger, stugst.
Stugheid, V.
Stuifaarde, V.
Stuifmeel, O.
Stuifwol, V.
Stuifzand, O.
Stuifzwam, V.
Stuik, M., stuiken.
Stuiken, stuikte, heeft gestuikt.
Stuikmand, V., -manden.
Stuinder, M., stuinders.
Stuip, V., stuipen. Stuipje, O., -jes.
Stuipachtig, -achtiger, -achtigst.
Stuiptrekking, V., -trekkingen.
Stuit (het stuiten), M., stuiten. Stuitje, O., -jes.
Stuit (lichaamsdeel), V., stuiten. Stuitje, O., -jes.
Stuitbalk, M., -balken.
Stuitbeen, O., -beenderen.
Stuiten, stuitte, heeft en is gestuit.
Stuitend, stuitender, stuitendst.
Stuiter, M., stuiters. Stuitertje, O., -jes.
Stuiteren, stuiterde, heeft gestuiterd.
Stuiting, V.
Stuitklamp, M., -klampen.
Stuitknikker, M., -knikkers.
Stuitwind, M., -winden.
Stuiveling (turf), V.
Stuiven, stoof, stoven, heeft en is gestoven.
Stuiver, M., stuivers. Stuivertje, O., -jes.
Stuiversblad, O., -bladen.
Stuiversmagazijn, O., -magazijnen.
Stuiverspostzegel, M., -postzegels.
Stuivertjewisselen, O.
Stuk, O., stukken en stuks. Stukje, O., -jes.
Stuk (bijw.).
Stukadoor, M., stukadoors.
Stukadooren, stukadoorde, heeft gestukadoord.
Stukadoorskwast, M., -kwasten.
Stukadoorswerk, O.
Stukbreken, brak stuk, braken stuk, heeft stukgebroken.
Stukeeren, stukeerde, heeft gestukeerd.
Stukgaan, ging stuk, is stukgegaan.
Stukgoed, O., -goederen.
Stukgooien, gooide stuk, heeft stukgegooid.
Stukhout, O.
Stukkend.
Stukmaken, maakte stuk, heeft stukgemaakt.
Stuksgewijze en -gewijs.
Stukslaan, sloeg stuk, heeft stukgeslagen.
Stuksmijten, smeet stuk, smeten stuk, heeft stukgesmeten.
Stukvallen, viel stuk, is stukgevallen.
Stukwerk, O.
Stulp, V., stulpen. Stulpje, O., -jes.
Stulpluik, O., -luiken.
Stumper en Stumperd, M., stumpers en stumperds. Stumpertje en
stumperdje, O., -jes.
Stumperachtig, -achtiger, -achtigst.
Stumperachtigheid, V.
Stumperig, stumperiger, stumperigst.
Stumperigheid, V.
Sturen en Stieren, stuurde (stierde), heeft gestuurd (gestierd).
Stut, M., stutten. Stutje, O., -jes.
Stutbalk, M., -balken.
Stutsel, O., stutsels.
Stutten, stutte, heeft gestut.
Stutting, V.
Stuur, O.
Stuurboom, M., -boomen.
Stuurboord, O.
Stuurboordsboeg, M.
Stuurboordswacht, V., -wachten.
Stuurboordszijde, V. (Aan -).
Stuurhuis, O., -huizen.
Stuurlast, M.
Stuurlastig.
Stuurman, M., -lieden en -lui.
Stuurmanschap, O.
Stuurmanskunst, V.
Stuurrad, O., -raderen.
Stuurreep, M., -reepen.
Stuurriem, M., -riemen.
Stuursch, stuurscher, meest stuursch.
Stuurschheid, V., -heden.
Stuurstoel, M., -stoelen.
Stuurstok, M., -stokken.
Stuw, V., stuwen.
Stuwadoor, M., stuwadoors.
Stuwadoorswet, V.
Stuwage, V.
Stuwen, stuwde, heeft gestuwd.
Stuwer, M., stuwers.
Stuwing, V.
Styx, M.
Subaltern.
Subcommissie, V., -commissiën en -commissies.
Subiet.
Subject, O., subjecten.
Subjectief, subjectiever, subjectiefst.
Subjectiviteit, V.
Subjunctief en Subjunctivus, M., subjunctieven.
Subliem, subliemer, subliemst.
Sublimaat, O., sublimaten.
Sublimaat-oplossing, V.
Sublimaat-tablet, O., -tabletten.
Sublimeeren, sublimeerde, heeft gesublimeerd.
Subsidiair.
Subsidie, O., subsidiën en subsidies.
Subsidieeren, subsidieerde, heeft gesubsidieerd.
Subsistentenkader, O.
Substantie, V., substantiën en substanties.
Substantieel, -eele.
Substantief, O., substantieven.
Substantiveeren, substantiveerde, heeft gesubstantiveerd.
Substituut-griffier, M., -griffiers.
Substituut-officier, M., -officiers.
Subtiel, subtieler, subtielst.
Subtiliteit, V., subtiliteiten.
Succes, O.
Successie, V.
Successie-oorlog, M., -oorlogen.
Successierecht, O., -rechten.
Successievelijk.
Succursale, V., succursalen.
Suf, suffer, sufst.
Suffen, sufte, heeft gesuft.
Suffer, M., suffers.
Sufferij, V., sufferijen.
Suffisant, suffisanter, suffisantst.
Suffisantie, V.
Suffragaan, M., suffraganen.
Suffragette, V., suffragettes.
Sufheid, V.
Suggereeren, suggereerde, heeft gesuggereerd.
Suggestie, V., suggesties.
Suiker, V., suikers.
Suikeraccijns, M.
Suikerachtig, -achtiger, -achtigst.
Suikeramandel, V., -amandels.
Suikerbakker, M., -bakkers.
Suikerbiet, V., -bieten.
Suikerboon, V., -boonen; -boontje, O., -jes.
Suikerbrood, O., -brooden.
Suikercampagne, V., -campagnes.
Suikercontract, O., -contracten.
Suikeren, suikerde, heeft gesuikerd.
Suikererwt, V., -erwten; -erwtje, O., -jes.
Suikerfabriek, V., -fabrieken.
Suikergast (dier), M., -gasten.
Suikergoed, O.
Suikerig, suikeriger, suikerigst.
Suikerij (ook Cichorei), V.
Suikerkristallen (mv.), O.
Suikerlord, M., -lords.
Suikermarkt, V.
Suikermuisjes (mv.), O.
Suikeroom, M.; -oompje, O.
Suikerpan, V., -pannen.
Suikerpeer, V., -peren.
Suikerplantage, V., -plantages.
Suikerpot, M., -potten; -potje, O., -jes.
Suikerpremie, V., -premiën.
Suikerraffinaderij, V., -raffinaderijen.
Suikerraffinadeur, M., -raffinadeurs.
Suikerrasp, V., -raspen.
Suikerriet, O.
Suikerstrooier, M., -strooiers.
Suikertang, V., -tangen; -tangetje, O., -jes.
Suikerwater, O.
Suikerwerk, O., -werken.
Suikerziekte, V.
Suikerzoet.
Suilen, suilde, heeft gesuild.
Suizebollen, suizebolde, heeft gesuizebold.
Suizelen, suizelde, heeft gesuizeld.
Suizelig, suizeliger, suizeligst.
Suizeling, V., suizelingen.
Suizen, suisde, heeft gesuisd.
Suizing, V., suizingen.
Sujet, O., sujetten.
Sukade, V.
Sukadekoek, M., -koeken.
Sukkel (het sukkelen), M.
Sukkel (sukkelaar), M., sukkels. Sukkeltje, O., -jes.
Sukkelaar, M., sukkelaars. Sukkelaartje, O., -jes.
Sukkelachtig, -achtiger, -achtigst.
Sukkelarij, V.
Sukkeldraf, M.; -drafje, O.
Sukkelen, sukkelde, heeft en is gesukkeld.
Sukkelgang, M.; -gangetje, o.
Sukkeling, V., sukkelingen.
Sukkelpartij, V.
Sukkeltrein, M., -treinen.
Sul, M., sullen. Sulletje, O., -jes.
Sulfer en Solfer, O. en V.
Sulferstank, M.
Sullebaan, V., -banen; -baantje, O., -jes.
Sullen, sulde, heeft gesuld.
Sullig, sulliger, sulligst.
Sulligheid, V.
Sultan, M., sultans.
Sultanaat, O., sultanaten.
Sultana-rozijnen (mv.), V.
Sultane, V., sultanes.
Sultansregeering, V., -regeeringen.
Sumak en Smak, V.
Supercarga, M., supercarga's.
Superieur (bnw.).
Superieur, M., superieuren.
Superioriteit, V.
Superlatief en Superlativus, M., superlatieven.
Suppediteeren, suppediteerde, heeft gesuppediteerd.
Suppleeren, suppleerde, heeft gesuppleerd.
Supplement, O., supplementen. Supplementje, O., -jes.
Suppletie, V.
Suppletietroepen (mv.), M.
Suppletoir.
Suppoost, M., suppoosten.
Supranaturalisme, O.
Suprematie, V.
Surnumerair, M., surnumerairs.
Surplus, O.
Surprise, V., surprises.
Surrogaat, O., surrogaten.
Surséance, V.
Sus (tusschenw.).
Suspect, suspecter, suspectst.
Sussen, suste, heeft gesust.
Sustenu, O., sustenu's.
Suzerein, M., suzereinen.
Suzereiniteit, V.
Syllabe, V., syllaben.
Syllabus, M.
Syllogisme, O., syllogismen.
Symboliek, V.
Symbolisch.
Symbolisme, O.
Symbool, O., symbolen.
Symmetrie, V.
Symmetrisch.
Sympathie, V., sympathieën.
Sympathiek.
Sympathiseeren, sympathiseerde, heeft gesympathiseerd.
Symphonie, V., symphonieën.
Symptoom, O., symptomen.
Synagoge, V., synagogen.
Syndicaat, O., syndicaten.
Synodaal, synodale.
Synode, V., synoden.
Synoniem.
Synoniem, O., synoniemen.
Synonymiek, V.
Syntactisch.
Syntaxis, V.
Syphilis, V.
Syphilitisch.
Syring, enz. Zie Sering, enz.
Systeem, O., systemen.
Systematisch.
Systematiseeren, systematiseerde, heeft gesystematiseerd.
T
T, V., t's.
Taai, taaier, taaist.
Taaiheid, V.
Taaiigheid, V.
Taai-taai, O.
Taak, V., taken. Taakje, O., -jes.
Taal, V., talen. Taaltje, O.
Taalcongres, O., -congressen.
Taaleigen, O.
Taalfonds, O.
Taalfout, V., -fouten.
Taalgeleerde, M. en V., -geleerden.
Taalkenner, M., -kenners.
Taalkennis, V.
Taalkunde, V.
Taalkundig.
Taalkundige, M. en V., -kundigen.
Taalman, M., -mannen en -lieden.
Taalmeester, M., -meesters.
Taalonderwijs, O.
Taalregel, M., -regels.
Taalschat, M.
Taalstam, M., -stammen.
Taalstudie, V.
Taalwet, V., -wetten.
Taalwetenschap, V.
Taalzonde, V., -zonden.
Taan, V.
Taanhuis, O., -huizen.
Taankleurig, -kleuriger, -kleurigst.
Taankuip, V., -kuipen.
Taart, V., taarten. Taartje, O., -jes.
Taartenbakker, M., -bakkers.
Taartendeeg, O.
Taartepan, V., -pannen.
Taarteschotel, M., -schotels.
Taarts en Teerts, V., taartsen en teertsen.
Taats, V., taatsen. Taatsje, O., -jes.
Taatstol, M., -tollen.
Tabak, V., tabakken.
Tabakker, M., tabakkers.
Tabaksasch, V.
Tabaksblad, O., -bladen.
Tabaksbouw, M.
Tabakscultuur, V.
Tabaksdoos, V., -doozen.
Tabaksfabrikant, M., -fabrikanten.
Tabakshandel, M.
Tabakshandelaar, M., -handelaars.
Tabakskerver, M., -kervers.
Tabakskerverij, V., -kerverijen.
Tabakskistje, O., -jes.
Tabakskomfoor, O., -komforen; -komfoortje, O., -jes.
Tabakskooper, M., -koopers.
Tabakslucht, V.
Tabaksmarkt, V., -markten.
Tabakspijp, V., -pijpen.
Tabaksplant, V., -planten.
Tabaksplantage, V., -plantages.
Tabakspot, M., -potten.
Tabaksrol, V., -rollen.
Tabaksrook, M.
Tabaksschuur, V., -schuren.
Tabaksstank, M.
Tabakssteel, M., -stelen.
Tabaksteelt, V.
Tabaksvat, O., -vaten.
Tabaksveld, O., -velden.
Tabaksverkooper, M., -verkoopers.
Tabakswalm, M.
Tabakswater, O.
Tabakswinkel, M., -winkels.
Tabakszak, M., -zakken.
Tabbaard en Tabberd, M., tabbaarden, tabbaards, tabberden en tabberds.
Tabel, V., tabellen. Tabelletje, O., -jes.
Tabellarisch.
Tabernakel, M. en O., tabernakelen en tabernakels.
Tabernakelen, tabernakelde, heeft getabernakeld.
Tabijn, O., tabijnen.
Tabijnen (bnw.).
Tableau, O., tableau's.
Tabletje, O., -jes.
Tabouret, V., tabouretten. Tabouretje, O., -jes.
Tachtig, tachtigen.
Tachtiger, M., tachtigers.
Tachtigjarig.
Tachtigmaal.
Tachtigste.
Tachtigvoud, O.
Tachtigvoudig.
Tachtigwerf.
Tachygraaf, M., tachygrafen.
Tachygraphie, V.
Tachygraphisch.
Tact, M.
Tacticus, M., tactici.
Tactiek, V.
Tactisch.
Taf, V., taffen.
Tafel, V., tafels en tafelen. Tafeltje, O., -jes.
Tafelbel, V., -bellen.
Tafelbord, O., -borden.
Tafeldans, M.
Tafeldekken, O.
Tafeldienen, O.
Tafeldrank, M., -dranken.
Tafelen, tafelde, heeft getafeld.
Tafelgeld, O., -gelden.
Tafelgenoot, M., -genooten.
Tafelgenoote, V., -genooten.
Tafelgereedschap, O.
Tafelgesprek, O., -gesprekken.
Tafelgoed, O.
Tafelkleed, O., -kleeden.
Tafelkout, M.
Tafellade, V., -laden.
Tafellaken, O., -lakens.
Tafellinnen, O.
Tafelmatje, O., -jes.
Tafelmes, O., -messen.
Tafelmuziek, V.
Tafelolie, V.
Tafelschel, V., -schellen.
Tafelschuier, M., -schuiers.
Tafelschuimer, M., -schuimers.
Tafelservies, O., -serviezen.
Tafelstoel, M., -stoelen.
Tafelwater, O.
Tafelwet, V., -wetten.
Tafelwijn, M., -wijnen.
Tafereel, O., tafereelen. Tafereeltje, O., -jes.
Taffen (bnw.).
Tagrijn, M., tagrijnen en tagrijns.
Taille, V., tailles.
Tak, M., takken. Takje, O., -jes.
Takbout, M., -bouten.
Takel, M., takels. Takeltje, O., -jes.
Takelaar, M., takelaars.
Takelage, V.
Takelen, takelde, heeft getakeld.
Takeling, V.
Takelloods, V., -loodsen.
Takelzolder, M., -zolders.
Takkeling (jonge vogel), M., takkelingen.
Takkenbos, O., -bossen; -bosje, O., -jes.
Takkig, takkiger, takkigst.
Taks (hond), M., taksen. Taksje, O., -jes.
Taks (taak), V., taksen.
Tal, O.
Talen, taalde, heeft getaald.
Talent, O., talenten. Talentje, O., -jes.
Talentrijk, -rijker, -rijkst.
Talentvol, -volle.
Talhout, O., -houten.
Talie, V., talies.
Taliehaak, M., -haken.
Taliën, taliede, heeft getalied.
Taliereep, M., -reepen.
Taling, M., talingen. Talinkje, O., -jes.
Talisman, M., talismans.
Talk, V.
Talkpoeder, O.
Talloos, -looze.
Talm, M. en V., talmen. Talmpje, O., -jes.
Talmachtig, -achtiger, -achtigst.
Talmachtigheid, V.
Talmen, talmde, heeft getalmd.
Talmer, M., talmers.
Talmerij, V.
Talmster, V., talmsters.
Talmud, M.
Talmudisch.
Talmudist, M., talmudisten.
Talon, M., talons.
Talrijk, -rijker, -rijkst.
Talrijkheid, V.
Talstelsel, O., -stelsels.
Talud, O.
Tam, tammer, tamst.
Tamarinde, V., tamarinden.
Tamarindeboom, M., -boomen.
Tamarindenkoekje, O., -jes.
Tamarindenstroop, V.
Tamarisk, V., tamarisken.
Tamboer (trommelslager), M., tamboers. Tamboertje, O., -jes.
Tamboer (trommel), V., tamboeren.
Tamboereeren, tamboereerde, heeft getamboereerd.
Tamboeren, tamboerde, heeft getamboerd.
Tamboerijn, V., tamboerijnen.
Tamboer-majoor, M., -majoors.
Tamelijk.
Tamheid, V.
Tampon, V., tampons.
Tamtam, V., tamtams.
Tand, M., tanden. Tandje, O., -jes.
Tandarts, M., -artsen.
Tandeloos, -looze.
Tandenborstel, M., -borstels; -borsteltje, O., -jes.
Tandendokter, M., -dokters.
Tandenstoker, M., -stokers; -stokertje, O., -jes.
Tandentrekker, M., -trekkers.
Tandheelkunde, V.
Tandheelkundige, M. en V., -kundigen.
Tandletter, V., -letters.
Tandmeester, M., -meesters.
Tandpijn, V., -pijnen.
Tandpoeder, O.
Tandrad, O., -raderen.
Tandvleesch, O.
Tandwerk, O.
Tandzeep, V.
Tanen (met taan bereiden), taande, heeft getaand.
Tanen (verduisteren), taande, is getaand.
Tang, V., tangen. Tangetje, O., -jes.
Tangens (raaklijn), V., tangenten.
Tangent (klavierpennetje), V., tangenten.
Tanig, taniger, tanigst.
Taning, V.
Tantaliseeren, tantaliseerde, heeft getantaliseerd.
Tante, V., tantes.
Tantième, O., tantièmes.
Tap, M., tappen. Tapje, O., -jes.
Tapeet. Zie Tapijt.
Tapijt en Tapeet, O., tapijten en tapeten. Tapijtje, O., -jes.
Tapijtfabriek, V., -fabrieken.
Tapijtwerk, O.
Tapijtwever, M., -wevers.
Tapisserie, V., tapisserieën.
Tapisseriepatroon, O., -patronen.
Tapisseriewerk, O.
Tapisseriewinkel, M., -winkels.
Tapkan, V., -kannen.
Tapkast, V., -kasten.
Tappelen, tappelde, heeft getappeld.
Tappelings.
Tappen, tapte, heeft getapt.
Tappenstuk, O.
Tapper, M., tappers.
Tapperij, V., tapperijen. Tapperijtje, O., -jes.
Tappersnering, V.
Tapsch.
Tapster, V., tapsters.
Taptoe, V., taptoes.
Tapvormig.
Tarantula, V., tarantula's.
Tarbot, V., tarbotten. Tarbotje, O., -jes.
Tarief, O., tarieven. Tariefje, O., -jes.
Tarievenoorlog, M., -oorlogen.
Tarm, M., tarmen.
Tarn. Zie Torn, V.
Tarnen, tarnde, heeft getarnd.
Tarra, V.
Tartaan, V., tartanen.
Tarten, tartte, heeft getart.
Tarwe, V.
Tarwebloem, V.
Tarwebrood, O., -brooden; -broodje, O., -jes.
Tarwemeel, O.
Tarwenoogst, M.
Tarwestijfsel, V.
Tarwestroo, O.
Tas (stapel), M., tassen. Tasje, O., -jes.
Tas (vrouwspersoon), V., tassen.
Tasch, V., tasschen. Taschje, O., -jes.
Taschkruid en Taschjeskruid, O.
Tassen, taste, heeft getast.
Tast, M.
Tastbaar, -baarder, -baarst.
Tastbaarheid, V.
Tastelijk, -lijker, -lijkst.
Tasten, tastte, heeft getast.
Taster, M., tasters.
Tateren, taterde, heeft getaterd.
Tatewalen, tatewaalde, heeft getatewaald.
Tautologie, V., tautologieën.
Tautologisch.
Taxateur, M., taxateurs.
Taxatie, V., taxatiën en taxaties.
Taxeeren, taxeerde, heeft getaxeerd.
Taxis, M., taxissen.
Te.
Teakhout, O.
Technicus, M., technici.
Techniek, V.
Technisch.
Technoloog, M., -logen.
Technologie, V.
Te-deum, O., Te-deums.
Teeder en Teer, teederder, teederst, en teerder, teerst.
Teedergevoelig en Teergevoelig, -gevoeliger, -gevoeligst.
Teedergevoeligheid en Teergevoeligheid, V.
Teederhartig en Teerhartig, -hartiger, -hartigst.
Teederhartigheid en Teerhartigheid, V.
Teederheid en Teerheid, V., -heden.
Teef, V., teven. Teefje, O., -jes.
Teek en Tiek, V., teken en tieken.
Teeken, O., teekenen en teekens. Teekentje, O., -jes.
Teekenaap, M., -apen.
Teekenaar, M., teekenaars.
Teekenacademie, V., -academiën.
Teekenachtig, -achtiger, -achtigst.
Teekenbehoeften (mv.), V.
Teekenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Teekenbord, O., -borden.
Teekendoos, V., -doozen.
Teekenen, teekende, heeft geteekend.
Teekengereedschap, O.
Teekenhaak, M., -haken.
Teekening, V., teekeningen. Teekeningetje, O., -jes.
Teekenkrijt, O.
Teekenkunst, V.
Teekenles, V., -lessen.
Teekenmeester, M., -meesters.
Teekenmethode, V., -methoden en -methodes.
Teekenonderwijs, O.
Teekenpapier, O.
Teekenpen, V., -pennen.
Teekenplank, V., -planken.
Teekenportefeuille, V., -portefeuilles.
Teekenschool, V., -scholen.
Teekenschrift, O.
Teekenstift, V., -stiften.
Teekenvoorbeeld, O., -voorbeelden.
Teekenwerk, O.
Teelaarde, V.
Teelbal, M., -ballen.
Teeldeel, O., -deelen.
Teeldrift, V.
Teelgewas, O., -gewassen.
Teelland, O., -landen.
Teellid, O., -leden.
Teelt, V.
Teeltijd, M.
Teem, M.
Teems, V., teemsen. Teemsje, O., -jes.
Teemsen, teemste, heeft geteemst.
Teemster, V., teemsters.
Teen (toon), M., teenen. Teentje, O., -jes.
Teen (twijg), V., teenen. Teentje, O., -jes.
Teenen (bnw.).
Teer, O., ook V.
Teer, enz. Zie Teeder, enz.
Teercapsule, V., -capsules.
Teergeld, O.
Teergevoelig. Zie Teedergevoelig.
Teerkleed, O., -kleeden.
Teerkost, M.
Teerkwast, M., -kwasten.
Teerling, M., teerlingen. Teerlinkje, O., -jes.
Teerpenning, M., -penningen.
Teerpil, V., -pillen.
Teerspijze, V.
Teerton, V., -tonnen.
Teerts. Zie Taarts.
Teerzeep, V.
Teffens.
Tegel, M., tegels. Tegeltje, O., -jes.
Tegelbakker, M., -bakkers.
Tegelbakkerij, V., -bakkerijen.
Tegeltableau, O., -tableau's.
Tegelvloer, M., -vloeren.
Tegemoetkoming, V., -komingen.
Tegen.
Tegenaan.
Tegenademen, ademde tegen, heeft tegengeademd.
Tegenartikel, O., -artikelen en -artikels; -artikeltje, O., -jes.
Tegenbedenking, V., -bedenkingen.
Tegenbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.
Tegenbeleid, O.
Tegenbericht, O., -berichten; -berichtje, O., -jes.
Tegenbeschikking, V., -beschikkingen.
Tegenbeschuldiging, V., -beschuldigingen.
Tegenbetoog, O., -betoogen.
Tegenbevel, O., -bevelen.
Tegenbeweging, V., -bewegingen.
Tegenbewijs, O., -bewijzen.
Tegenbezending, V., -bezendingen.
Tegenbezoek, O., -bezoeken.
Tegenbezwaar, O., -bezwaren.
Tegenbieden, bood tegen, boden tegen, heeft tegengeboden.
Tegenblaffen, blafte tegen, heeft tegengeblaft.
Tegenblinken, blonk tegen, heeft tegengeblonken.
Tegenbod, O.
Tegenbrassen, braste tegen, heeft tegengebrast.
Tegencandidaat, M., -candidaten.
Tegendeel, O.
Tegendienst, M., -diensten.
Tegendraads (bijw.).
Tegendraadsch (bnw.).
Tegendraven, draafde tegen, is tegengedraafd.
Tegendrijven, dreef tegen, dreven tegen, heeft en is tegengedreven.
Tegendringen, drong tegen, heeft tegengedrongen.
Tegendruk, M., -drukken; -drukje, O., -jes.
Tegendrukking, V., -drukkingen.
Tegenebbe, V.
Tegeneisch, M., -eischen.
Tegeneten, at tegen, aten tegen, heeft tegengegeten.
Tegenflank, V., -flanken.
Tegengaan, gaat tegen, ging tegen, is en heeft tegengegaan.
Tegengalerij, V., -galerijen.
Tegengalm, M., -galmen.
Tegengalmen, galmde tegen, heeft tegengegalmd.
Tegengeschenk, O., -geschenken; -geschenkje, O., -jes.
Tegengesteld.
Tegengeuren, geurde tegen, heeft tegengegeurd.
Tegengif en -gift (tegenvergif), O., -giften.
Tegengift (tegengeschenk), V., -giften; -giftje, O., -jes.
Tegenglimmen, glom tegen, glommen tegen, heeft tegengeglommen.
Tegenglinsteren, glinsterde tegen, heeft tegengeglinsterd.
Tegengraven, groef tegen, groeven tegen, heeft tegengegraven.
Tegengroet, M., -groeten.
Tegengrond, M., -gronden.
Tegengunst, V., -gunsten.
Tegenhanger, M., -hangers; -hangertje, O., -jes.
Tegenheid, V., -heden.
Tegenhouden, hield tegen, heeft tegengehouden.
Tegenhouding, V.
Tegenjuichen, juichte tegen, heeft tegengejuicht.
Tegenkaart, V., -kaarten.
Tegenkamping, V., -kampingen.
Tegenkans, V., -kansen; -kansje, O., -jes.
Tegenkant, M., -kanten.
Tegenkanten, kantte tegen, heeft tegengekant.
Tegenkanting, V., -kantingen.
Tegenklinken, klonk tegen, heeft tegengeklonken.
Tegenkomen, komt tegen, kwam tegen, kwamen tegen, is tegengekomen.
Tegenlachen, lachte tegen, heeft tegengelachen.
Tegenlast, M., -lasten.
Tegenliggen, lag tegen, lagen tegen, heeft tegengelegen.
Tegenligger, M., -liggers.
Tegenlist, V., -listen; -listje, O., -jes.
Tegenloop, M.
Tegenloopen, liep tegen, is tegengeloopen.
Tegenloopgraaf, V., -loopgraven.
Tegenmerk, O., -merken.
Tegenmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.
Tegenmijn, V., -mijnen.
Tegenmuur, M., -muren; -muurtje, O., -jes.
Tegennatuurlijk.
Tegenomwenteling, V., -omwentelingen.
Tegenontwerp, O., -ontwerpen.
Tegenover.
Tegenovergelegen.
Tegenovergesteld.
Tegenoverliggend.
Tegenoverstaand.
Tegenoverstellen, stelde tegenover, heeft tegenovergesteld.
Tegenoverstelling, V.
Tegenpartij, V.
Tegenpartijder, M., -partijders.
Tegenpleiter, M., -pleiters.
Tegenpraat, M.
Tegenpraten, praatte tegen, heeft tegengepraat.
Tegenpruttelen, pruttelde tegen, heeft tegengeprutteld.
Tegenrail, V., -rails.
Tegenrennen, rende tegen, is tegengerend.
Tegenruischen, ruischte tegen, heeft tegengeruischt.
Tegenrukken, rukte tegen, heeft en is tegengerukt.
Tegenschreeuwen, schreeuwde tegen, heeft tegengeschreeuwd.
Tegenschreeuwer, M., -schreeuwers.
Tegenschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes.
Tegenschrijven, schreef tegen, schreven tegen, heeft tegengeschreven.
Tegenstaan, sloeg tegen, is tegengeslagen.
Tegensnellen, snelde tegen, is tegengesneld.
Tegenspartelen, spartelde tegen, heeft tegengesparteld.
Tegensparteling, V., -spartelingen.
Tegenspel, O., -spellen.
Tegenspelen, speelde tegen, heeft tegengespeeld.
Tegenspeler, M., -spelers.
Tegenspoed, M., -spoeden.
Tegenspoeden, spoedde tegen, is tegengespoed.
Tegenspraak, V.
Tegenspreken, sprak tegen, spraken tegen, heeft tegengesproken.
Tegenspreker, M., -sprekers.
Tegenspreking, V., -sprekingen.
Tegenstaan, staat tegen, stond tegen, heeft tegengestaan.
Tegenstand, M.
Tegenstander, M., -standers.
Tegenstellen, stelde tegen, heeft tegengesteld.
Tegenstelling, V., -stellingen.
Tegenstemmen, stemde tegen, heeft tegengestemd.
Tegenstemmer, M., -stemmers.
Tegenstreven, streefde tegen, heeft tegengestreefd.
Tegenstrever, M., -strevers.
Tegenstreving, V., -strevingen.
Tegenstribbelen, stribbelde tegen, heeft tegengestribbeld.
Tegenstribbeling, V., -stribbelingen.
Tegenstrijdig, -strijdiger, -strijdigst.
Tegenstrijdigheid, V., -heden.
Tegenstroom, M., -stroomen.
Tegentij, O., -tijen.
Tegentrekken, trok tegen, trokken tegen, is tegengetrokken.
Tegenval, M.
Tegenvallen, viel tegen, is tegengevallen.
Tegenvaller, M., -vallers; -vallertje, O., -jes.
Tegenvergif en -vergift, O., -vergiften.
Tegenverklaring, V., -verklaringen.
Tegenverzekering, V., -verzekeringen.
Tegenvloed, M.
Tegenvoeter, M., -voeters.
Tegenwaaien, waaide tegen, heeft en is tegengewaaid; ook woei tegen,
woeien tegen.
Tegenweer, V.
Tegenwerken, werkte tegen, heeft tegengewerkt.
Tegenwerker, M., -werkers.
Tegenwerking, V., -werkingen.
Tegenwerpen, wierp tegen, heeft tegengeworpen.
Tegenwerping, V., -werpingen.
Tegenwicht, O., -wichten; -wichtje, O., -jes.
Tegenwil, M.
Tegenwind, M., -winden; -windje, O., -jes.
Tegenwoordig.
Tegenwoordigheid, V.
Tegenworstelen, worstelde tegen, heeft tegengeworsteld.
Tegenworsteling, V., -worstelingen.
Tegenzang, M., -zangen.
Tegenzee, V., -zeeën.
Tegenzegel, O., -zegels.
Tegenzijde, V., -zijden.
Tegenzin, M.
Tegoeds en Te goed (bijw.).
Tehuis en Thuis, O.
Tehuiskomen, O.
Tehuiskomst, V.
Tehuisreis, V., -reizen.
Teil, V., teilen. Teiltje, O., -jes.
Teint, O.
Teisteraar, M., teisteraars.
Teisteren, teisterde, heeft geteisterd.
Teistering, V., teisteringen.
Tekort, O., tekorten.
Tekortdoening, V., -doeningen.
Tekortkoming, V., -komingen.
Tekst, M., teksten. Tekstje, O., -jes.
Tekstboekje, O., -boekjes.
Teksthaak, M., -haken.
Tekstuitgave, V., -uitgaven.
Tekstverbetering, V., -verbeteringen.
Tekstverklaring, V., -verklaringen.
Tekstwoord, O., -woorden.
Tel (telgang), M.
Tel (het tellen), M.
Tel en Telle (paard), V., tellen.
Telastlegging, V., -leggingen.
Telbaar, -bare.
Telbaarheid, V.
Telegraaf, V., telegrafen.
Telegraafdienst, M.
Telegraafdraad, M., -draden.
Telegraafkabel, M., -kabels.
Telegraafkantoor, O., -kantoren.
Telegraaflijn, V., -lijnen.
Telegraafnet, O., -netten.
Telegraafpaal, M., -palen.
Telegrafist, M., telegrafisten.
Telegram, O., telegrammen.
Telegram-adres, O., -adressen.
Telegrapheeren, telegrapheerde, heeft getelegrapheerd.
Telegraphie, V.
Telegraphisch.
Telen, teelde, heeft geteeld.
Telephoneeren, telephoneerde, heeft getelephoneerd.
Telephonisch.
Telephoon, V., telephonen.
Telephoondienst, M.
Telephoondraad, M., -draden.
Telephoonkabel, M., -kabels.
Telephoonlijn, V., -lijnen.
Telephoonnet, O., -netten.
Telephoonnummer, O., -nummers.
Telephoonpaal, M., -palen.
Telephoonverbinding, V., -verbindingen.
Teler, M., telers.
Telescoop, M., telescopen.
Telescopisch.
Teleurstellen, stelde teleur, heeft teleurgesteld.
Teleurstelling, V., -stellingen.
Telg (spruit), V., telgen. Telgje, O., -jes.
Telg (afstammeling), M. en V., telgen. Telgje, O., -jes.
Telgang, M.
Telganger, M., -gangers.
Teling, V.
Telkaart, V., -kaarten.
Telkenmale of Telkenmaal.
Telkenreize.
Telkens.
Tellen, telde, heeft geteld.
Teller, M., tellers.
Telling, V., tellingen.
Teloorgaan, gaat teloor, ging teloor, is teloorgegaan.
Telpas, M.
Telsel, M., telsels.
Telwoord, O., -woorden.
Tembaar, -bare.
Temen, teemde, heeft geteemd.
Temer, M., temers.
Temerig, temeriger, temerigst.
Temet.
Temmen, temde, heeft getemd.
Temmer, M., temmers.
Temming, V.
Tempeest, O., tempeesten.
Tempel, M., tempels en tempelen. Tempeltje, O., -jes.
Tempelbouw, M.
Tempelier, M., Tempelieren en Tempeliers.
Tempelridder, M., -ridders.
Temper, M.
Temperament, O., temperamenten.
Temperatuur, V., temperaturen.
Temperatuurverschil, O., -verschillen.
Temperen, temperde, heeft getemperd.
Tempering, V., temperingen.
Tempermes, O., -messen.
Temperoven, M., -ovens.
Tempo, O., tempo's.
Temporair.
Temporiseeren, temporiseerde, heeft getemporiseerd.
Temptatie, V., temptaties en temptatiën.
Tempteeren (kwellen), tempteerde, heeft getempteerd.
Ten.
Tender, M., tenders.
Tengel, M., tengels.
Tenger, tengerder, tengerst.
Tengerheid, V.
Tenietdoening, V., -doeningen.
Tennisbaan, V., -banen.
Tennisbal, M., -ballen.
Tennisclub, V., -clubs.
Tennisnet, O., -netten.
Tennissen, tenniste, heeft getennist.
Tennisspel, O.
Tenor, M., tenors en tenoren.
Tenorstem, V., -stemmen.
Tenorzanger, M., -zangers.
Tent, V., tenten. Tentje, O., -jes.
Tentamen, O., tentamens en tentamina.
Tenteeren (ondervragen), tenteerde, heeft getenteerd.
Tenten, tentte, heeft getent.
Tentenmaker, M., -makers.
Tentijzer, O., -ijzers.
Tentoonspreiding, V.
Tentoonstelling, V., -stellingen.
Tentoonstellingscommissie, V.
Tentoonstellingsgebouw, O., -gebouwen.
Tentwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Tenue, V., tenuen.
Tenuitvoerbrenging, V., -brengingen.
Tenuitvoerlegging, V., -leggingen.
Tenware.
Tenzelfden.
Tenzij.
Teorbe, V., teorben.
Tepel, M., tepels. Tepeltje, O., -jes.
Tepronkstelling, V., -stellingen.
Ter.
Teraardebestelling, V., -bestellingen.
Terdege en Terdeeg.
Terdoodbrenging, V., -brengingen.
Terechtbrengen, bracht terecht, heeft terechtgebracht.
Terechthelpen, hielp terecht, heeft terechtgeholpen.
Terechtkomen, komt terecht, kwam terecht, kwamen terecht, is
terechtgekomen.
Terechtstaan, staat terecht, stond terecht, heeft terechtgestaan.
Terechtstellen, stelde terecht, heeft terechtgesteld.
Terechtstelling, V., -stellingen.
Terechtwijzen, wees terecht, wezen terecht, heeft terechtgewezen.
Terechtwijzing, V., -wijzingen.
Terechtzitting, V., -zittingen.
Teren (verteren), teerde, heeft geteerd.
Teren (met teer bestrijken), teerde, heeft geteerd.
Tergen, tergde, heeft getergd.
Tergend, tergender, tergendst.
Terger, M., tergers.
Terging, V., tergingen.
Terhandstelling, V.
Terig, teriger, terigst.
Tering, V.
Teringachtig, -achtiger, -achtigst.
Teringachtigheid, V.
Teringlijder, M., -lijders.
Teringlijderes, V., -lijderessen.
Terleengeving, V., -gevingen.
Terloops.
Term, M., termen.
Termijn, M., termijnen. Termijntje, O., -jes.
Termijnhandel, M.
Termijnmarkt, V., -markten.
Terminatie, V., terminaties.
Termineeren, termineerde, heeft getermineerd.
Terminologie, V., terminologieën.
Ternauwernood.
Ternederliggen, lag terneder, lagen terneder, heeft ternedergelegen.
Ternederslaan, sloeg terneder, heeft ternedergeslagen.
Ternederwerpen, wierp terneder, heeft ternedergeworpen.
Ternederzetten, zette terneder, heeft ternedergezet.
Ternederzinken, zonk terneder, is ternedergezonken.
Ternederzitten, zat terneder, zaten terneder, heeft ternedergezeten.
Terp, V., terpen.
Terpentijn, V.
Terpentijnboom, M., -boomen.
Terpentijnolie, V.
Terra-cotta, V.
Terras, O., terrassen. Terrasje, O., -jes.
Terrasseeren, terrasseerde, heeft geterrasseerd.
Terrasvormig.
Terrein, O., terreinen.
Terreinkaart, V., -kaarten.
Terreinkennis, V.
Terrine, V., terrines.
Territoor, O., territoren.
Territoriaal, territoriale.
Tersluiks en Ter sluik.
Terstond.
Terts, V., tertsen.
Terug.
Terugbekomen, bekomt terug, bekwam terug, bekwamen terug, heeft
terugbekomen.
Terugbetalen, betaalde terug, heeft terugbetaald.
Terugbezorgen, bezorgde terug, heeft terugbezorgd.
Terugbrengen, bracht terug, heeft teruggebracht.
Terugbrenging, V.
Terugdeinzen, deinsde terug, is teruggedeinsd.
Terugdenken, dacht terug, heeft teruggedacht.
Terugdrijven, dreef terug, dreven terug, heeft en is teruggedreven.
Terugeischen, eischte terug, heeft teruggeëischt.
Terugeisching, V., -eischingen.
Teruggaan, gaat terug, ging terug, is teruggegaan.
Teruggang, M.
Teruggave en -gaaf, V.
Teruggeven, gaf terug, gaven terug, heeft teruggegeven.
Terughalen, haalde terug, heeft teruggehaald.
Terughouden, hield terug, heeft teruggehouden.
Terughoudend, -houdender, -houdendst.
Terughoudendheid, V.
Terughouding, V.
Terugjagen, jaagde terug, heeft teruggejaagd; ook joeg terug.
Terugkaatsen, kaatste terug, heeft teruggekaatst.
Terugkaatsing, V., -kaatsingen.
Terugkeer, M.
Terugkeeren, keerde terug, is teruggekeerd.
Terugkomen, komt terug, kwam terug, kwamen terug, is teruggekomen.
Terugkomst, V.
Terugkrijgen, kreeg terug, kregen terug, heeft teruggekregen.
Terugloopen, liep terug, heeft en is teruggeloopen.
Terugmarcheeren, marcheerde terug, is teruggemarcheerd.
Terugmarsch, M.
Terugnemen, nam terug, namen terug, heeft teruggenomen.
Terugneming, V.
Terugreis, V.
Terugreizen, reisde terug, is teruggereisd.
Terugrijden, reed terug, reden terug, is teruggereden.
Terugroepen, riep terug, heeft teruggeroepen.
Terugroeping, V.
Terugschelden, schold terug, heeft teruggescholden.
Terugslaan, sloeg terug, heeft teruggeslagen.
Terugslag, M.
Terugspringen, sprong terug, is teruggesprongen.
Terugstoot, M.
Terugstooten, stiet terug, heeft teruggestooten; ook stootte terug.
Terugtocht, M.
Terugtred, M.
Terugtreden, trad terug, traden terug, is teruggetreden.
Terugtrekken, trok terug, trokken terug, heeft en is teruggetrokken.
Terugvaren, voer terug, is teruggevaren.
Terugvloeien, vloeide terug, is teruggevloeid.
Terugvoeren, voerde terug, heeft teruggevoerd.
Terugvragen, vraagde terug, heeft teruggevraagd; ook vroeg terug.
Terugwerken, werkte terug, heeft teruggewerkt.
Terugwerkend.
Terugwerking, V.
Terugwerpen, wierp terug, heeft teruggeworpen.
Terugwijken, week terug, weken terug, is teruggeweken.
Terugwijking, V.
Terugwijzen, wees terug, wezen terug, heeft teruggewezen.
Terugwijzing, V.
Terugwinnen, won terug, wonnen terug, heeft teruggewonnen.
Terugzenden, zond terug, heeft teruggezonden.
Terugzending, V.
Terugzien, zag terug, zagen terug, heeft teruggezien.
Terwijl.
Terzelfder.
Terzijdelating, V.
Terzijdestelling, V.
Test, V., testen. Testje, O., -jes.
Testament, O., testamenten. Testamentje, O., -jes.
Testamentair.
Testateur, M., testateurs en testateuren.
Testatrice, V., testatrices.
Testeeren, testeerde, heeft getesteerd.
Testimonium, O., testimoniums en testimonia.
Tets, tetser, tetst.
Tetsheid, V.
Tetsig, tetsiger, tetsigst.
Tetsigheid, V.
Tetterig, tetteriger, tetterigst.
Tettig, tettiger, tettigst.
Teug, V., teugen. Teugje, O., -jes.
Teugel, M., teugels. Teugeltje, O., -jes.
Teugelen, teugelde, heeft geteugeld.
Teugeling, V.
Teugelloos, -loozer.
Teugelloosheid, V.
Teut, M. en V., teuten.
Teutachtig, -achtiger, -achtigst.
Teutachtigheid, V.
Teuten, teutte, heeft geteut.
Teuterig, teuteriger, teuterigst.
Teuterigheid, V.
Teutig, teutiger, teutigst.
Teutkous, M. en V., -kousen; -kousje, O., -jes.
Tevens.
Tevergeefs (en Vergeefs).
Tevoren.
Tevreden, tevredener, tevredenst.
Tevredenheid, V.
Tevredenstellen, stelde tevreden, heeft tevredengesteld.
Tevredenstelling, V.
Teweegbrengen, bracht teweeg, heeft teweeggebracht.
Textueel, -eele.
Thaler, M., thalers. Thalertje, O., -jes.
Thans.
Theater, O., theaters. Theatertje, O., -jes.
Theatercoup, M.
Theaterheld, M., -helden.
Theatraal, theatrale.
Thee, V., theeën.
Theebanket, O.
Theeblad, O., -bladen.
Theebus, V., -bussen.
Theedepot, O., -depots.
Theedoek, M., -doeken.
Theegerei, O.
Theegoed, O.
Theehandel, M.
Theehuis, O., -huizen.
Theeketel, M., -ketels.
Theekopje, O., -kopjes.
Theelepeltje, O., -lepeltjes.
Theelood, O.
Theemakelaar, M., -makelaars.
Theeonderneming, V., -ondernemingen.
Theeoogst, M.
Theepot, M., -potten.
Theerandje, O., -jes.
Theeschoteltje, O., -schoteltjes.
Theeservies, O., -serviezen.
Theestoof, V., -stoven.
Theestruik, M., -struiken.
Theetafel, V., -tafels.
Theetuin, M., -tuinen.
Theeuur, O.; -uurtje, O.
Theevisite, V., -visites.
Theewater, O.
Theewinkel, M., -winkels.
Thema (onderwerp, grondgedachte), O., thema's; (opstel), V., thema's.
Themaboek, O., -boeken.
Theocratie, V.
Theocratisch.
Theologie, V.
Theologisch.
Theologiseeren, theologiseerde, heeft getheologiseerd.
Theoloog, M., theologen.
Theorema, O., theorema's.
Theoretisch.
Theorie, V., theorieën.
Theosoof, M., theosofen.
Theosophie, V.
Thermometer, M., thermometers.
Thermometerstand, M., -standen.
Thesaurie, V., thesaurieën.
Thesaurier, M., thesauriers.
Thesis, V., theses.
Thuis en Te Huis (bijw.).
Thuiskomen, kwam thuis, is thuisgekomen.
Thuiskomst, V.
Thuisreis, V.
Tichel, M., tichels en tichelen.
Tichelaar, M., tichelaars.
Tiek. Zie Teek.
Tien, tienen.
Tiend, O., tienden.
Tiendaagsch.
Tiendblok, O., -blokken.
Tiendboek, O., -boeken.
Tiende.
Tiendeelig.
Tiendehalf, -halve.
Tiendeischer, M., -eischers.
Tienderhande.
Tienderlei.
Tiendheffer, M., -heffers.
Tiendheffing, V., -heffingen.
Tiendplichtig.
Tiendrecht, O.
Tiendubbel.
Tienduizendste.
Tiendverpachting, V., -verpachtingen.
Tiendwet, V.
Tienguldenstuk, O., -stukken.
Tienhoek, M., -hoeken.
Tienhoekig.
Tienjarig.
Tienmaal.
Tienmaandsch.
Tienman, M., -mannen.
Tienmanschap, O.
Tienponder, M., -ponders.
Tienregelig.
Tienrittenboekje, O., -boekjes.
Tienstuiverstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Tiental, O., -tallen.
Tientallig.
Tientje, O., -jes.
Tienvoud, O., -vouden.
Tienvoudig.
Tienwerf.
Tienzijdig.
Tier, V.
Tiërceeren, tiërceerde, heeft getiërceerd.
Tiërceering, V., tiërceeringen.
Tierelantijntje en Tierlantijntje, O., -jes.
Tierelieren, tierelierde, heeft getierelierd.
Tieren (razen), tierde, heeft getierd.
Tieren (groeien), tierde, heeft getierd.
Tierig, tieriger, tierigst.
Tierigheid, V.
Tiersje, O., -jes.
Tij, O., tijen.
Tijd, M., tijden. Tijdje, O.
Tijdaanwijzing, V.
Tijdbal, M., -ballen.
Tijdbepaling en Tijdsbepaling, V., -bepalingen.
Tijdbesparing, V.
Tijdelijk.
Tijdeloos. Zie Tijloos.
Tijdens.
Tijdgenoot, M., -genooten.
Tijdgenoote, V., -genooten.
Tijdig, tijdiger, tijdigst.
Tijdigheid, V.
Tijding, V., tijdingen. Tijdinkje, O., -jes.
Tijdingzaal, V., -zalen.
Tijdkorter, M., -korters.
Tijdkorting, V., -kortingen.
Tijdlang (Een -).
Tijdmeter, M., -meters.
Tijdpasseering, V.
Tijdregeling, V., -regelingen.
Tijdrekenkunde, V.
Tijdroovend.
Tijdruimte en Tijdsruimte, V., -ruimten.
Tijdsbepaling, V.
Tijdsbestek, O.
Tijdschrift, O., -schriften.
Tijdsomstandigheid, V., -heden.
Tijdsorde, V.
Tijdstip, O., -stippen.
Tijdsverloop, O.
Tijdsverschil, O., -verschillen.
Tijdvak, O., -vakken.
Tijdverdrijf, O.; -verdrijfje, O.
Tijdverlies, O.
Tijdverspilling, V.
Tijgen, toog, togen, is getogen.
Tijger, M., tijgers en tijgeren. Tijgertje, O., -jes.
Tijgerin, V., tijgerinnen.
Tijgerjacht, V., -jachten.
Tijgerkat, V., -katten.
Tijgervel, O., -vellen.
Tijk (overtrek), V., tijken; (stof), O.
Tijloos en Tijdeloos, V., -loozen. Tijloosje, O., -jes.
Tijm, M.
Tik, M., tikken. Tikje, O., -jes.
Tikken, tikte, heeft getikt.
Tikker, M., tikkers. Tikkertje, O., -jes.
Tiktak, O.
Tiktakken, tiktakte, heeft getiktakt.
Tiktakker, M., tiktakkers.
Tiktakschijf, V., -schijven.
Tiktakspeler, M., -spelers.
Til (het tillen), M.
Til en Tille (ophaalbrug, duivenhok, enz.), V., tillen.
Tilbaar, -bare.
Tilbury, V., tilbury's.
Tillen, tilde, heeft getild.
Timber, M., timbers.
Timide.
Timiditeit, V.
Timmerage, V., timmerages.
Timmerbijl, V., -bijlen.
Timmeren, timmerde, heeft getimmerd.
Timmergereedschap, O., -schappen.
Timmerhout, O.
Timmering, V., timmeringen.
Timmerloods, V., -loodsen.
Timmerman, M., -lieden en -lui.
Timmermansbaas, M., -bazen.
Timmermansgereedschap, O.
Timmermansjongen, M., -jongens.
Timmermansvak, O.
Timmermanswerk, O.
Timmermanswinkel, M., -winkels.
Timmerwerf, V., -werven.
Timmerwerk, O.
Timpaan, O., timpanen.
Timpje, O., -jes.
Tin, O.
Tinctuur, V., tincturen.
Tingelingeling.
Tinhandel, M.
Tinkelen, tinkelde, heeft getinkeld.
Tinmijn, V., -mijnen.
Tinne, V., tinnen.
Tinnegieter, M., -gieters.
Tinnegieterij, V., -gieterijen.
Tinnegoed, O.
Tinnekast, V., -kasten.
Tinnen (bnw.).
Tint (kleur), V., tinten. Tintje, O., -jes.
Tintel, V.
Tintelen, tintelde, heeft getinteld.
Tinteling, V., tintelingen.
Tinteloogen, tinteloogde, heeft getinteloogd.
Tinten, tintte, heeft getint.
Tinveiling, V., -veilingen.
Tinwerk, O.
Tinwinning, V.
Tip, M., tippen. Tipje, O., -jes.
Tippen, tipte, heeft getipt.
Tirade, V., tirades.
Tirailleeren, tirailleerde, heeft getirailleerd.
Tirailleur, M., tirailleurs.
Tirailleursvuur, O.
Tiran en Tyran, M., tirannen en tyrannen. Tirannetje, O., -jes.
Tirannie en Tirannij, V., tirannieën en tirannijen.
Tiranniek.
Tiranniseeren, tiranniseerde, heeft getiranniseerd.
Tiras (net), V., tirassen. Tirasje, O., -jes.
Tiras (soort van cement). Zie Tras.
Tiretein, O.
Tireteinen (bnw.).
Titel, M., titels. Titeltje, O., -jes.
Titelblad, O., -bladen.
Titelen, titelde, heeft getiteld.
Titelplaat, V., -platen.
Titelprent, V., -prenten.
Titelrol, V., -rollen.
Titeluitgave, V., -uitgaven.
Titelvignet, O., -vignetten.
Titrage, V.
Titreeren, titreerde, heeft getitreerd.
Tittel, M., tittels. Titteltje, O., -jes.
Titulair.
Titulatuur, V., titulaturen.
Tituleeren, tituleerde, heeft getituleerd.
Tjalk, V., tjalken. Tjalkje, O., -jes.
Tjanken, tjankte, heeft getjankt.
Tjerk, V., tjerken. Tjerkje, O., -jes.
Tjilpen, tjilpte, heeft getjilpt.
Tjingelen, tjingelde, heeft getjingeld.
Tjotter, V., tjotters.
Tobbe, V., tobben. Tobbetje, O., -jes.
Tobben, tobde, heeft getobd.
Tobber en Tobberd, M., tobbers en tobberds.
Tobberig, tobberiger, tobberigst.
Tobberij, V., tobberijen.
Tobster, V., tobsters.
Toch.
Tocht, M., tochten. Tochtje, O., -jes.
Tochtdeken, V., -dekens.
Tochtdeur, V., -deuren.
Tochten, tochtte, heeft getocht.
Tochtgat, O., -gaten.
Tochtgenoot, M., -genooten.
Tochtgenoote, V., -genooten.
Tochtig, tochtiger, tochtigst.
Tochtigheid, V.
Tochtlat, V., -latten.
Tochtscherm, O., -schermen.
Tochtschut, O., -schutten.
Tochtsloot, V., -slooten.
Tod en Todde, V., todden. Todje en toddetje, O., -jes.
Toe.
Toebedeelen, bedeelde toe, heeft toebedeeld.
Toebehooren, behoorde toe, heeft toebehoord.
Toebehooren, O.
Toebereiden, bereidde toe, heeft toebereid.
Toebereiding, V., -bereidingen.
Toebeschikken, beschikte toe, heeft toebeschikt.
Toebeschikking, V.
Toebetrouwen, betrouwde toe, heeft toebetrouwd.
Toebeurs, V., -beurzen. (Met - betalen).
Toebidden, bad toe, baden toe, heeft toegebeden.
Toebidding, V.
Toebijten, beet toe, beten toe, heeft toegebeten.
Toebinden, bond toe, heeft toegebonden.
Toeblazen, blies toe, bliezen toe, heeft toegeblazen.
Toeblinken, blonk toe, heeft toegeblonken.
Toebrengen, bracht toe, heeft toegebracht.
Toebrommen, bromde toe, heeft toegebromd.
Toebuigen, boog toe, bogen toe, heeft en is toegebogen.
Toedammen, damde toe, heeft toegedamd.
Toedeelen, deelde toe, heeft toegedeeld.
Toedeeling, V.
Toedekken, dekte toe, heeft toegedekt.
Toedenken, dacht toe, heeft toegedacht.
Toedichten, dichtte toe, heeft toegedicht.
Toedienen, diende toe, heeft toegediend.
Toedijken, dijkte toe, heeft toegedijkt.
Toedoen, deed toe, deden toe, heeft toegedaan.
Toedoen, O.
Toedraaien, draaide toe, heeft toegedraaid.
Toedracht, V.
Toedragen, droeg toe, heeft toegedragen.
Toedrijven, dreef toe, dreven toe, heeft en is toegedreven.
Toedrinken, dronk toe, heeft toegedronken.
Toedrukken, drukte toe, heeft toegedrukt.
Toeduwen, duwde toe, heeft toegeduwd.
Toeëigenen, eigende toe, heeft toegeëigend.
Toeflappen, flapte toe, heeft en is toegeflapt.
Toefluisteren, fluisterde toe, heeft toegefluisterd.
Toegang, M., -gangen.
Toegangsbewijs, O., -bewijzen.
Toegangsbiljet, O., -biljetten.
Toegangskaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.
Toegankelijk, -lijker, -lijkst.
Toegankelijkheid, V.
Toegeeflijk en Toegefelijk, -lijker, -lijkst.
Toegeeflijkheid, V., -heden.
Toegenegen, -genegener, -genegenst.
Toegenegenheid, V.
Toegespen, gespte toe, heeft toegegespt.
Toegeven, gaf toe, gaven toe, heeft toegegeven.
Toegevend, -gevender, -gevendst.
Toegevendheid, V.
Toegeving, V.
Toegieten, goot toe, goten toe, heeft toegegoten.
Toegift, V., -giften. Toegiftje, O., -jes.
Toegooien, gooide toe, heeft toegegooid.
Toegrendelen, grendelde toe, heeft toegegrendeld.
Toegrijnzen, grijnsde toe, heeft toegegrijnsd.
Toegrijpen, greep toe, grepen toe, heeft toegegrepen.
Toehaken, haakte toe, heeft toegehaakt.
Toehalen, haalde toe, heeft toegehaald.
Toehappen, hapte toe, heeft toegehapt.
Toehoorder, M., -hoorders.
Toehoorderes, V., -hoorderessen.
Toehooren, hoorde toe, heeft toegehoord.
Toehouden, hield toe, heeft toegehouden.
Toehuis, O., -huizen.
Toeijlen, ijlde toe, is toegeijld.
Toejuichen, juichte toe, heeft toegejuicht.
Toejuiching, V., -juichingen.
Toekaatsen, kaatste toe, heeft toegekaatst.
Toekeeren, keerde toe, heeft toegekeerd.
Toekennen, kende toe, heeft toegekend.
Toekenning, V.
Toekijken, keek toe, keken toe, heeft toegekeken.
Toekijker, M., -kijkers.
Toekijkster, V., -kijksters.
Toeklinken, klonk toe, heeft toegeklonken.
Toeknellen, knelde toe, heeft toegekneld.
Toeknijpen, kneep toe, knepen toe, heeft toegeknepen.
Toeknikken, knikte toe, heeft toegeknikt.
Toeknippen, knipte toe, heeft toegeknipt.
Toeknoopen, knoopte toe, heeft toegeknoopt.
Toekomen, komt toe, kwam toe, kwamen toe, is en heeft toegekomen.
Toekomend.
Toekomst, V.
Toekomstig.
Toekrijgen, kreeg toe, kregen toe, heeft toegekregen.
Toekruid, O., -kruiden.
Toekuipen, kuipte toe, heeft toegekuipt.
Toekurken, kurkte toe, heeft toegekurkt.
Toelaag en -lage, V., -lagen.
Toelachen, lachte toe, heeft toegelachen.
Toelakken, lakte toe, heeft toegelakt.
Toelast, M., -lasten.
Toelaten, liet toe, heeft toegelaten.
Toelating, V.
Toelatingsexamen, O., -examens.
Toeleg, M.
Toeleggen, legde toe en leide toe, heeft toegelegd en toegeleid.
Toelichten, lichtte toe, heeft toegelicht.
Toelichting, V., -lichtingen.
Toeliggen, lag toe, lagen toe, heeft toegelegen.
Toelijmen, lijmde toe, heeft toegelijmd.
Toelonken, lonkte toe, heeft toegelonkt.
Toeloop, M.
Toeloopen, liep toe, is toegeloopen.
Toeluisteren, luisterde toe, heeft toegeluisterd.
Toemaat, V., -maten. Toemaatje, O., -jes.
Toemaken, maakte toe, heeft toegemaakt.
Toemand, V., -manden. Toemandje, O., -jes.
Toemeten, mat toe, maten toe, heeft toegemeten.
Toemeting, V.
Toemetselen, metselde toe, heeft toegemetseld.
Toemoffelen, moffelde toe, heeft toegemoffeld.
Toemuren, muurde toe, heeft toegemuurd.
Toen.
Toenaaien, naaide toe, heeft toegenaaid.
Toenaam, M., -namen.
Toenaderen, naderde toe, is toegenaderd.
Toenadering, V.
Toenagelen, nagelde toe, heeft toegenageld.
Toenemen, nam toe, namen toe, heeft en is toegenomen.
Toeneming, V.
Toenmaals.
Toenmalig.
Toepad, O., -paden; -paadje, O., -jes.
Toepasselijk, -lijker, -lijkst.
Toepasselijkheid, V.
Toepassen, paste toe, heeft toegepast.
Toepassing, V., -passingen.
Toepersen, perste toe, heeft toegeperst.
Toeplakken, plakte toe, heeft toegeplakt.
Toepleisteren, pleisterde toe, heeft toegepleisterd.
Toeproppen, propte toe, heeft toegepropt.
Toer, M., toeren. Toertje, O., -jes.
Toeraken, raakte toe, is toegeraakt.
Toerechten, rechtte toe, heeft toegerecht.
Toereeden, reedde toe, heeft toegereed.
Toereeding, V.
Toeregenen, regende toe, is toegeregend.
Toereiken, reikte toe, heeft toegereikt.
Toereikend.
Toereiking, V.
Toerekenbaar, -bare.
Toerekenbaarheid, V.
Toerekenen, rekende toe, heeft toegerekend.
Toerekening, V.
Toerekeningsvatbaar, -bare.
Toerekeningsvatbaarheid, V.
Toeren, toerde, heeft getoerd.
Toerijden, reed toe, reden toe, heeft en is toegereden.
Toerijgen, reeg toe, regen toe, heeft toegeregen.
Toerijtuig, O., -rijtuigen.
Toerisme, O.
Toerist, M., toeristen.
Toeristenbond, M.
Toerit, M., -ritten.
Toeroepen, riep toe, heeft toegeroepen.
Toerollen, rolde toe, heeft en is toegerold.
Toeruischen, ruischte toe, heeft toegeruischt.
Toerusten, rustte toe, heeft toegerust.
Toerusting, V., -rustingen.
Toeschietelijk, -lijker, -lijkst.
Toeschietelijkheid, V.
Toeschieten, schoot toe, schoten toe, heeft en is toegeschoten.
Toeschijnen, scheen toe, schenen toe, heeft toegeschenen.
Toeschikken, schikte toe, heeft toegeschikt.
Toeschouwen, schouwde toe, heeft toegeschouwd.
Toeschouwer, M., -schouwers.
Toeschouwster, V., -schouwsters.
Toeschreeuwen, schreeuwde toe, heeft toegeschreeuwd.
Toeschrijven, schreef toe, schreven toe, heeft toegeschreven.
Toeschroeien, schroeide toe, heeft toegeschroeid.
Toeschroeven, schroefde toe, heeft toegeschroefd.
Toeschuiven, schoof toe, schoven toe, heeft toegeschoven.
Toeseinen, seinde toe, heeft toegeseind.
Toesjorren, sjorde toe, heeft toegesjord.
Toeslaan, slaat toe, sloeg toe, heeft en is toegeslagen.
Toeslag, M.
Toeslede, V., -sleden. Toesleetje, O., -jes.
Toeslingeren, slingerde toe, heeft toegeslingerd.
Toesluiten, sloot toe, sloten toe, heeft toegesloten.
Toesluiting, V.
Toesmakken, smakte toe, heeft toegesmakt.
Toesmeden, smeedde toe, heeft toegesmeed.
Toesmijten, smeet toe, smeten toe, heeft toegesmeten.
Toesnauwen, snauwde toe, heeft toegesnauwd.
Toesnellen, snelde toe, is toegesneld.
Toesnoeren, snoerde toe, heeft toegesnoerd.
Toesoldeeren, soldeerde toe, heeft toegesoldeerd.
Toespelden, speldde toe, heeft toegespeld.
Toespeling, V., -spelingen.
Toespijkeren, spijkerde toe, heeft toegespijkerd.
Toespijs, V., -spijzen.
Toespraak, V., -spraken. Toespraakje, O., -jes.
Toespreken, sprak toe, spraken toe, heeft toegesproken.
Toespringen, sprong toe, is toegesprongen.
Toestaan, staat toe, stond toe, heeft toegestaan.
Toestand, M., -standen.
Toesteken, stak toe, staken toe, heeft toegestoken.
Toestel, M. en O., -stellen. Toestelletje, O., -jes.
Toestellen, stelde toe, heeft toegesteld.
Toestemmen, stemde toe, heeft toegestemd.
Toestemming, V.
Toestooten, stiet toe, heeft toegestooten; ook stootte toe.
Toestoppen, stopte toe, heeft toegestopt.
Toestralen, straalde toe, heeft toegestraald.
Toestrikken, strikte toe, heeft toegestrikt.
Toestroomen, stroomde toe, is toegestroomd.
Toestuiven, stoof toe, stoven toe, is toegestoven.
Toesturen, stuurde toe, heeft toegestuurd.
Toetakelen, takelde toe, heeft toegetakeld.
Toetakeling, V.
Toetasten, tastte toe, heeft toegetast.
Toetellen, telde toe, heeft toegeteld.
Toeten, toette, heeft getoet.
Toeter, M., toeters. Toetertje, O., -jes.
Toeteren, toeterde, heeft getoeterd.
Toethoorn en -horen, M., -hoorns en -horens.
Toetje (toespijsje), O., toetjes.
Toetreden, trad toe, traden toe, is toegetreden.
Toetreding, V., -tredingen.
Toetrekken, trok toe, trokken toe, heeft en is toegetrokken.
Toets, M., toetsen. Toetsje, O., -jes.
Toetsen, toetste, heeft getoetst.
Toetser, M., toetsers.
Toetsing, V.
Toetssteen (een steen), M., -steenen; (stof), O.
Toetuigen, tuigde toe, heeft toegetuigd.
Toeval, O., -vallen.
Toevallen, viel toe, is toegevallen.
Toevallig, -valliger, -valligst.
Toevalligerwijze en -wijs.
Toevalligheid, V., -heden.
Toeven, toefde, heeft getoefd.
Toeverlaat, M.
Toevertrouwen, vertrouwde toe, heeft toevertrouwd.
Toevliegen, vloog toe, vlogen toe, is toegevlogen.
Toevloed, M.
Toevloeien, vloeide toe, is toegevloeid.
Toevlucht, V.
Toevluchtsoord, O., -oorden.
Toevoegen, voegde toe, heeft toegevoegd.
Toevoeging, V., -voegingen.
Toevoegsel, O., -voegsels.
Toevoer, M., -voeren.
Toevoerbuis, V., -buizen.
Toevoeren, voerde toe, heeft toegevoerd.
Toevoorzicht, O.
Toevouwen, vouwde toe, heeft toegevouwen.
Toevriezen, vroor toe, vroren toe, is toegevroren en toegevrozen.
Toewaaien, waaide toe, heeft en is toegewaaid; ook woei toe,
woeien toe.
Toewagen, M., -wagens. Toewagentje, O., -jes.
Toewallen, walde toe, heeft toegewald.
Toewas, M.
Toewassen, wies toe, wiesen toe, is toegewassen.
Toewater, O.
Toewegen, woog toe, wogen toe, heeft toegewogen.
Toewenden, wendde toe, heeft toegewend.
Toewenken, wenkte toe, heeft toegewenkt.
Toewenschen, wenschte toe, heeft toegewenscht.
Toewensching, V.
Toewerpen, wierp toe, heeft toegeworpen.
Toewicht, O.
Toewijden, wijdde toe, heeft toegewijd.
Toewijding, V.
Toewijzen, wees toe, wezen toe, heeft toegewezen.
Toewijzing, V.
Toewinden, wond toe, heeft toegewonden.
Toewringen, wrong toe, heeft toegewrongen.
Toewuiven, wuifde toe, heeft toegewuifd.
Toezang, M., -zangen.
Toezeggen, zeide toe, heeft toegezegd en toegezeid.
Toezegging, V., -zeggingen.
Toezenden, zond toe, heeft toegezonden.
Toezender, M., -zenders.
Toezending, V., -zendingen.
Toezicht, O.
Toezien, zag toe, zagen toe, heeft toegezien.
Toeziener, M., -zieners.
Toezingen, zong toe, heeft toegezongen.
Toezuigen, zoog toe, zogen toe, heeft en is toegezogen.
Toezwaaien, zwaaide toe, heeft toegezwaaid.
Toezweren (met een eed), zwoer toe, heeft toegezworen.
Toezweren (door verzwering), zwoor toe, zworen toe, is toegezworen.
Toffel, V., toffels. Toffeltje, O., -jes.
Toga, V., toga's.
Togen (onvolm. verl. tijd, mv.).
Toilet, O., toiletten. Toiletje, O., -jes.
Toiletartikel, O., -artikelen.
Toiletspiegel, M., -spiegels.
Toiletspons, V., -sponsen; -sponsje, O., -jes.
Toilettafel, V., -tafels.
Toiletteeren, toiletteerde, heeft getoiletteerd.
Toiletzeep, V., -zeepen.
Tokkelaar, M., tokkelaars.
Tokkelen, tokkelde, heeft getokkeld.
Tokkeling, V., tokkelingen.
Toko, M., toko's.
Tokohouder, M., -houders.
Tol (schatting), M., tollen.
Tol (speeltuig), M., tollen. Tolletje, O., -jes.
Tolbaas, M., -bazen.
Tolboom, M., -boomen.
Toldeur, V., -deuren.
Tolerant, toleranter, tolerantst.
Tolerantie, V.
Tolereeren, tolereerde, heeft getolereerd.
Tolgaarder, M., -gaarders.
Tolgeld, O., -gelden.
Tolhek, O., -hekken.
Tolhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Tolk (vertaler), M., tolken.
Tolk (scheepsw.), M., tolken.
Tollen, tolde, heeft getold.
Tollenaar, M., tollenaars en tollenaren.
Toltarief, O., -tarieven.
Tolverbond, O., -verbonden.
Tolvrij.
Tomaat, V., tomaten.
Tomatensaus, V., -sausen.
Tomatensoep, V.
Tombak, O.
Tombe, V., tombes.
Tombola, V., tombola's.
Ton, V., tonnen. Tonnetje, O., -jes.
Tondel en Tonder, O.
Tondeldoos, V., -doozen.
Tong (lichaamsdeel), V., tongen. Tongetje, O., -jes.
Tong (visch), V., tongen. Tongetje, O., -jes.
Tongbeen, O., -beenderen.
Tongblaar, V.
Tongkijker, M., -kijkers.
Tongriem, M.
Tongschraper, M., -schrapers.
Tongval, M., -vallen.
Tongwerk, O.
Tonijn, M., tonijnen. Tonijntje, O., -jes.
Tonijnenvangst, V.
Tonmolen, M., -molens.
Tonneboei, V., -boeien.
Tonneboeier, M., -boeiers.
Tonnen, tonde, heeft getond.
Tonnengeld, O.
Tonnenmaat, ook Tonnemaat, V.
Tonnenmeester, M., -meesters.
Tonnenstelsel, O.
Tonner, M., tonners.
Tonrond.
Tonrondte, V.
Tonster, V., tonsters.
Tonsuur, V.
Tontine, V., tontines.
Toog, M., togen. Toogje, O., -jes.
Toog (toga), V., togen.
Toog (onvolm. verl. tijd).
Tooi, M.
Tooien, tooide, heeft getooid.
Tooisel, O., tooisels.
Toom, M., toomen. Toompje, O., -jes.
Toomeloos, -loozer.
Toomeloosheid, V.
Toomen, toomde, heeft getoomd.
Tooming, V.
Toon (teen), M., toonen. Toontje, O., -jes.
Toon (klank), M., tonen. Toontje, O., -jes.
Toon. (Ten -).
Toonbaar, -bare.
Toonbank, V., -banken.
Toonbeeld, O., -beelden.
Toonbrood, O., -brooden.
Toonder, M., toonders.
Toondichter, M., -dichters.
Tooneel, O., tooneelen. Tooneeltje, O., -jes.
Tooneelcriticus, M., -critici.
Tooneelcritiek, V.
Tooneelgezelschap, O., -gezelschappen.
Tooneelheld, M., -helden.
Tooneelist, O., tooneelisten.
Tooneelkijker, M., -kijkers.
Tooneelkunstenaar, M., -kunstenaars.
Tooneelpoëzie, V.
Tooneelschool, V., -scholen.
Tooneelschrijver, M., -schrijvers.
Tooneelspel, O., -spelen.
Tooneelspeler, M., -spelers.
Tooneelstuk, O., -stukken.
Tooneelverbond, O.
Tooneelverslag, O., -verslagen.
Tooneelvertooning, V., -vertooningen.
Tooneelwoede, V.
Toonen, toonde, heeft getoond.
Toongevend.
Toongever, M., -gevers.
Toonhoogte, V., -hoogten.
Toonkunst, V.
Toonkunstenaar, M., -kunstenaars.
Toonladder, V., -ladders.
Toonloos, -looze.
Toonloosheid, V.
Toonschaal, V., -schalen.
Toonsoort, V., -soorten.
Toonteeken, O., -teekens.
Toonvast, -vaster, meest -vast.
Toorn, M.
Toornen, toornde, heeft getoornd.
Toornig, toorniger, toornigst.
Toornigheid, V.
Toorts, V., toortsen.
Toortslicht, O.
Toost, M., toosten. Toostje, O., -jes.
Toosten, toostte, heeft getoost.
Tooster, M., toosters.
Toot, V., toten. Tootje, O., -jes.
Toovenaar, M., toovenaars en toovenaren.
Toovenaarster, V., toovenaarsters.
Toovenares, V., toovenaressen.
Tooverachtig, -achtiger, -achtigst.
Tooverbeeld, O., -beelden.
Tooverblik, M., -blikken.
Tooverboek, O., -boeken.
Toovercirkel, M., -cirkels.
Tooverdrank, M., -dranken.
Tooveren, tooverde, heeft getooverd.
Tooveres, V., tooveressen.
Tooverfiguur, V. en O., -figuren.
Tooverfluit, V., -fluiten.
Tooverformulier, O., -formulieren.
Toovergeschiedenis, V., -geschiedenissen.
Toovergodin, V., -godinnen.
Tooverheks, V., -heksen.
Tooverij, V., tooverijen.
Tooverkaart, V., -kaarten.
Tooverklank, M., -klanken.
Tooverkol, V., -kollen.
Tooverkracht, V.
Tooverkring, M., -kringen.
Tooverkunst, V., -kunsten; -kunstje, O., -jes.
Tooverlantaren en -lantaarn, V., -lantarens en -lantaarns.
Toovermiddel, O., -middelen.
Tooverpaleis, O., -paleizen.
Tooverslag, M.
Tooverspiegel, M., -spiegels.
Tooverstaf, M., -staven.
Toovervierkant, O., -vierkanten.
Tooverwerk, O.
Tooverzalf, V.
Top, M., toppen. Topje, O., -jes.
Top (tusschenw.).
Topaas (steen), M., topazen; (stof), O. Topaasje, O., -jes.
Topazen (bnw.).
Tophoek, M., -hoeken.
Topograaf, M., topografen.
Topographie, V.
Topographisch.
Toppen, topte, heeft getopt.
Toppenant, V., toppenanten; ook Toppenend, O., -enden.
Toppenantsblok, O., -blokken en -bloks.
Topper, M., toppers. Toppertje, O., -jes.
Toppershoed, M., -hoeden.
Topstander, M., -standers.
Topzeil, O., -zeilen.
Topzeilskoelte, V.
Topzwaar, -zware.
Tor, V., torren. Torretje, O., -jes.
Torbok, M., -bokken.
Toren, M., torens. Torentje, O., -jes.
Torenblazer, M., -blazers.
Torenbouw, M.
Torenbrand, M., -branden.
Torenhoog, -hooge.
Torenklok, V., -klokken.
Torenspits, V., -spitsen.
Torenuil, M., -uilen.
Torenvalk, M., -valken.
Torenwacht (een wachter), M., -wachten; (de gezamenlijke wachters), V.
Torenwachter, M., -wachters.
Torment, O., tormenten.
Tormenteeren, tormenteerde, heeft getormenteerd.
Torn (het tornen), M., tornen.
Torn (in een kleed), V., tornen. Torntje, O., -jes.
Tornen, tornde, heeft getornd.
Tornmesje, O., -jes.
Tornooi, O., tornooien.
Tornooien, tornooide, heeft getornooid.
Torntouw, O., -touwen.
Torpedist, M., torpedisten.
Torpedo, V., torpedo's.
Torpedoboot, V., -booten.
Torpedodienst, M.
Torpedojager, M., -jagers.
Torsen, torste, heeft getorst.
Tortel, M. en V., tortels. Torteltje, O., -jes.
Tortelduif, V., -duiven.
Tot.
Totaal, O., totalen.
Totaal, totale.
Totdat.
Totebel, V., totebellen.
Totstandbrenging, V.
Totstandkoming, V.
Tournure, V., tournures.
Touter, M., touters. Toutertje, O., -jes.
Touteren, touterde, heeft getouterd.
Touw, O., touwen. Touwtje, O., -jes.
Touwbaan, V., -banen.
Touwen (bnw.).
Touwen, touwde, heeft getouwd.
Touwer, M., touwers.
Touwerij, V., touwerijen.
Touwladder, V., -ladders.
Touwpluizen, O.
Touwslager, M., -slagers.
Touwslagerij, V., -slagerijen.
Touwstopper, M., -stoppers.
Touwtjespringen, O.
Touwwerk, O.
Traag, trager, traagst.
Traagheid, V.
Traaglooper, M., -loopers.
Traan (oogvocht), M., tranen. Traantje, O., -jes.
Traan (vischolie), V.
Traanachtig, -achtiger, -achtigst.
Traanbuis, V., -buizen; -buisje, O., -jes.
Traanklier, V., -klieren.
Traankoker, M., -kokers.
Traankokerij, V., -kokerijen.
Traanoog, O., -oogen.
Traanoogen, traanoogde, heeft getraanoogd.
Tracasserie, V., tracasserieën.
Trachten, trachtte, heeft getracht.
Tractaat (verdrag), O., tractaten.
Tracteeren (behandelen), tracteerde, heeft getracteerd.
Traditie, V., traditiën en tradities.
Traditioneel, traditioneele.
Trafiek, V., trafieken.
Tragedie, V., tragediën en tragedies.
Tragisch.
Traject, O., trajecten.
Traktaatje (vertoogje), O., -jes.
Traktant, M., traktanten.
Traktatie, V., traktaties.
Trakteeren (onthalen), trakteerde, heeft getrakteerd.
Traktement, O., traktementen. Traktementje, O., -jes.
Traktementsdag, M., -dagen.
Traktementsverhooging, V., -verhoogingen.
Tralie, V., tralies en traliën. Tralietje, O., -jes.
Traliedeur, V., -deuren.
Tralieluik, O., -luiken.
Traliën, traliede, heeft getralied.
Tralievenster, O., -vensters.
Traliewerk, O.
Tram, V., trammen en trams.
Tramboekje, O., -boekjes.
Tramconducteur, M., -conducteurs.
Tramdienst, M., -diensten.
Tramhalte, V., -halten.
Tramkaartje, O., -kaartjes.
Tramkilometer, M., -kilometers.
Tramkoetsier, M., -koetsiers.
Tramlijn, V., -lijnen.
Trammen, tramde, heeft en is getramd.
Tramontane, V.
Trampaard, O., -paarden.
Tramreiziger, M., -reizigers.
Tramverbinding, V., -verbindingen.
Tramverkeer, O.
Tramwagen, M., -wagens.
Tramweg, M., -wegen.
Tranen, traande, heeft getraand.
Tranendal, O.
Tranenlach, M.
Tranenvloed, M.
Tranig, traniger, tranigst.
Tranigheid, V.
Trans, M., transen.
Transactie, V., transactiën en transacties.
Transcendentaal, -ale.
Transigeeren, transigeerde, heeft getransigeerd.
Transitief, transitieve.
Transito, O.
Transito-handel, M.
Transitoir.
Translaat, O., translaten.
Translateeren, translateerde, heeft getranslateerd.
Translateur, M., translateurs.
Transparant.
Transparant, O., transparanten. Transparantje, O., -jes.
Transpiratie, V.
Transpireeren, transpireerde, heeft getranspireerd.
Transport, O., transporten. Transportje, O., -jes.
Transportarbeider, M., -arbeiders.
Transporteeren, transporteerde, heeft getransporteerd.
Transporteur, M., transporteurs.
Transportkosten (mv.), M.
Transportschip, O., -schepen.
Transportwagen, M., -wagens.
Transsubstantiatie, V.
Trant, M.
Trap (schop), M., trappen.
Trap (trede), M., trappen. Trapje, O., -jes.
Trap (al de treden te zamen), V., trappen. Trapje, O., -jes.
Trapezium, O., trapeziums.
Trapezoïde, V., trapezoïdes.
Trapgans, V., -ganzen; -gansje, O., -jes.
Trapgat, O., -gaten.
Trapladder, V., -ladders.
Trapleuning, V., -leuningen.
Traplooper, M., -loopers.
Trapmachine, V., -machines.
Trappelen, trappelde, heeft getrappeld.
Trappen, trapte, heeft getrapt.
Trappist, M., trappisten.
Trappistenbier, O.
Trapportaal, O., -portalen.
Trapsgewijze en -gewijs.
Trapswijze en -wijs.
Tras, O.
Trasmolen, M., -molens.
Trasraam, O., -ramen.
Trasrok, M., -rokken.
Trassen, traste, heeft getrast.
Travaat, M., travaten.
Travalje, V., travaljes.
Traven, traafde, heeft getraafd.
Traverse en Travers, V., traversen.
Traverseeren, traverseerde, heeft getraverseerd.
Trawant, M., trawanten.
Trechter, M., trechters. Trechtertje, O., -jes.
Trechtervormig.
Tred, M., treden. Tredje, O., -jes.
Trede en Tree, V., treden en treeën. Treetje, O., -jes.
Treden, trad, traden, heeft en is getreden.
Treder, M., treders.
Treedsel, O., treedsels.
Treeft, V., treeften. Treeftje, O., -jes.
Treek, M., treken. Treekje, O., -jes.
Treemolen, M., -molens.
Treerad, O., -raderen.
Tref, M.
Treffelijk, -lijker, -lijkst.
Treffen, trof, troffen, heeft getroffen.
Treffen, O.
Treffend, treffender, treffendst.
Trefkans, V.
Trefpunt, O., -punten.
Treil, M., treilen.
Treilen, treilde, heeft getreild.
Treiler, M., treilers.
Trein, M., treinen. Treintje, O., -jes.
Treinbeambte, M., -beambten.
Treincompagnie, V., -compagnieën.
Treinenloop, M.
Treinpersoneel, O.
Treinsmid, M., -smeden.
Treinsoldaat, M., -soldaten.
Treiteraar, M., treiteraars.
Treiteraarster, V., treiteraarsters.
Treiteren, treiterde, heeft getreiterd.
Treitering, V., treiteringen.
Trek, M., trekken. Trekje, O., -jes.
Trekband, M., -banden.
Trekbank, V., -banken.
Trekbeest, O., -beesten.
Trekbeugel, M., -beugels.
Trekdag, M., -dagen.
Trekdier, O., -dieren.
Trekezel, M., -ezels.
Trekgat, O., -gaten.
Trekgeld, O.
Trekgordijn, O., -gordijnen.
Trekhaak, M., -haken.
Trekhond, M., -honden.
Trekkar, V., -karren.
Trekkast, V., -kasten.
Trekkebeenen, trekkebeende, heeft getrekkebeend.
Trekkebekken, trekkebekte, heeft getrekkebekt.
Trekken, trok, trokken, heeft en is getrokken.
Trekker, M., trekkers.
Trekking, V., trekkingen.
Trekkingslijst, V., -lijsten.
Trekklep, V., -kleppen.
Trekkoord, O., -koorden.
Trekletter, V., -letters.
Treklijn, V., -lijnen.
Trekmuts, V., -mutsen.
Treknet, O., -netten.
Trekos, M., -ossen.
Trekpaard, O., -paarden.
Trekpad, O., -paden.
Trekpen, V., -pennen.
Trekpleister, V., -pleisters.
Trekpot, M., -potten.
Trekschuit, V., -schuiten.
Treksel, O., treksels.
Trekslede, V., -sleden.
Trekstang, V., -stangen.
Trekster, V., treksters.
Trektafel, V., -tafels.
Trektouw, O., -touwen.
Trekvaart, V., -vaarten.
Trekvogel, M., -vogels.
Trekweg, M., -wegen.
Trekzaag, V., -zagen.
Trema, O., trema's.
Tremel, M., tremels.
Trens, V., trenzen. Trensje, O., -jes.
Trenzen, trensde, heeft getrensd.
Trenzing, V.
Trepaan, M., trepanen.
Trepaneerboor, V., -boren.
Trepaneeren, trepaneerde, heeft getrepaneerd.
Trepaneering, V., trepaneeringen.
Tres, V., tressen.
Treurberk, M., -berken.
Treurbeuk, M., -beuken.
Treurdicht, O., -dichten.
Treuren, treurde, heeft getreurd.
Treuresch, M., -esschen.
Treurgewaad, O., -gewaden.
Treurig, treuriger, treurigst.
Treurigheid, V.
Treurmare, V., -maren.
Treurmarsch, M., -marschen.
Treurmuziek, V.
Treurroos, V., -rozen.
Treurspel, O., -spelen.
Treurspeldichter, M., -dichters.
Treurtooneel, O., -tooneelen.
Treurwilg, M., -wilgen.
Treurzang, M., -zangen.
Treuzel, M. en V., treuzels. Treuzeltje, O., -jes.
Treuzelaar, M., treuzelaars.
Treuzelaarster, V., treuzelaarsters.
Treuzelachtig, -achtiger, -achtigst.
Treuzelen, treuzelde, heeft getreuzeld.
Treuzelig, treuzeliger, treuzeligst.
Treuzelwerk, O.; -werkje, O., -jes.
Trezoor, O., trezoren.
Trezorie, V., trezorieën.
Trezorier, M., trezoriers.
Trezorierschap, O.
Triangel, M., triangels. Triangeltje, O., -jes.
Triangulatie, V., triangulatiën.
Tribulatie, V., tribulatiën en tribulaties.
Tribunaal, O., tribunalen.
Tribunaat, O.
Tribune, V., tribunes.
Tribuun, M., tribunen.
Trichine, V., trichinen.
Tricot, O., tricots. Tricootje, O., -jes.
Trielje, V., trieljes.
Trieljen (bnw.).
Triest, triester.
Trigonometrie, V.
Trigonometrisch.
Trijp, O., trijpen.
Trijpen (bnw.).
Trijs, M., trijsen.
Trijsblok, O., -blokken en -bloks.
Trijsen, trijste, heeft getrijst.
Triktrak, O.
Triktrakbord, O., -borden.
Triktrakken, triktrakte, heeft getriktrakt.
Tril, M.
Trilborstel, M., -borstels.
Trilgras, O.
Trilhaar, O., -haren; -haartje, O., -jes.
Trillen, trilde, heeft getrild.
Triller, M., trillers.
Trilling, V., trillingen.
Trillingsgetal, O., -getallen.
Trillioen, O., trillioenen.
Trimester, O., trimesters.
Trio, O., trio's.
Triomf en Triumf, M., triomfen.
Triomfant.
Triomfantelijk.
Triomfboog, M., -bogen.
Triomfeeren, triomfeerde, heeft getriomfeerd.
Triomflied, O., -liederen.
Triomftocht, M., -tochten.
Trip, V., trippen. Tripje, O., -jes.
Tripel, O.
Trippelen, trippelde, heeft en is getrippeld.
Trippen, tripte, heeft getript.
Trits, V., tritsen.
Triumf, enz. Zie Triomf, enz.
Triviaal, trivialer, triviaalst.
Trivialiteit, V., trivialiteiten.
Troebel, troebeler, troebelst.
Troebelheid, V.
Troef, V., troeven. Troefje, O., -jes.
Troefkaart, V., -kaarten.
Troep, M., troepen. Troepje, O., -jes.
Troepenmacht, V.
Troepenpaard, O., -paarden.
Troepsgewijze en -wijs.
Troetel, M., troetels.
Troetelen, troetelde, heeft getroeteld.
Troeteling, V., troetelingen.
Troetelkind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes.
Troeven, troefde, heeft getroefd.
Troffel, M., troffels. Troffeltje, O., -jes.
Trog, M., troggen. Trogje, O., -jes.
Troggelaar, M., troggelaars.
Troggelarij, V., troggelarijen.
Troggelen, troggelde, heeft getroggeld.
Troggelwinst, V., -winsten.
Troggelzak, M., -zakken.
Trom, V., trommen.
Trombone, V., trombones.
Trombonist, M., -isten.
Trommel, V., trommels en trommelen. Trommeltje, O., -jes.
Trommelen, trommelde, heeft getrommeld.
Trommelslag, M., -slagen.
Trommelslager, M., -slagers.
Trommelstok, M., -stokken.
Trommelvlies, O., -vliezen.
Trommelzucht, V.
Trommen, tromde, heeft getromd.
Trommer, M., trommers.
Tromp, V., trompen.
Trompet, V., trompetten. Trompetje, O., -jes.
Trompetten, trompette, heeft getrompet.
Trompetter, M., trompetters.
Tronen (zetelen), troonde, heeft getroond.
Tronie, V., tronies. Tronietje, O., -jes.
Tronk, M., tronken. Tronkje, O., -jes.
Troon, M., tronen.
Troonen (lokken), troonde, heeft getroond.
Troonhemel, M., -hemels.
Troonopvolger, M., -opvolgers.
Troonopvolging, V.
Troonrede, V., -redenen.
Troonsbeklimming, V.
Troonzaal, V., -zalen.
Troop, M., tropen.
Troost, M.
Troostbrief, M., -brieven.
Troostelijk, -lijker, -lijkst.
Troosteloos, -loozer.
Troosteloosheid, V.
Troosten, troostte, heeft getroost.
Trooster, M., troosters.
Troosteres, V., troosteressen.
Troostgrond, M., -gronden.
Troostlied, O., -liederen.
Troostrede, V., -redenen.
Troostrijk, -rijker, -rijkst.
Troostvol, -volle.
Troostwoord, O., -woorden.
Tropee, V., tropeeën. Ook Trophee.
Tropisch.
Tros, M., trossen. Trosje, O., -jes.
Trossen, troste, heeft getrost.
Trots, M.
Trots (bijw.).
Trots (voorz.).
Trotsch, trotscher, meest trotsch.
Trotschaard, M., trotschaards.
Trotschheid, V., -heden.
Trotseerder, M., trotseerders.
Trotseeren, trotseerde, heeft getrotseerd.
Trotseering, V.
Trotsen, trotste, heeft getrotst.
Trottoir, O., trottoirs.
Trottoirband, M., -banden.
Troubadour, M., troubadours.
Trouw, V.
Trouw, trouwer, trouwst.
Trouwbelofte, V., -beloften.
Trouwbreuk, V.
Trouwdag, M.
Trouwelijk.
Trouweloos, -loozer.
Trouweloosheid, V.
Trouwen, trouwde, heeft en is getrouwd.
Trouwens.
Trouwhartig, -hartiger, -hartigst.
Trouwhartigheid, V.
Trouwheid, V.
Trouwjapon, V., -japonnen.
Trouwkamer, V., -kamers.
Trouwlustig, -lustiger, -lustigst.
Trouwpak, O., -pakken.
Trouwpartij, V., -partijen.
Trouwplechtigheid, V.
Trouwring, M., -ringen.
Trouwrok, M., -rokken.
Trouwzaal, V., -zalen.
Truffeeren, truffeerde, heeft getruffeerd.
Truffel, V., truffels.
Truffelsaus, V., -sausen.
Truffelworst, V., -worsten.
Trui, V., truien. Truitje, O., -jes.
Truweel, O., truweelen. Truweeltje, O., -jes.
Tsaar, M., tsaren.
Tsarewitsj, M.
Tsaritsa, V., tsaritsa's.
Tuberculeus, tuberculeuze.
Tuberculose, V.
Tuberkel, M., tuberkels.
Tuberoos, V., tuberoozen. Tuberoosje, O., -jes.
Tucht, V.
Tuchteloos, -loozer.
Tuchteloosheid, V.
Tuchthuis, O., -huizen.
Tuchthuisboef, M., -boeven.
Tuchthuisstraf, V.
Tuchtigen, tuchtigde, heeft getuchtigd.
Tuchtiging, V., tuchtigingen.
Tuchtroede, V., -roeden.
Tuchtschool, V., -scholen.
Tufsteen, ook Dufsteen, (een steen), M., -steenen; (als stofnaam) O.
Tui, V., tuien.
Tuianker, O., -ankers.
Tuier, M., tuiers.
Tuiertouw, O., -touwen.
Tuig, O., tuigen. Tuigje, O., -jes.
Tuigage, V.
Tuigen, tuigde, heeft getuigd.
Tuighuis, O., -huizen.
Tuiging, V., tuigingen.
Tuil, M., tuilen. Tuiltje, O., -jes.
Tuimelaar, M., tuimelaars. Tuimelaartje, O., -jes.
Tuimelbank, V., -banken.
Tuimelen, tuimelde, is getuimeld.
Tuimelgeest, M.
Tuimeling, V., tuimelingen. Tuimelingetje, O., -jes.
Tuimelraam, O., -ramen; -raampje, O., -jes.
Tuimelvischje, O., -jes.
Tuin, M., tuinen. Tuintje, O., -jes.
Tuinanjelier, V., -anjelieren.
Tuinbaas, M., -bazen.
Tuinbank, V., -banken.
Tuinboon, V., -boonen; -boontje, O., -jes.
Tuinbouw, M.
Tuinbouwschool, V., -scholen.
Tuinder, M., tuinders.
Tuindeur, V., -deuren.
Tuinen, tuinde, heeft getuind.
Tuinfeest, O., -feesten.
Tuingereedschap, O., -gereedschappen.
Tuingewas, O., -gewassen.
Tuinhoed, M., -hoeden.
Tuinhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Tuinier, M., tuiniers.
Tuinieren, tuinierde, heeft getuinierd.
Tuiniersalmanak, M., -almanakken.
Tuiniersbedrijf, O.
Tuinierswerk, O.
Tuinkamer, V., -kamers.
Tuinknecht, M., -knechts.
Tuinman, M., -lieden en -lui.
Tuinmanswoning, V., -woningen.
Tuinpad, O., -paden.
Tuinschaar, V., -scharen.
Tuinsieraden (mv.), O.
Tuinstaak, M., -staken.
Tuinstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.
Tuintafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Tuinwerk, O., -werken.
Tuinzaad, O., -zaden.
Tuischen, tuischte, heeft getuischt.
Tuischer, M., tuischers.
Tuit, V., tuiten. Tuitje, O., -jes.
Tuitelachtig, -achtiger, -achtigst.
Tuitelen, tuitelde, heeft getuiteld.
Tuitelig, tuiteliger, tuiteligst.
Tuiten, tuitte, heeft getuit.
Tuitkan, V., -kannen.
Tuitpot, M., -potten.
Tuk, M.
Tuk (bnw.).
Tukje, O., -jes.
Tul, V., tullen. Tulletje, O., -jes.
Tulband (Turksch hoofddeksel en gebak), M., tulbanden. Tulbandje,
O., -jes.
Tulbandsvorm, M., -vormen.
Tule, V.
Tulen (bnw.).
Tulp, V., tulpen. Tulpje, O., -jes.
Tulpebol, M., -bollen.
Tulpeboom, M., -boomen.
Tulpenbed, O., -bedden.
Tulpenhandel, M.
Tulpenkweeker, M., -kweekers.
Tulpenzaad, O.
Tulpestengel, M., -stengels.
Tult, V., tulten.
Tumbler, M., tumblers.
Tumult, O., tumulten.
Tunica, V., tunica's.
Tuniek, V., tunieken.
Tunnel, V., tunnels.
Turbine, V., turbines.
Tureluur, M., tureluren en tureluurs. Tureluurtje, O., -jes.
Tureluursch.
Turen, tuurde, heeft getuurd.
Turf (een enkele turf), M., turven; (collectief), V. Turfje, O., -jes.
Turfbak, M., -bakken.
Turfboer, M., -boeren.
Turfdrager, M., -dragers.
Turfgraven, O.
Turfhok, O., -hokken.
Turfkoker, M., -kokers.
Turfmand, V., -manden.
Turfmeter, M., -meters.
Turfmolm, M. en O.
Turfschip, O., -schepen.
Turfschipper, M., -schippers.
Turfsteken, O.
Turfstrooisel, O.
Turftijd, M.
Turfton, V., -tonnen.
Turftonnen, O.
Turftonster, V., -tonsters.
Turftrapper, M., -trappers.
Turfvuur, O., -vuren.
Turfzolder, M., -zolders.
Turk, M., Turken.
Turken, turkte, heeft geturkt.
Turkoois (steen), M., turkooizen; (stof), O.
Turkooizen (bnw.).
Turksch.
Turksch, O.
Turven, turfde, heeft geturfd.
Tusschen.
Tusschenbedrijf, O., -bedrijven.
Tusschenbeide (bijw.).
Tusschendek, O., -dekken.
Tusschendeks.
Tusschendeks, O.
Tusschendeksbatterij, V., -batterijen.
Tusschendekspassagier, M., -passagiers.
Tusschendeur, V., -deuren.
Tusschendijk, M., -dijken.
Tusschendijks.
Tusschendoor.
Tusschenerf, O., -erven; -erfje, O., -jes.
Tusschengelegen.
Tusschenhandel, M.
Tusschenhandelaar, M., -handelaars.
Tusschenin.
Tusschenkleur, V., -kleuren; -kleurtje, O., -jes.
Tusschenkomend.
Tusschenkomst, V.
Tusschenkwartier, O., -kwartieren; -kwartiertje, O., -jes.
Tusschenlaag, V., -lagen; -laagje, O., -jes.
Tusschenliggend.
Tusschenmuur, M., -muren; -muurtje, O., -jes.
Tusschenpersoon, M. en V., -personen.
Tusschenpoos, V., -poozen; -poosje, O., -jes.
Tusschenregeering, V., -regeeringen.
Tusschenruimte, V., -ruimten.
Tusschenschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes.
Tusschensluis, V., -sluizen; -sluisje, O., -jes.
Tusschenspel, O., -spelen.
Tusschenspraak, V.
Tusschenspreken, O.
Tusschenspreker, M., -sprekers.
Tusschenstaat, M.
Tusschenstand, M., -standen.
Tusschentijd, M., -tijden.
Tusschentijds (bijw.).
Tusschentoon, M., -tonen.
Tusschenuit.
Tusschenuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.
Tusschenvak, O., -vakken; -vakje, O., -jes.
Tusschenvlaag, V., -vlagen; -vlaagje, O., -jes.
Tusschenvoeging, V.
Tusschenvoegsel, O., -voegsels en -voegselen; -voegseltje, O., -jes.
Tusschenwal, M., -wallen.
Tusschenwand, M., -wanden.
Tusschenweg, M., -wegen.
Tusschenwerpsel, O., -werpsels.
Tusschenzang, M., -zangen.
Tusschenzee, V., -zeeën.
Tusschenzin, M., -zinnen.
Twaalf, twaalven.
Twaalfdaagsch.
Twaalfde.
Twaalfdehalf, -halve.
Twaalfderhande.
Twaalfderlei.
Twaalfdoornig.
Twaalfduizendste.
Twaalfhoek, M., -hoeken.
Twaalfhoekig.
Twaalfhonderd.
Twaalfhonderdste.
Twaalfjarig.
Twaalfmaal.
Twaalfponder, M., -ponders.
Twaalftal, O., -tallen.
Twaalftallig.
Twaalfvingerig.
Twaalfvlak, O., -vlakken.
Twaalfvoud, O., -vouden.
Twaalfvoudig.
Twee (telw.). Als znw. V., tweeën. Tweetje, O., -jes.
Tweearmig.
Tweeblad, O.
Tweede.
Tweedraadsch.
Tweedracht, V.
Tweedrachtig, -drachtiger, -drachtigst.
Tweedrachtsappel, M., -appels.
Tweeduizendste.
Tweeërhande.
Tweeërlei.
Tweegevecht, O., -gevechten.
Tweehandig.
Tweehonderd.
Tweehonderdste.
Tweehoofdig.
Tweehoornig.
Tweehuizig.
Tweejarig.
Tweeklank, M., -klanken.
Tweekleurig.
Tweeledig.
Tweelettergrepig.
Tweeling, M. en V., tweelingen.
Tweelingbroeder, M., -broeders.
Tweelingzuster, V., -zusters.
Tweelippig.
Tweelobbig.
Tweeloopsch.
Tweemaal.
Tweemaster, M., -masters.
Tweeregelig.
Tweeriemsgiek, V., -gieken.
Tweern, M.
Tweernen, tweernde, heeft getweernd.
Tweeschijfsblok, O., -blokken en -bloks.
Tweeslachtig.
Tweesnijdend.
Tweesoortig.
Tweespalt, V.
Tweespan, O., -spannen.
Tweespans.
Tweespraak, V., -spraken.
Tweesprong, M., -sprongen.
Tweestemmig.
Tweestrijd, M.
Tweetal, O., -tallen.
Tweetallig.
Tweestandig.
Tweetongig.
Tweevleugelig.
Tweevoetig.
Tweevormig.
Tweevoud, O., -vouden.
Tweevoudig.
Tweewerf.
Twente (gewest), O.
Twentenaar, M., Twentenaars en Twentenaren.
Twentsch.
Twijfel, M.
Twijfelaar, M., twijfelaars.
Twijfelachtig, -achtiger, -achtigst.
Twijfelachtigheid, V.
Twijfelarij, V.
Twijfelen, twijfelde, heeft getwijfeld.
Twijfeling, V., twijfelingen.
Twijfelmoedig, -moediger, -moedigst.
Twijfelmoedigheid, V.
Twijfelstuk, O., -stukken.
Twijfelzucht, V.
Twijfelzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Twijg, V., twijgen. Twijgje, O., -jes.
Twijn, M.
Twijnder, M., twijnders.
Twijnderij, V., twijnderijen.
Twijndraad (voorwerpsnaam), M., -draden; (stofnaam), O.
Twijnen, twijnde, heeft getwijnd.
Twijngaren, O.
Twijnmolen, M., -molens.
Twijnster, V., twijnsters.
Twijnwiel, O., -wielen.
Twil, M., twillen.
Twintig, twintigen.
Twintiger, M., twintigers.
Twintigerhande.
Twintigerlei.
Twintigjarig.
Twintigmaal.
Twintigponder, M., -ponders.
Twintigste.
Twintigtal, O., -tallen.
Twintigvlak, O., -vlakken.
Twintigvoud, O., -vouden.
Twintigvoudig.
Twintigwerf.
Twist, M., twisten.
Twistappel, M., -appels.
Twisten, twistte, heeft getwist.
Twister, M., twisters.
Twistgeschrijf, O.
Twistig, twistiger, twistigst.
Twistrede, V., -redenen.
Twistredenaar, M., -redenaars.
Twistschrift, O., -schriften.
Twistziek, -zieker, -ziekst.
Twistzucht, V.
Type (drukletter), V., typen.
Type (uitgedrukt beeld), O., typen.
Typheus, typheuze.
Typhus, M.
Typisch.
Typograaf, M., typografen.
Typographie, V.
Typographisch.
Tyran, enz. Zie Tiran, enz.
U
U, V., u's.
Uchtend. Zie Ochtend.
Ui, M., uien. Uitje, O., -jes.
Uienbed, O., -bedden.
Uienloof, O.
Uienreuk, M.
Uiensalade en Uiensla, V.
Uiensaus, V., -sausen.
Uiensmaak, M.
Uiensoep, V., -soepen.
Uienzaad, O.
Uieplant, V., -planten.
Uier, M., uiers. Uiertje, O., -jes.
Uieschil, V., -schillen.
Uiig, uiiger, uiigst.
Uil, M., uilen. Uiltje, O., -jes.
Uilebek, M., -bekken.
Uileklauw, M., -klauwen.
Uilekop (kop van een uil), M., -koppen.
Uilennest, O., -nesten.
Uilenoog, O., -oogen.
Uilenvlucht, V.
Uilenspiegel, M., -spiegels.
Uileveer, V., -veeren.
Uilig, uiliger, uiligst.
Uiloogen, O.
Uilskop (stommeling), M., -koppen.
Uilskuiken, O., -kuikens.
Uit.
Uitademen, ademde uit, heeft uitgeademd.
Uitademing, V., -ademingen.
Uitbaggeren, baggerde uit, heeft uitgebaggerd.
Uitbaggering, V.
Uitbakenen, bakende uit, heeft uitgebakend.
Uitbaliën, baliede uit, heeft uitgebalied.
Uitbannen, bande uit, heeft uitgebannen.
Uitbanning, V., -banningen.
Uitbarsten, barstte uit, is uitgebarsten; ook borst uit, is
uitgeborsten.
Uitbarsting, V., -barstingen.
Uitbazuinen, bazuinde uit, heeft uitgebazuind.
Uitbeelden, beeldde uit, heeft uitgebeeld.
Uitbeelding, V., -beeldingen.
Uitbeitelen, beitelde uit, heeft uitgebeiteld.
Uitbersten. Zie Uitbarsten.
Uitbesteden, besteedde uit, heeft uitbesteed.
Uitbesteding, V., -bestedingen.
Uitbetalen, betaalde uit, heeft uitbetaald.
Uitbetaler, M., -betalers.
Uitbetaling, V., -betalingen.
Uitbijten (van tanden, scherpe vochten, enz.), beet uit, beten uit,
heeft en is uitgebeten.
Uitbijten (door 't hakken van bijten), bijtte uit, heeft uitgebijt.
Uitbijter, M., -bijters.
Uitbikken, bikte uit, heeft uitgebikt.
Uitblakeren, blakerde uit, heeft uitgeblakerd.
Uitblazen, blies uit, bliezen uit, heeft uitgeblazen.
Uitbleeken, bleekte uit, heeft en is uitgebleekt.
Uitblijven, bleef uit, bleven uit, is uitgebleven.
Uitblijver, M., -blijvers.
Uitbliksemen, bliksemde uit, heeft uitgebliksemd.
Uitblinken, blonk uit, heeft uitgeblonken.
Uitbloeden, bloedde uit, heeft en is uitgebloed.
Uitbloeien, bloeide uit, heeft en is uitgebloeid.
Uitblusschen, bluschte uit, heeft uitgebluscht.
Uitboegseeren, boegseerde uit, heeft uitgeboegseerd.
Uitboeken, boekte uit, heeft uitgeboekt.
Uitboeking, V.
Uitboenen, boende uit, heeft uitgeboend.
Uitboezemen, boezemde uit, heeft uitgeboezemd.
Uitboezeming, V., -boezemingen.
Uitboomen, boomde uit, heeft uitgeboomd.
Uitboren, boorde uit, heeft uitgeboord.
Uitborrelen, borrelde uit, is uitgeborreld.
Uitborreling, V.
Uitborstelen, borstelde uit, heeft uitgeborsteld.
Uitborsteling, V.
Uitbotten, botte uit, is uitgebot.
Uitbotting, V.
Uitbouwen, bouwde uit, heeft uitgebouwd.
Uitbouwing, V.
Uitbouwsel, O., -bouwsels. Uitbouwseltje, O., -jes.
Uitbraak, V.
Uitbraaksel, O., -braaksels.
Uitbraden, braadde uit, heeft uitgebraden.
Uitbraken, braakte uit, heeft uitgebraakt.
Uitbraking, V.
Uitbranden, brandde uit, heeft en is uitgebrand.
Uitbrander, M., -branders.
Uitbranding, V., -brandingen.
Uitbreiden, breidde uit, heeft uitgebreid.
Uitbreider, M., -breiders.
Uitbreiding, V., -breidingen.
Uitbreidingsplan, O.
Uitbreken, brak uit, braken uit, heeft en is uitgebroken.
Uitbreking, V.
Uitbrengen, bracht uit, heeft uitgebracht.
Uitbrenger, M., -brengers.
Uitbrenging, V.
Uitbroeden, broedde uit, heeft uitgebroed.
Uitbroeding, V., -broedingen.
Uitbroedsel, O., -broedsels.
Uitbrullen, brulde uit, heeft uitgebruld.
Uitbuien, buide uit, heeft uitgebuid.
Uitbuigen, boog uit, bogen uit, heeft en is uitgebogen.
Uitbuiging, V.
Uitbuilen, builde uit, heeft uitgebuild.
Uitbulderen, bulderde uit, heeft uitgebulderd.
Uitbundig, -bundiger, -bundigst.
Uitbundigheid, V.
Uitbuurt, V., -buurten. Uitbuurtje, O., -jes.
Uitcijferen, cijferde uit, heeft uitgecijferd.
Uitcijfering, V., -cijferingen.
Uitdagen, daagde uit, heeft uitgedaagd.
Uitdager, M., -dagers.
Uitdaging, V., -dagingen.
Uitdagingsbrief, M., -brieven.
Uitdampen, dampte uit, heeft en is uitgedampt.
Uitdamping, V., -dampingen.
Uitdeelen, deelde uit, heeft uitgedeeld.
Uitdeeler, M., -deelers.
Uitdeeling, V., -deelingen.
Uitdeelingslijst, V., -lijsten.
Uitdeelster, V., -deelsters.
Uitdelgen, delgde uit, heeft uitgedelgd.
Uitdelger, M., -delgers.
Uitdelging, V.
Uitdelven, dolf uit, dolven uit, heeft uitgedolven.
Uitdelving, V., -delvingen.
Uitdenken, dacht uit, heeft uitgedacht.
Uitdenker, M., -denkers.
Uitdienen, diende uit, heeft uitgediend.
Uitdiepen, diepte uit, heeft uitgediept.
Uitdieping, V., -diepingen.
Uitdijen, dijde uit, is uitgedijd.
Uitdijing, V.
Uitdoen, doet uit, deed uit, deden uit, heeft uitgedaan.
Uitdonderen, donderde uit, heeft uitgedonderd.
Uitdooven, doofde uit, heeft en is uitgedoofd.
Uitdooving, V.
Uitdorschen, dorschte uit, heeft uitgedorscht.
Uitdossen, doste uit, heeft uitgedost.
Uitdossing, V., -dossingen.
Uitdraagster, V., -draagsters.
Uitdraaien, draaide uit, heeft en is uitgedraaid.
Uitdragen, droeg uit, heeft uitgedragen.
Uitdrager, M., -dragers.
Uitdragerij, V., -dragerijen.
Uitdragerswinkel, M., -winkels.
Uitdrijven, dreef uit, dreven uit, heeft uitgedreven.
Uitdrijver, M., -drijvers.
Uitdrijving, V., -drijvingen.
Uitdringen, drong uit, heeft en is uitgedrongen.
Uitdrinken, dronk uit, heeft uitgedronken.
Uitdrogen, droogde uit, heeft en is uitgedroogd.
Uitdroging, V., -drogingen.
Uitdruipen, droop uit, dropen uit, heeft en is uitgedropen.
Uitdrukkelijk, -lijker, -lijkst.
Uitdrukken, drukte uit, heeft uitgedrukt.
Uitdrukking, V., -drukkingen.
Uitdruppelen, druppelde uit, is uitgedruppeld.
Uitduiden, duidde uit, heeft uitgeduid.
Uitduiding, V., -duidingen.
Uitduwen, duwde uit, heeft uitgeduwd.
Uitdweilen, dweilde uit, heeft uitgedweild.
Uiteen.
Uiteenbarsten, barstte uiteen, is uiteengebarsten; ook borst uiteen,
is uiteengeborsten.
Uiteenbersten. Zie Uiteenbarsten.
Uiteendrijven, dreef uiteen, dreven uiteen, heeft uiteengedreven.
Uiteengaan, gaat uiteen, ging uiteen, is uiteengegaan.
Uiteengooien, gooide uiteen, heeft uiteengegooid.
Uiteengroeien, groeide uiteen, is uiteengegroeid.
Uiteenjagen, jaagde uiteen, heeft uiteengejaagd; ook joeg uiteen.
Uiteenloopen, liep uiteen, is uiteengeloopen.
Uiteenloopend, -loopender, -loopendst.
Uiteenrollen, rolde uiteen, heeft en is uiteengerold.
Uiteenslaan, slaat uiteen, sloeg uiteen, heeft en is uiteengeslagen.
Uiteensmijten, smeet uiteen, smeten uiteen, heeft uiteengesmeten.
Uiteenspatten, spatte uiteen, is uiteengespat.
Uiteenspringen, sprong uiteen, is uiteengesprongen.
Uiteenstuiven, stoof uiteen, stoven uiteen, is uiteengestoven.
Uiteentrappen, trapte uiteen, heeft uiteengetrapt.
Uiteenvallen, viel uiteen, is uiteengevallen.
Uiteenvliegen, vloog uiteen, vlogen uiteen, is uiteengevlogen.
Uiteenwerpen, wierp uiteen, heeft uiteengeworpen.
Uiteenzetten, zette uiteen, heeft uiteengezet.
Uiteenzetting, V., -zettingen.
Uiteinde, O., -einden.
Uiten, uitte, heeft geuit.
Uitenten, entte uit, heeft uitgeënt.
Uitenteren, enterde uit, heeft uitgeënterd.
Uitentreuren (bijw.).
Uiteraard.
Uiterlijk.
Uiterlijk, O.
Uiterlijkheid, V., -heden.
Uitermate.
Uiterst.
Uiterste, O.
Uiterton, V., -tonnen.
Uiterwaard, V., -waarden.
Uiteten, at uit, aten uit, heeft uitgegeten.
Uiteter, M., -eters.
Uitetteren, etterde uit, is uitgeëtterd.
Uitflappen, flapte uit, heeft uitgeflapt.
Uitflapper, M., -flappers.
Uitfluiten, floot uit, floten uit, heeft uitgefloten.
Uitfluiter, M., -fluiters.
Uitfluiting, V.
Uitfreezen, freesde uit, heeft uitgefreesd.
Uitgaaf en Uitgave, V., uitgaven. Uitgaafje, O., -jes.
Uitgaan, gaat uit, ging uit, is uitgegaan.
Uitgaand.
Uitgaansdag, M., -dagen.
Uitgaanskas, V., -kassen.
Uitgalmen, galmde uit, heeft uitgegalmd.
Uitgalming, V., -galmingen.
Uitgang, M., -gangen. Uitgangetje, O., -jes.
Uitgangspunt, O., -punten.
Uitgave. Zie Uitgaaf.
Uitgebreid, -gebreider, -gebreidst.
Uitgebreidheid, V., -heden.
Uitgediend.
Uitgeefster, V., -geefsters.
Uitgelaten, -gelatener, -gelatenst.
Uitgelatenheid, V.
Uitgeleefd.
Uitgeleerd.
Uitgeleide, O.
Uitgelezen, -gelezener, -gelezenst.
Uitgelezenheid, V.
Uitgemaakt.
Uitgenomen.
Uitgestreken, -gestrekener, -gestrekenst.
Uitgestrekt, -gestrekter, -gestrektst.
Uitgestrektheid, V., -heden.
Uitgestudeerd.
Uitgetogen (verl. deelw.).
Uitgeven, gaf uit, gaven uit, heeft uitgegeven.
Uitgever, M., -gevers.
Uitgeversfirma, V., -firma's.
Uitgeverszaak, V., -zaken.
Uitgewekene, M. en V., -gewekenen.
Uitgewerkt, -gewerkter, -gewerktst.
Uitgezocht, -gezochter, -gezochtst.
Uitgezonderd.
Uitgieren, gierde uit, heeft uitgegierd.
Uitgieten, goot uit, goten uit, heeft uitgegoten.
Uitgieting, V.
Uitgifte en Uitgift, V.
Uitgillen, gilde uit, heeft uitgegild.
Uitgilling (scheepsw.), V.
Uitgisten, gistte uit, heeft en is uitgegist.
Uitglijden, gleed uit, gleden uit, is uitgegleden.
Uitglijding, V.
Uitglinsteren, glinsterde uit, heeft uitgeglinsterd.
Uitglippen, glipte uit, is uitgeglipt.
Uitgooien, gooide uit, heeft uitgegooid.
Uitgorden, gordde uit, heeft uitgegord.
Uitgraven, groef uit, groeven uit, heeft uitgegraven.
Uitgraving, V., -gravingen.
Uitgroeien, groeide uit, is uitgegroeid.
Uitgroeisel, O., -groeisels.
Uitgroeven, groefde uit, heeft uitgegroefd.
Uitgulpen, gulpte uit, heeft uitgegulpt.
Uithaal, M., -halen.
Uithaaltafel, V., -tafels.
Uithaken, haakte uit, heeft uitgehaakt.
Uithakken, hakte uit, heeft uitgehakt.
Uithakking, V., -hakkingen.
Uithaksel, O., -haksels.
Uithalen, haalde uit, heeft uitgehaald.
Uithaler, M., -halers.
Uithaling, V., -halingen.
Uitham, M., -hammen.
Uithangbord, O., -borden; -bordje, O., -jes.
Uithangen, hing uit, heeft uitgehangen.
Uithangteeken, O., -teekens.
Uithebben, heeft uit, had uit, hadden uit, heeft uitgehad.
Uitheemsch.
Uitheemschheid, V.
Uithelpen, hielp uit, heeft uitgeholpen.
Uithelper, M., -helpers.
Uithijschen, heesch uit, heschen uit, heeft uitgeheschen.
Uithijsching, V.
Uithoek, M., -hoeken. Uithoekje, O., -jes.
Uithoesten, hoestte uit, heeft uitgehoest.
Uithollen, holde uit, heeft uitgehold.
Uithongeren, hongerde uit, heeft uitgehongerd.
Uithongering, V.
Uithooren, hoorde uit, heeft uitgehoord.
Uithoozen, hoosde uit, heeft uitgehoosd.
Uithouden, hield uit, heeft uitgehouden.
Uithouder, M., -houders.
Uithouwen, hieuw uit, heeft uitgehouwen.
Uithuilen, huilde uit, heeft uitgehuild.
Uithuizig, -huiziger, -huizigst.
Uithuizigheid, V.
Uithuwelijken, huwelijkte uit, heeft uitgehuwelijkt.
Uithuwelijking, V.
Uithuwen, huwde uit, heeft uitgehuwd.
Uithuwing, V., -huwingen.
Uitijzen, ijsde uit, heeft uitgeijsd.
Uiting, V., uitingen.
Uitjagen, jaagde uit, heeft en is uitgejaagd; ook joeg uit.
Uitjammeren, jammerde uit, heeft uitgejammerd.
Uitjanken, jankte uit, heeft uitgejankt.
Uitjouwen, jouwde uit, heeft uitgejouwd.
Uitjouwer, M., -jouwers.
Uitjouwing, V., -jouwingen.
Uitkaarden, kaardde uit, heeft uitgekaard.
Uitkaatsen, kaatste uit, heeft uitgekaatst.
Uitkaatser, M., -kaatsers.
Uitkakelen, kakelde uit, heeft uitgekakeld.
Uitkallen, kalde uit, heeft uitgekald.
Uitkammen, kamde uit, heeft uitgekamd.
Uitkankeren, kankerde uit, is uitgekankerd.
Uitkankering, V.
Uitkappen, kapte uit, heeft uitgekapt.
Uitkarnen, karnde uit, heeft uitgekarnd.
Uitkauwen, kauwde uit, heeft uitgekauwd.
Uitkauwing, V.
Uitkauwsel, O., -kauwsels.
Uitkavelen, kavelde uit, heeft uitgekaveld.
Uitkeeren, keerde uit, heeft uitgekeerd.
Uitkeering, V., -keeringen.
Uitkeeringsfonds, O., -fondsen.
Uitkepen, keepte uit, heeft uitgekeept.
Uitkermen, kermde uit, heeft uitgekermd.
Uitkerven, korf uit, korven uit, heeft uitgekorven.
Uitkiemen, kiemde uit, is uitgekiemd.
Uitkieming, V.
Uitkiezen, koos uit, kozen uit, heeft uitgekozen.
Uitkijk (uitzicht), M. Uitkijkje, O., -jes.
Uitkijk (uitkijker), M., -kijken.
Uitkijken, keek uit, keken uit, heeft uitgekeken.
Uitkijker, M., -kijkers.
Uitkippen, kipte uit, heeft uitgekipt.
Uitklagen, klaagde uit, heeft uitgeklaagd.
Uitklappen, klapte uit, heeft uitgeklapt.
Uitklaren, klaarde uit, heeft uitgeklaard.
Uitklaring, V., -klaringen.
Uitkleeden, kleedde uit, heeft uitgekleed.
Uitkleeding, V.
Uitkleien, kleide uit, heeft uitgekleid.
Uitkleiing, V., -kleiingen.
Uitkleinzen, kleinsde uit, heeft uitgekleinsd.
Uitklimmen, klom uit, klommen uit, is uitgeklommen.
Uitklinken, klonk uit, heeft uitgeklonken.
Uitklinker, M., -klinkers.
Uitkloppen, klopte uit, heeft uitgeklopt.
Uitklopper, M., -kloppers.
Uitknagen, knaagde uit, heeft uitgeknaagd.
Uitknijpen, kneep uit, knepen uit, heeft en is uitgeknepen.
Uitknippen, knipte uit, heeft uitgeknipt.
Uitknipsel, O., -knipsels.
Uitknoppen, knopte uit, is uitgeknopt.
Uitkoken, kookte uit, heeft en is uitgekookt.
Uitkomen, komt uit, kwam uit, kwamen uit, is uitgekomen.
Uitkomst, V., -komsten. Uitkomstje, O., -jes.
Uitkooksel, O., -kooksels.
Uitkoop, M., -koopen.
Uitkoopen, kocht uit, heeft uitgekocht.
Uitkoteren, koterde uit, heeft uitgekoterd.
Uitkotsen, kotste uit, heeft uitgekotst.
Uitkraaien, kraaide uit, heeft uitgekraaid.
Uitkrabben, krabde uit, heeft uitgekrabd.
Uitkramen, kraamde uit, heeft uitgekraamd.
Uitkrassen, kraste uit, heeft uitgekrast.
Uitkrijgen, kreeg uit, kregen uit, heeft uitgekregen.
Uitkrijten, kreet uit, kreten uit, heeft uitgekreten.