Radijs, V., radijzen. Radijsje, O., -jes

Radijszaad, O.

Raf, O.

Rafel, V., rafels. Rafeltje, O., -jes.

Rafeldraad, M., -draden.

Rafelen, rafelde, heeft en is gerafeld.

Rafeling, V.

Rafelzijde, V.

Raffelen, raffelde, heeft geraffeld.

Raffinaderij, V., raffinaderijen.

Raffinadeur, M., raffinadeurs.

Raffineeren, raffineerde, heeft geraffineerd.

Raffinement, O.

Rafter, M., rafters.

Rag, O.

Ragebol en Raagbol, M., -bollen.

Ragen, raagde, heeft geraagd.

Ragout, M., ragouts.

Rahout, O., -houten.

Railleeren, railleerde, heeft gerailleerd.

Raillerie, V., raillerieën.

Rail, V., rails.

Raisonnabel, raisonnabeler, raisonnabelst.

Raisonnement, O.

Rak, O., rakken. Rakje, O., -jes.

Rakbeugel, M., -beugels.

Rakel, M., rakels. Rakeltje, O, -jes.

Rakelen, rakelde, heeft gerakeld.

Rakelijzer, O., -ijzers.

Rakelings.

Rakelstok, M., -stokken.

Raken, raakte, heeft en is geraakt.

Raket (kruid), V.

Raket (kaatstuig), O., raketten. Raketje, O., -jes.

Raketten, rakette, heeft geraket.

Rakker, M.. rakkers. Rakkertje, O., -jes.

Rakkestrop, M., -stroppen.

Rakketalie, V., -talies.

Rakketouw, O., -touwen.

Rakketros, M., -trossen.

Rallen, ralde, heeft gerald.

Ram, rammen. Rammetje, O., -jes.

Ramen, raamde, heeft geraamd.

Ramenas, V., ramenassen. Ramenasje, O., -jes.

Ramenasloof, O.

Raming, V., ramingen.

Rammei, V., rammeien.

Rammeien, rammeide, heeft gerammeid.

Rammel (rammelaar en rammelaarster), M. en V., rammels.

Rammelaar (babbelaar, konijn en speeltuig), M.,

rammelaars. Rammelaartje, O., -jes.

Rammelaarster, V., rammelaarsters.

Rammelen, rammelde, heeft gerammeld.

Rammeling, V.

Rammelkast, V., -kasten.

Rammen, ramde, heeft geramd.

Ramp, V., rampen.

Rampaard, O., -paarden.

Rampspoed, M., -spoeden.

Rampspoedig, -spoediger, -spoedigst.

Rampzalig, -zaliger, -zaligst.

Rampzaligheid, V., -heden.

Ramshoorn en -horen, M., -hoorns en -horens.

Ramskop, M., -koppen.

Rancune, V., rancunes.

Rand, M., randen. Randje, O., -jes.

Randen, randde, heeft gerand.

Randgaar, V.

Randschrift, O., -schriften.

Randversiering, V., -versieringen.

Rang, M., rangen.

Rangeerder, M., rangeerders.

Rangeeren, rangeerde, heeft gerangeerd.

Rangeerterrein, O., -terreinen.

Rangeertrein, M., -treinen.

Ranglijst, V., -lijsten.

Rangnummer, O., -nummers.

Rangorde, V.

Rangregeling, V.

Rangschikken, rangschikte, heeft gerangschikt.

Rangschikking, V., -schikkingen.

Rank (twijg), V., ranken. Rankje, O., -jes.

Rank, ranker, rankst.

Rankheid, V.

Ranonkel, V., ranonkels. Ranonkeltje, O., -jes.

Ranonkelgewas, O., -gewassen.

Rans, ranser, ranst.

Ransel (soldatentasch), M., ransels. Ranseltje, O., -jes.

Ransel (slaag), M.

Ranselen, ranselde, heeft geranseld.

Ranseling, V., ranselingen.

Ransheid, V.

Ransig, ransiger, ransigst.

Ransigheid, V.

Ransuil, M., -uilen.

Rantsoen en Ransoen (losgeld), O., rantsoenen.

Rantsoen (hoeveelheid spijs en drank), O., rantsoenen. Rantsoentje,

O., -jes.

Rantsoeneeren en Ransoeneeren, rantsoeneerde, heeft

gerantsoeneerd.

Rantsoenhout, O., -houten.

Rantsoenkist, V., -kisten.

Raout, M., raouts.

Rap, rapper, rapst.

Rap (Jan -).

Rapalje, O.

Rapé, V.

Rapen, raapte, heeft geraapt.

Rapesteel, M., -stelen.

Rapheid, V.

Rapier, O., rapieren.

Rappig, rappiger, rappigst.

Rappigheid, V.

Rapport, O., rapporten. Rapportje, O., -jes.

Rapporteeren, rapporteerde, heeft gerapporteerd.

Rapporteur, M., rapporteurs.

Rarekiek, M., rarekieken.

Rarigheid, V., -heden.

Rariteit, V., rariteiten. Rariteitje, O., -jes.

Rariteitenkamer, V., -kamers.

Rariteitenkast, V., -kasten.

Ras (draaikolk), O., rassen.

Ras (kleedingstof), O.

Ras (geslacht), O., rassen.

Ras (bijw.), rasser.

Rasch (bnw.), rasscher, meest rasch.

Raschheid, V.

Raseeren, raseerde, heeft geraseerd.

Rashond, M., -honden.

Rasp, V., raspen. Raspje, O., -jes.

Raspaard, O., -paarden.

Raspen, raspte, heeft geraspt.

Rasper, M., raspers.

Raspererwten (mv.), V.

Rasphuis, O., -huizen.

Rasping, V.

Raspvijl, V., -vijlen.

Raspzaag, V., -zagen.

Rassen (bnw.).

Rassenhaat, M.

Rastering, V., rasteringen. Rasterinkje, O., -jes.

Rasterwerk, O.

Rat en Rot, V., ratten en rotten. Ratje en rotje, O., -jes.

Ratel, M., ratels. Rateltje, O., -jes.

Ratelaar, M., ratelaars.

Ratelen, ratelde, heeft gerateld.

Rateling, V.

Ratelkous, M. en V., -kousen.

Ratelmond, M. en V., -monden.

Ratelslag, M., -slagen.

Ratelslang, V., -slangen.

Ratelwacht, M., -wachten.

Ratificatie, V., ratificatiën en ratificaties.

Ratificeeren, ratificeerde, heeft geratificeerd.

Ratijn, O., ratijnen.

Ratijnen (bnw.).

Rationalisme, O.

Rationalist, M., rationalisten.

Rationeel, rationeeler, rationeelst.

Ratjetoe, V.

Rattenhol, O.

Rattenklem, V., -klemmen.

Rattenknip, V., -knippen.

Rattenkruit, O.

Rattennest, O., -nesten.

Rattenval, V., -vallen.

Rattestaart (vijl), M., -staarten.

Rattevel, O., -vellen.

Rauw, rauwer, rauwst.

Rauwachtigheid, V.

Rauwelijk.

Rauwelings.

Rauwheid, V.

Rauwigheid, V.

Ravelijn, O., ravelijnen.

Ravenaas, O., -azen.

Ravengekras, O.

Ravennest, O., -nesten.

Ravenzwart.

Ravijn, O., ravijnen.

Ravotten, ravotte, heeft geravot.

Ravotter, M., ravotters.

Rayon, O., rayons.

Razeil, O., -zeilen en -zeils.

Razen, raasde, heeft geraasd.

Razend, razender, razendst.

Razer, M., razers.

Razernij, V., razernijen.

Razijn. Zie Rozijn.

Reaal, M., realen.

Reactie, V.

Reactionnair, M., reactionnairen.

Reactionnair (bnw.).

Reageerbuis, V., -buizen; -buisje, O., -jes.

Reageeren, reageerde, heeft gereageerd.

Reagens, O., reagentia.

Realisatie, V., realisatiën en realisaties.

Realiseeren, realiseerde, heeft gerealiseerd.

Realisme, O.

Realist, M., realisten.

Realistisch.

Realiteit, V.

Rebel, M., rebellen.

Rebelleeren, rebelleerde, heeft gerebelleerd.

Rebellie, V.

Rebelsch, rebelscher, meest rebelsch.

Recapitulatie, V., recapitulaties en recapitulatiën.

Recenseeren, recenseerde, heeft gerecenseerd.

Recensent, M., recensenten.

Recensie, V., recensiën en recensies.

Recent, recenter, recentst.

Recepis, O., recepissen.

Recept, O., recepten. Receptje, O., -jes.

Recepteeren, recepteerde, heeft gerecepteerd.

Receptenboek, O., -boeken.

Receptie, V., receptiën en recepties.

Receptiekamer, V., -kamers.

Receptiekosten (mv.), M.

Receptiezaal, V., -zalen.

Receptuur, V.

Reces, O.

Recherche, V., recherches.

Rechercheur, M., rechercheurs.

Recherche-vaartuig, O., -vaartuigen.

Recht, rechter, rechtst.

Recht, O., rechten.

Rechtaan.

Rechtbank, V., -banken.

Rechtbuigen, boog recht, bogen recht, heeft rechtgebogen.

Rechtdraads.

Rechten, rechtte, heeft gerecht.

Rechtens.

Rechter, M., rechters en rechteren.

Rechterarm, M., -armen.

Rechterbeen, O., -beenen.

Rechter-commissaris, M., rechters-commissarissen.

Rechterhand, V., -handen.

Rechterkant, M.

Rechterlijk.

Rechtermouw, V., -mouwen.

Rechteroever, M.

Rechteroog, O., -oogen.

Rechtersambt, O.

Rechterschap, O.

Rechterstoel, M., -stoelen.

Rechtervleugel, M., -vleugels.

Rechtervoet, M., -voeten.

Rechterzak, M., -zakken.

Rechterzijde, V.

Rechtgeaard.

Rechtgeloovig, -gelooviger, -geloovigst.

Rechtgeloovigheid, V.

Rechthebbende, M. en V., -hebbenden.

Rechtheid, V.

Rechthoek, M., -hoeken.

Rechthoekig.

Rechthuis, O., -huizen.

Rechtkloppen, klopte recht, heeft rechtgeklopt.

Rechtlijnig.

Rechtmatig, -matiger, -matigst.

Rechtmatigheid, V.

Rechtop.

Rechtopstaand.

Rechts (bijw.).

Rechtsaf.

Rechtsban, M.

Rechtsbedeeling, V.

Rechtsbegrip, O., -begrippen.

Rechtsbron, V..-bronnen.

Rechtsch (bnw.).

Rechtschapen, -schapener, -schapenst.

Rechtschapenheid, V.

Rechtscollege, O., -colleges.

Rechtsdwang, M.

Rechtsfeit, O., -feiten.

Rechtsgebied, O.

Rechtsgebouw, O. -gebouwen.

Rechtsgeding, O., -gedingen.

Rechtsgeldigheid, V.

Rechtsgeleerd.

Rechtsgeleerde, M. en V., -geleerden.

Rechtsgeleerdheid, V.

Rechtsgeschiedenis, V.

Rechtsgevoel, O.

Rechtshandel, M.

Rechtsingang, M.

Rechtskundig.

Rechtsmacht, V.

Rechtsmiddel, O., -middelen.

Rechtsom.

Rechtsomkeert (- maken).

Rechtspersoon, M. en V., -personen.

Rechtspersoonlijkheid, V.

Rechtsphilosophie, V.

Rechtspleging, V., -plegingen.

Rechtspraak, V.

Rechtspreken, sprak recht, spraken recht, heeft rechtgesproken.

Rechtsschool, V., -scholen.

Rechtstaal, V.

Rechtstandig.

Rechtstandigheid, V.

Rechtsterm, M., -termen.

Rechtstreeks (bijw.).

Rechtstreeksch (bnw.).

Rechtsverdraaiing, V., -verdraaiingen.

Rechtsverkrachting, V., -verkrachtingen.

Rechtsvervolging, V.

Rechtsvordering, V., -vorderingen.

Rechtsvraag, V., -vragen.

Rechtswege (van -).

Rechtsweigering, V.

Rechtswetenschap, V.

Rechtswezen, O.

Rechtszaak, V., -zaken.

Rechttoe.

Rechtuit.

Rechtuitgaan, gaat rechtuit, ging rechtuit, is rechtuitgegaan.

Rechtuitloopen, liep rechtuit, heeft en is rechtuitgeloopen.

Rechtvaardig, -vaardiger, -vaardigst.

Rechtvaardigen, rechtvaardigde, heeft gerechtvaardigd.

Rechtvaardigheid, V.

Rechtvaardiging, V.

Rechtvaardiglijk.

Rechtvaardigmaking, V.

Rechtverkrijgende, M. en V., -verkrijgenden.

Rechtvleugelig.

Rechtzinnig, -zinniger, -zinnigst.

Rechtzinnigheid, V.

Recidive, V.

Recidivist, M., recidivisten.

Reciet, O.

Recipieeren, recipieerde, heeft gerecipieerd.

Recitatief, O.

Reciteeren, reciteerde, heeft gereciteerd.

Reclamant, M., reclamanten.

Reclame, V., reclames.

Reclamebord, O., -borden.

Reclameeren, reclameerde, heeft gereclameerd.

Reclameprent, V., -prenten.

Recognitie, V., recognitiën en recognities.

Recommandatie, V., recommandatiën en recommandaties.

Recommandeeren, recommandeerde, heeft gerecommandeerd.

Reconvalescent, M., reconvalescenten.

Reconvalescente, V., reconvalescenten.

Record, O.

Recruteeren, recruteerde, heeft gerecruteerd.

Recrutenschool, V., -scholen.

Recruut, M., recruten.

Rectificatie, V.

Rector, M., rectoren.

Rectoraal, rectorale.

Rectoraat, O., rectoraten.

Reçu, O., reçu's. Reçuutje, O., -jes.

Redacteur, M., redacteuren en redacteurs.

Redactie, V., redactiën en redacties.

Redactiekosten (mv.), M.

Redactiewerk, O.

Reddeloos, -loozer.

Reddeloosheid, V.

Redden, redde, heeft gered.

Redder, M., redders.

Redderaar, M., redderaars.

Redderen, redderde, heeft geredderd.

Reddering, V.

Redding, V., reddingen.

Reddingboei, V., -boeien.

Reddingboot, V., -booten.

Reddingplank, V., -planken. Ook Reddingsplank.

Rede (toespraak), V.

Rede (denkvermogen), V.

Rededeel, O., -deelen.

Redekavelen, redekavelde, heeft geredekaveld.

Redekaveling, V., -kavelingen.

Redekunde, V.

Redekundig.

Redekunst, V.

Redekunstig.

Redelijk, -lijker, -lijkst.

Redelijkerwijze en -wijs.

Redelijkheid, V.

Redeloos, -loozer.

Redeloosheid, V.

Redemptorist, M., Redemptoristen.

Reden (oorzaak), V., redenen.

Reden (verhouding), V., redens.

Redenaar, M., redenaren en redenaars.

Redenaarsgave, V., -gaven.

Redenaarsgestoelte, O., -gestoelten.

Redenaarstalent, O., -talenten.

Redeneerder, M., redeneerders.

Redeneeren, redeneerde, heeft geredeneerd.

Redeneering, V., redeneeringen.

Redeneerkunde, V.

Redeneertrant, M.

Redengevend.

Rederijk, -rijker, -rijkst.

Rederijker, M., rederijkers.

Rederijkerskamer, V., -kamers.

Rederijkheid, V.

Redetwisten, redetwistte, heeft geredetwist.

Redevoeren, redevoerde, heeft geredevoerd.

Redevoering, V., -voeringen.

Redewisseling, V., -wisselingen.

Redigeeren, redigeerde, heeft geredigeerd.

Redmiddel, O., -middelen.

Redoute, V., redoutes.

Redres, O.

Redresseeren, redresseerde, heeft geredresseerd.

Redster, V., redsters.

Reductie, V., reducties.

Ree (dier), V., reeën. Reetje, O., -jes.

Ree (ligplaats). Zie Reede.

Reebok, M., -bokken; -bokje, O., -jes.

Reebout, M., -bouten.

Reede en Ree, V., reeden en reeën.

Reede en Ree, reeder, reedst.

Reeden, reedde, heeft gereed.

Reeder, M., reeders.

Reederij, V., reederijen.

Reederskantoor, O., -kantoren.

Reeding, V., reedingen.

Reeds.

Reëel, reëele.

Reef en Rif, O., reven. Reefje, O., -jes.

Reeftalie, V., -talies.

Reegeit, V., -geiten; -geitje, O., -jes.

Reekalf, O., -kalven; -kalfje, O., -jes.

Reeks, V., reeksen.

Reeling, V., reelings.

Reep (smalle strook), M., reepen. Reepje, O., -jes.

Reep (hoepel), M., reepen. Reepje, O., -jes.

Reephout, O.

Reeschaaf, V., -schaven.

Reet (spleet), V., reten. Reetje, O., -jes.

Reet en Rete (werktuig), V., reten.

Reetrekker, M., -trekkers.

Reeuw, O.

Reeuwen, reeuwde, heeft gereeuwd.

Reeuwer, M., reeuwers.

Reeuwster, V., reeuwsters.

Reevleesch en Reeënvleesch, O.

Referaat, O., referaten.

Refereeren, refereerde, heeft gerefereerd.

Referein en Refrein, O., refereinen en refreinen. Refereintje en

refreintje, O., -jes.

Referendaris, M., referendarissen.

Referent, M., referenten.

Referentie, V., referenties en referentiën.

Reflector, M., reflectors.

Reflexie, V., reflexies.

Reformatie, V.

Reformeeren, reformeerde, heeft gereformeerd.

Reformkleeding, V.

Refter, M., refters.

Refugié, M., refugié's.

Refuus, O., refuzen.

Regaal, O., regalen.

Regeerder, M., regeerders.

Regeeren, regeerde, heeft geregeerd.

Regeering, V., regeeringen.

Regeeringloos, -looze.

Regeeringloosheid, V.

Regeeringsbank, V., -banken.

Regeeringsbeleid, O.

Regeeringscommissaris, M., -commissarissen.

Regeeringsontwerp, O., -ontwerpen.

Regeeringspartij, V., -partijen.

Regeeringspersoon, M., -personen.

Regeeringsreglement, O., -reglementen.

Regeeringstijd, M.

Regeeringsverslag, O., -verslagen.

Regeeringsvorm, M., -vormen.

Regeeringszaak, V., -zaken.

Regeerkunde, V.

Regel, M., regelen en regels. Regeltje, O., -jes.

Regelaar, M., regelaars.

Regeldraads.

Regelen, regelde, heeft geregeld.

Regeling, V., regelingen.

Regelingscommissie, V., -commissiën.

Regelloos, -loozer.

Regelloosheid, V.

Regelmaat, V.

Regelmatig, -matiger, -matigst.

Regelmatigheid, V.

Regelrecht.

Regen, M., regens. Regentje, O., -jes.

Regenachtig, -achtiger, -achtigst.

Regenachtigheid, V.

Regenbak, M., -bakken.

Regenboog, M., -bogen.

Regenbui, V., -buien.

Regendag, M., -dagen.

Regendroppel, M., -droppels.

Regenen, regende, heeft geregend.

Regenjas, V., -jassen.

Regenlucht, V., -luchten.

Regenmaand, V., -maanden.

Regenmantel, M., -mantels.

Regenmeter, M., -meters.

Regenscherm, O., -schermen.

Regent, M., regenten.

Regentenkamer, V., -kamers.

Regentes, V., regentessen.

Regentijd, M., -tijden.

Regenton, V., -tonnen.

Regentschap, O.

Regenval, M.

Regenwater, O.

Reggen, regde, heeft geregd.

Regie, V.

Regime, O., regimes.

Regiment, O., regimenten.

Regimentscommandant, M., -commandanten.

Regimentsdokter, M., -dokters.

Regimentskind, O., -kinderen.

Regimentsoverste, M., -oversten.

Regisseur, M., regisseurs.

Register, O., registers. Registertje, O., -jes.

Registerton, V., -tonnen.

Registratie, V.

Registratiekantoor, O., -kantoren.

Registratiekosten (mv.), M.

Registreeren, registreerde, heeft geregistreerd.

Registreering, V., registreeringen.

Reglement, O., reglementen. Reglementje, O., -jes.

Reglementair.

Reglementeeren, reglementeerde, heeft gereglementeerd.

Reglet, M., regletten.

Regulatief, O., regulatieven.

Regulator, M., regulators en regulatoren.

Reguleeren, reguleerde, heeft gereguleerd.

Regulier, M., Regulieren.

Regulier, reguliere.

Rei (koor), M., reien.

Reien (dansen), reide, heeft gereid.

Reiger, M., reigers. Reigertje, O., -jes.

Reigerbosch, O., -bosschen.

Reigervalk, M., -valken.

Reigerveer, V., -veeren.

Reiken, reikte, heeft gereikt.

Reikhalzen, reikhalsde, heeft gereikhalsd.

Reikhalzing, V.

Reilen (Als het reilt en zeilt).

Reiltop, M., -toppen.

Rein, reiner, reinst.

Reinheid, V.

Reinigen, reinigde, heeft gereinigd.

Reiniging, V., reinigingen.

Reinigingsdienst, M.

Reinigingsmiddel, O., -middelen.

Reinvaar, V., -varen.

Reis, V., reizen. Reisje, O., -jes.

Reisapotheek, V., -apotheken.

Reisbaar, -bare.

Reisbehoeften (mv.), V.

Reisbenoodigdheden (mv.), V.

Reisbeschrijving, V., -beschrijvingen.

Reisboek, O., -boeken.

Reisdeken, V., -dekens.

Reisgeld, O.

Reisgelegenheid, V., -gelegenheden.

Reisgenoot, M., -genooten.

Reisgenoote, V., -genooten.

Reisgezelschap, O., -gezelschappen.

Reisgids, M., -gidsen.

Reiskleed, O., -kleederen.

Reiskoets, V., -koetsen.

Reiskoffer, M., -koffers.

Reiskosten, (mv.), M.

Reiskostuum, O.

Reismakker, M., -makkers.

Reispenning, M., -penningen.

Reispet, V., -petten.

Reisplan, O., -plannen.

Reisroute, V.

Reistasch, V., -tasschen; -taschje, O., -jes.

Reisvaardig.

Reisverhaal, O., -verhalen.

Reiswijzer, M., -wijzers.

Reiszak, M., -zakken; -zakje, O., -jes.

Reizen, reisde, heeft en is gereisd.

Reiziger, M., reizigers.

Reizigster, V., reizigsters.

Rek (het rekken), M.

Rek (latwerk), O., rekken. Rekje, O., -jes.

Rekbaar, -baarder, -baarst.

Rekbaarheid, V.

Rekbank, V., -banken.

Rekel, M., rekels. Rekeltje, O., -jes.

Rekelachtig, -achtiger, -achtigst.

Rekenaar, M., rekenaars en rekenaren.

Rekenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.

Rekenbord, O., -borden.

Rekenen, rekende, heeft gerekend.

Rekenfout, V., -fouten.

Rekening, V., rekeningen. Rekeningetje, O., -jes.

Rekening-courant, V., -courant.

Rekenkamer, V.

Rekenkunde, V.

Rekenles, V., -lessen.

Rekenmachine, V., -machines.

Rekenmeester, M., -meesters.

Rekenplichtig.

Rekenplichtigheid, V.

Rekenschap, V.

Rekensom, V., -sommen.

Rekenwijze en -wijs, V., -wijzen.

Rekest, enz. Zie Request, enz.

Rekhout, O., -houten.

Rekijzer, O., -ijzers.

Rekke, V., rekken.

Rekkelijk, -lijker, -lijkst.

Rekkelijkheid, V.

Rekkeling, V.

Rekken, rekte, heeft en is gerekt.

Rekker, M., rekkers.

Rekkerig, rekkeriger, rekkerigst.

Rekking, V., rekkingen.

Rekstok, M., -stokken.

Relaas, O., relazen. Relaasje, O., -jes.

Relatie, V., relatiën en relaties.

Releveeren, releveerde, heeft gereleveerd.

Reliëf, O., reliëfs.

Religie, V., religiën en religies.

Religietwist, M., -twisten.

Religieus, religieuzer.

Reliquie, V., reliquieën.

Reliquieënkastje, O., -jes.

Rellen, relde, heeft gereld.

Relletje, O., -jes.

Relmuis, V., -muizen; -muisje, O., -jes.

Rem, V., remmen.

Remedie, V. en O., remedies en remediën.

Remise, V., remises.

Remitteeren, remitteerde, heeft geremitteerd.

Remketting, M., -kettingen.

Remmen, remde, heeft geremd.

Remmer, M., remmers.

Remonstrant, M., Remonstranten.

Remonstrantendom, O.

Remonstrantsch.

Remonstreeren, remonstreerde, heeft geremonstreerd.

Remonte, V.

Remontepaard, O., -paarden.

Remontoir, O., remontoirs.

Remplaçant, M., remplaçanten.

Remplaceeren, remplaceerde, heeft geremplaceerd.

Remschoen, M., -schoenen.

Remtoestel, M. en O., -toestellen.

Ren, M., rennen.

Ren (kippenren), V., rennen.

Renaissance, V.

Renaissancestijl, M.

Renbaan, V., -banen.

Renbode, M., -boden.

Rendement, O.

Rendez-vous, O.

Rendier, O., rendieren.

Rendiermos, O.

Rendiervel, O., -vellen.

Renegaat, M., renegaten.

Renet, V., renetten. Renetje O., -jes.

Rennen, rende, heeft en is gerend.

Renonce, V.

Renonceeren, renonceerde, heeft gerenonceerd.

Renpaard, O., -paarden.

Renperk, O., -perken.

Rentbaar, -bare.

Rente, V., renten.

Rentebetaling, V., -betalingen.

Rentebrief, M., -brieven.

Rentegevend.

Renteloos, -looze.

Renten, rentte, heeft gerent.

Rentenier, M., renteniers en rentenieren.

Rentenieren, rentenierde, heeft gerentenierd.

Rentenierster, V., renteniersters.

Rentestandaard, M.

Rentevoet, M.

Rentmeester, M., -meesters.

Rentmeesterschap, O., -schappen.

Renversaal, O., renversalen.

Renvooi, O., renvooien.

Reorganisatie, V., reorganisaties en reorganisatiën.

Rep, M. (In - en roer).

Reparatie, V., reparatiën en reparaties.

Repareeren, repareerde, heeft gerepareerd.

Repel, M., repels. Repeltje, O., -jes.

Repelaar, M., repelaars.

Repelen, repelde, heeft gerepeld.

Repertoire, O., repertoires.

Repeteeren, repeteerde, heeft gerepeteerd.

Repeteergeweer, O., -geweren.

Repetent, M., repetenten.

Repetitie, V., repetitiën en repetities.

Repetitiehorloge, O., -horloges.

Repetitor, M., repetitoren.

Repliceeren, repliceerde, heeft gerepliceerd.

Repliek, V., replieken.

Reppen, repte, heeft gerept.

Representatiekosten (mv.), M.

Reprimande, V., reprimandes.

Republiek, V. republieken. Republiekje, O., -jes.

Republikein, M., republikeinen.

Republikeinsch.

Reputatie, V., reputaties en reputatiën.

Request, O., requesten. Requestje, O., -jes.

Requestrant, M., requestranten.

Requestrante, V., requestranten.

Requestreeren, requestreerde, heeft gerequestreerd.

Requiem, O., requiems.

Requisiet, O., requisieten.

Requisitie, V., requisities en requisitiën.

Requisitoir, O., requisitoiren.

Rescript, O., rescripten.

Reseda, V., reseda's.

Reserve, V., reserves.

Reserveeren, reserveerde, heeft gereserveerd.

Reservefonds, O., -fondsen.

Reservekader, O.

Reservekapitaal, O., -kapitalen.

Reservetroepen (mv.), M.

Reservist, M., reservisten.

Reservoir, O., reservoirs.

Resideeren, resideerde, heeft geresideerd.

Resident, M., residenten.

Residentie, V., residentiën en residenties.

Residentiestad, V., -steden.

Residu, O., residuen en residu's.

Resolutie, V., resolutiën en resoluties.

Resoluut, resoluter, resoluutst.

Respect, O.

Respectabel, -ler, -lst.

Respecteeren, respecteerde, heeft gerespecteerd.

Respijt, O.

Respirator, M., respirators.

Respondeeren, respondeerde, heeft gerespondeerd.

Responsiecollege, O., -colleges.

Ressort, O.

Ressorteeren, ressorteerde, heeft geressorteerd.

Rest, V., resten. Restje, O., -jes.

Restant, O., restanten. Restantje, O., -jes.

Restantenlijst, V., -lijsten.

Restaurant, O., restaurants.

Restaurateur, M., restaurateurs.

Restauratie, V., restauratiën en restauraties.

Resteeren, resteerde, is geresteerd.

Resten, restte, is gerest.

Resultaat, O., resultaten.

Resultante, V., resultanten.

Resulteeren, resulteerde, is geresulteerd.

Resumé, O., resumé's.

Resumeeren, resumeerde, heeft geresumeerd.

Resumtie, V., resumtiën en resumties.

Resumtievergadering, V., -vergaderingen.

Reticule, V., reticules.

Retirade, V., retirades.

Retort, V., retorten.

Retour (terugvracht), V., retouren.

Retour (biljet), O., retours.

Retourbiljet, O., -biljetten.

Retourkaart, V., -kaarten.

Retourrekening, V.

Retourschip, O., -schepen.

Retourvloot, V., -vloten.

Retourvracht, V., -vrachten.

Retroacta (mv.), O.

Reu, M., reuen. Reutje, O., -jes.

Reuk, M., reuken. Reukje, O., -jes.

Reukeloos, -loozer, -loost.

Reukfleschje, O., -fleschjes.

Reukorgaan, O., -organen.

Reukwater, O., -wateren.

Reukwerk, O.

Reukzenuw, V., -zenuwen.

Reünie, V., reünies.

Reünie-commissie, V., -commissies.

Reus, M.; reuzen.

Reusachtig, -achtiger, -achtigst.

Reusachtigheid, V.

Reutel (reuteling), M.

Reutel (reutelaar en reutelaarster), M. en V., reutels.

Reutelen, reutelde, heeft gereuteld.

Reuter, M., reuters. Reutertje, O., -jes.

Reuzel (lichaamsdeel), M., reuzels; (stof), V. Reuzeltje, O., -jes.

Reuzenbeeld, O., -beelden.

Reuzenkracht, V., -krachten.

Reuzenplan, O., -plannen.

Reuzenschrede, V., -schreden.

Reuzenslang, V., -slangen.

Reuzenstap, M., -stappen.

Reuzentaak, V.

Reuzenwerk. O., -werken.

Reuzenzwaai, M.

Reuzin, V., reuzinnen.

Revaccinatie, V.

Reveille, V.

Revelen, revelde, heeft gereveld.

Reven, reefde, heeft gereefd.

Revenu, O., revenuen.

Revisie, V., revisies en revisiën.

Revolutie, V., revolutiën en revoluties.

Revolutiegeest, M.

Revolutiemannen (mv.), M.

Revolutietijd, M.

Revolutionnair.

Revolver, V., revolvers.

Revolverkanon, O., -kanonnen.

Revolverschot, O., -schoten.

Revue, V., revuen en revues.

Rhapsodie, V., rhapsodieën.

Rhetor, M., rhetoren en rhetors.

Rhetorica, V.

Rhetoriek, V.

Rhetorisch.

Rheumatiek, V.

Rheumatisch.

Rheumatisme, O.

Rhinoceros, M., rhinocerossen.

Rhythmisch.

Rhythmus, M.

Rib en Ribbe, V., ribben. Ribje en ribbetje, O., -jes.

Ribbebreuk, V., -breuken.

Ribbeling, M., ribbelingen.

Ribbenband, M., -banden.

Ribbenkast, V.

Ribbestoot. M., -stooten.

Ribbevlies, O., -vliezen.

Richel, V., richels. Richeltje, O., -jes.

Richtbaak, V., -baken.

Richten, richtte, heeft gericht.

Richter, M., richters en richteren.

Richtgat, O., -gaten.

Richtig, richtiger, richtigst.

Richtigheid, V.

Richting, V., richtingen.

Richtlat, V., -latten.

Richtlijn, V., -lijnen.

Richtliniaal, O., -linialen.

Richtlood, O., -looden.

Richtsnoer, O., -snoeren.

Ridder, M., ridders.

Ridderen, ridderde, heeft geridderd.

Riddergedicht, O., -gedichten.

Ridderkasteel, O., -kasteelen.

Ridderkruis, O., -kruisen.

Ridderlijk, -lijker, -lijkst.

Ridderlijkheid, V.

Ridderorde, V., -orden.

Ridderroman, M., -romans.

Ridderschap (de ridders), V., -schappen; (de waardigheid), O.

Ridderslag, M.

Ridderspel, O., -spelen.

Ridderspoor, V., -sporen.

Ridderstand, M.

Riddertijd, M., -tijden.

Ridderwezen, O.

Ridderwoord, O.

Ridderzaal, V., -zalen.

Rieken. Zie Ruiken.

Riem (lederen strook en roeispaan), M., riemen. Riempje, O., -jes.

Riem (papiermaat), M., riemen.

Riemblad, O., -bladen.

Riemer, M., riemers.

Riemschijf, V., -schijven.

Riemslag, M., -slagen.

Riet, O., rieten. Rietje, O., -jes.

Rietdekker, M., -dekkers.

Rieten (bnw.).

Rietgors, V., -gorzen.

Rietgras, O., -grassen.

Rietland, O., -landen.

Rietpeer, V., -peren; -peertje, O., -jes.

Rietsuiker, V.

Rietvink, M., -vinken.

Rif (geraamte, klip), O., riffen. Rifje, O., -jes.

Rif (in een zeil). Zie Reef.

Rij (reeks), V., rijen. Rijtje, O., -jes.

Rijbaan, V., -banen.

Rijbewijs, O., -bewijzen.

Rijbroek, V., -broeken.

Rijden, reed, reden, heeft en is gereden.

Rijder, M., rijders.

Rijdster, V., rijdsters.

Rijf, V., rijven. Rijfje, O., -jes.

Rijfelen, rijfelde, heeft gerijfeld.

Rijfelspel, O., -spelen.

Rijgdraad, M., -draden.

Rijgen, reeg, regen, heeft geregen.

Rijglaars, V., -laarzen; -laarsje, O., -jes.

Rijglijf, O., -lijven.

Rijgnaald, V., -naalden.

Rijgpen, V., -pennen.

Rijgschoen, M., -schoenen.

Rijgsnoer, O., -snoeren.

Rijgveter, M., -veters.

Rijk, O., rijken. Rijkje, O., -jes.

Rijk, rijker, rijkst.

Rijkaard, M., rijkaards.

Rijkdom, M., rijkdommen.

Rijkelijk, -lijker, -lijkst.

Rijkgeladen.

Rijkheid, V.

Rijkleed, O., -kleederen.

Rijkmaker, M., -makers.

Rijknecht, M., -knechts.

Rijksacademie, V., -academiën.

Rijksadel, M.

Rijksadvocaat, M., -advocaten.

Rijksambtenaar, M., -ambtenaars en -ambtenaren.

Rijksarchief, O., -archieven.

Rijksbelasting, V., -belastingen.

Rijksbestuurder, M., -bestuurders.

Rijksbetrekking, V., -betrekkingen.

Rijksbeurs, V., -beurzen.

Rijksdaalder, M., -daalders.

Rijksdag, M., -dagen.

Rijksgebied, O.

Rijksgebouw, O., -gebouwen.

Rijksgesticht, O., -gestichten.

Rijksgrond, M., -gronden.

Rijksgroote, M., -grooten.

Rijkshoogereburgerschool, V., -scholen.

Rijksinstelling, V., -instellingen.

Rijkskanselier, M., -kanseliers en -kanselieren.

Rijkskweekschool, V., -scholen.

Rijkslandbouwproefstation, V., -proefstations.

Rijkslandbouwschool, V., -scholen.

Rijksmerk, O.

Rijksmuseum, O., -museums en -musea.

Rijkspolitie, V.

Rijkspensioen, O., -pensioenen.

Rijkspostspaarbank, V.

Rijkssubsidie, O., -subsidiën.

Rijkstelegraaf, V.

Rijkstoezicht, O.

Rijksuniversiteit, V., -universiteiten.

Rijksveeartsenijschool, V.

Rijksveldwachter, M., -wachters.

Rijksverzekeringsbank, V.

Rijkswaterstaat, M.

Rijkswege (Van -).

Rijkszuivelinspecteur, M., -inspecteurs.

Rijkunst, V.

Rijlaars, V., -laarzen.

Rijles, V., -lessen.

Rijm (de rijp), M.

Rijm (gelijkheid van eindklanken), O., rijmen.

Rijmelaar, M., rijmelaars en rijmelaren.

Rijmelarij, V., rijmelarijen.

Rijmelen, rijmelde, heeft gerijmeld.

Rijmeloos en Rijmloos, -looze.

Rijmen, rijmde, heeft gerijmd.

Rijmklank, M., -klanken.

Rijmpje, O., -jes.

Rijmwoord, O., -woorden.

Rijn, M.

Rijn (in een molensteen), M., rijnen.

Rijnaak, V., -aken.

Rijnboot, V., -booten.

Rijnlander, M., -landers.

Rijnlandsch.

Rijnprovincie, V., -provincies en -provinciën.

Rijnsch.

Rijnsche-wijnflesch, V., -flesschen.

Rijnschip, O., -schepen.

Rijnstreek, V., -streken.

Rijntol, M., -tollen.

Rijnvaart, V.

Rijnwater, O.

Rijnwijn, M., -wijnen.

Rijp (de rijm), M.

Rijp (rups), V., rijpen. Rijpje, O., -jes.

Rijp, rijper, rijpst.

Rijpaard, O., -paarden; -paardje, O., -jes.

Rijpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.

Rijpelijk.

Rijpen (rijp maken en rijp worden), rijpte, heeft en is gerijpt.

Rijpen (door de vorst), rijpte, heeft gerijpt.

Rijpheid, V.

Rijping, V.

Rijrok, M., -rokken.

Rijs, O., rijzen. Rijsje, O., -jes.

Rijsbedding, V., -beddingen.

Rijsberm, M., -bermen.

Rijsbeslag, O.

Rijschool, V., -scholen.

Rijsdam, M., -dammen.

Rijshout, O.

Rijst, V.

Rijstbouw, M.

Rijstdiefje (vogel), O., -diefjes.

Rijstebrij, V.

Rijstemeel, O.

Rijstemelk, V.

Rijstepap, V.

Rijstesoep, V.

Rijstetaart, V., -taarten.

Rijstlepel, M., -lepels.

Rijstpapier, O.

Rijsttafel, V.

Rijstveld, O., -velden.

Rijstvogel, M., -vogels; -vogeltje, O., -jes.

Rijstwater, O.

Rijswerk, O.

Rijten, reet, reten, heeft en is gereten.

Rijtoer, M., -toeren; -toertje, O., -jes.

Rijtuig, O., -tuigen; -tuigje, O., -jes.

Rijtuiglak, O.

Rijtuigmaatschappij, V., -maatschappijen.

Rijtuigschilder, M., -schilders.

Rijtuigverhuurder, M., -verhuurders.

Rijven, reef, reven, heeft gereven.

Rijweg, M., -wegen.

Rijwiel, O., -wielen.

Rijwielbelasting, V., -belastingen.

Rijwielfabriek, V., -fabrieken.

Rijwielhersteller, M., -herstellers.

Rijwielpad, O., -paden.

Rijzen, rees, rezen, is gerezen.

Rijzig, rijziger, rijzigst.

Rijzing, V., rijzingen.

Rijzweep, V., -zweepen.

Rikketikken, rikketikte, heeft gerikketikt.

Ril, M.

Rillen, rilde, heeft gerild.

Rilling, V., rillingen. Rillinkje, O., -jes.

Rimpel, M., rimpels. Rimpeltje, O., -jes.

Rimpelen, rimpelde, heeft en is gerimpeld.

Rimpelig, rimpeliger, rimpeligst.

Rimpeling, V.

Ring, M., ringen. Ringetje, O., -jes.

Ringbaard, M., -baarden.

Ringbout, M., -bouten.

Ringbroeder, M., -broeders.

Ringdijk, M., -dijken.

Ringelduif, V., -duiven.

Ringelen, ringelde, heeft geringeld.

Ringelmusch, V., -musschen.

Ringelooren, ringeloorde, heeft geringeloord.

Ringen, ringde, heeft geringd.

Ringhout, O., -houten.

Ringkraag, M., -kragen.

Ringmuur, M., -muren.

Ringrijden, O.

Ringsloot, V., -slooten.

Ringvalk, M., -valken.

Ringvergadering, V., -vergaderingen.

Ringvinger, M., -vingers.

Ringvormig.

Rinkel, M., rinkels. Rinkeltje, O., -jes.

Rinkelaar (vaartuig), M., rinkelaars.

Rinkelbel, V., -bellen.

Rinkelen, rinkelde, heeft gerinkeld.

Rinkelrooien, rinkelrooide, heeft gerinkelrooid.

Rinkelrooier, M., -rooiers.

Rinket, O., rinketten. Rinketje, O., -jes.

Rinkinken, rinkinkte, heeft gerinkinkt.

Rinsch, rinscher, meest rinsch.

Rioleeren, rioleerde, heeft gerioleerd.

Rioleering, V., rioleeringen.

Riool, O., riolen. Riooltje, O., -jes.

Rioolstelsel, O., -stelsels.

Rioolwater, O.

Risico, O. en V.

Risqueeren, risqueerde, heeft gerisqueerd.

Rist, V., risten. Ristje, O., -jes.

Risten, ristte, heeft gerist.

Rit, M. en O., ritten. Ritje, O., -jes.

Ritmeester, M., -meesters.

Rits (tusschenw.).

Ritselen, ritselde, heeft geritseld.

Ritseling, V., ritselingen.

Ritsig, ritsiger, ritsigst.

Ritsijzer, O., -ijzers.

Ritten, ritte, heeft gerit.

Rituaal, O., ritualen.

Ritus, M.

Rivier, V., rivieren. Riviertje, O., -jes.

Rivierarm, M., -armen.

Rivierbedding, V., -beddingen.

Rivierbericht, O., -berichten.

Riviercorrespondentie, V.

Rivierdijk, M., -dijken.

Rivierkreeft, M., -kreeften.

Riviermond, O., -monden.

Rivierschip, O., -schepen.

Rivierstelsel, O., -stelsels.

Riviervisch (stofnaam), V.; (voorwerpsnaam), M.

Rivierwater, O.

Rob (dier), M., robben. Robbetje, O., -jes.

Rob (maag), V., robben.

Robbedoes, M. en V., robbedoezen.

Robbenjacht, V., -jachten.

Robbenvangst, V.

Robber, M., robbers. Robbertje, O., -jes.

Robbespek en Robbenspek, O.

Robbevel, O., -vellen.

Robijn (steen), M., robijnen; (stof), O. Robijntje, O., -jes.

Rochel, V., rochels.

Rochelaar, M., rochelaars.

Rochelen, rochelde, heeft gerocheld.

Rochelpot (persoon), M., -potten.

Roebel, M., roebels.

Roede en Roe, V., roeden. Roetje, O., -jes.

Roef, V., roeven. Roefje, O., -jes.

Roef (tusschenw.).

Roeibank, V., -banken.

Roeiboot, V., -booten; -bootje, O., -jes.

Roeidol, M., -dollen.

Roeien, roeide, heeft en is geroeid.

Roeier, M., roeiers.

Roeiklamp, M., -klampen.

Roeipen en Roeipin, V., -pennen en -pinnen.

Roeiriem, M., -riemen.

Roeischuit, V., -schuiten; -schuitje, O., -jes.

Roeispaan, V., -spanen.

Roeisport, V.

Roeistrop, M., -stroppen.

Roeivaartuig, O., -vaartuigen.

Roeivereeniging, V., -vereenigingen.

Roeiwedstrijd, M., -wedstrijden.

Roek, M., roeken.

Roekeloos, -loozer.

Roekeloosheid, V., -heden.

Roekoeken, roekoekte, heeft geroekoekt.

Roem, M.

Roemen, roemde, heeft geroemd.

Roemer en Romer, roemers en romers. Roemertje en romertje, O., -jes.

Roemrijk, -rijker, -rijkst.

Roemruchtig, -ruchtiger, -ruchtigst.

Roemvol.

Roemwaardig, -waardiger, -waardigst.

Roemwaardigheid, V.

Roemzucht, V.

Roep, M.

Roepen, riep, heeft geroepen.

Roeper, M., roepers.

Roeping, V., roepingen.

Roepstem, V., -stemmen.

Roer, M., (In rep en -).

Roer (stuur), O., roeren en roers. Roertje, O., -jes.

Roer (buis), O., roeren en roers. Roertje, O., -jes.

Roerbak, M., -bakken.

Roerdomp, M., -dompen; -dompje, O., -jes.

Roeren, roerde, heeft geroerd.

Roerend, roerender, roerendst.

Roerganger, M., -gangers.

Roerhard, -harder, -hardst.

Roerig, roeriger, roerigst.

Roerigheid, V.

Roering, V., roeringen.

Roerkruid, O.

Roerloos, -looze.

Roerloosheid, V.

Roerom, M., roerommen en roeroms.

Roerpen en Roerpin V., -pennen en -pinnen.

Roersel, O., roerselen en roersels.

Roersleuf, V., -sleuven.

Roerspaan, V., -spanen.

Roerstel, O., -stellen.

Roertalie, V., -talies.

Roervink, M., -vinken.

Roes, M., roezen. Roesje, O., -jes.

Roest (het roesten), M.; (roestigheid), O.

Roesten, roestte, is geroest.

Roestig, roestiger, roestigst.

Roestigheid, V.

Roestvlek, V., -vlekken.

Roet, O.

Roetachtig, -achtiger, -achtigst.

Roeterig, roeteriger, roeterigst.

Roetig, roetiger, roetigst.

Roetigheid, V.

Roetmop, V.; (persoon), M. en V., -moppen.

Roetzwart, O.

Roetzwart.

Roezemoezen, roezemoesde, heeft geroezemoesd.

Roezemoezig, roezemoeziger, roezemoezigst.

Roezen, roesde, heeft geroesd.

Roezig, roeziger, roezigst.

Roezigheid, V.

Roffel (tromslag en berisping), M., roffels. Roffeltje, O., -jes.

Roffel (schaaf), M., roffels. Roffeltje, O., -jes.

Roffelaar, M., roffelaars.

Roffelen, roffelde, heeft geroffeld.

Roffelig, roffeliger, roffeligst.

Roffelschaaf, V., -schaven.

Roffelzaag, V., -zagen.

Rog (visch), M., roggen. Rogje en roggetje, O., -jes.

Rogge, ook Rog (graansoort), V.

Roggebrood, O., -brooden.

Roggemeel, O.

Roggenvangst, V.

Roggestroo, O.

Roggevel, O., -vellen.

Roggeveld, O., -velden.

Rok (kleedingstuk), M., rokken. Rokje, O., -jes.

Rok (spinrokken). Zie Rokken.

Rokken en Rok, O., rokkens en rokken. Rokkentje, O., -jes.

Rokken, rokte, heeft gerokt.

Rokkenband (collectieve stof naam), O.

Rokkenen, rokkende, heeft gerokkend.

Roksband (een band), M., -banden.

Roksknoop, M., -knoopen.

Rokskraag, M., -kragen.

Roksmouw, V., -mouwen.

Rokspand, O., -panden.

Rokszak en Rokzak, M., -zakken.

Rol, M., (Aan den rol).

Rol, V., rollen. Rolletje, O., -jes.

Rolband, O.

Rolbank, V., -banken.

Rolbed, O., -bedden.

Rolgordijn, O., -gordijnen.

Rolkorf, M., -korven.

Rolkous, V., -kousen.

Rollaag, V., -lagen.

Rolleeren, rolleerde, heeft gerolleerd.

Rolleering, V.

Rollen, rolde, heeft en is gerold.

Rollende, V., -lenden.

Roller, M., rollers.

Rolling, V.

Rolpaal, M., -palen.

Rolpaard, O., -paarden.

Rolpens, V., -pensen.

Rolplank, V., -planken.

Rolschaats, V., -schaatsen.

Rolschot, O., -schoten.

Rolsteen, M., -steenen.

Rolstoel, M., -stoelen.

Rolstok, M., -stokken.

Rolverdeeling, V., -verdeelingen.

Rolwagen, M., -wagens.

Romaansch.

Romaansch, O.

Roman, M., romans. Romannetje, O., -jes.

Romance, V., romancen en romances.

Romanesk, romanesker.

Romanheld, M., -helden.

Romanist, M., romanisten.

Romanlectuur, V.

Romanlezer, M., -lezers.

Romanschrijver, M., -schrijvers.

Romantiek, V.

Romantisch, romantischer, meest romantisch.

Romantisme, O.

Romein, M., Romeinen.

Romeinsch.

Rommel, M., rommels. Rommeltje, O., -jes.

Rommelen, rommelde, heeft gerommeld.

Rommeling, V., rommelingen.

Rommelkamer, V., -kamers.

Rommelpot, M., -potten.

Rommelzolder, M., -zolders.

Rommelzoo en Rommelzooi, V., -zooien; -zootje, O., -jes.

Rommentom.

Romp, M., rompen. Rompje, O., -jes.

Rompelig, rompeliger, rompeligst.

Rompslomp, M.

Rond, ronder, rondst.

Rond, O., ronden. Rondje, O., -jes.

Rondas, V., rondassen.

Rondbazuinen, bazuinde rond, heeft rondgebazuind.

Rondbezorgen, bezorgde rond, heeft rondbezorgd.

Rondborstig, -borstiger, -borstigst.

Rondborstigheid, V.

Rondbrengen, bracht rond, heeft rondgebracht.

Rondbrieven, briefde rond, heeft rondgebriefd.

Ronddeelen, deelde rond, heeft rondgedeeld.

Ronddobberen, dobberde rond, heeft rondgedobberd.

Ronddolen, doolde rond, heeft rondgedoold.

Ronddraaien, draaide rond, heeft en is rondgedraaid.

Ronddraven, draafde rond, heeft en is rondgedraafd.

Ronddrijven, dreef rond, dreven rond, heeft rondgedreven.

Ronddwalen, dwaalde rond, heeft rondgedwaald.

Ronde, V., rondes.

Rondeau, O., rondeau's.

Rondedans, M., -dansen.

Rondeel, O., rondeelen. Rondeeltje, O., -jes.

Ronden, rondde, heeft gerond.

Rondfladderen, fladderde rond, heeft rondgefladderd.

Rondgaan, gaat rond, ging rond, is rondgegaan.

Rondgaand.

Rondgat, O., -gatten.

Rondgeven, gaf rond, gaven rond, heeft rondgegeven.

Rondgluren, gluurde rond, heeft rondgegluurd.

Rondheid, V.

Rondhout, O.

Rondigheid, V.

Ronding, V., rondingen.

Rondkijken, keek rond, keken rond, heeft rondgekeken.

Rondkomen, komt rond, kwam rond, kwamen rond, is rondgekomen.

Rondkop, M. en V., -koppen.

Rondleiden, leidde rond, heeft rondgeleid.

Rondloopen, liep rond, heeft en is rondgeloopen.

Rondlooper, M., -loopers.

Rondom.

Rondreis, V., -reizen; -reisje, O., -jes.

Rondreisbiljet, O., -biljetten.

Rondreizen, reisde rond, heeft en is rondgereisd.

Rondrijden, reed rond, reden rond, heeft en is rondgereden.

Ronds, V., rondsen. Rondsje, O., -jes.

Rondschenken, schonk rond, heeft rondgeschonken.

Rondsel, O., rondsels. Rondseltje, O., -jes.

Rondslenteren, slenterde rond, heeft rondgeslenterd.

Rondsnuffelen, snuffelde rond, heeft rondgesnuffeld.

Rondspringen, sprong rond, heeft rondgesprongen.

Rondsturen, stuurde rond, heeft rondgestuurd.

Rondte, V., rondten.

Rondtrompetten, trompette rond, heeft rondgetrompet.

Ronduit.

Rondventen, ventte rond, heeft rondgevent.

Rondventer, M., -venters.

Rondvertellen, vertelde rond, heeft rondverteld.

Rondvliegen, vloog rond, vlogen rond, heeft en is rondgevlogen.

Rondvoeren, voerde rond, heeft rondgevoerd.

Rondwandelen, wandelde rond, heeft rondgewandeld.

Rondwaren, waarde rond, heeft rondgewaard.

Rondzien, ziet rond, zag rond, zagen rond, heeft rondgezien.

Rondzwerven, zwierf rond, zwierven rond, heeft rondgezworven.

Rondzwieren, zwierde rond, heeft rondgezwierd.

Rong, V., rongen.

Ronken, ronkte, heeft geronkt.

Ronselaar, M., ronselaars.

Ronselen, ronselde, heeft geronseld.

Ronzebons, V., ronzebonzen.

Rood, rooder, roodst.

Rood, O.

Roodaarde, V.

Roodaarden, roodaardde, heeft geroodaard.

Roodachtig, -achtiger, -achtigst.

Roodachtigheid, V.

Roodbont.

Roodborstje, O., -jes.

Roodbros, -brosse.

Roodbruin.

Roodekool, V., -koolen.

Roodeloop, M.

Roodgieter, M., -gieters.

Roodgloeiend.

Roodharig.

Roodheet, -heete.

Roodheid, V.

Roodhuid, M., -huiden.

Roodkleurig, -kleuriger, -kleurigst.

Roodkoper, O.

Roodkoperen.

Roodkoralen (bnw.).

Roodkrijt, O.

Roodrok (Engelsch soldaat), M., roodrokken.

Rood-Rusland, O.

Roodsel, O.

Roodvonk, O.

Roodvos, M., -vossen.

Roodwangig, -wangiger, -wangigst.

Roodzijden (bnw.).

Roof (het rooven), M.

Roof (korst), V., roven. Roofje, O., -jes.

Roofbouw, M.

Roofdier, O., -dieren.

Roofgierig, -gieriger, -gierigst.

Roofgierigheid, V.

Roofgoed, O.

Roofhaai, M., -haaien.

Roofkever, M., -kevers.

Roofnest, O., -nesten.

Roofschip, O., -schepen.

Roofspelonk, V., -spelonken.

Roofvogel, M., -vogels.

Roofziek, -zieker, -ziekst.

Roofzucht, V.

Rooi, V.

Rooien, rooide, heeft gerooid.

Rooier, M., rooiers.

Rooiing, V., rooiingen.

Rooilijn, V., -lijnen.

Rooimeester, M., -meesters.

Rooipaal, M., -palen.

Rooitijd, M.

Rook (damp), M.

Rook (hooistapel), V., rooken. Rookje, O., -jes.

Rookeloos (- kruit).

Rooken, rookte, heeft gerookt.

Rooker, M., rookers.

Rookerig, rookeriger, rookerigst.

Rookerigheid, V.

Rookerij, V., rookerijen.

Rookgat, O., -gaten.

Rookgerei, O.

Rookhok, O., -hokken.

Rookhol, O., -holen.

Rookkamer, V., -kamers.

Rookkast, V., -kasten.

Rookkolom, V., -kolommen.

Rooklucht, V.

Rookspek, O.

Rookstel, O., -stellen.

Rooktabak, V.

Rooktafeltje, O., -tafeltjes.

Rookvang, V., -vangen.

Rookverdrijver, M., -verdrijvers.

Rookvleesch, O.

Rookvrij.

Rookwagen, M., -wagens.

Rookwalm, M., -walmen.

Rookworst, V., -worsten.

Rookzolder, M., -zolders.

Rookzwak (- kruit).

Room, M.

Roomboter, V.

Roomen, roomde, heeft geroomd.

Roomhorentje, O., -jes.

Roomhuis, O., -huizen.

Roomijs, O.

Roomkaas, V., -kazen; -kaasje, O., -jes.

Roomkleurig.

Roomkom, V., -kommen.

Roomsch.

Roomschgezind.

Roomschgezinde, M. en V., -gezinden.

Roomsch-Katholiek en -Catholiek.

Roomtaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.

Roopaard. Zie Rolpaard.

Roos (bloem), V., rozen. Roosje, O., -jes.

Roos (ontsteking), V.

Roosachtig, -achtiger, -achtigst.

Roosjesslijper, M., -slijpers.

Roosjessnijder, M., -snijders.

Rooskleurig.

Roosten, roostte, heeft geroost.

Rooster, M., roosters. Roostertje, O., -jes.

Roosteren, roosterde, heeft geroosterd.

Roosting, V., roostingen.

Roostoven, M., -ovens.

Roostpan, V., -pannen.

Roosvormig.

Rooven (stelen), roofde, heeft geroofd.

Roover, M., roovers. Roovertje, O., -jes.

Rooverbende, V., -benden.

Rooverhoofdman, M., -mannen.

Rooverij, V., rooverijen.

Roovershol, O., -holen.

Ropij, V., ropijen.

Ros, O., rossen. Rosje, O., -jes.

Ros, rosser, rost.

Rosachtig, -achtiger, -achtigst.

Rosarium, O., rosariums.

Rosbaar, V., -baren.

Rosbeier, M., -beiers.

Rose (rozerood), bnw.

Rosharig.

Roskam, M., -kammen.

Roskammen, roskamde, heeft geroskamd.

Roskammer, M., -kammers.

Rosmarijn en Rozemarijn, M.

Rosmolen, M., -molens.

Rossen, roste, heeft en is gerost.

Rossig, rossiger, rossigst.

Rossigheid, V.

Rossinant, M., rossinanten.

Rot (dier). Zie Rat.

Rot (vereeniging van personen), O., rotten.

Rot, rotter, rotst.

Rotatie-pers, V., -persen.

Roten, rootte, heeft geroot.

Rotgans, V., -ganzen; -gansje, O., -jes.

Rotgezel, M., -gezellen.

Rotheid, V.

Rotkoorts, V., -koortsen.

Rotneus, M.

Rotonde, V., rotonden en rotondes.

Rots, V., rotsen.

Rotsachtig, -achtiger, -achtigst.

Rotsblok, O., -blokken.

Rotsig, rotsiger, rotsigst.

Rotskloof, V., -kloven.

Rotsspelonk, V., -spelonken.

Rotten, rotte, is gerot.

Rottenkruit. Zie Rattenkruit.

Rottig, rottiger, rottigst.

Rottigheid, V.

Rotting (riet en wandelstok), M., rottingen. Rottinkje, O., -jes.

Rotting (het rotten), V.

Rottingolie, V.

Rottingslag, M., -slagen.

Rottingstraf, V.

Rouleeren, rouleerde, heeft gerouleerd.

Roulette, V.

Routine, V.

Rouw, M.

Rouw (bnw.). Zie Ruw.

Rouwartikel, O., -artikelen.

Rouwband, M., -banden.

Rouwbeklag, O.

Rouwbrief, M., -brieven.

Rouwen, rouwde, heeft gerouwd.

Rouwfloers, O.

Rouwgewaad, O., -gewaden.

Rouwgoed, O., -goederen.

Rouwhandschoen, M., -handschoenen.

Rouwig, rouwiger, rouwigst.

Rouwjapon, V., -japonnen.

Rouwklagen, rouwklaagde, heeft gerouwklaagd.

Rouwkleed, O., -kleederen.

Rouwkoets, V., -koetsen.

Rouwkoop, M.

Rouwmantel, M., -mantels.

Rouwpapier, O.

Rouwrand, M., -randen.

Rouwstrik, M., -strikken; -strikje, O., -jes.

Rouwtijd, M.

Roven (de korst afnemen), roofde, heeft geroofd.

Royaal, royaler, royaalst.

Royalist, M., royalisten.

Royaliteit, V., royaliteiten.

Rozeblad, O., -bladen, -bladeren en -blaren; -blaadje, O., -jes.

Rozeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.

Rozebottel, V., -bottels.

Rozeknop, M., -knoppen; -knopje, O., -jes.

Rozelaar, M., rozelaars en rozelaren. Rozelaartje, O., -jes.

Rozemarijn. Zie Rosmarijn.

Rozenbout, M., -bouten.

Rozengaard, M., -gaarden.

Rozengeur, M.

Rozengeurig.

Rozenhonig en -honing, M.

Rozenhout, O.

Rozenhouten (bnw.).

Rozenkleur, V.

Rozenkleurig.

Rozenkrans, M., -kransen.

Rozenolie, V.

Rozentijd, M.

Rozentint, V.

Rozenwater, O.

Rozerood, -roode.

Rozerood, O.

Rozestek, V., -stekken; -stekje, O., -jes.

Rozestruik, M., -struiken; -struikje, O., -jes.

Rozet, V., rozetten. Rozetje, O., -jes.

Rozetak, M., -takken; -takje, O., -jes.

Rozig, roziger, rozigst.

Rozijn (ook Razijn), V., rozijnen. Rozijntje, O., -jes.

Rozijnenbaard, M.

Rozijnenbaard (persoon), M. en V., -baarden.

Rozijnenbrood, O.

Rubber (stof), V. en O.

Rubbercultuur, V.

Rubbermarkt, V.

Rubberonderneming, V., -ondernemingen.

Rubberstempel, O., -stempels.

Rubriek, V., rubrieken.

Ruchtbaar.

Ruchtbaarheid, V.

Rug, M., ruggen. Rugje en ruggetje, O., -jes.

Ruggegraat, V., -graten.

Ruggelen, ruggelde, heeft en is geruggeld.

Ruggelings (bijw.).

Ruggelingsch (bnw.).

Ruggemerg, O.

Ruggemergstering, V.

Ruggepaard, O., -paarden.

Ruggespraak, V.

Ruggestreng, V.

Rugleuning, V., -leuningen.

Rugpijn, V., -pijnen.

Rugspier, V., -spieren.

Rugstuk, O., -stukken.

Rugtitel, M., -titels.

Rugzaag, V., -zagen.

Rugzak, M., -zakken.

Rugzenuw, V., -zenuwen.

Rui, M.

Ruidig, ruidiger, ruidigst.

Ruien, ruide, heeft geruid.

Ruif, V., ruiven. Ruifje, O., -jes.

Ruifel, V., ruifels.

Ruig, ruiger, ruigst.

Ruigheid, V.

Ruigpootig.

Ruigschaaf, V., -schaven.

Ruigte, V., ruigten.

Ruiing, V., ruiingen.

Ruiken en Rieken, rook, roken, heeft geroken.

Ruiker, M., ruikers. Ruikertje, O., -jes.

Ruil, M., ruilen. Ruiltje, O., -jes.

Ruilbaar, -bare.

Ruilebuiten, ruilebuitte, heeft geruilebuit.

Ruilen, ruilde, heeft geruild.

Ruiler, M. ruilers.

Ruilhandel, M.

Ruiling, V., ruilingen.

Ruilingrekening, V.

Ruilverkeer, O.

Ruim, ruimer, ruimst.

Ruim, O.

Ruimbaan, V.

Ruimbalk, M., -balken.

Ruimen, ruimde, heeft geruimd.

Ruimer, M., ruimers.

Ruimheid, V.

Ruimijzer, O., -ijzers.

Ruiming, V., ruimingen.

Ruimkraan, V., -kranen.

Ruimnaald, V., -naalden.

Ruimpen, V., -pennen.

Ruimschoots (bijw.).

Ruimschootsch (bnw.).

Ruimstank, M.

Ruimte, V., ruimten.

Ruimteparabool, V., -parabolen.

Ruimteuitgebreidheid, V., -uitgebreidheden.

Ruin, M., ruinen. Ruintje, O., -jes.

Ruïne, V., ruïnen en ruïnes.

Ruïneeren, ruïneerde, heeft geruïneerd.

Ruinen, ruinde, heeft geruind.

Ruischen, ruischte, heeft geruischt.

Ruisching, V.

Ruischpijp, V., -pijpen.

Ruisvoren en -voorn, M., -vorens en -voorns; -vorentje en -voorntje,

O., -jes.

Ruit, V., ruiten. Ruitje, O., -jes.

Ruit (schurft), V.

Ruit (kruid), V.

Ruiten (mv.), V.

Ruiten, ruitte, heeft geruit.

Ruitenaas, O., -azen.

Ruitenboer, M., -boeren.

Ruitenheer, M., -heeren.

Ruitenvrouw, V., -vrouwen.

Ruiter, M., ruiters. Ruitertje, O., -jes.

Ruiterbende, V., -benden.

Ruiterij, V.

Ruiterliedje, O., -liedjes.

Ruiterlijk, -lijker, -lijkst.

Ruitermantel, M., -mantels.

Ruiterpad, O., -paden.

Ruitersabel, V., -sabels.

Ruiterstandbeeld, O., -standbeelden.

Ruiterwacht, V., -wachten.

Ruiterweg, M., -wegen.

Ruitijd, M.

Ruitswijze en -wijs.

Ruitvormig.

Ruk, M., rukken. Rukje, O., -jes.

Rukken, rukte, heeft gerukt.

Rukking, V., rukkingen.

Rukwind, M., -winden.

Rul, V., rullen. Rulletje, O., -jes.

Rul, ruller, rulst.

Rum, V. Rummetje, O., -jes.

Rumflesch, V., -flesschen.

Rumgelei, V., -geleien.

Rumgrog, M., -grogs; -grogje, O., -jes.

Rumoer, O., rumoeren.

Rumoeren, rumoerde, heeft gerumoerd.

Rumoerig, rumoeriger, rumoerigst.

Rumoerigheid, V.

Rumoermaker, M., -makers.

Rumpudding, M., -puddingen.

Rumtaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.

Run (eikenbast), V.

Rund, O., runderen en runders.

Runderhaas, M., -hazen.

Runderharst, M., -harsten.

Runderlapjes (mv.), O.

Runderpest, V.

Runderrib, V., -ribben.

Runderziekte, V.

Rundvee, O.

Rundveestamboek, O., -boeken.

Rundvet, O.

Rune, V., runen.

Runenschrift, O.

Runmolen, M., -molens.

Runnen, runde, heeft gerund.

Runsel, O.

Rups, V., rupsen. Rupsje, O., -jes.

Rupsendooder, M., -dooders.

Rupsenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.

Rupsennest, O., -nesten.

Rupsenschaar, V., -scharen.

Rupsenvanger, M., -vangers.

Rupsklaver, V.

Rus, M., Russen.

Rusch, M., russchen.

Russchen (bnw.).

Russisch.

Russisch, O.

Rust (het rusten), V.

Rust (scheepsw.), V., rusten.

Rustbank, V., -banken.

Rustbed, O., -bedden.

Rustdag, M., -dagen.

Rusteloos, -loozer.

Rusteloosheid, V.

Rusten, rustte, heeft gerust.

Rustiek.

Rustig, rustiger, rustigst.

Rustigheid, V.

Rustjaar, O., -jaren.

Rustkuur, V.

Rustlijn, V., -lijnen.

Rustoord, O.

Rustplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes.

Rustpunt, O., -punten.

Rustteeken, O., -teekens.

Rusttijd, M., -tijden.

Rustuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.

Rustverstoorder, M., -verstoorders.

Rustverstoring, V., -verstoringen.

Ruw, ook Rouw, ruwer (rouwer), ruwst (rouwst).

Ruwaard, M., ruwaards en ruwaarden.

Ruwbladig.

Ruwelijk.

Ruwharig.

Ruwheid, V., -heden.

Ruwigheid, V., -heden.

Ruwkruid, O.

Ruwschaven, O.

Ruzie, V., ruzies. Ruzietje, O., -jes.

Ruziemaker, M., -makers.

Ruzietoon, M.

Ruziezoeker, M., -zoekers.

S

S, V., s's.

Sa (tusschenw.).

Saai, O. en V., saaien.

Saai, saaier, saaist.

Saaiem, O., saaiems.

Saaien (bnw.).

Saaihal, V., -hallen.

Saaiheid, V.

Saam. Zie Samen.

Sabbat, M., sabbatten.

Sabbatsdag, M., -dagen.

Sabbatskleed, O., -kleederen en -kleeren.

Sabbatsreis, V., -reizen.

Sabbatsrust, V.

Sabbatsschender, M., -schenders.

Sabbatsschennis, V.

Sabbatsvrouw, V., -vrouwen.

Sabel (dier), M., sabels; (bont), O. Sabeltje, O., -jes.

Sabel (zwaard), V., sabels. Sabeltje, O., -jes.

Sabel (zwart in de wapenkunde), O.

Sabeldier, O., -dieren.

Sabelen, sabelde, heeft gesabeld.

Sabelhouw, M., -houwen.

Sabelkling, V., -klingen.

Sabelkoppel, M., -koppels.

Sabelkorf, M., -korven.

Sabelscheede, V., -scheeden.

Saccharine, V.

Sacrament, O., sacramenten.

Sacramenteel, sacramenteele.

Sacramentsdag, M., -dagen.

Sacristein, M., sacristeinen.

Sacristie en Sacristij, V., sacristieën en sacristijen.

Sadduceër, M., Sadduceërs en Sadduceën.

Sadduceesch.

Saffier (stof), O.; (steen), M., saffieren.

Saffieren (bnw.).

Saffloer en Saffloers, O.

Saffraan, V.

Saffraangeel, -gele.

Sage, V., sagen.

Sago, V.

Sagomelk, V.

Sagopalm, M., -palmen.

Sagosoep, V.

Sajet, V. en O., sajetten.

Sajetfabriek, V., -fabrieken.

Sajetten (bnw.).

Sakerdaanhout, O.

Sakkerloot (tusschenw.).

Saks, M., Saksen.

Saksen, O.

Saksisch.

Salade en Sla, V., saladen. Slaatje, O., -jes.

Salamander, M., salamanders. Salamandertje, O., -jes.

Salarieeren, salarieerde, heeft gesalarieerd.

Salaris, O., salarissen.

Saldo, O., saldo's.

Salep, V.

Salepdrank, M., -dranken.

Salet, O., saletten. Saletje, O., -jes.

Saletjonker, M., -jonkers.

Salicylwatten, V.

Salie, V.

Saliemelk, V.

Salmoniak, V.

Salon, O., salons. Salonnetje, O., -jes.

Salonameublement, O., -ameublementen.

Salonboot, V., -booten.

Salonmuziek, V.

Salonspiegel, M., -spiegels.

Salonwagen, M., -wagens.

Salpeter, O.

Salpeterachtig.

Salpeterig.

Salpeterkokerij, V., -kokerijen.

Salpeterzuur, O.

Salpeterzuur, -zure.

Salueeren, salueerde, heeft gesalueerd.

Saluut, O., saluten.

Saluutschot, O., -schoten.

Salvo, O., salvo's.

Salvovuur, O.

Samaar, V., samaren. Samaartje, O., -jes.

Samen en Te zamen. Als eerste lid van samenstellingen ook Saam.

Samenbinden, bond samen, heeft samengebonden.

Samenbrengen, bracht samen, heeft samengebracht.

Samenbuigen, boog samen, bogen samen, heeft samengebogen.

Samendoen, deed samen, deden samen, heeft samengedaan.

Samendragen, droeg samen, heeft samengedragen.

Samendrijven, dreef samen, dreven samen, heeft samengedreven.

Samendringen, drong samen, heeft samengedrongen.

Samendrukbaar.

Samendrukbaarheid, V.

Samendrukken, drukte samen, heeft samengedrukt.

Samendrukking, V.

Samenflansen, flanste samen, heeft samengeflanst.

Samenflansing, V.

Samengaan, gaat samen, ging samen, heeft en is samengegaan.

Samengesteld.

Samengesteldbloemig.

Samengezworenen (mv.), M.

Samengieten, goot samen, goten samen, heeft samengegoten.

Samengroeien, groeide samen, is samengegroeid.

Samenhang, M.

Samenhangen, hing samen, heeft samengehangen.

Samenhangend.

Samenhechten, hechtte samen, heeft samengehecht.

Samenhechting, V.

Samenknijpen, kneep samen, knepen samen, heeft samengeknepen.

Samenknoopen, knoopte samen, heeft samengeknoopt.

Samenknooping, V.

Samenkomen, komt samen, kwam samen, kwamen samen, is samengekomen.

Samenkomst, V., -komsten.

Samenkoppelen, koppelde samen, heeft samengekoppeld.

Samenkoppeling, V.

Samenleggen, legde samen en leide samen, heeft samengelegd en

samengeleid.

Samenleving, V.

Samenloop, M.

Samenloopen, liep samen, is samengeloopen.

Samenmengen, mengde samen, heeft samengemengd.

Samennaaien, naaide samen, heeft samengenaaid.

Samenpakken, pakte samen, heeft en is samengepakt.

Samenpersen, perste samen, heeft samengeperst.

Samenpersing, V.

Samenplakken, plakte samen, heeft samengeplakt.

Samenplakking, V.

Samenraapsel, O., -raapsels.

Samenrapen, raapte samen, heeft samengeraapt.

Samenraping, V.

Samenrijgen, reeg samen, regen samen, heeft samengeregen.

Samenroepen, riep samen, heeft samengeroepen.

Samenroeping, V.

Samenrotten, rotte samen, heeft en is samengerot.

Samenrotting, V., -rottingen.

Samenscharrelen, scharrelde samen, heeft samengescharreld.

Samenschikken, schikte samen, heeft samengeschikt.

Samenschikking, V.

Samenscholen, schoolde samen, heeft en is samengeschoold.

Samenscholing, V., -scholingen.

Samenschroeven, schroefde samen, heeft samengeschroefd.

Samensmelten, smolt samen, heeft en is samengesmolten.

Samensmelting, V., -smeltingen.

Samensnoeren, snoerde samen, heeft samengesnoerd.

Samenspannen, spande samen, heeft en is samengespannen.

Samenspanning, V., -spanningen.

Samenspelden, speldde samen, heeft samengespeld.

Samenspraak, V., -spraken.

Samenspreken, sprak samen, spraken samen, heeft samengesproken.

Samenspreking, V., -sprekingen.

Samenstel, O.

Samenstellen, stelde samen, heeft samengesteld.

Samensteller, M., -stellers.

Samenstelling, V., -stellingen.

Samenstemmen, stemde samen, heeft samengestemd.

Samenstemming, V.

Samentreffen, trof samen, troffen samen, heeft samengetroffen.

Samentrekken, trok samen, trokken samen, heeft en is samengetrokken.

Samentrekkend.

Samentrekking, V., -trekkingen.

Samentrekkingsteeken, O., -teekens.

Samenvatten, vatte samen, heeft samengevat.

Samenvatting, V.

Samenvlechten, vlocht samen, heeft samengevlochten.

Samenvlechting, V.

Samenvloeien, vloeide samen, is samengevloeid.

Samenvloeiing, V., -vloeiingen.

Samenvoegen, voegde samen, heeft samengevoegd.

Samenvoeging, V., -voegingen.

Samenvouwen, vouwde samen, heeft samengevouwen.

Samenvouwing, V., -vouwingen.

Samenweefsel, O., -weefsels.

Samenwerken, werkte samen, heeft samengewerkt.

Samenwerking, V.

Samenweven, weefde samen, heeft samengeweven.

Samenweving, V.

Samenwinden, wond samen, heeft samengewonden.

Samenwonen, woonde samen, heeft samengewoond.

Samenwoning, V.

Samenwringen, wrong samen, heeft samengewrongen.

Samenzweerder, M., -zweerders.

Samenzweren, zwoer samen, heeft samengezworen.

Samenzwering, V., -zweringen.

Sammelaar, M., sammelaars.

Sammelen, sammelde, heeft gesammeld.

Sanatorium, O., sanatoria.

Sanctie, V., sanctiën.

Sanctionneeren, sanctionneerde, heeft gesanctionneerd.

Sandaal, V., sandalen.

Sandelboom, M., -boomen.

Sandelhout, O.

Sandelhouten (bnw.).

Sandrak, O.

Sanguinisch.

Sanhedrin, O.

Sanitair.

Sanskrit, O.

Sanskritist, M., sanskritisten.

Sant, M., santen. Santje, O., -jes.

Santenkraam, V.

Santin, V., santinnen.

Santonine, V.

Santorie, V.

Sap, O., sappen.

Sapanhout, O.

Sapgroen, O.

Sappe (loopgraaf), V., sappen.

Sappeeren, sappeerde, heeft gesappeerd.

Sappeloos en Saploos, -looze.

Sapperloot.

Sappeur, M., sappeurs.

Sappeursbaard, M., -baarden.

Sappig, sappiger, sappigst.

Sappigheid, V.

Saprijk, -rijker, -rijkst.

Saprijkheid, V.

Sapverf, V., -verven.

Sarabande, V., sarabandes.

Saraceen, M., Saracenen.

Saraceensch.

Sarcasme, O., sarcasmen.

Sarcastisch, sarcastischer, meest sarcastisch.

Sarcophaag, V., sarcophagen.

Sardijn en Sardine, V., sardijnen en sardines. Sardijntje en sardientje

O., -jes.

Sardijnenvangst, V.

Sardinenblikje, O., -jes.

Sardonyx (stof), O.; (steen), M., sardonyxen.

Sarge. Zie Serge.

Sarong, V., sarongs.

Sarren, sarde, heeft gesard.

Sarrig, sarriger, sarrigst.

Sas (soort van buskruit), V., sassen.

Sas (sluiskolk), O., sassen.

Sassefras, O.

Sasser, M., sassers.

Satan, M., satans.

Satansch.

Satanskind, O., -kinderen.

Satanswerk, O.

Satelliet, M., satellieten.

Sater, M., saters. Satertje, O., -jes.

Satersgezicht, O., -gezichten.

Satijn, O., satijnen.

Satijnachtig, -achtiger, -achtigst.

Satijnen (bnw.).

Satijnweverij, V., -weverijen.

Satineeren, satineerde, heeft gesatineerd.

Satinet, O.

Satire, V., satiren.

Satirendichter, M., -dichters.

Satiriek, satirieker, satiriekst.

Satisfactie, V.

Satraap, M., Satrapen.

Saucijs, V., saucijzen. Saucijsje, O., -jes.

Saucijzebroodje, O., -jes.

Saus, V., sausen. Sausje, O., -jes.

Sausen, sauste, heeft gesaust.

Sauskom, V., -kommen.

Sauslepel, M., -lepels.

Savonet, V., savonetten.

Savoyekool, V., -koolen.

Scalp, M., scalpen.

Scalpeeren, scalpeerde, heeft gescalpeerd.

Scandeeren, scandeerde, heeft gescandeerd.

Scansie, V.

Scaphander, M., scaphanders.

Scapulier, O., scapulieren.

Scepticisme, O.

Scepticus, M., sceptici.

Sceptisch.

Schaaf, V., schaven. Schaafje, O., -jes.

Schaafbank, V., -banken.

Schaafbeitel, M., -beitels.

Schaafmes, O., -messen.

Schaafsel, O.

Schaafstroo, O.

Schaak.

Schaakbord, O., -borden.

Schaakgezelschap, O., -gezelschappen.

Schaakmat.

Schaakpartij, V., -partijen.

Schaakprobleem, O., -problemen.

Schaakspel, O., -spellen.

Schaakspelen, O.

Schaakspeler, M., -spelers.

Schaakwedstrijd, M., -wedstrijden.

Schaal, V., schalen. Schaaltje, O., -jes.

Schaalcollecte, V., -collecten.

Schaaldier, O., -dieren.

Schaalknecht, M., -knechts.

Schaamachtig, -achtiger, -achtigst.

Schaamachtigheid, V.

Schaambeen, O., -beenderen.

Schaamdeel, O., -deelen.

Schaamlid, O., -leden.

Schaamrood, -roode.

Schaamte, V.

Schaamtegevoel, O.

Schaamteloos, -loozer.

Schaamteloosheid, v.

Schaap, O., schapen. Schaapje, O., -jes.

Schaapachtig, -achtiger, -achtigst.

Schaapherder, M., -herders.

Schaapskleederen (mv.), O.

Schaapskooi, V., -kooien.

Schaapsleder en -leer, O. Verg. Schapeleder.

Schaapslederen en -leeren (bnw.).

Schaapsvacht, V., -vachten.

Schaar (menigte), V., scharen.

Schaar (werktuig), V., scharen. Schaartje, O., -jes.

Schaarbosch, O., -bosschen.

Schaard, V., schaarden. Schaardje, O., -jes.

Schaardig, schaardiger, schaardigst.

Schaars (bijw.).

Schaarsch (bnw.), schaarscher, meest schaarsch.

Schaarschheid, V.

Schaarschte, V.

Schaarslijp en -sliep, M., -slijpen en -sliepen.

Schaarstok, M., -stokken.

Schaarstrook, V., -strooken.

Schaats, V., schaatsen. Schaatsje, O., -jes.

Schaatsenband (stof), O.

Schaatsenriem, M., -riemen.

Schaatsenrijden, O.

Schaatsenrijder, M., -rijders.

Schaatsenrijdster, V., -rijdsters.

Schaatshout, O., -houten.

Schaatsijzer, O., -ijzers.

Schaâuw. Zie Schaduw.

Schabberig, schabberiger, schabberigst.

Schabel, V., schabellen. Schabelletje, O., -jes.

Schabouwelijk, schabouwelijker, schabouwelijkst.

Schabouwerig, schabouweriger, schabouwerigst.

Schabrak, V. en O., schabrakken. Schabrakje, O., -jes.

Schacheraar, M., schacheraars.

Schacheren, schacherde, heeft geschacherd.

Schacherij, V., schacherijen.

Schacht en Schaft, V., schachten en schaften. Schachtje en schaftje,

O., -jes.

Schachtenleder en -leer, O.

Schade, V.

Schadelijk, -lijker, -lijkst.

Schadelijkheid, V.

Schadeloos (zonder schade).

Schadeloos (beschadigd). Zie Schaloos.

Schadelooshouding, V.

Schadeloosstellen, stelde schadeloos, heeft schadeloosgesteld.

Schadeloosstelling, V.

Schaden, schaadde, heeft geschaad.

Schadevergoeding en Schavergoeding, V., -vergoedingen.

Schadeverhaling en Schaverhaling, V., -verhalingen.

Schaduw (ook Schaâuw), V., schaduwen. Schaduwtje, O., -jes.

Schaduwachtig, -achtiger, -achtigst.

Schaduwbeeld, O., -beelden.

Schaduwen, schaduwde, heeft geschaduwd.

Schaduwloos, -looze.

Schaduwrijk, -rijker, -rijkst.

Schaduwzijde, V., -zijden.

Schaffen, schafte, heeft geschaft.

Schaffer, M., schaffers.

Schaft. Zie Schacht.

Schaften, schafte, heeft geschaft.

Schaftgat, O., -gaten.

Schaftklok, V., -klokken.

Schaftlijst, V., -lijsten.

Schaftmeester, M., -meesters.

Schafttijd, M.

Schaftuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.

Schakeeren, schakeerde, heeft geschakeerd.

Schakeering, V., schakeeringen.

Schakel, V., schakels. Schakeltje, O., -jes.

Schakelbord, O., -borden.

Schakelen, schakelde, heeft geschakeld.

Schakeling, V., schakelingen.

Schakellijm, V.

Schakelnet, O., -netten.

Schaken (ontvoeren), schaakte, heeft geschaakt.

Schaken (spelen), schaakte, heeft geschaakt.

Schaker, M., schakers.

Schaking, V., schakingen.

Schal, M.

Schalen, schaalde, heeft geschaald.

Schalie, schaliën en schalies.

Schaliedak en Schaliëndak, O., -daken.

Schalk, M., schalken. Schalkje, O., -jes.

Schalk, schalker, schalkst.

Schalkachtig, -achtiger, -achtigst.

Schalkachtigheid, V., -heden.

Schalkheid, V., -heden.

Schalks (bijw.), schalkser, schalkst.

Schalksch (bnw.), schalkscher, meest schalksch.

Schalkschheid, V., -heden.

Schallebijter. Zie Scharrebijter.

Schallen, schalde, heeft geschald.

Schalm, M., schalmen. Schalmpje, O., -jes.

Schalmei, V., schalmeien. Schalmeitje, O., -jes.

Schalmen, schalmde, heeft geschalmd.

Schalmgeld, O.

Schalmhout, O.

Schaloos en Schadeloos, -looze.

Schamel, schameler, schamelst.

Schamelheid, V.

Schamen (zich -), schaamde zich, heeft zich geschaamd.

Schamp, M.

Schampdek, O., -dekken.

Schampen, schampte, is geschampt.

Schamper, schamperder, schamperst.

Schamperheid, V., -heden.

Schamppaal, M., -palen.

Schampscheut (schamper gezegde), M., -scheuten.

Schampschot (schot), O., -schoten.

Schandaal, O., schandalen. Schandaaltje, O., -jes.

Schandaleus, schandaleuzer, meest schandaleus.

Schandalig, schandaliger, schandaligst.

Schandaliseeren, schandaliseerde, heeft geschandaliseerd.

Schandbord, O., -borden.

Schanddaad, V., -daden.

Schande, V.

Schandedekker, M., -dekkers; -dekkertje, O., -jes.

Schandek, O., -dekken.

Schandekoop.

Schandelijk, -lijker, -lijkst.

Schandelijkheid, V., -heden.

Schandgewaad, O., -gewaden.

Schandjongen, M., -jongens.

Schandkleed, O., -kleederen.

Schandmerk, O., -merken.

Schandmerken, schandmerkte, heeft geschandmerkt.

Schandpaal, M., -palen.

Schandteeken, O., -teekens en -teekenen.

Schandvlek, V., -vlekken.

Schandvlekken, schandvlekte, heeft geschandvlekt.

Schans, V., schansen. Schansje, O., -jes.

Schansen, schanste, heeft geschanst.

Schansgraver, M., -gravers.

Schanskorf, M., -korven.

Schanslooper, M., -loopers.

Schap, V., schappen.

Schapebout, M., -bouten; -boutje, O., -jes.

Schapekop, M., -koppen.

Schapeleder en -leer, en Schapenleder en -leer, O. Verg. Schaapsleder.

Schapenboter, V.

Schapendief, M., -dieven.

Schapenfokker, M., -fokkers.

Schapenhok, O., -hokken.

Schapenhuid, V., -huiden.

Schapenkaas, V., -kazen; -kaasje, O., -jes.

Schapenlever, V.

Schapenluis, V., -luizen.

Schapenmarkt, V.

Schapenmelk, V.

Schapenstal, M., -stallen.

Schapenwol, V.

Schapenwolkje, O., -jes.

Schapepoot, M., -pooten.

Schapevacht, V., -vachten.

Schapevel, O., -vellen.

Schapevleesch en Schapenvleesch, O.

Schappelijk, -lijker, -lijkst.

Schappelijkheid, V.

Schaprade en Schapraai, V., -raden en -raaien.

Schar, V., scharren. Scharretje, O., -jes.

Scharbier. Zie Scharrebier.

Scharen, schaarde, heeft geschaard.

Scharenslijper, M., -slijpers.

Scharing, V.

Scharlaken, O.

Scharlaken (bnw.).

Scharlakenkoorts, V.

Scharlakenrood, -roode.

Scharlakensch.

Scharlei en Scherlei, V.

Scharluin en Scherluin, M., scharluinen en scherluinen.

Scharminkel en Scherminkel, M., scharminkels en scherminkels.

Scharnier, O., scharnieren. Scharniertje, O., -jes.

Scharrebier en Scharbier, O.

Scharrebijter en Schallebijter, M., -bijters.

Scharrelaar, M., scharrelaars.

Scharrelbeenen, scharrelbeende, heeft gescharrelbeend.

Scharrelen, scharrelde, heeft en is gescharreld.

Schat, M., schatten. Schatje, O., -jes.

Schatbaar, -baarder, -baarst.

Schatbewaarder, M., -bewaarders.

Schateren, schaterde, heeft geschaterd.

Schaterlach, M.

Schaterlachen, schaterlachte, heeft geschaterlacht.

Schatgraver, M., -gravers.

Schatkamer, V., -kamers.

Schatkist, V., -kisten.

Schatkistbiljet, O., -biljetten.

Schatkistbon, M., -bons.

Schatmeester, M., -meesters.

Schatplichtig.

Schatrijk.

Schatten, schatte, heeft geschat.

Schatter, M., schatters.

Schatting, V., schattingen.

Schaveelen en Schavielen, schaveelde (schavielde), heeft en is

geschaveeld (geschavield).

Schaveling, M., schavelingen.

Schaven, schaafde, heeft geschaafd.

Schavergoeding. Zie Schadevergoeding.

Schaverhaling. Zie Schadeverhaling.

Schavielen. Zie Schaveelen.

Schaving, V.

Schavot, O., schavotten. Schavotje, O., -jes.

Schavotkleur, V.

Schavotteeren, schavotteerde, heeft geschavotteerd.

Schavotteering, V., schavotteeringen.

Schavuit, M., schavuiten. Schavuitje, O., -jes.

Schavuitenstreek, M., -streken.

Schavuitenstuk, O., -stukken.

Schedel, M., schedels.

Schedelboor, V., -boren.

Schedelbreuk, V., -breuken.

Schedelhuid, V.

Schedelleer, V.

Schedelmeting, V., -metingen.

Scheede, Schee, V., scheeden, scheeën. Scheetje, O., -jes.

Scheef, scheever, scheefst.

Scheefbeen, M. en V., -beenen.

Scheefheid, V.

Scheefhoek, M.-hoeken.

Scheefhoekig.

Scheefnek, M. en V., -nekken.

Scheefneus, M. en V., -neuzen.

Scheefte, V.

Scheel (deksel), O., scheelen. Scheeltje, O., -jes.

Scheel, scheler, scheelst.

Scheelaard, M., scheelaards.

Scheelachtig.

Scheelen (scheiden, schoonmaken), scheelde, heeft gescheeld.

Scheelheid, V.

Scheeloog, M, en V., -oogen.

Scheelzien, O.

Scheen, V., schenen. Scheentje, O., -jes.

Scheenbeen, O., -beenderen.

Scheep (Te -).

Scheepje. Zie Schip.

Scheeprijk, -rijker, -rijkst.

Scheepsbehoeften (mv.), V.

Scheepsbericht, O., -berichten.

Scheepsbeschuit, V., -beschuiten.

Scheepsbestier, O.

Scheepsbewijs, O., -bewijzen.

Scheepsboord, O.

Scheepsbouw, M.

Scheepsbouwer, M.

Scheepsbouwmeester, M., -meesters.

Scheepsch (Geen - verstaan).

Scheepsdek, O., -dekken.

Scheepsdokter, M., -dokters.

Scheepsgebruik, O., -gebruiken.

Scheepsgelegenheid, V., -gelegenheden.

Scheepsgevecht, O., -gevechten.

Scheepsgezel, M., -gezellen.

Scheepsjongen, M., -jongens.

Scheepsjournaal, O., -journalen.

Scheepskameel, O., -kameelen.

Scheepskapitein, M., -kapiteins.

Scheepskist, V., -kisten.

Scheepsklerk, M., -klerken.

Scheepskok, M., -koks.

Scheepskost, M.

Scheepskroon, V., -kronen.

Scheepslading, V., -ladingen.

Scheepslantaren, V., -lantarens.

Scheepslengte, V., -lengten.

Scheepsmaat, M., -maats.

Scheepsmakelaar, M., -makelaars.

Scheepsofficier, M., -officieren.

Scheepspapieren (mv.), O.

Scheepsprovisie, V.

Scheepsraad, M., -raden.

Scheepsrecht, O.

Scheepsruimte, V.

Scheepsstrijd, M., -strijden.

Scheepstagrijn, M., -tagrijnen en -tagrijns.

Scheepsterm, M., -termen.

Scheepstijding, V., -tijdingen.

Scheepstimmerman, M., -lieden en -lui.

Scheepstimmerwerf, V., -werven.

Scheepstocht, M., -tochten.

Scheepstoebehooren, O.

Scheepstoerusting, V., -toerustingen.

Scheepstuig, O.

Scheepsvolk, O.

Scheepsvoogd, M., -voogden.

Scheepsvracht, V., -vrachten.

Scheepswerk, O.

Scheepswoord, O., -woorden.

Scheepvaart, V.

Scheepvaartbelangen (mv.), O.

Scheepvaartrecht, O., -rechten.

Scheer (zandbank), V., scheren.

Scheerbekken, O., -bekkens.

Scheerbout, M., -bouten.

Scheerder, M., scheerders.

Scheerderswinkel, M., -winkels.

Scheerdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.

Scheerdoos, V., -doozen.

Scheerdraad, M., -draden.

Scheergang, V., -gangen.

Scheergeld, O.

Scheergereedschap, O.

Scheerhaak, M., -haken.

Scheerklant, M., -klanten.

Scheerkwast, M., -kwasten; -kwastje, O., -jes.

Scheerlijn, V., -lijnen.

Scheerling, V.

Scheerloon, O., -loonen.

Scheermes, O., -messen.

Scheerriem, M., -riemen.

Scheersel, O.

Scheerspiegeltje, O., -jes.

Scheerstok, M., -stokken.

Scheertijd, M.

Scheerwater, O.

Scheerwinkel, M., -winkels.

Scheerzeep, V.

Scheet, M., scheten.

Scheg en Schegge, V., scheggen.

Scheggelood, O.

Schei, V., scheien.

Scheiboter, V.

Scheidbaar, -bare.

Scheidbaarheid, V.

Scheidboom, M., -boomen.

Scheidboor, V., -boren.

Scheidbrief, M., -brieven.

Scheiden, scheidde, heeft en is gescheiden.

Scheiding, V., scheidingen. Scheidinkje, O., -jes.

Scheidpaal, M., -palen.

Scheidsman, M., -lieden.

Scheidsmuur, M., -muren.

Scheidsrechter, M., -rechters.

Scheidsvrouw, V., -vrouwen.

Scheikunde, V.

Scheikundig.

Scheikundige, M., -kundigen.

Scheikunst, V.

Scheilijn, V., -lijnen.

Scheimuur, M., -muren.

Scheinagel, M., -nagels.

Scheisel, O., scheisels.

Scheisloot, V., -slooten.

Scheiteeken, O., -teekens.

Scheivocht, O.

Schel (bel), V., schellen. Schelletje, O., -jes.

Schel (schil). Zie Schil.

Schel, scheller, schelst.

Schelden, schold, heeft gescholden.

Scheldnaam, M., -namen.

Scheldwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.

Schelen (verschillen), scheelde, heeft gescheeld.

Schelf, V., schelven.

Schelheid, V.

Schelklinkend, -klinkender, -klinkendst.

Schelknop, M., -knoppen.

Schelkoord, O., -koorden.

Schelkruid, O.

Schellak, O.

Schellen, schelde, heeft gescheld.

Schelling, M., schellingen. Schellinkje, O., -jes.

Schellinkje (in de komedie), O.

Schelm, M., schelmen. Schelmpje, O., -jes.

Schelmachtig, -achtiger, -achtigst.

Schelmerij, V., schelmerijen.

Schelmsch, schelmscher, meest schelmsch.

Schelmstuk, O., -stukken.

Schelp en Schulp, V., schelpen en schulpen. Schelpje en schulpje,

O., -jes.

Schelpaarde, V.

Schelpdier, O., -dieren.

Schelpenpad, O., -paden.

Schelpkalk, V.

Schelpnet, O., -netten.

Schelpweg, M., -wegen.

Schelpzand, O.

Scheluw.

Scheluwte, V.

Schelvisch (een visch), M., -visschen. Als stofnaam, V.

Schelvischlever, V., -levers.

Schelvischoog, O., -oogen.

Schelvischvangst, V.

Schelwortel, V.

Schema, O., schema's.

Schemer, M.

Schemerachtig, -achtiger, -achtigst.

Schemeravond, M., -avonden.

Schemeren, schemerde, heeft geschemerd.

Schemerig, schemeriger, schemerigst.

Schemering, V., schemeringen.

Schemerlampje, O., -jes.

Schemerlicht, O.

Schemertijd, M.

Schemeruur, O.; -uurtje, O., -jes.

Schendbrok, M. en V., -brokken.

Schenden, schond, heeft geschonden.

Schender, M., schenders.

Schenderij, V., schenderijen.

Schendig, schendiger, schendigst.

Schending, V., schendingen.

Schenk, M., schenken. Schenkje, O., -jes.

Schenkage, V., schenkages.

Schenkblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.

Schenkbord, O., -borden; -bordje, O., -jes.

Schenkel en Schinkel, M., schenkels en schinkels. Schenkeltje en

schinkeltje, O., -jes.

Schenkelvleesch, O.

Schenken, schonk, heeft geschonken.

Schenker, M., schenkers.

Schenking, V., schenkingen.

Schenkingsakte, V., -akten.

Schenkkan, V., -kannen; -kannetje, O., -jes.

Schenkketel, M., -ketels; -keteltje, O., -jes.

Schenkster, V., schenksters.

Schennis, V.

Schep, M., scheppen. Schepje, O., -jes.

Schepbord, O., -borden.

Schepel, O., schepels. Schepeltje, O., -jes.

Schepeling, M. en V., schepelingen. V. ook schepelinge.

Schepelsmand, V., -manden.

Schepelszak, M., -zakken.

Schepen, M., schepenen.

Schepen, scheepte, heeft gescheept.

Schepenbank, V., -banken.

Schepenbrief, M., -brieven.

Schependom, O.

Schepenkennis, V., -kennissen.

Schepenschap, O.

Schepgat, O., -gaten.

Scheplepel, M., -lepels.

Schepnet, O., -netten; -netje, O., -jes.

Scheppen (voortbrengen), schiep, heeft geschapen.

Scheppen (putten), schepte, heeft geschept.

Schepper, M., scheppers.

Schepping, V., scheppingen.

Scheppingsboek, O.

Scheppingsgeschiedenis, V.

Scheppingskracht, V.

Scheppingsverhaal, O., -verhalen.

Scheppingsvermogen, O.

Scheppingswerk, O.

Scheprad, O., -raden en -raderen.

Schepsel, O., schepselen en schepsels. Schepseltje, O., -jes.

Schepter, M., schepters.

Schepvat, O., -vaten.

Scheren, schoor, schoren, heeft geschoren.

Scherf, V., scherven. Scherfje, O., -jes.

Schering, V., scheringen.

Scherlei. Zie Scharlei.

Scherluin. Zie Scharluin.

Scherm, O., schermen. Schermpje, O., -jes.

Schermbloemig.

Schermdegen, M., -degens; -degentje, O., -jes.

Schermen, schermde, heeft geschermd.

Schermer (persoon), M., schermers.

Schermer (naam van een polder), V.

Schermhandschoen, M., -handschoenen.

Scherminkel. Zie Scharminkel.

Schermkunst, V.

Schermles, V., -lessen.

Schermmasker, O., -maskers.

Schermmeester, M., -meesters.

Schermutselen, schermutselde, heeft geschermutseld.

Schermutseling, V., schermutselingen.

Schermzaal, V., -zalen.

Scherp, scherper, scherpst.

Scherp, O.

Scherpen, scherpte, heeft en is gescherpt.

Scherpheid, V., -heden.

Scherphoekig.

Scherping, V., scherpingen.

Scherpkort.

Scherplang.

Scherprechter, M., -rechters.

Scherpschutter, M., -schutters.

Scherpschuttersvereeniging, V., -vereenigingen.

Scherpsnijdend.

Scherpte, V., scherpten.

Scherpziend.

Scherpzinnig, -zinniger, -zinnigst.

Scherpzinnigheid, V., -heden.

Scherpzinniglijk.

Scherts, V.

Schertsen, schertste, heeft geschertst.

Schertsenderwijze en -wijs.

Scherven, scherfde, is gescherfd.

Schets, V., schetsen. Schetsje, O., -jes.

Schetsboek, O., -boeken.

Schetsen, schetste, heeft geschetst.

Schetser, M., schetsers.

Schetsteekening, V., -teekeningen.

Schetteraar, M., schetteraars.

Schetterbuik, M., -buiken.

Schetteren, schetterde, heeft geschetterd.

Schettering, V., schetteringen.

Scheur, V., scheuren. Scheurtje, O., -jes.

Scheurbroek (broekscheurder), M., scheurbroeken.

Scheurbuik, V. Verg. Scorbut.

Scheurder, M., scheurders.

Scheurdoek, M., -doeken.

Scheuren, scheurde, heeft en is gescheurd.

Scheuring, V., scheuringen.

Scheurkalender, M., -kalenders.

Scheurlaken, O.

Scheurlinnen, O.

Scheurmaker, M., -makers.

Scheurmakerij, V., -makerijen.

Scheurpapier, O.

Scheursel, O., scheursels.

Scheurziek, -zieker, -ziekst.

Scheut, M., scheuten. Scheutje, O., -jes.

Scheutig, scheutiger, scheutigst.

Scheutigheid, V.

Schicht, M., schichten. Schichtje, O., -jes.

Schichtig, schichtiger, schichtigst.

Schichtigheid, V., -heden.

Schie. Zie Scheede.

Schielijk, -lijker, -lijkst.

Schielijkheid, V.

Schieman, M., -lieden en -lui.

Schiemannen, schiemande, heeft geschiemand.

Schiemansgaren, O.

Schiemansgast, M., -gasten.

Schiemansmaat, M., -maats.

Schier.

Schiereiland, O., -eilanden; -eilandje, O., -jes.

Schieringer, M., Schieringers.

Schietbaan, V., -banen.

Schietbout, M., -bouten.

Schieten, schoot, schoten, heeft en is geschoten.

Schieter, M., schieters.

Schietgat, O., -gaten.

Schietgebedje, O., -jes.

Schietgeweer, O.

Schietkatoen, O.

Schietlood, O., -looden.

Schietoefening, V., -oefeningen.

Schietschijf, V., -schijven.

Schietschool, V., -scholen.

Schietschouw, V., -schouwen.

Schietschuit, V., -schuiten.

Schietsleuf, V., -sleuven.

Schietspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes.

Schietspoel, V., -spoelen.

Schiettuig, O.

Schietwedstrijd, M., -wedstrijden.

Schiften (scheiden), schiftte, heeft geschift.

Schiften (van vochten), schiftte, is geschift.

Schifter, M., schifters.

Schifting, V., schiftingen.

Schijf, V., schijven. Schijfje, O., -jes.

Schijfschieten, O.

Schijn, M. Schijntje, O., -jes.

Schijnaanval, M., -aanvallen.

Schijnbaar, -bare.

Schijnbeeld, O., -beelden.

Schijnbeweging, V., -bewegingen.

Schijnchristen, M., -christenen.

Schijndeugd, V., -deugden.

Schijndood, M.

Schijndood, -doode.

Schijndoode, M. en V., -dooden.

Schijnen, scheen, schenen, heeft geschenen.

Schijngehakt, O.

Schijngeleerde, M., -geleerden.

Schijngeloof, O.

Schijngeluk, O.

Schijnglans, M., -glansen.

Schijngrond, M., -gronden.

Schijnheilig, -heiliger, -heiligst.

Schijnheilige, M. en V., -heiligen.

Schijnheiligheid, V.

Schijnreden, V., -redenen.

Schijnschoon, -schoone.

Schijnsel, O., schijnsels. Schijnseltje, O., -jes.

Schijnvermaak, O., -vermaken.

Schijnvriend, M., -vrienden.

Schijnvroom, -vrome.

Schijnzoet, O.

Schijten, scheet, scheten, heeft gescheten.

Schijtlaars, M., -laarzen.

Schijtvalk, M., -valken.

Schijtwortel, V.

Schijvenschuurder, M., -schuurders.

Schik, M.

Schikgodin, V., -godinnen.

Schikkelijk, -lijker, -lijkst.

Schikkelijkheid, V.

Schikken, schikte, heeft en is geschikt.

Schikker, M., schikkers.

Schikking, V., schikkingen.

Schil en Schel, V., schillen en schellen. Schilletje en schelletje,

O., -jes.

Schild, O., schilden. Schildje, O., -jes.

Schilder, M., schilders. Schildertje, O., -jes.

Schilderachtig, -achtiger, -achtigst.

Schilderachtigheid, V.

Schilderen (malen), schilderde, heeft geschilderd.

Schilderen (op schildwacht staan), schilderde, heeft geschilderd.

Schilderes, V., schilderessen.

Schilderhuisje, O., -jes.

Schilderij, V. en O., schilderijen. Schilderijtje, O., -jes.

Schilderijententoonstelling, V., -tentoonstellingen.

Schilderijkoord, O.

Schilderijlijst, V., -lijsten.

Schildering, V., schilderingen.

Schilderkamer, V., -kamers.

Schilderkunst, V.

Schildersbent, V.

Schilderschool, V., -scholen.

Schildersezel, M., -ezels.

Schildersgordijn, O., -gordijnen.

Schilderskwast, M., -kwasten.

Schildersleven, O.

Schilderstok en Schildersstok, M., -stokken.

Schilderstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.

Schildersvak, O.

Schilderswinkel, M., -winkels.

Schilderswerk, O.

Schilderswerkplaats, V., -werkplaatsen.

Schildhouder, M., -houders.

Schildknaap, M., -knapen.

Schildluis, V., -luizen.

Schildpad (dier en scheepsw.), V., -padden; (stof), O. Schildpadje,

O., -jes.

Schildpadden (bnw.).

Schildpadsoep, V.

Schildvleugelig.

Schildwacht (een wachter), M., -wachten.

Schildwacht (het wachthouden), V.

Schildwachthuisje, O., -huisjes.

Schilfer, V., schilfers. Schilfertje, O., -jes.

Schilferachtig, -achtiger, -achtigst.

Schilferen, schilferde, is geschilferd.

Schilferig, schilferiger, schilferigst.

Schilfering, V., schilferingen.

Schillen, schilde, heeft geschild.

Schillenmand, V., -manden.

Schilmesje, O., -jes.

Schim, V., schimmen. Schimmetje, O., -jes.

Schimmel (paard), M., schimmels. Schimmeltje, O., -jes.

Schimmel (uitslag), V.

Schimmelbles, M., -blessen.

Schimmelen, schimmelde, heeft en is geschimmeld.

Schimmelig, schimmeliger, schimmeligst.

Schimmeling, V.

Schimmelkleurig.

Schimmelplant, V., -planten.

Schimmelspel, O.

Schimmenrijk, O.

Schimp, M.

Schimpbrief, M., -brieven.

Schimpdicht, O., -dichten.

Schimpdichter, M., -dichters.

Schimpen, schimpte, heeft geschimpt.

Schimper, M., schimpers.

Schimperij, V., schimperijen.

Schimpig, schimpiger, schimpigst.

Schimping, V., schimpingen.

Schimpkreet, M., -kreten.

Schimplied, O., -liederen.

Schimpnaam, M., -namen.

Schimprede, V., -redenen.

Schimpscheut, M., -scheuten; -scheutje, O., -jes.

Schimpschrift, O., -schriften.

Schimptaal, V.

Schimpvogel, M., -vogels.

Schimpwoord, O., -woorden.

Schink, M., schinken. Schinkje, O., -jes.

Schinkel (lichaamsdeel). Zie Schenkel.

Schinkel en Schenkel (scheepsw.), M., schinkels en schenkels.

Schinkelhaak, M., -haken.

Schip, O., schepen. Scheepje, O., -jes.

Schipbreuk, V., -breuken.

Schipbreukeling, M. en V., -breukelingen. V. ook -breukelinge.

Schipbrug, V., -bruggen.

Schipper, M., schippers. Schippertje, O., -jes.

Schipperen, schipperde, heeft en is geschipperd.

Schipperij, V., schipperijen.

Schippersboek, O., -boeken.

Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden · 第 41 / 49 题