Geknars, O.
Geknetter, O.
Geknipoog, O.
Geknoei, O.
Geknor, O.
Geknot, geknotte.
Geknutsel, O.
Gekonkel, O.
Gekoppeld.
Gekorven.
Gekoust.
Gekraagd.
Gekraai, O.
Gekraak, O.
Gekrab, O.
Gekrabbel, O.
Gekras, O.
Gekreun, O.
Gekriebel, O.
Gekrieuw, O.
Gekriewel, O.
Gekrijsch, O.
Gekrioel, O.
Gekroesd.
Gekromd.
Gekroond.
Gekruist.
Gekruld.
Gekscheren, gekscheerde, heeft gegekscheerd.
Gekscheren, O.
Gekskap (kap), V., -kappen; -kapje O., -jes.
Gekskap (persoon), M. en V., -kappen; -kapje, O., -jes.
Gekskolf, V., -kolven; -kolfje, O., -jes.
Geksstok (zotskolf), M., -stokken; -stokje, O., -jes.
Geksteken, O.
Gekstok (van eene pomp), M., -stokken.
Gekuch, O.
Gekuip, O.
Gekuischt, gekuischter.
Gekuischtheid, V.
Gekunsteld.
Gekunsteldheid, V.
Gekwaak, O.
Gekwansel, O.
Gekwartileerd.
Gekweel, O.
Gekwel, O.
Gekwetter, O.
Gekwispel, O.
Gelaarsd.
Gelaat, O.
Gelaatkunde, V.
Gelaatkundig.
Gelaatshoek, M., -hoeken.
Gelaatskleur, V.
Gelaatsspier, V., -spieren.
Gelaatstint, V.
Gelaatstrek, M., -trekken.
Gelaatstype, O., -typen.
Gelaatsuitdrukking, V., -uitdrukkingen.
Gelach (het lachen), O.
Gelag (drinkgelag), O., gelagen.
Gelag (lot), O.
Gelagkamer, V., -kamers.
Gelakt.
Gelambrizeerd.
Gelamenteer, O.
Geland.
Gelande, M. en V., gelanden.
Gelang (Naar - van).
Gelasten, gelastte, heeft gelast.
Gelastigde, M. en V., gelastigden.
Gelaten, gelatener, gelatenst.
Gelaten (zich -), geliet zich, heeft zich gelaten.
Gelatenheid, V.
Gelatine, V.
Gelauwerd.
Geld, O., gelden. Geldje, O.
Geld (bnw.), gelde.
Geldboete, V., -boeten.
Geldelijk.
Geldeloos, -looze.
Gelden, gold, heeft gegolden.
Geldend.
Geldgebrek, O.
Geldgierig.
Geldhandel, M.
Geldheffing, V., -heffingen.
Geldig, geldiger, geldigst.
Geldigheid, V.
Geldkist, V., -kisten.
Geldkoers, M., -koersen.
Geldlade, V., -laden; -laatje, O., -jes.
Geldleening, V., -leeningen.
Geldmarkt, V., -markten.
Geldmiddelen (mv.), O.
Geldschieter, M., -schieters.
Geldslaan, O.
Geldsom, V., -sommen.
Geldstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Geldswaarde, V.
Geldswaardig.
Geldtrommel, V., -trommels; -trommeltje, O., -jes.
Geldverlegenheid, V.
Geldverlies, O., -verliezen.
Geldwinning, V.
Geldzaak, V., -zaken.
Geldzak, M., -zakken; -zakje, O., -jes.
Geldzucht, V.
Geldzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Geleden.
Geledigd.
Geleding, V., geledingen.
Geleed, gelede.
Geleend.
Geleerd (kundig), geleerder, geleerdst.
Geleerd (geladderd).
Geleerde, M. en V., geleerden.
Geleerdheid, V., -heden.
Gelegen, gelegener, gelegenst.
Gelegenheid, V., -heden. Gelegenheidje, O., -jes.
Gelegenheidsgedicht, O., -gedichten.
Gelegenheidsgezicht, O., -gezichten.
Gelegenheidspreek, V., -preeken.
Gelegenheidsvers, O., -verzen.
Gelei, V., geleien.
Geleiachtig, -achtiger, -achtigst.
Geleibiljet, O., -biljetten.
Geleibrief, M., -brieven.
Geleide, O.
Geleidelijk, -lijker, -lijkst.
Geleiden, geleidde, heeft geleid.
Geleider, M., geleiders.
Geleiding, V., geleidingen.
Geleidingsvermogen, O.
Geleidraad, M., -draden.
Geleidster en -star, V., -sterren en -starren.
Geleidster, V., geleidsters.
Geleigeest, M., -geesten.
Geleigeld, O., -gelden.
Geleipotje, O., -potjes.
Gelel, O.
Gelen, geelde, heeft en is gegeeld.
Geletterd.
Geletterdheid, V.
Geleuter, O.
Gelfsch.
Gelid, O., gelederen.
Geliefd, geliefder, geliefdst.
Geliefde, M. en V., geliefden.
Geliefhebber, O.
Geliefkoosd.
Gelieven (mv.), M.
Gelieven, geliefde, heeft geliefd.
Gelijk, gelijker, gelijkst.
Gelijk, O.
Gelijkbeenig.
Gelijkbreien, breide gelijk, heeft gelijkgebreid.
Gelijkdraadsch.
Gelijkelijk.
Gelijken, geleek, geleken, heeft geleken.
Gelijkenis, V., gelijkenissen.
Gelijkerwijze en -wijs.
Gelijkheid, V.
Gelijkhoekig.
Gelijkkloppen, klopte gelijk, heeft gelijkgeklopt.
Gelijkknippen, knipte gelijk, heeft gelijkgeknipt.
Gelijkkomen, komt gelijk, kwam gelijk, kwamen gelijk, is gelijk
gekomen.
Gelijkloopen, liep gelijk, heeft gelijkgeloopen.
Gelijkluidend.
Gelijkluidendheid, V.
Gelijkmaken, maakte gelijk, heeft gelijkgemaakt.
Gelijkmatig, -matiger, -matigst.
Gelijkmatigheid, V.
Gelijkmoedig.
Gelijkmoedigheid, V.
Gelijknamig.
Gelijknamigheid, V.
Gelijkschaven, schaafde gelijk, heeft gelijkgeschaafd.
Gelijkslachtig.
Gelijkslachtigheid, V.
Gelijksoortig.
Gelijksoortigheid, V.
Gelijkstaan, staat gelijk, stond gelijk, heeft gelijkgestaan.
Gelijkstandig.
Gelijkstellen, stelde gelijk, heeft gelijkgesteld.
Gelijkstrijken, streek gelijk, streken gelijk, heeft gelijkgestreken.
Gelijkstroom, M.
Gelijkteeken, O., -teekens.
Gelijktijdig.
Gelijktijdigheid, V.
Gelijkvijlen, vijlde gelijk, heeft gelijkgevijld.
Gelijkvloeiend.
Gelijkvloers.
Gelijkvormig.
Gelijkvormigheid, V.
Gelijkvormigheidspunt, O., -punten.
Gelijkzetten, zette gelijk, heeft gelijkgezet.
Gelijkzijdig.
Gelijkzijdigheid, V.
Gelijnd.
Gelik, O.
Gelinieerd.
Gelispel, O.
Gelletje, O., -jes.
Gelling, V.
Geloei, O.
Gelofte, V., geloften.
Geloftenis, V., geloftenissen.
Gelol, O.
Geloof, O.
Geloofbaar, -baarder, -baarst.
Geloofbaarheid, V.
Geloofelijk, -lijker, -lijkst.
Geloofelijkheid, V.
Geloofsartikel, O., -artikelen en -artikels.
Geloofsbelijdenis, V., -belijdenissen.
Geloofsbrief, M., -brieven.
Geloofsdwang, M.
Geloofsgenoot, M., -genooten.
Geloofsgenoote, V., -genooten.
Geloofshaat, M.
Geloofsheld, M., -helden.
Geloofsleer, V.
Geloofsovertuiging, V., -overtuigingen.
Geloofspunt, O., -punten.
Geloofsstuk, O., -stukken.
Geloofsvervolging, V., -vervolgingen.
Geloofsvrijheid, V.
Geloofswaarheid, V., -waarheden.
Geloofszaak, V., -zaken.
Geloofwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Geloofwaardigheid, V.
Geloop, O.
Gelooven, geloofde, heeft geloofd.
Geloovig, gelooviger, geloovigst.
Geloovige, M. en V., geloovigen.
Geloovigheid, V.
Gelui, O.
Geluid, O., geluiden. Geluidje, O., -jes.
Geluidgevend.
Geluidsleer, V.
Geluier, O.
Geluimd.
Geluk, O. Gelukje, O., -jes.
Gelukken, gelukte, is gelukt.
Gelukkig, gelukkiger, gelukkigst.
Gelukkigerwijze en -wijs.
Geluksbode, M. en V., -boden.
Geluksgodin, V., -godinnen.
Gelukshans, M., -hanzen.
Gelukskind, O., -kinderen.
Geluksster en -star, V., -sterren en -starren.
Geluksvogel, M., -vogels.
Gelukwensch, M., -wenschen.
Gelukwenschen, wenschte geluk, heeft gelukgewenscht.
Gelukwensching, V., -wenschingen.
Gelukzalig, -zaliger, -zaligst.
Gelukzaligheid, V., -heden.
Gelukzoeker, M., -zoekers.
Gelusten, gelustte, heeft gelust.
Gemaakt, gemaakter, gemaaktst.
Gemaaktheid, V.
Gemaal, M., gemaals en gemalen.
Gemaal (gezanik), O.
Gemaal, O. (Gemaal en geslacht).
Gemacht, O.
Gemachtigde, M. en V., gemachtigden.
Gemak, O., gemakken. Gemakje, O., -jes.
Gemakkelijk, -lijker, -lijkst.
Gemakkelijkheid, V.
Gemakshalve.
Gemakzucht, V.
Gemal, O.
Gemalin, V., gemalinnen.
Gemanierd, gemanierder, gemanierdst.
Gemanierdheid, V.
Gemartel, O.
Gemaskerd.
Gematigd, gematigder, gematigdst.
Gematigdheid, V.
Gemauw, O.
Gember, V.
Gemberbier, O.
Gemberlepel, M., -lepels.
Gemberpot, M., -potten.
Gemberstroop, V.
Gembervork, V., -vorken.
Gemeen, gemeener, gemeenst.
Gemeen, O.
Gemeenebest, O., -besten.
Gemeenheid, V., -heden.
Gemeeniteit, V., -teiten.
Gemeenlandshuis, O.
Gemeenlijk.
Gemeenplaats, V., -plaatsen.
Gemeenschap, V., -schappen.
Gemeenschappelijk.
Gemeenslachtig.
Gemeente, V., gemeenten.
Gemeente-archief, O., -archieven.
Gemeente-archivaris, M., -archivarissen.
Gemeentebegrooting, V., -begrootingen.
Gemeentebelasting, V., -belastingen.
Gemeentebestuur, O., -besturen.
Gemeentegrond, M., -gronden.
Gemeentehuis, O., -huizen.
Gemeentenaar, M., -naren.
Gemeente-ontvanger, M., -ontvangers.
Gemeente-opzichter, M., -opzichters.
Gemeenteraad, M., -raden.
Gemeenterekening, V.
Gemeenteschool, V., -scholen.
Gemeentesecretaris, M., -secretarissen.
Gemeentewet, V., -wetten.
Gemeentezaak, V., -zaken.
Gemeenzaam, -zamer, -zaamst.
Gemeenzaamheid, V., -heden.
Gemeesmuil, O.
Gemeet, O.
Gemelijk, -lijker, -lijkst.
Gemelijkheid, V.
Gemengd.
Gemerkt.
Gemet, O., gemeten.
Gemetsel, O.
Gemeubileerd.
Gemiauw of Gemiaauw, O.
Gemiddelde, O., gemiddelden.
Gemijmer, O.
Gemijterd.
Gemis, O.
Gemoed, O., gemoederen.
Gemoedelijk, -lijker, -lijkst.
Gemoedelijkheid, V.
Gemoedsaandoening, V., -aandoeningen.
Gemoedsaard, M.
Gemoedsbeweging, V., -bewegingen.
Gemoedsbezwaar, O., -bezwaren.
Gemoedsgesteldheid, V.
Gemoedsleven, O.
Gemoedsrust, V.
Gemoedsstemming, V., -stemmingen.
Gemoet (Te gemoet).
Gemok, O.
Gemompel, O.
Gemopper, O.
Gemor, O.
Gemors, O.
Gems, V., gemzen. Gemsje, O., -jes.
Gemshoorn, M., -hoorns.
Gemurmel, O.
Gemutst.
Gemzeleer en Gemzenleer, O.
Gemzeleeren en Gemzenleeren (bnw.).
Gemzenhaar, O.
Gemzenjacht, V.
Gemzenjager, M., -jagers.
Genaakbaar, -baarder, -baarst.
Genaakbaarheid, V.
Genaamd.
Genade, V.
Genadebrood, O.
Genadegift, V., -giften.
Genademiddel, O., -middelen.
Genadeslag, M.
Genadestoot, M.
Genadeverbond, O.
Genadig, genadiger, genadigst.
Genadigheid, V.
Genaken, genaakte, is genaakt.
Genan en Genant, M. en V., genannen en genanten. V. ook genante.
Gendarme, M., gendarmes.
Gendarmerie, V.
Gene (gindsche).
Genealogie, V., genealogieën.
Genealogisch.
Genealoog, M., genealogen.
Geneeren (fr. _gêner_), geneerde, heeft gegeneerd.
Geneesbaar, -bare.
Geneesheer, M., -heeren.
Geneeskracht, V.
Geneeskunde, V.
Geneeskundige, M. en V., -kundigen.
Geneeskunst, V.
Geneeslijk en Geneselijk, -lijker, -lijkst.
Geneesmeester, M., -meesters.
Geneesmiddel, O., -middelen.
Geneesvleesch, O.
Geneeswijze en Geneeswijs, V., -wijzen.
Genegen, genegener, genegenst.
Genegenheid, V., -heden.
Geneigd, geneigder, geneigdst.
Geneigdheid, V.
Generaal, M., generaals.
Generaal-majoor, M., -majoors.
Generaalschap, O.
Generaliseeren, generaliseerde, heeft gegeneraliseerd.
Generaliteit, V.
Generaliteitslanden (mv.), O.
Generen (zich -), (onderhouden), geneerde zich, heeft zich
geneerd.
Genereus, genereuzer, genereust.
Genet, O., genetten.
Genetkat, V., genetkatten.
Geneugte, V., geneugten.
Geneurie, O.
Genezen, genas, genazen, heeft en is genezen.
Genezing, V., genezingen.
Geniaal, genialer, geniaalst.
Genialiteit, V.
Genie (wapen in 't leger), V.
Genie (vernuft en vernuftig persoon), O., genieën.
Genie-officier, M., -officieren.
Geniep (In 't -), O.
Geniepig, geniepiger, geniepigst.
Geniepigerd, M., geniepigerds.
Geniepigheid, V.
Genieten, genoot, genoten, heeft genoten.
Genieting, V., genietingen.
Genius, M., geniën.
Genoeg.
Genoegdoening, V.
Genoegen, O., genoegens.
Genoegen, genoegde, heeft genoegd.
Genoeglijk, -lijker, -lijkst.
Genoeglijkheid, V., -heden.
Genoegzaam, -zame.
Genoegzaamheid, V., -heden.
Genoffel, V., genoffels.
Genomen.
Genoot M., genooten.
Genoote, V., genooten.
Genootschap, O., -schappen.
Genootschappelijk.
Genootschapsjaar, O., -jaren.
Genootschapswerk, O., -werken.
Genot, O.
Genotrijk, -rijker, -rijkst.
Genotzucht, V.
Gent, M., genten.
Gentiaan, V., gentianen.
Genugte, V., genugten.
Geodesie, V.
Geodetisch.
Geograaf, M., geografen.
Geographie, V.
Geographisch.
Geologie, V.
Geoloog, M., geologen.
Geoorloofd, geoorloofder, geoorloofdst.
Geoorloofdheid, V.
Gepaard.
Gepalmd.
Gepareld.
Geparfumeerd.
Gepasporteerd.
Gepast, gepaster, meest gepast.
Gepastheid, V.
Gepatenteerd.
Gepeesd.
Gepeins, O., gepeinzen.
Gepen, O.
Gepeperd.
Geperforeerd.
Gepeupel, O.
Gepeuter, O.
Gepiep, O.
Gepiker en Gepieker, O.
Geplas, O.
Geplekt.
Geploeter, O.
Gepluimd.
Gepluimte, O.
Gepoch, O.
Gepomp, O.
Gepopel, O.
Geposeerd, geposeerder, geposeerdst.
Gepraat, O.
Gepresseerd.
Geprevel, O.
Geproest, O.
Gepromoveerd.
Gepromoveerde, M. en V., gepromoveerden.
Gepruttel, O.
Geraamte, O., geraamten.
Geraas, O.
Geraaskal, O.
Geraden.
Gerak, O.
Geraken, geraakte, is geraakt.
Geranium, V., geraniums.
Geratel, O.
Gerecht en Gericht (rechtbank), O., gerechten en gerichten.
Gerecht (spijs), O., gerechten. Gerechtje, O., -jes.
Gerecht, gerechter, gerechtst.
Gerechtelijk.
Gerechtig, gerechtiger, gerechtigst.
Gerechtigd.
Gerechtigen, gerechtigde, heeft gerechtigd.
Gerechtigheid, V.
Gerechtsbode, M., -boden.
Gerechtsdag, M., -dagen.
Gerechtsdienaar, M., -dienaars en -dienaren.
Gerechtsgebouw, O., -gebouwen.
Gerechtshof, O., -hoven.
Gerechtsplaats, V., -plaatsen.
Gerechtszaak, V., -zaken.
Geredeneer, O.
Gereed, gereeder, gereedst.
Gereedelijk.
Gereedheid, V.
Gereedhouden, hield gereed, heeft gereed gehouden.
Gereedkomen, komt gereed, kwam gereed, kwamen gereed, is gereedgekomen.
Gereedleggen, legde en leide gereed, heeft gereedgelegd.
Gereedliggen, lag gereed, lagen gereed, heeft gereedgelegen.
Gereedmaken, maakte gereed, heeft gereedgemaakt.
Gereedschap, O., -schappen.
Gereedstaan, staat gereed, stond gereed, heeft gereedgestaan.
Gereedzetten, zette gereed, heeft gereedgezet.
Gereformeerd.
Gereformeerde, M. en V., gereformeerden.
Geregeld, geregelder, geregeldst.
Geregeldheid, V.
Gerei, O.
Gerekt, gerekter, gerektst.
Gerektheid, V.
Gereutel, O.
Gerevel, O.
Gerfkamer, V., -kamers.
Gerfschaaf, V., -schaven.
Gergel, ook Girgel, M., gergels en girgels.
Geribd.
Gericht. Zie Gerecht.
Gerief, O.
Geriefelijk, -lijker, -lijkst.
Geriefelijkheid, V., -heden.
Gerieven, geriefde, heeft geriefd.
Gerij, O.
Gering, geringer, geringst.
Geringachten, achtte gering, heeft geringgeacht.
Geringachting, V.
Geringd.
Geringheid, V., -heden.
Gerinkel, O.
Gerinkink, O.
Geritsel, O.
Germanisme, O., germanismen.
Germanist, M., germanisten.
Germanistisch.
Gerochel, O.
Geroep, O.
Geroffel, O.
Gerokt.
Gerommel, O.
Geronk, O.
Geronnen.
Geros, O.
Geroutineerd.
Gerst, ook Garst, V. Gerstje, O., -jes.
Gerstebier, O.
Gerstebrij, V.
Gerstebrood, O., -brooden.
Gerstedrank, M., -dranken.
Gerstekorrel en Gerstkorrel, V., -korrels.
Gerstemeel, O.
Gerstenat, O.
Gerstepap, V.
Gerstewater, O.
Gerucht, O., geruchten. Geruchtje, O., -jes.
Geruim (In een geruimen tijd).
Geruisch, O.
Geruit.
Gerust, geruster, meest gerust.
Gerustelijk.
Gerustheid, V.
Geruststellen, stelde gerust, heeft gerustgesteld.
Geruststellend.
Geruststelling, V.
Gerw, V.
Gesar, O.
Geschaard.
Geschacher, O.
Geschakeerd.
Geschal, O.
Geschapen.
Gescharrel, O.
Geschater, O.
Gescheept.
Geschenk, O., geschenken. Geschenkje, O., -jes.
Gescherm, O.
Geschetter, O.
Gescheurd.
Geschiedboek, O., -boeken.
Geschieden, geschiedde, is geschied.
Geschiedenis, V., geschiedenissen. Geschiedenisje, O., -jes.
Geschiedenisles, V., -lessen.
Geschiedkunde, V.
Geschiedkundig.
Geschiedkundige, M. en V., -kundigen.
Geschiedrol, V., -rollen.
Geschiedschrijver, M., -schrijvers.
Geschiedverhaal, O., -verhalen.
Geschiedvorscher, M., -vorschers.
Geschiet, O.
Geschikt, geschikter, geschiktst.
Geschiktheid, V.
Geschil, O., geschillen. Geschilletje, O., -jes.
Geschilpunt, O., -punten.
Geschilstuk, O., -stukken.
Geschimmeld.
Geschimp, O.
Geschitter, O.
Geschommel, O.
Geschooi, O.
Geschraap, O.
Geschreeuw, O.
Geschrei, O.
Geschrift, O., geschriften. Geschriftje, O., -jes.
Geschubd.
Geschuif, O.
Geschuifel, O.
Geschut, O.
Geschutbedding, V., -beddingen.
Geschutbrons, O.
Geschutstelling, V., -stellingen.
Geschuttalie, V., -talies.
Geschutvuur, O.
Gesignaleerd.
Gesis, O.
Gesjouw, O.
Geslacht (familie, soort), O., geslachten.
Geslacht (slacht), O.
Geslachtelijk.
Geslachtsboom en Geslachtboom, M. -boomen.
Geslachtsdeelen (mv.), O.
Geslachtsdrift, V.
Geslachtsnaam en Geslachtnaam, M. -namen.
Geslachtsorgaan, O., -organen.
Geslachtswapen en Geslachtwapen, O. -wapens.
Geslenter, O.
Geslepen, geslepener, geslepenst.
Geslepenheid, V.
Gesloten, geslotener, geslotenst.
Geslotenheid, V.
Gesmaal, O.
Gesmeek, O.
Gesmijdig, gesmijdiger, gesmijdigst.
Gesmook, O.
Gesnaard.
Gesnedene, M., gesnedenen.
Gesnotter, O.
Gesnurk, O.
Gesoes, O.
Gesorteerd.
Gesp, M., gespen. Gespje, O., -jes.
Gespan (span), O.
Gespartel, O.
Gespeel (het spelen), O.
Gespelen (makkers), M. en V.
Gespen, gespte, heeft gegespt.
Gespenmaker, M., -makers.
Gespierd, gespierder, gespierdst.
Gespierdheid, V.
Gespin, O.
Gespoord.
Gesprek, O., gesprekken. Gesprekje, O., -jes.
Gesprenkeld.
Gespring, O.
Gespuis, O.
Gest. Zie Gist.
Gestaald.
Gestadig, gestadiger, gestadigst.
Gestadigheid, V.
Gestalte, V., gestalten.
Gestaltenis, V.
Gestamel, O.
Gestamer, O.
Gestamp, O.
Gestampvoet, O.
Gestand (Gestand doen).
Gestarnd, Gestarnte. Zie Gesternd, Gesternte.
Geste, V., gestes.
Gesteente, O., gesteenten.
Gesteentenkenner, M., -kenners.
Gestel, O., gestellen. Gestelletje, O., -jes.
Gesteld.
Gesteldheid, V., -heden.
Gesteltenis, V.
Gesternd en Gestarnd.
Gesternte en Gestarnte, O., gesternten en gestarnten.
Gesticht, O., gestichten. Gestichtje, O., -jes.
Gesticulatie, V., gesticulatiën en gesticulaties.
Gesticuleeren, gesticuleerde, heeft gegesticuleerd.
Gestoei, O.
Gestoelte, O., gestoelten.
Gestoffeerd.
Gestommel, O.
Gestotter, O.
Gestreept.
Gestreng, gestrenger, gestrengst.
Gestrengheid, V., -heden.
Gestrikt.
Gestroomd.
Gestudeerd.
Getal, O., getallen. (Ten getale van).
Getallenleer, V.
Getalmerk, O., -merken.
Getalsterkte, V.
Getand.
Geteekend.
Geteem, O.
Getemperd.
Geteut, O.
Getier, O.
Getij, O., getijen.
Getijde, O., getijden.
Getijdenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Getijgerd.
Getik, O.
Getimmer, O.
Getimmerte, O., getimmerten.
Getjilp, O.
Getogen (verl. deelw.).
Getokkel, O.
Getongd.
Getouw, O., getouwen.
Getralied.
Getrappel, O.
Getrommel, O.
Getroost.
Getroosten (zich -), getroostte zich, heeft zich getroost.
Getroubleerd.
Getrouw, getrouwer, getrouwst.
Getrouwd.
Getrouwelijk.
Getrouwheid, V.
Getrouwigheid, V.
Getuige, M. en V., getuigen.
Getuigen, getuigde, heeft getuigd.
Getuigenbewijs, O.
Getuigengeld, O.