Doodbed, O., doodbedden

Doodbedaard.

Doodbloeden, bloedde dood, is doodgebloed.

Dooddoener, M., -doeners.

Doode, M. en V., dooden.

Doodeenvoudig.

Doodekop, V.

Doodelijk, -lijker, -lijkst.

Doodelijkheid, V.

Dooden, doodde, heeft gedood.

Doodendans, M., -dansen.

Doodenmarsch, M.

Dooder, M., dooders.

Doodeter, M., -eters.

Doodfamiliaar, -familiare.

Doodgaan, ging dood, is doodgegaan.

Doodgoed, O.

Doodgoed (bnw.).

Doodgraver, M., -gravers.

Doodjagen, jaagde dood, heeft doodgejaagd; ook joeg dood.

Doodjammer.

Doodkist, V., -kisten.

Doodloopen, liep dood, heeft en is doodgeloopen.

Doodmoede en -moe.

Doodnuchter.

Doodop.

Doodsangst, M., -angsten.

Doodsbeenderen (mv.), O.

Doodsbenauwd.

Doodsbleek, -bleeke.

Doodsch, doodscher.

Doodschheid, V.

Doodschieten, schoot dood, schoten dood, heeft doodgeschoten.

Doodsgevaar, O., -gevaren.

Doodshoofd, O., -hoofden.

Doodskleur, V.

Doodskop, M., -koppen.

Doodslaan, sloeg dood, heeft doodgeslagen.

Doodslag, M., -slagen.

Doodslager, M., -slagers.

Doodsnood, M.

Doodsschrik, M.

Doodsslaap, M.

Doodssnik, M.

Doodsstond, M.

Doodsstrijd, M.

Doodsstuip, V., -stuipen.

Doodsteken, stak dood, staken dood, heeft doodgestoken.

Doodstraf, V., -straffen.

Doodstroom, M. of O.

Doodsuur, O.

Doodsverachting, V.

Doodszweet, O.

Doodverf, V.

Doodverven, doodverfde, heeft gedoodverfd.

Doodvreter, M., -vreters.

Doodzeilen (het tij -), zeilde dood, heeft doodgezeild.

Doodziek.

Doodzwijgen, zweeg dood, zwegen dood, heeft doodgezwegen.

Doof, doover, doofst.

Doofheid, V.

Doofpot, M., -potten; -potje, O., -jes.

Doofstom, -stomme.

Doofstomme, M. en V., -stommen.

Doofstommen-instituut, O., -instituten.

Dooi, M.

Dooien, dooide, heeft gedooid.

Dooier, M., dooiers.

Dooiweder en -weer, O.

Dook, V., doken.

Doolhof, M. en O., -hoven.

Doolweg, M., -wegen.

Doop (kerkplechtigheid), M.

Doop (saus), V.

Doopbekken, O., -bekkens.

Doopceel, V., -ceelen.

Doopeling, M. en V., doopelingen. V. ook doopelinge.

Doopen, doopte, heeft gedoopt.

Dooper, M., doopers.

Doopformulier, O., -formulieren.

Doophek, O., -hekken.

Doopjurk, V., -jurken.

Doopmaal, O., -malen.

Doopsel, O.

Doopsgezind.

Doopsgezinde, M. en V., -gezinden.

Doopvont, V., -vonten.

Door (voorz. en bijw.).

Door (dooier), M. en O., dooren.

Dooraderen, dooraderde, heeft dooraderd.

Doorarbeiden, arbeidde door, heeft doorgearbeid.

Doorbabbelen, babbelde door, heeft doorgebabbeld.

Doorbakken, bakte door, heeft doorgebakken; ook doorbakte, heeft

doorbakken.

Doorbakken (bnw.).

Doorbijten, beet door, beten door, heeft doorgebeten.

Doorbladeren, bladerde door, heeft doorgebladerd; ook doorbladerde,

heeft doorbladerd.

Doorblazen, blies door, bliezen door, heeft doorgeblazen.

Doorboren, boorde door, heeft doorgeboord; ook doorboorde, heeft

doorboord.

Doorboring, V., -boringen.

Doorbraak, V., -braken.

Doorbraden (bnw.).

Doorbranden, brandde door, heeft en is doorgebrand.

Doorbreien, breide door, heeft doorgebreid.

Doorbreken, brak door, braken door, heeft en is doorgebroken; ook

doorbrak, doorbraken, heeft doorbroken.

Doorbreking, V., -brekingen.

Doorbrengen, bracht door, heeft doorgebracht.

Doorbrenger, M., -brengers.

Doorbuigen, boog door, bogen door, heeft en is doorgebogen.

Doordat.

Doordenken, dacht door, heeft doorgedacht; ook doordacht, heeft

doordacht.

Doordien.

Doordraaien, draaide door, heeft doorgedraaid.

Doordraaier, M., -draaiers.

Doordraven, draafde door, heeft doorgedraafd.

Doordraver, M., -dravers.

Doordraverij, V.

Doordrentelen, drentelde door, is doorgedrenteld.

Doordrijven, dreef door, dreven door, heeft en is doorgedreven.

Doordrijver, M., -drijvers.

Doordrijverij, V., -drijverijen.

Doordringbaar, -bare.

Doordringbaarheid, V.

Doordringen, drong door, is en heeft doorgedrongen; ook doordrong,

heeft doordrongen.

Doordringend, -dringender, -dringendst.

Doordringendheid, V.

Doordrinken, dronk door, heeft doorgedronken.

Doordruipen, droop door, dropen door, is doorgedropen.

Doordrukken, drukte door, heeft doorgedrukt.

Dooreen.

Dooreengooien, gooide dooreen, heeft dooreengegooid.

Dooreenhaspelen, haspelde dooreen, heeft dooreengehaspeld.

Dooreenkoken, kookte dooreen, heeft dooreengekookt.

Dooreenloopen, liep dooreen, is dooreengeloopen.

Dooreenmengen, mengde dooreen, heeft dooreengemengd.

Dooreenroeren, roerde dooreen, heeft dooreengeroerd.

Dooreenslaan, slaat dooreen, sloeg dooreen, heeft dooreengeslagen.

Dooreenvlechten, vlocht dooreen, heeft dooreengevlochten.

Dooreenwarren, warde dooreen, heeft dooreengeward.

Dooreten, at door, aten door, heeft doorgegeten.

Doorgaan, gaat door, ging door, is en heeft doorgegaan.

Doorgaans.

Doorgalmen, galmde door, heeft doorgegalmd; ook doorgalmde, heeft

doorgalmd.

Doorgang, M., -gangen.

Doorgangshuis, O., -huizen.

Doorgestoken.

Doorgeven, gaf door, gaven door, heeft doorgegeven.

Doorgieten, goot door, goten door, heeft doorgegoten.

Doorglippen, glipte door, is doorgeglipt.

Doorgooien, gooide door, heeft doorgegooid.

Doorgraven, groef door, groeven door, heeft doorgegraven; ook

doorgroef, doorgroeven, heeft doorgraven.

Doorgraving, V., -gravingen.

Doorgroeien, groeide door, is doorgegroeid.

Doorgronden, doorgrondde, heeft doorgrond.

Doorhakken, hakte door, heeft doorgehakt.

Doorhalen, haalde door, heeft doorgehaald.

Doorhaling, V., -halingen.

Doorheen.

Doorhelpen, hielp door, heeft doorgeholpen.

Doorhouwen, hieuw door, heeft doorgehouwen.

Doorijlen, ijlde door, heeft en is doorgeijld.

Doorkermen, kermde door, heeft doorgekermd.

Doorkijken, keek door, keken door, heeft doorgekeken; ook doorkeek,

doorkeken, heeft doorkeken.

Doorklieven, kliefde door, heeft doorgekliefd; ook doorkliefde,

heeft doorkliefd.

Doorklinken, klonk door, heeft doorgeklonken; ook doorklonk, heeft

doorklonken.

Doorkloppen, klopte door, heeft doorgeklopt.

Doorknabbelen, knabbelde door, heeft doorgeknabbeld.

Doorknagen, knaagde door, heeft doorgeknaagd; ook doorknaagde;

heeft doorknaagd.

Doorkneed, -knede.

Doorknippen, knipte door, heeft doorgeknipt.

Doorkoken, kookte door, heeft doorgekookt.

Doorkomen, komt door, kwam door, kwamen door, is doorgekomen.

Doorkrabben, krabde door, heeft doorgekrabd.

Doorkrijgen, kreeg door, kregen door, heeft doorgekregen.

Doorkronkelen, doorkronkelde, heeft doorkronkeld.

Doorkruipen, kroop door, kropen door, heeft en is doorgekropen;

ook doorkroop, doorkropen, heeft doorkropen.

Doorkruisen, kruiste door, heeft doorgekruist; ook doorkruiste,

heeft doorkruist.

Doorlaat, M., -laten.

Doorlachen, lachte door, heeft doorgelachen.

Doorlaten, liet door, heeft doorgelaten.

Doorlaveeren, laveerde door, heeft en is doorgelaveerd.

Doorleeren, leerde door, heeft doorgeleerd.

Doorleiden, leidde door, heeft doorgeleid.

Doorlekken, lekte door, heeft doorgelekt.

Doorleven, doorleefde, heeft doorleefd en doorgeleefd.

Doorlezen, las door, lazen door, heeft doorgelezen; ook doorlas,

doorlazen, heeft doorlezen.

Doorlezing, V.

Doorliggen, lag door, lagen door, heeft doorgelegen.

Doorloodsen, loodste door, heeft doorgeloodst.

Doorloop, M., -loopen.

Doorloopen, liep door, is en heeft doorgeloopen; ook doorliep,

heeft doorloopen.

Doorloopend.

Doorlucht, -luchter, -luchtst.

Doorluchtig, -luchtiger, -luchtigst.

Doorluchtigheid, V., -heden.

Doormalen, maalde door, heeft doorgemalen.

Doormarcheeren, marcheerde door, heeft en is doorgemarcheerd.

Doormarsch, M., -marschen.

Doormengen, mengde door, heeft doorgemengd; ook doormengde, heeft

doormengd.

Doormijmeren, mijmerde door, heeft doorgemijmerd; ook doormijmerde,

heeft doormijmerd.

Doorn en Doren, M., doornen en doorns of dorens. Doorntje en dorentje,

O., -jes.

Doornaaien, naaide door, heeft doorgenaaid; ook doornaaide, heeft

doornaaid.

Doornachtig, -achtiger, -achtigst.

Doornagelen, doornagelde, heeft doornageld.

Doornat, -natte.

Doornen (bnw.).

Doornenkroon, V., -kronen.

Doornig, doorniger, doornigst.

Doornommeren, nommerde door, heeft doorgenommerd.

Doorpennen, pende door, heeft doorgepend.

Doorpersen, perste door, heeft doorgeperst.

Doorpikken, pikte door, heeft doorgepikt.

Doorploegen, doorploegde, heeft doorploegd.

Doorpraten, praatte door, heeft doorgepraat.

Doorpriemen, priemde door, heeft doorgepriemd; ook doorpriemde,

heeft doorpriemd.

Doorprikken, prikte door, heeft doorgeprikt.

Doorpruimen, pruimde door, heeft doorgepruimd.

Doorrazen, raasde door, heeft doorgeraasd.

Doorredeneeren, redeneerde door, heeft doorgeredeneerd.

Doorregenen, regende door, heeft en is doorgeregend.

Doorreis, V., -reizen.

Doorreizen, reisde door, heeft en is doorgereisd; ook doorreisde,

heeft doorreisd.

Doorrennen, rende door, heeft en is doorgerend.

Doorrijden, reed door, reden door, heeft en is doorgereden; ook

doorreed, doorreden, heeft doorreden.

Doorrijgen, reeg door, regen door, heeft doorgeregen; ook doorreeg,

doorregen, heeft doorregen.

Doorroeien, roeide door, heeft en is doorgeroeid.

Doorroeren, roerde door, heeft doorgeroerd.

Doorroesten, roestte door, is doorgeroest.

Doorrollen, rolde door, heeft en is doorgerold.

Doorrooken, rookte door, heeft doorgerookt; ook doorrookte, heeft

doorrookt.

Doorrooker, M., -rookers; -rookertje, O., -jes.

Doorschemeren, schemerde door, is en heeft doorgeschemerd.

Doorschermen, schermde door, heeft doorgeschermd.

Doorscheuren, scheurde door, heeft en is doorgescheurd; ook

doorscheurde, heeft doorscheurd.

Doorschieten, schoot door, schoten door, heeft en is doorgeschoten;

ook doorschoot, doorschoten, heeft doorschoten.

Doorschijnen, scheen door, schenen door, heeft doorgeschenen; ook

doorscheen, doorschenen, heeft doorschenen.

Doorschijnend.

Doorschijnendheid, V.

Doorschrappen, schrapte door, heeft doorgeschrapt.

Doorschrapping, V., -schrappingen.

Doorschreeuwen, schreeuwde door, heeft doorgeschreeuwd.

Doorschreien, schreide door, heeft doorgeschreid.

Doorschrijven, schreef door, schreven door, heeft doorgeschreven.

Doorschudden, schudde door, heeft doorgeschud.

Doorschuiven, schoof door, schoven door, heeft doorgeschoven.

Doorschutten, schutte door, heeft doorgeschut.

Doorsijpelen, sijpelde door, heeft en is doorgesijpeld.

Doorslaan, sloeg door, heeft en is doorgeslagen.

Doorslaand, -slaander, -slaandst.

Doorslag, M., -slagen; -slagje, O., -jes.

Doorslapen, sliep door, heeft doorgeslapen.

Doorsleepen, sleepte door, heeft doorgesleept.

Doorslepen, -slepener, -slepenst.

Doorslepenheid, V.

Doorslijten, sleet door, sleten door, heeft en is doorgesleten.

Doorslikken, slikte door, heeft doorgeslikt.

Doorslokken, slokte door, heeft doorgeslokt.

Doorsluimeren, sluimerde door, heeft doorgesluimerd.

Doorsluipen, sloop door, slopen door, is doorgeslopen.

Doorsmeulen, smeulde door, heeft doorgesmeuld.

Doorsnede, V., -sneden.

Doorsneeuwen, sneeuwde door, heeft doorgesneeuwd.

Doorsnijden, sneed door, sneden door, heeft doorgesneden; ook

doorsneed, doorsneden, heeft doorsneden.

Doorsnijding, V., -snijdingen.

Doorsnorren, snorde door, heeft en is doorgesnord.

Doorsnuffelaar, M., -snuffelaars.

Doorsnuffelen, doorsnuffelde, heeft doorsnuffeld.

Doorspekken, doorspekte, heeft doorspekt.

Doorspelen, speelde door, heeft doorgespeeld.

Doorspijkeren, doorspijkerde, heeft doorspijkerd.

Doorspitten, spitte door, heeft doorgespit.

Doorspoelen, spoelde door, heeft doorgespoeld.

Doorspoeling, V., -spoelingen.

Doorspreken, sprak door, spraken door, heeft doorgesproken.

Doorspringen, sprong door, heeft doorgesprongen.

Doorspuiten, spoot door, spoten door, heeft doorgespoten.

Doorstaan, stond door, heeft doorgestaan; ook doorstond, heeft

doorstaan.

Doorstampen, stampte door, heeft doorgestampt.

Doorstappen, stapte door, heeft en is doorgestapt.

Doorsteek, M., -steken.

Doorsteken, stak door, staken door, heeft doorgestoken; ook doorstak,

doorstaken, heeft doorstoken.

Doorsteker, M., -stekers; -stekertje, O., -jes.

Doorsteking, V., -stekingen.

Doorstevenen, stevende door, is doorgestevend.

Doorstikken, doorstikte, heeft doorstikt.

Doorstoomen, stoomde door, heeft en is doorgestoomd.

Doorstooten, stiet door, heeft doorgestooten; ook stootte door;

en doorstiet, heeft doorstooten.

Doorstormen, stormde door, heeft doorgestormd.

Doorstralen, straalde door, heeft doorgestraald; ook doorstraalde,

heeft doorstraald.

Doorstraling, V.

Doorstrepen, streepte door, heeft doorgestreept.

Doorstrijden, streed door, streden door, heeft doorgestreden.

Doorstrijken, streek door, streken door, heeft en is doorgestreken.

Doorstrompelen, strompelde door, is doorgestrompeld.

Doorstroomen, stroomde door, heeft doorgestroomd; ook doorstroomde,

heeft doorstroomd.

Doorstudeeren, studeerde door, heeft doorgestudeerd.

Doorsturen, stuurde door, heeft doorgestuurd.

Doorsukkelen, sukkelde door, heeft en is doorgesukkeld.

Doortasten, tastte door, heeft doorgetast; ook doortastte, heeft

doortast.

Doorteekenen, teekende door, heeft doorgeteekend.

Doortellen, telde door, heeft doorgeteld.

Doortimmerd.

Doortintelen, doortintelde, heeft doortinteld.

Doortocht, M., -tochten.

Doortrappen, trapte door, heeft doorgetrapt.

Doortrapt, -trapter, -traptst.

Doortraptheid, V.

Doortreden, trad door, traden door, heeft en is doorgetreden.

Doortrekken, trok door, trokken door, heeft en is doorgetrokken;

ook doortrok, doortrokken, heeft doortrokken.

Doortrekking, V.

Doortrillen, doortrilde, heeft doortrild.

Doortrokken.

Doorvaart, V., -vaarten.

Doorvallen, viel door, is doorgevallen.

Doorvaren, voer door, is en heeft doorgevaren.

Doorvechten, vocht door, heeft doorgevochten.

Doorvijlen, vijlde door, heeft doorgevijld.

Doorvlechten, vlocht door, heeft doorgevlochten; ook doorvlocht,

heeft doorvlochten.

Doorvliegen, vloog door, vlogen door, is doorgevlogen; ook doorvloog,

doorvlogen, heeft doorvlogen.

Doorvloeien, vloeide door, is doorgevloeid.

Doorvoed.

Doorvoeden, doorvoedde, heeft doorvoed.

Doorvoer, M., -voeren.

Doorvoeren, voerde door, heeft doorgevoerd.

Doorvouwen, vouwde door, heeft doorgevouwen.

Doorvragen, vraagde door, heeft doorgevraagd; ook vroeg door.

Doorvreten, vrat door, vraten door, heeft doorgevreten.

Doorvriezen, vroor door, heeft doorgevroren en doorgevrozen.

Doorwaadbaar, -bare.

Doorwaaien, waaide door, heeft en is doorgewaaid; ook woei door,

woeien door; en doorwaaide (doorwoei), heeft doorwaaid.

Doorwaden, waadde door, heeft doorgewaad; ook doorwaadde, heeft

doorwaad.

Doorwandelen, wandelde door, heeft en is doorgewandeld; ook

doorwandelde, heeft doorwandeld.

Doorwasemen, doorwasemde, heeft doorwasemd.

Doorwassen, wies door, wiesen door, is doorgewassen.

Doorwassen (bnw.).

Doorwateren, waterde door, heeft en is doorgewaterd; ook doorwaterde,

heeft doorwaterd.

Doorweeken, weekte door, is en heeft doorgeweekt; ook doorweekte,

heeft doorweekt.

Doorweeking, V.

Doorweenen, weende door, heeft doorgeweend.

Doorwerken, werkte door, heeft doorgewerkt; ook doorwerkte, heeft

doorwerkt.

Doorweven, weefde door, heeft doorgeweven; ook doorweefde, heeft

doorweven.

Doorwoeden, woedde door, heeft doorgewoed.

Doorwoelen, doorwoelde, heeft doorwoeld.

Doorwonden, doorwondde, heeft doorwond.

Doorworstelen, doorworstelde, heeft doorworsteld.

Doorworsteling, V.

Doorwrocht, -wrochter, -wrochtst.

Doorwroeten, wroette door, heeft doorgewroet; ook doorwroette,

heeft doorwroet.

Doorwroeting, V.

Doorzaaien, zaaide door, heeft doorgezaaid; ook doorzaaide, heeft

doorzaaid.

Doorzagen, zaagde door, heeft doorgezaagd.

Doorzaging, V.

Doorzakken, zakte door, is doorgezakt.

Doorzakking, V., -zakkingen.

Doorzeilen, zeilde door, is en heeft doorgezeild.

Doorzenden, zond door, heeft doorgezonden.

Doorzetten, zette door, heeft doorgezet.

Doorzicht, O.

Doorzichtbaar, -bare.

Doorzichtbaarheid, V.

Doorzichtig, -zichtiger, -zichtigst.

Doorzichtigheid, V.

Doorzichtkunde, V.

Doorzien, zag door, zagen door, heeft doorgezien; ook doorzag,

doorzagen, heeft doorzien.

Doorziften, ziftte door, heeft doorgezift.

Doorzijgen, zeeg door, zegen door, heeft en is doorgezegen.

Doorzingen, zong door, heeft doorgezongen.

Doorzinken, zonk door, is doorgezonken.

Doorzitten, zat door, zaten door, heeft doorgezeten.

Doorzoeken, zocht door, heeft doorgezocht; ook doorzocht, heeft

doorzocht.

Doorzoeking, V., -zoekingen.

Doorzouten, doorzoutte, heeft doorzouten.

Doorzweeten, zweette door, heeft doorgezweet.

Doorzwelgen, zwolg door, heeft doorgezwolgen.

Doorzwelger, M., -zwelgers.

Doorzwelging, V.

Doorzwemmen, zwom door, zwommen door, heeft en is doorgezwommen.

Doorzweren, zwoor door, zworen door, is doorgezworen.

Doorzwerven, zwierf door, zwierven door, heeft doorgezworven.

Doorzweven, zweefde door, is doorgezweefd; ook doorzweefde, heeft

doorzweefd.

Doos, V., doozen. Doosje, O., -jes.

Doovekool, V., -kolen.

Dooven, doofde, heeft gedoofd.

Doovenetel, V., -netels.

Doovigheid, V.

Doozenfabriek, V., -fabrieken.

Doozenmaakster, V., -maaksters.

Dop, M., doppen. Dopje, O., -jes.

Dopjesspel, O., -spellen.

Dopknier, V., -knieren.

Doppen, dopte, heeft gedopt.

Dopper, M., doppers.

Dor, dorder, dorst.

Doren. Zie Doorn.

Dorheid, V.

Dormter, M.

Dorp, O., dorpen. Dorpje, O., -jes.

Dorpachtig.

Dorpel, M., dorpels. Dorpeltje, O., -jes.

Dorpeling, M. en V., dorpelingen. V. ook dorpelinge.

Dorpsbestuur, O., -besturen.

Dorpsch.

Dorpsherberg, V., -herbergen.

Dorpskerk, V., -kerken; -kerkje, O., -jes.

Dorpsleeraar, M., -leeraars en -leeraren.

Dorpsschool, V., -scholen.

Dorsch, M.

Dorschdeel, V., -delen.

Dorschen, dorschte, heeft gedorscht.

Dorscher, M., dorschers.

Dorsching, V., dorschingen.

Dorschschuur, V., -schuren.

Dorschtijd, M.

Dorschvlegel, M., -vlegels.

Dorschvloer, M., -vloeren.

Dorst, M.

Dorsten, dorstte, heeft gedorst.

Dorstig, dorstiger, dorstigst.

Dorstigheid, V.

Dos, M.

Dosis, V., dosissen.

Dossen, doste, heeft gedost.

Dot, M., dotten. Dotje, O., -jes.

Douairière, V., douairières.

Douane, V.

Douanekantoor, O., -kantoren.

Douanen (mv.) (de beambten der douane), M.

Douarie, V., douarieën.

Doubleeren, doubleerde, heeft gedoubleerd.

Doublet, O., doubletten. Doubletje, O., -jes.

Douceur, V. Douceurtje, O., -jes.

Douche, V.

Douw, M., douwen. Douwtje, O., -jes.

Dozijn, O., dozijnen. Dozijntje, O., -jes.

Dra.

Draad (voorwerp), M., draden; (stof), O. Draadje, O., -jes.

Draadloos, -looze.

Draadschaar, V., -scharen.

Draadsgewijze en -wijs.

Draadtrekken, O.

Draadtrekker, M., -trekkers.

Draagbaar, V., -baren.

Draagbaar, -bare.

Draagbalk, M., -balken.

Draagband, M., -banden.

Draagboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.

Draaggeld, O., -gelden.

Draagkoets, V., -koetsen.

Draagkorf, M., -korven; -korfje, O., -jes.

Draaglijk, -lijker, -lijkst.

Draagloon, O., -loonen.

Draagriem, M., -riemen.

Draagster, V., draagsters.

Draagstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.

Draagstok, M., -stokken.

Draagvermogen, O.

Draagzadel, M. en O., -zadels.

Draagzeel, O., -zeelen.

Draagzetel, M., -zetels.

Draai, M., draaien. Draaitje, O., -jes.

Draaibank, V., -banken.

Draaibeitel, M., -beitels.

Draaiboom, M., -boomen.

Draaibord, O., -borden.

Draaibrug, V., -bruggen.

Draaien, draaide, heeft en is gedraaid.

Draaier, M., draaiers.

Draaierig, draaieriger, draaierigst.

Draaierij, V., draaierijen.

Draaiing, V., draaiingen.

Draaikap, V., -kappen.

Draaikolk, V., -kolken.

Draaikruk, V., -krukken.

Draaikunst, V.

Draaimolen, M., -molens.

Draaiorgel, O., -orgels.

Draaipen, V., -pennen.

Draaischijf, V., -schijven.

Draaispil, V., -spillen.

Draaispit, O., -spitten.

Draaister, V., draaisters.

Draaistroom, M.

Draaitol, M., -tollen.

Draaiwerk, O.

Draak, M., draken. Draakje, O., -jes.

Draakwortel (plant), V.

Drab en Drabbe, V.

Drabbigheid, V.

Drachme, V. en O., drachmen.

Dracht, V., drachten.

Drachtig.

Dradig, dradiger, dradigst.

Draf (het draven), M. Drafje, O.

Draf (voeder), M.

Dragen, droeg, heeft gedragen.

Drager, M., dragers.

Dragersplaats, V., -plaatsen.

Dragon (kruid), V.

Dragon (kwast), V., dragons.

Dragonder, M., dragonders.

Draineerbuis, V., -buizen.

Draineeren, draineerde, heeft gedraineerd.

Drakenbloed, O.

Drakenboom, M., -boomen.

Drakenkop, M., -koppen.

Drakenkruid, O.

Drakenplant, V., -planten.

Drakenslang, V., -slangen.

Dralen, draalde, heeft gedraald.

Draler, M., dralers.

Drama, O., drama's.

Dramatiek, V.

Dramatisch.

Dramaturg, M., dramaturgen.

Dramaturgie, V.

Drang, M.

Drangreden, V., -redenen.

Drank, M., dranken. Drankje, O., -jes.

Drankaccijns, M., -accijnzen.

Drankbestrijder, M., -bestrijders.

Drankgebruik, O.

Drankjesflesch, V., -flesschen; drankjesfleschje, O., -jes.

Drankmisbruik, O.

Drankwet, V.

Drankwinkel, M., -winkels.

Drapeeren, drapeerde, heeft gedrapeerd.

Drapeering, V., drapeeringen.

Draperie, V., draperieën.

Dras, V.

Dras, drasser, drast.

Drassig, drassiger, drassigst.

Drassigheid, V.

Drastisch.

Draven, draafde, heeft gedraafd.

Draver, M., dravers.

Dravik, V.

Dreef, V., dreven. Dreefje, O., -jes.

Dreet, V., dreten. Dreetje, O., -jes.

Dreg en Dregge, V., dreggen. Dregje, O., -jes.

Dreggen, dregde, heeft gedregd.

Dreigbrief, M., -brieven.

Dreigement, O., dreigementen.

Dreigen, dreigde, heeft gedreigd.

Dreiging, V., dreigingen.

Drek, M.

Drekkig, drekkiger, drekkigst.

Drempel, M., drempels. Drempeltje, O., -jes.

Drenkbak, M., -bakken.

Drenkeling, M. en V., drenkelingen. V. ook drenkelinge.

Drenkelinghuisje, O., -huisjes.

Drenken, drenkte, heeft gedrenkt.

Drenkplaats, V., -plaatsen.

Drenktrog, M., -troggen.

Drenkwed, O., -wedden.

Drent, M., Drenten.

Drente (gewest), O.

Drentelen, drentelde, heeft en is gedrenteld.

Drentenaar, M., Drentenaars en Drentenaren.

Drenzen, drensde, heeft gedrensd.

Dressuur, V.

Dreum, M.

Dreumes, M., dreumessen. Dreumesje, O., -jes.

Dreun, M., dreunen. Dreuntje, O., -jes.

Dreunen, dreunde, heeft gedreund.

Dreuning, V., dreuningen.

Dreutel, M., dreutels. Dreuteltje, O., -jes.

Dreutelaar, M., dreutelaars.

Dreutelen, dreutelde, heeft gedreuteld.

Drevel, M., drevels.

Dribbel, M. en V., dribbels. Dribbeltje, O., -jes.

Dribbelaar, M., dribbelaars.

Dribbelaarster, V., dribbelaarsters.

Dribbelen, dribbelde, heeft en is gedribbeld.

Drie (telwoord). Als znw., V., drieën. Drietje, O., -jes.

Driedaagsch.

Driedeelen, driedeelde, heeft gedriedeeld.

Driedeelig.

Driedekker, M., -dekkers.

Driedik, -dikke.

Driedraadsch.

Driedubbel.

Drieduizendste.

Drieëenheid.

Drieëenig.

Drieërhande.

Drieërlei.

Driegdraad, M.

Driehoek, M., -hoeken; -hoekje, O., -jes.

Driehoekig.

Driehoeksmeting, V., -metingen.

Driehonderd.

Driehonderdste.

Drieklank, M., -klanken.

Driekleur, V.

Driekleurig.

Driekoningen (-dag, M., -dagen; -feest, O., -feesten).

Driekroon, V.

Drieledig.

Drieling, M. en V., drielingen.

Driemaal.

Drieman, M., -mannen.

Driemanschap, O., -schappen.

Driemast, M., -masten.

Driemaster, M., -masters.

Drieponder, M., -ponders.

Driepuntig.

Drieschijfsblok, O., -blokken en -bloks.

Driesprong, M., -sprongen.

Driest, driester.

Driestal, M., -stallen; -stalletje, O., -jes.

Driestemmig.

Driestheid, V., -heden.

Drietal, O., -tallen.

Drievlakshoek, M., -hoeken.

Drievoet, M., drievoeten.

Drievoudig.

Drievuldigheid, V.

Driewerf.

Drift, V., driften.

Driftig, driftiger, driftigst.

Driftigheid, V.

Driftkop, M. en V., -koppen.

Driftzand, O.

Drijfbeitel, M., -beitels.

Drijfhamer, M., -hamers.

Drijfhout, O., -houten.

Drijfijs, O.

Drijfjacht, V., -jachten.

Drijfkracht, V., -krachten.

Drijfrad, O., -raderen.

Drijfsteen, M., -steenen.

Drijftol, M., -tollen.

Drijfton, V., -tonnen.

Drijfveer, V., -veeren.

Drijfzand, O.

Drijnen, drijnde, heeft gedrijnd.

Drijten, dreet, dreten, heeft gedreten.

Drijven, dreef, dreven, is en heeft gedreven.

Drijver, M., drijvers.

Drijverij, V., drijverijen.

Dril (werktuig en klap), M., drillen.

Dril (gestold vleeschnat), V.

Dril (stof), O.

Drilboog, M., -bogen.

Drilboor, V., -boren.

Drilgat, O., -gaten.

Drilkunst, V.

Drillen, drilde, heeft gedrild.

Driller, M., drillers.

Drilmeester, M., -meesters.

Drilplaats, V., -plaatsen.

Drilschool, V., -scholen.

Dringen, drong, heeft en is gedrongen.

Dringend, dringender, dringendst.

Drinkbaar, -bare.

Drinkbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.

Drinkbeker, M., -bekers.

Drinkebroer, M., -broers.

Drinken, dronk, heeft gedronken.

Drinker, M., drinkers.

Drinkerij, V., drinkerijen.

Drinkgelag, O., -gelagen.

Drinkgeld, O., -gelden.

Drinkglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes.

Drinkhoorn en -horen, M., -hoorns en -horens.

Drinkkan, V., -kannen.

Drinklied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.

Drinknap, M., -nappen; -napje, O., -jes.

Drinkpartij, V., -partijen.

Drinkschaal, V., -schalen.

Drinkvat, O., -vaten.

Drinkwater, O.

Droef, droever, droefst.

Droefenis, V.

Droefgeestig, -geestiger, -geestigst.

Droefgeestigheid, V.

Droefheid, V.

Droelen, droelde, heeft gedroeld.

Droes (duivel), M.

Droes (paardenziekte), M.

Droesem, M.

Droevig, droeviger, droevigst.

Droezig, droeziger, droezigst.

Drogen, droogde, heeft en is gedroogd.

Drogerij, V., drogerijen.

Droging, V., drogingen.

Drogist, M., drogisten.

Drogreden, V., -redenen.

Drogredenaar, M., -redenaren en -redenaars.

Drok. Zie Druk.

Drol, M., drollen. Drolletje, O., -jes.

Drollig, drolliger, drolligst.

Drolligheid, V., -heden.

Drom, M., drommen.

Dromedaris, M., dromedarissen.

Drommel, M., drommels. Drommeltje, O., -jes.

Drommels (bijw.).

Drommelsch (bnw.).

Dronk, M., dronken. Dronkje, O., -jes.

Dronkaard, M., dronkaards en dronkaarden.

Dronkelap, M., -lappen.

Dronken.

Dronkenman en Dronkeman, M., -mannen.

Dronkenschap, V.

Droog, droger, droogst.

Droogdoek, M., -doeken.

Droogheid, V.

Droogje, O.

Droogjes.

Drooglat, V., -latten.

Droogleggen, legde en leide droog, heeft drooggelegd en drooggeleid.

Drooglegging, V., -leggingen.

Droogloopen, liep droog, is drooggeloopen.

Droogmachine, V., -machines.

Droogmaken, maakte droog, heeft drooggemaakt.

Droogmakerij, V., -makerijen.

Droogmaking, V., -makingen.

Droogmalen, maalde droog, heeft drooggemalen.

Droogmaling, V., -malingen.

Droogoven, M., -ovens.

Droogpijp, V., -pijpen.

Droogplaats, V., -plaatsen.

Droograam, O., -ramen.

Droogrek, O., -rekken.

Droogscheerder, M., -scheerders.

Droogscheren, O.

Droogschuren, schuurde droog, heeft drooggeschuurd.

Droogschuur, V., -schuren.

Droogstok, M., -stokken.

Droogte, V., droogten.

Droogtouw, O., -touwen.

Droogvoets en Droogsvoets.

Droogzolder, M., -zolders.

Droom, M., droomen. Droompje, O., -jes.

Droombeeld, O., -beelden.

Droomen, droomde, heeft gedroomd.

Droomer, M., droomers.

Droomerig, droomeriger, droomerigst.

Droomerij, V., droomerijen.

Droomgezicht, O., -gezichten.

Droomig, droomiger, droomigst.

Droomuitlegger, M., -uitleggers.

Droopen, droopte, heeft gedroopt.

Drooping, V.

Drop (drup). Zie Drup.

Drop (geneesmiddel), V.

Droppel, Droppelen, enz. Zie Druppel, Druppelen, enz.

Dropsteen (een steen), M., -steenen; (als stofnaam), O.

Drossaard, M., drossaards.

Drossen, droste, is gedrost.

Drost, M., drosten.

Drostendienst, M., -diensten.

Drostschap, O.

Druïde, M., Druïden.

Druif, V., druiven. Druifje, O., -jes.

Druifluis, V., -luizen.

Druil (zeil), M., druilen.

Druil (persoon), M. en V., druilen.

Druilen, druilde, heeft gedruild.

Druiler, M., druilers.

Druilerig, druileriger, druilerigst.

Druilig, druiliger, druiligst.

Druiloor, M., -ooren.

Druilooren, druiloorde, heeft gedruiloord.

Druiloorig, -ooriger, -oorigst.

Druilsra, V., -raas.

Druip, M.

Druipbad, O., -baden.

Druipen, droop, dropen, heeft en is gedropen.

Druiper, M., druipers.

Druipnat, -natte.

Druipneus, M. en V., -neuzen.

Druipoog, M. en V., -oogen.

Druipstaart, M. en V., -staarten.

Druipstaarten, druipstaartte, heeft gedruipstaart.

Druipsteen (een steen), M., -steenen; (als stofnaam), O.

Druischen, druischte, heeft gedruischt.

Druiveblad, O., -bladeren.

Druiveboom, M., -boomen.

Druivenbloed, O.

Druivenkas, V., -kassen; druivenkasje, O., -jes.

Druivenlezen, O.

Druivenlezer, M., -lezers.

Druivenmand, V., -manden.

Druivenmoer, V.

Druivennat, O.

Druivenoogst, M.

Druivenpers, V., -persen.

Druivenrank, V., -ranken.

Druivensap, O.

Druivenschaar, V., -scharen.

Druivensuiker, V.

Druiventreden, O.

Druiventreder, M., -treders.

Druiventros, M., -trossen.

Druivepit, V., -pitten.

Druiveschil, V., -schillen.

Druivesteel, M., -stelen.

Druk, M., drukken. Drukje, O., -jes.

Druk, drukker, drukst.

Drukbal, M., -ballen.

Drukbank, V., -banken.

Drukfeil, V., -feilen.

Drukfout, V., -fouten; -foutje, O., -jes.

Drukinkt, M.

Drukken, drukte, heeft gedrukt.

Drukkend, drukkender, drukkendst.

Drukker, M., drukkers.

Drukkerij, V., drukkerijen.

Drukkersraam, O., -ramen.

Drukkersrol, V., -rollen.

Drukkerswerk, O.

Drukking, V., drukkingen.

Drukkosten (mv.), M.

Drukkunst, V.

Drukletter, V., -letters.

Drukloon, O., -loonen.

Drukpapier, O., -papieren.

Drukpers, V., -persen.

Drukproef, V., -proeven.

Drukschrift, O.

Druksel, O.

Drukte, V., drukten.

Druktelegraaf, V., -telegrafen.

Drukvorm, M., -vormen.

Drukwerk, O., -werken.

Drup en Drop, M., druppen (droppen). Drupje en dropje, O., -jes.

Druppel en Droppel, M., druppels (droppels) en druppelen

(droppelen). Druppeltje en droppeltje, O., -jes.

Druppelen en Droppelen, druppelde (droppelde), heeft en is gedruppeld

(gedroppeld).

Druppeling en Droppeling, V., druppelingen en droppelingen.

Druppelings en Droppelings.

Druppelsgewijze en -gewijs, ook Droppelsgewijze en -gewijs, en

Druppelswijze of Droppelswijze.

Druppen en Droppen, drupte (dropte), heeft en is gedrupt (gedropt).

Dryade, V., dryaden.

D-trein, M.

Dualisme, O.

Dualist, M., dualisten.

Dubbel, ook Dubbeld.

Dubbelaar, M., dubbelaars.

Dubbelen, dubbelde, heeft gedubbeld.

Dubbelhartig, -hartiger, -hartigst.

Dubbelhartigheid, V.

Dubbelpunt, O., -punten (in de wiskunde).

Dubbeltje, O., -jes.

Dubbeltongig, -tongiger, -tongigst.

Dubbelzinnig, -zinniger, -zinnigst.

Dubbelzinnigheid, V., -heden.

Dubbelzout, O., -zouten.

Dubben, dubde, heeft gedubd.

Dubber, M., dubbers.

Dubbing, V., dubbingen.

Dubieus, dubieuzer, dubieust.

Dubio (In -).

Dubloen, M., dubloenen.

Duchten, duchtte, heeft geducht.

Duchtig, duchtiger, duchtigst.

Duel, O., duellen.

Duelleeren, duelleerde, heeft geduelleerd.

Duellist, M., duellisten.

Duet, O., duetten. Duetje, O., -jes.

Duf, duffer, dufst.

Duffel (stof), O.; (jas), M., duffels. Duffeltje, O., -jes.

Duffelsch.

Dufheid, V.

Dufsteen. Zie Tufsteen.

Duidelijk, -lijker, -lijkst.

Duidelijkheid, V.

Duidelijkheidshalve.

Duiden, duidde, heeft geduid.

Duiding, V.

Duif, V., duiven. Duifje, O., -jes.

Duig, V., duigen. Duigje, O., -jes.

Duikelaar, M., duikelaars.

Duikelen, duikelde, heeft geduikeld.

Duikeling, V., duikelingen.

Duiken, dook, doken, heeft gedoken.

Duiker, M., duikers. Duikertje, O., -jes.

Duikerklok, V., -klokken.

Duiking, V., duikingen.

Duim, M., duimen. Duimpje, O., -jes.

Duimbreed, O.

Duimelen, duimelde, heeft geduimeld.

Duimeling, M., duimelingen.

Duimkruid, O.

Duimschroef, V., -schroeven.

Duimstok, M., -stokken.

Duin (zandheuvel), V., duinen; (collectief), O.

Duinaardappel, M., -aardappelen.

Duinachtig, -achtiger, -achtigst.

Duinflora, V.

Duingrond, M., -gronden.

Duinroos, V., -rozen.

Duinwater, O.

Duinwaterijs, O.

Duinwaterkraan, V., -kranen; -kraantje, O., -jes.

Duinwaterleiding, V., -leidingen.

Duinwatermaatschappij, V., -maatschappijen.

Duinzand, O.

Duist, O.

Duister, duisterder, duisterst.

Duisterheid, V., -heden.

Duisterling, M. en V., duisterlingen. V. ook duisterlinge.

Duisternis, V.

Duit, M., duiten. Duitje, O., -jes.

Duitendief, M., -dieven.

Duitsch.

Duitsch, O.

Duitscher, M., Duitschers.

Duitschland, O.

Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden · 第 20 / 49 题