Hoor dezen man, mijn vorst, hoor hem,

en zeg mij dan wat van die heil'ge, zeek're

godenwoorden nu nog geloof verdient!

OEDIPUS:

Wie is die vreemde? en wát is zijn boodschap?

IOKASTE:

Hij is uit Korinthe, en zijn boodschap luidt:

dat Polybos, uw vader, niet meer leeft.

OEDIPUS: Wat?

Zeg dat met uw eigen mond!

DE BODE: Het is zoo, vorst,

hij ging den weg, dien ieder sterf'ling gaat.

OEDIPUS:

Hij stierf door moord? Neen? Niet door moord?

Door ziekte?

DE BODE:

'n Kleine stoot brengt oude liên in 't graf.

OEDIPUS:

Zoo was 't dus door ziekte, dat hij stierf?

DE BODE:

Door ouderdom;

Zijn hooge leeftijd was 't. Hij welkte weg.

OEDIPUS:

O, vrouw! wat heeft men dan voortaan

bij 't Pythische orakel nog te zoeken?

Wát zal men

verder nog op teekens achten,

die niet méér zijn,

dan 't schor gekras van voog'len in de lucht!

Zou ik niet mijn vader dooden?

Hem dekt nu d' aarde,—

hij is niet meer,—

en dat toch zeker niet door mij,

—geen zwaard heb 'k aangeraakt,—òf wel,

hij, moest dan aan mijn wensch gestorven zijn?

Ja, dán had 'k waarlijk schuld toch aan zijn dood.

Zoo is die vloek dan van mijn hoofd genomen,

Polybos nam hem met zich, waar hij ging.

IOKASTE:

Heb ik u dit niet lang geleên voorspeld?

OEDIPUS:

Gij heb 't gezegd, maar ik was gek van angst.

IOKASTE:

Maak u dan nú ook vrij, en lach met alle angst.

OEDIPUS:

Met alle? moet 'k niet altijd nóg mijn moeders huw'lijk duchten?

IOKASTE:

Wát hoeft 'n mensch

te vreezen?

drijft niet

't onzek're lot, 't toeval

hem hier en ginder heen?

kent hij van éenig ding dan

't wezen?

wordt niet met ied'ren speelschen nuk

van 't lot

hij aan zichzelf ontrukt? Bekommer u

dan verder toch om geen orakeltaal!

Slechts leven!

Zorgloos leven!

Hebben dan menschen in hun droomen

niet dikwijls reeds in moeders schoot gelegen?

O, geloof me,

alléén, wie al die dingen luchtig neemt,

verdraagt de last des levens;

wie 't niet doet,

gaat te gronde...

OEDIPUS:

Dat alles klinkt voortreff'lijk, vrouw,

wat gij daar zegt,

zoo slechts mijn moeder niet in leven ware!

zij leeft; dus heb ik angst.

IOKASTE:

Waait van uw vaders graf geen troost u over?

OEDIPUS:

Jawel, maar dat mijn moeder leeft, verdrijft haar.

DE BODE:

Wié is de vrouw, die u met vrees vervult?

OEDIPUS:

't Is Meropé, de vrouw van Polybos.

DE BODE:

En wát is 't, vorst, dat u in haar beangstigt?

OEDIPUS:

'n Gruwlijk woord, mijn vriend, uit godenmond.

DE BODE:

Kunt ge 't mij zeggen? Of mag geen vreemde 't hooren?

OEDIPUS:

Ik kan 't U zeggen. Mij heeft de God te Delphoï

aangezegd:

dat ik mijn moeders schoot ontheil'gen zou,

en met mijn eigen hand mijn vader dooden.

Dát dreef mij van Korinthe weg.—

Dacht gij dan, oude man, ik had

voor niets mij het genot ontzegd,

haar lief gezicht te zien?

DE BODE:

Dit dus, en ánders niet

dreef u weg uit Korinthe?

OEDIPUS:

Was 't niet genoeg?

dít, en mijns vaders moordenaar te moeten worden?

DE BODE:

Zoo haast ik mij, mijn vorst, U snel het woord

te zeggen, dat U van al Uw angst bevrijd,

want daarmee dien ik U 't best.

OEDIPUS:

O, kondt gij 't doen

hóe zou ik U beloonen! beloonen—

DE BODE:

Daar kwam ik voor,

dat gij mijn dienst beloondet—als een koning,—

waart ge in uw huis daarginds teruggekeerd.

OEDIPUS:

Nooit woon ik meer tezâam in 't huis met haar,

die mij het licht deed zien!

DE BODE: Toch niet? Dan weet gij heusch niet,

kind, wat of gij doet.

OEDIPUS: Dan leer 't mij, oude, spreek!

Wat weet ik níet?

DE BODE: Als gij om harentwil

uw huis dáar mijdt.

OEDIPUS: Begrijp mij toch: uìt angst, man,

uit doodelijke angst.

DE BODE: Voor dàt, wat gij

aan haar zoudt kunnen doen?

OEDIPUS: Ja, vader, ja!

DE BODE:

En dat al deze angst om niets is, vorst,

om niets, want Polybos had zelfs geen droppel

bloed met u gemeen.

OEDIPUS: Wát? wát zegt gij daar?

Was Polybos mijn vader niet?

DE BODE: Zoomin

als ìk, die vóor U sta.

OEDIPUS: Wat moet dat, man?

Wáarom dan noemde hij mij zoon?

DE BODE: Weet dan:

als een geschenk kreeg hij u eens van mij,

uit deze hand hier!

OEDIPUS: Uit de hand eens knechts?

en nam mij op, verzorgde mij en had mij lief?

DE BODE:

Dat kwam, doordat hij zelf geen kind'ren had.

OEDIPUS:

'n Vondeling dus? Of hadt gij mij gekocht?

DE BODE:

Een vondeling uit het woudgebergt'

Kitháeron.

OEDIPUS: Hoe kwaamt gij daar?

DE BODE: Als herder;

Ik weidde kudden op den berg Kitháeron.

OEDIPUS:

'n Herder waart ge dus, die luiert met het vee?

DE BODE:

Uw redder was 'k, uw redder, lieve zoon.

OEDIPUS:

Gij vondt mij dáar als zuig'ling en in nood?

DE BODE:

Ja, waarlijk, dát getuigen uw voetgewrichten nog.

OEDIPUS:

Wee mij! wat rakelt gij daar op?

DE BODE: Uw arme

voetjes doorboord, met bloed'ge riemen vast-

gesnoerd, zoó vond ik u. Ik sneed ze⁀u los.

OEDIPUS:

O, smaad'lijk teeken, ontvangen⁀in de winds'len!

DE BODE:

Vandaár hebt gij den naam ook, dien ge draagt.

OEDIPUS:

Nu spreek: was 't mijn vaders of mijn moeders hand,

die dàt mij aandeed, man?

DE BODE: Dat weet ik niet.

Die mij u gaf, moet het 't beste weten.

OEDIPUS:

Die mij u gaf? Gij vondt mij dus niet zelf?

DE BODE:

Neen, heer. Een ánder deed 't. Diè gaf u mij.

OEDIPUS:

Wie was 't? Weet gij 't? Spreek!

DE BODE: Hij zei, hij was 'n knecht

van Laïos.

OEDIPUS: Van Laïos, die hier koning was

vóór mij?

DE BODE: Denzelfden, ja.

OEDIPUS: En leeft die knecht?

Kan men hem laten spreken?

DE BODE (_zich tot de grijsaards wendende_):

Dat moet gij,

kinderen van dit land, wel 't beste weten.

OEDIPUS (_tot de grijsaards_):

Kan iemand onder u mij van dien herder,

dien hij meent, iets zeggen? Spreekt!

EERSTE GRIJSAARD: Ik denk, 't is

geen ander dan de man van 't land, dien gij

al eerder hier ontboden hebt. Ik meen

er is om hem gezonden, vorst. Maar zij

—uw vrouw—kan u dat zeker zeggen.

OEDIPUS (_tot Iokaste_):

Iokaste, 'k bid u, spreek, is hij, om wien

gij zondt, dezelfde, als die man hier meent?

IOKASTE (_door angst gepijnigd_):

Wat weet ik, wien hij meent! 'k hoor niet naar hem.

Sla toch geen acht op wat hij zegt!

OEDIPUS:

Wát? Ik zou

dit hooren, en mijn geboort' in 't duister laten?

Neen, nu of nooit doorgrond ik, wie ik ben.

IOKASTE:

Neen, neen! bij onze liefde, vraag niet verder!

mijn lijden is genoeg!

OEDIPUS: Zijt gij zoo bang

voor wat gij hooren zult? O, wees getroost;

uw bloed onteer ik niet, al blijkt mijn vader,

ja, mijns vaders vaders vader, ook 'n knecht.

IOKASTE:

En nochtans smeek ik: volg, o, volg mijn raad!

OEDIPUS:

Stil! Ik volg dien niet.—Nú wil ik weten!...

IOKASTE:

O, hoor toch!—Om uw bestwil. Hoor naar mij!

OEDIPUS:

Dat bestwil is mij lang reeds tot 'n hel. Ik wil

den herder zien. Den herder wil ik! Brengt dan

geen mensch mij dezen herder hier?

IOKASTE: Wee u,

rampzalig man! Verneem uw afkomst nooit!

(_Zij staat als verstard van schrik_).

OEDIPUS:

Ik wíl haar weten! Troost u, úw bloed blijft rein,

hoé oók het mijne zij! Den herder wil ik!

IOKASTE (_met de handen voor zich uitgestrekt, in huis ijlend_):

Wee, ongelukk'ge, wee!

DE GRIJSAARDS (_zachtjes onder elkander_):

De vrouw!

Zaagt gij de vrouw?

Haar oogen!

O, haar oogen,

waarmee zij zag naar haar man!—

Hebt gij haar oogen niet gezien?

Oedipus!—

OEDIPUS:

Kome er van, wát komen wil!

Mijn oorsprong móet ik kennen.

Weten wil ik,

wáár 'k ben vandaan gekomen,

en waar' 't ook uit het stof.—

Die vrouw is trotsch;

'k geloof, zij schaamt zich over mij.

Maar ik,

ik ben de zoon van vrouw Fortuin,

en mijne magen zijn de maanden,

de wisselende;

die zijn mét mij gegaan, en hebben

mij groot en klein gemaakt.

Wie op zóo'n stamboom roemt,

doorgrondt zijn afkomst.

DE GRIJSAARDS (_onder elkander, zachtjes_):

Misschien zijt gij wel 't kind van 'n god,

die door de wouden dwaalde,

en baarde u éen van zijn gespelen dáár.

Was niet uw vader Pan?

Of Zeus?—

Of wel Apollo?—

Of was 't Bakchos misschien?

Was 't niet Bakchos?—

En heeft niet eene van de nimfjes

op den Hélikon, aan Bakchos u gebaard?

OEDIPUS (_voor zich uitstarend, zonder op hun woorden te achten_):

Dát moet de oude zijn! Den herder meen ik,

dien wij verwachten. 'k Herken in die hem brengen,

de dienaars van mijn huis.

Ziet gij dien man?

Is hij 't?

DE GRIJSAARDS:

Hij is 't! Hij is 't! 't Is deze man!

(_De oude herder komt aarzelend door de orchestra naar voren. Oedipus

vliegt de trappen van de terrassen naar beneden hem tegemoet, vat hem

bij de polsen en ijlt met hem de trappen van de terrassen weer naar

boven, tot waar de bode uit Korinthe is blijven staan. Dan vat hij in

een zich niet kunnen bedwingen van ongeduld, den bode met de rechterhand

vast, en houdt den herder met de linkerhand om den pols gevat; dan

beider lijven naar elkander toebuigend_):

OEDIPUS:

U vraag ik 't eerst, U, vreemd'ling uit Korinthe:

Is dát de man, van wien gij spraakt?

DE BODE:

Dezelfde, vorst.

OEDIPUS (_tot den herder_):

Hoor oude, zie mij aan, en antwoord mij!

Gij waart 'n knecht van Laïos?—

DE HERDER:

Z'n knecht, heer.

Ja, z'n knecht—van mijn geboort' af aan—z'n knecht.

OEDIPUS:

(_In stijgend ongeduld, zijn gezicht met plotselinge rukken van den éen

naar den ander toekeerend, als 't ware nauwelijks bij machte, om de

antwoorden, die hij van tevoren weet, dat komen zullen, af te wachten.

Het is, als wilde hij in 'n razend wilde begeerte het noodlot, dat hij

weet, dat hem beschoren is, als een zwaard zich in de ziel stooten_).—

Wát was de dienst, dien ge in zijn huis verrichtte?

DE HERDER:

Den meesten tijd weidde ik de kudden, heer.

OEDIPUS:

In wèlke streek?

DE HERDER:

Meest op den berg Kithaeron,

of daaromtrent, heer, in de buurtschap daar.

OEDIPUS: Dan kent gij dézen man?

(_Hij grijpt èn den bode èn den ouden herder bij den nek en buigt hunne

hoofden naar elkander toe_).

DE HERDER:

Hóe zou ik, heer?

Wát is dat dan voor een?

OEDIPUS: Wát? Hebt gij nooit

met hem te doen gehad?

DE HERDER: Neen, niet, dat ik mij

dat zoo snel herinn'ren kon, m'n goede heer.

DE BODE:

Dat is geen wonder, vorst, maar ik frisch hem

't geheugen daad'lijk op. Dit móet hij zich—

dat wed' ik—nog herinn'ren, dat wij lang geleên,

elkander troffen, waar op den berg Kithaeron

de groote dalen zijn, de weide-plekken,

en dat wij dáar voor drie half jaren, telkens weer

van 't voorjaar tot den herfst, met onze kudden,

—hij had er twee, en ik slechts één—dat wij

dáar buurlui waren, en als goede vrienden

te zamen huisden, tot de winter kwam,

en ik míjn vee terugdreef naar de stallen,

hij weer met zijn vee ging naar Laïos' huis.

Is 't zoo, of is 't zoo niet?

DE HERDER: Ja, ja, maar het is lang—

heel lang geleden.

DE BODE: En zeg, weet ge dan óok

nog wel, dat gij 'n kind mij destijds gaaft?

DE HERDER: 'n Kind?!—

Wat vraagt ge me daar nu? 'n Kind?

DE BODE: Ja, man, 'n kind,

en dat kind stáat nu hier.

DE HERDER: Vervloekt zij u de tong!

Haal u de pest!

OEDIPUS:

Stil, oude! vloek hem niet.

Niet wat hij zegt, maar wat gij doet, verdient dat.

DE HERDER:

Wat deed ik dan, mijn goede Heer, wát deed ik?

OEDIPUS:

Verlooch'nen wilt gij 't kind, waarnaar hij vraagt.

DE HERDER:

Hij vraagt en zwetst! 't Is zonde van den tijd.

OEDIPUS:

Zegt gij 't gewillig niet, dan dwing ik U.

(_Hij vat hem ruw bij den baard en schudt hem heen en weer_).

DE HERDER:

Mijn goede heer, mishandelt gij uw ouden knecht?

OEDIPUS (_tot den krijgsman_):

Komt hier! Snoert hem de handen op den rug!

DE HERDER:

Waartoe heer?—Ach, waartoe?—Wat wilt gij weten?

OEDIPUS:

Gaaft gij dat kind dien man?

DE HERDER: Ik deed 't, heer.

O, dat ik op dien dag gestorven ware!

OEDIPUS:

Sterven zult gij nog heden, zegt gij de waarheid niet.

DE HERDER:

En zeg ik haar, dan sterf ik tóch!

OEDIPUS: Uitvluchten

zoekt de schurk, en houdt ons op.

DE HERDER: Ik? Heb 'k 't niet

al lang gezegd? Ik gaf 't kind! Ik heb 't hem gegeven.

OEDIPUS:

Wáár kwam dat kind vandaan? Was 't

uw eigen kind? Of was 't een vreemd?

DE HERDER: Mijn eigen

was het niet. Ik kreeg 't van elders.

OEDIPUS: Wáár vandaan?

Van wien, en uit welk huis?

DE HERDER: Niet vragen, heer,

O, vraag niet verder!

OEDIPUS: Een dood man zijt ge,

als ik 't nog éenmaal vragen moet!

DE HERDER: Zoo zij 't!

't kwam uit het huis van Laïos, heer.

OEDIPUS: 'n Kind

van knechten?—Ja?—Of van den koning zèlf?

DE HERDER:

O, schrikk'lijk, om te zeggen, is juist dàt!

OEDIPUS:

Nóg schrikkelijker te hooren, maar het moét.

DE HERDER:

Ze zeiden: 't was 'n kind van hem; uw vrouw,heer,

zegt u dat het best.

OEDIPUS: Zij?

DE HERDER: Zij was er bij, toen hij,

de koning, 't mij gaf.

OEDIPUS: 't u gaf? En met welk doel?

DE HERDER:

Dat ik 't dooden zou.

OEDIPUS: 't Dooden? 't eigen kind?

DE HERDER:

Zij vreesden voor wat Phoibos had voorspeld.

OEDIPUS:

Wát was 't?

DE HERDER: Dat 't z'n eigen vader dooden zou.

OEDIPUS:

En gij gaaft 't toen weg?—aan hèm?

DE HERDER: Uit meêlij, heer,

uit meêlij! Dat hij 't naar elders brengen zou.

Maar áls gij nu—als gíj dat kind zijt, dán

—dan bij de goôn—heb ik u toen gespaard,

om u aan 'n veel gruwelijker noodlot

prijs te geven, heer!

OEDIPUS: Zóo komt dan alles uit!

Zóo gaat dan álles in vervulling, wat god

Phoibos heeft voorspeld! O, Licht! 't is voor het laatst,

dat ik u zie! Vervloekt als kind, nog eér

het was geboren! vervloekte moordenaar!

óveral vervloekt!

(_Hij vliegt door de deuren in 't paleis_).

DE GRIJSAARDS (_komen naar voren, blijven langen tijd zonder iets te

zeggen, staan. Uit het paleis klinken stemmen_).

EERSTE GRIJSAARD:

Weet gij nog, hoé hij kwam?—

Als aan een god,

brachten wij hem onzen groet.

Weet gij 't nog?—

Herakles! Perseus! Orpheus!

noemden wij hem

bij zijn verschijnen.—

Weet gij 't nog?—

Hoe straalde de dag,

toen wij hem brachten

onze koningin en de kroon.—

Hoe glansde de nacht,

toen hij zich vlijde ter ruste

met haar in 't pàleis.—

Weet gij, met wie

hij zich vlijde ter ruste?

Weet gij 't?—

Wee!—

(_Uit het paleis klinkt weegeklag, als gaf 't antwoord op het weegeroep

der grijsaards_).

DE GRIJSAARDS.

EERSTE GRIJSAARD:

Hoe kon 't rustbed hen dragen?

Lag niet de doode daarop?

Laios!

ALLE GRIJSAARDS (_gezamenlijk, dof herhalend_):

Laios!

Hoe lang dachten wij niet meer aan hem!

Nu is hij er weer!

Wee! Wee!

(_Uit het paleis klinkt het weegeroep sterker thans, het weegeklag van

de grijsaards overstemmend. Plotseling worden de bronzen deuren wijd

opengeslagen en de meisjes en vrouwen uit Iokaste's gevolg stormen in

wilden ren—de een na de ander 't paleis uit naar buiten. Zij

verspreiden zich op de trappen_).

DE VROUWEN (_verdeeld_):

Dood!—Dood!—De koningin is dood!

EERSTE:

Zich zèlf!

TWEEDE:

Met hare eigen handen!

DERDE (_zich aan de tweede vastklemmende_):

O, zeg niet,

hóe zij 't gedaan heeft!

EERSTE: Ik was in 't vertrek,

daár, waar het rustleger staat—ik spreidde er

de dekken—daar vliegt de deur eensklaps open,

en zij komt binnen—mij ziet zij niet—zij ziet

slechts den doode—haar eersten man—den koning Laios;

zij spreekt met den doode,—maar tevens schijnt

nog een ànder daar bij haar te zijn—de zoon,

met wien zij óok lag op dat leger, kind'ren

hem barend—daár—waar zij eerst hèm zelven

gebaard had—hèm—plots'ling grijpt zij—grijpt, en

vattend haar gordel, rukt zij dien af—

en los hem sling'rend—zóo—uit de hand—vrij—draait

ze⁀er 'n strik van—O, haar gezicht—hoe 't straalde,

toen zij 't 'n strik zag worden—

ENKELE VROUWEN (_verdeeld_): Spreek 't niet uit!

Zeg niet, wát tóen gebeurde!

EERSTE (_zich het gezicht verhullende_):

Ik zeg 't niet.

TWEEDE:

Híj vond haar daar later zóo—híj!

VIERDE:

Oedipus!—

Hij kwam in huis—nooit van m'n leven wil 'k

nóg eens 'n mensch zóo zien loopen met zóo'n gezicht,

als zijn gezicht was!

TWEEDE:

Nooit—bij de goden—wil 'k

zoo'n stem wéer hooren, als de stem was, waarmee

hij riep door 't huis: Wáár is mijn vrouw, neen, niet

mijn vrouw, mijn moeder! Wáár is mijn moeder?

VIERDE:

Wij gaven geen antwoord, maar hij—

TWEEDE:

Hij vindt

den weg als van zelf—zoo schijnt 't,—en met 'n gìl,

als waren honderd wilde dieren losgebroken,

komt hij, en stoot de deur, wijd open,—dáár—

moesten dan onze arme, arme oogen

de vrouw zien hangen.

VIERDE:

Uit den strik maakt hij

haar lichaam los en legt haar zachtjes op den grond.

TWEEDE:

En dan neemt hij haar zacht de gouden spangen

van haar kleed, de priemen, waarmee 't kleed werd

vastgehouden, en spreekt, en wij staan daar

en weten niet, tot wien, niet tot den doode,

en ook niet tot ons, maar allen hooren wij 't:

„nooit zaagt gij”—zegt hij,—„nooit zaagt gij, wat ik deed,

„noch, wat ik leed, noch wie er vóór mij stond,

„zoo zij 't voor u ook verder nacht” en heft—z'n oogen,

tot z'n oogen spreekt hij,—en heft de handen,

beide handen, met de spangen, en boort ze

diep in beide oogen, in zijne levende oogen boort hij ze,

dat hem 't bloed over de wangen gutst,

en heel 't gezicht bemorst.

(_Onrust merkbaar in het paleis_).

DE EERSTE (_is naar achter geloopen en komt nu weer naar voren_):

Zij kunnen hem niet houden!

Hij schreeuwt: de deuren moeten open, ál 't volk

moet komen, om den man te zien, die eerst

zijn vader doodde, en dan zijn moeder—

ALLE VROUWEN: Zeg 't niet!

DE EERSTE (_bedekt zich den mond_):

Mijn mond zegt 't niet!

(_Het geraas uit 't paleis komt nader en nader. De vrouwen loopen terug

en vormen een doorgang aan weêrszij van de paleisdeuren. Van ontzetting

rekken allen de armen hoog in de lucht en sluiten zij de oogen. Oedipus

komt door de bronzen paleisdeuren naar buiten gestormd, met verwarde

haren en met bloed beloopen oogen, die door een doek ter halverwege

worden bedekt. Hij loopt met zoo haastige stappen de trappen af, dat

twee dienaars, die hem trachten vast te houden, ternauwernood bij hem

kunnen blijven. Achter hem aan andere dienaars en gewapenden._

_De grijsaards wijken bij zijn komst verder terug_).

DE GRIJSAARDS:

Wij vragen niet meer—wij richten niet meer—

ons denken staat stil,—het ontzet ons!

OEDIPUS:

Ach! ach! ach! Wáár gaan mijn klachten heen? Wie vangt ze op?

Verwaaien ze in den wind?

Noodlot, waar voert gij mij heen?—

DE GRIJSAARDS (_fluisterend_):

Naar 'n leed zóo afgrijslijk, dat geen oog 't kan zien!

OEDIPUS:

Duisternis! Eeuwig—oneindig—ondenkbaar—

onoverwindbaar! Geen naam, die u noemt!

Wee mij! Wee! O, in mijn oogen,

hoe branden die wonden!

maar feller nog vlijmen

de dolken van 't denken mij in 't gemoed!

DE GRIJSAARDS:

Tweevoud is ons lijden—zóo zijn wij geschapen.

OEDIPUS (_de grijsaards naderend_):

Ach! Gij nog hier, gij toeft nog bij den blinden man?

Wee mij!

DE GRIJSAARDS (_op hun beurt Oedipus naderend_):

Wie heeft uw hand den weg gewezen

naar uw oogen,

toen gij hen 't licht ontroofdet,

Oedipus?

OEDIPUS:

Apollo was 't.

Apollo heeft dit gruwlijk lot

mij opgelegd.

Maar aan mijn oogen deden mijn handen 't werk.

Daar was geen god bij noodig, om te helpen.

Wien moet ik dan nog zien?

Moet 'k omlaag mijn vader aanzien,

als hij mij tegentreedt?

of wel mijn kinderen?

Moet 'k aan hún blikken dan míjn blikken binden,

en met hen 'n ondenkbaar wreed

gesprek aanvangen

oog in oog? Neen,

voert mij weg van hier!

Jaagt deze pestbuil hier vandaan.

Stoot hem van hier,

verjaagt hem,

werpt hem uit, den man,

die druipt van alle hemelsvloeken!

DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):

Ik wilde, 'k had u nooit, neen nooit gekend!

OEDIPUS (_zachter_):

Wat ik misdaan heb aan mijn moeder, misdaan heb

aan mijn vader, boet mijn leven niet.

(_voor zich heen, somber_):

Ach, bruiloft! huw'lijk! nacht'lijk zaad, in 't licht

geschoten, de zoons des vaders broeders,

dochter, ach, zusters! Geen naam, die 't noemt. Verbergt!

mij toch in 't donkerst woudgebergte! Slaat mij

terneer!—Werpt van de rots mij af!—Jaagt mij

van hier! daarheen!—daarheen, vanwaar geen sterfling keert!

Vernedert u, mij aan te vatten! O, vreest niets!

Hierbinnen bruist 'n zee van leed; er vloeit niets over!

(_Kreon komt uit 't paleis met gevolg. Hij draagt mantel en kroon_).

DE GRIJSAARDS:

Beslissen moet in wat ge⁀ons smeekt, vorst Kreon.

Hij voert 't bewind nu over 't land. Hij komt.

OEDIPUS (_zacht_):

Wát zeg ik nu tot Kreon?

KREON: Oedipus, niet

om te spotten met uw leed kom ik, nu gij

zoo diep rampzalig zijt, maar schaamt gij u

al niet voor 't oog der menschen, schaam u toch voor

den god, die over ons zijn heilig aanschijn licht,

voor Helios,

en toon hem niet dit wezen

zonder naam, dit gruw'bre, waaraan d'aard'

geen wijkplaats biedt, omdat zij niet beroerd

wil wezen van z'n lijf, noch 't licht hem wil

beloopen met z'n stralen, en ook de regen

hem niet zeeg'nen wil. Wij echter zijn uw bloed.

Ons is het daarom opgelegd, met u in huis

te zijn, uw lijden aan te zien, het te verlichten.

OEDIPUS:

O, Kreon, gij zijt goed! Hóe vriendelijk

spreekt uw mond tot mij, den boozen Oedipus—

maar, ach, ik smeek, verleen me een gunst! één gunst!

KREON:

Om wélke gunst verzoekt mij Oedipus?

OEDIPUS:

O, stoot mij weg, snel weg, dáarheen, waar nooit

een menschenstem mij meer bereiken kan!

KREON:

't Waar' reeds gebeurd, moest ik niet eerst opnieuw

den wil des gods vernemen.

OEDIPUS: O, vraag hem niet!

Verniet'gen wil hij, wie zijns vaders bloed vergoot.

Verniet'gen! Anders niet.

KREON:

Zoo sprák de god,

toen wij in 't duister tastten.

Nú is het licht.

Niemand doorgrondt den god!

Ik wacht en vraag.

OEDIPUS:

Alwéder vragen?

KREON: Gelooft gij nóg niet,

in de goden, Oedipus?

OEDIPUS: In uwe hand

is alles nu gelegd;

ook 't and're Kreon.

De zorg voor 't lijk daarbinnen rust op u.

Laat het begraven worden, zooals gij 't wilt.

Maar 'k smeek u, Kreon, o, gedoog het niet,

dat mij de stad nog langer herberg geeft. Laat

mij op den Kithaeron huizen. Dat 's mijn oord.

Hebben mijn ouders mij, als kind, dien berg

tot een vroegtijdig graf niet aangewezen?—

En tóch, één zekerheid leeft in mijn ziel: mij doodt

geen ziekte, en geen worp van 't toevalspel:

Iets anders, iets verschrik'lijks, niet te noemen,

staat nog voor mij in 't donkere toekomst'ge.

Dat mist mij niet. Neem 't noodlot dan met mij

den loop, dien 't wil. Erbarm u, Kreon over

mijne kinderen. Bedenk het, Kreon,

zij aten nooit hun brood van mij gescheiden:

zij zijn gewend, dat dit arm mensch, hun vader,

zijn bete met hen deelt. Neem ze in bescherming

Kreon, en laat mij eenmaal nog hun wangen streelen.

(_Op een wenk van Kreon worden twee van de kinderen van Oedipus, twee

meisjes, uit den kring van de dienaars naar voren geleid, naar

Oedipus_).

OEDIPUS:

Ik hoor ze! 'k hoor hun schreien! O, hebt ge

zooveel meêlij, Kreon, is 't wáár? Hebt gij

ze naar mij toegestuurd?

KREON: Den vroeg'ren tijd

herdenkend, deed ik 't, Oedipus.

OEDIPUS: O, wees

gezegend daarvoor! En hoed u voor den

daemon op uw weg, dien ik niet heb geacht.

Wáár zijt gij, kind'ren? Komt bij uw vader!

Zijn oogen zien u niet. Hun licht heb ik me

uitgeweend met deze handen hier.

Wee, meisjes! bitter, bitter is uw lot!

Wie neemt u zich tot vrouw? wie waagt, zoo'n smaad

zich op den hals te halen met uw bruidsgift?

Liggen niet alle vloeken dezer wereld

op uw hoofd? Uw vader sloeg zijn vader dood,

dán kwam hij hier zijn moeder vrijen,

en dezelfde schoot, die hem gedragen had,

droeg daarna u, daaraan had hij z'n vreugd,

z'n vadervreugd.—Wié zal bij u zich kind'ren

willen wekken? Geen mensch ter wereld! Niemand!

Onvruchtbaar kwijnt ge weg; vergeefs geleefd,

vergeefs geboren, leeg blijft uw bestaan.—

Kreon, zij hebben niemand op de wereld

buiten u; niet dood, neen; méér dan dood,

—vernietigd—is hun vader; hun moeder

leeft niet meer; laat, vorst, hen niet ronddolen

door 't land, laat hen niet beed'len, vorst! Beloof

mij dit! Zij zijn uw bloed! Laat mijne hand

aan d'uwe mogen raken, dat ge 't mij belooft.

Kreon, uw hand den armen Oedipus.—

KREON:

Genoeg! Laat 't jammeren uit zijn!

Kom in huis!

Zorg voor 'n dak. De zon stijgt hooger.

OEDIPUS:

Stijgt hij?

Wee mij, Kreon, zend mij dan weg van hier!

zend mij van hier!

KREON:

Waarheen? Uit 't land?

OEDIPUS:

Van hier!

KREON:

De goden moeten U die gunst verleenen.

OEDIPUS:

Wee mij! Wee mij!—Mij haten alle goden!

KREON:

Als zij u waarlijk haten, staan zij 't toe.

OEDIPUS:

Maar gij?

KREON:

Ga dan en laat de kind'ren los.

OEDIPUS:

Neen, neen! Neem die mij niet!

KREON:

Hoopt ge dan altijd nog op 's levens winst?

Bleef iets U trouw van ál, wat gij bezat?

OEDIPUS:

O, volk van Thebe, _dit_ is Oedipus, die groot

was onder u, en veel benijders vond.

Laat dus 'n mensch zijn laatsten dag verbeiden

in stilte—héel in stilte.

DE GRIJSAARDS EN HET VOLK:

(_Vol ontzetting terugdeinzend van den door hunne rijen zich een weg

tastenden Oedipus_:)

Oedipus!

~EINDE.~

TOONEELSPELEN

VERSCHENEN IN DE TOONEELBIBLIOTHEEK, WERELDBIBLIOTHEEK EN NEDERLANDSCHE

BIBLIOTHEEK

_a_. NEDERLANDSCHE.

N. B. INA BOUDIER-BAKKER, #'t Hoogste Recht# (4 bedrijven).

Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40

N. B. J. F. E. CELLIERS, #Liefde en Plig# (4 bedrijven).

Ing. f 0.20; geb. f 0.40

T. B. SUZE LA CHAPELLE-ROOBOL, #Een Boete# (3 bedrijven).

Ing. f 0.25; geb. f 0.40

T. B. J. EVERTS,# De Verleider# (1 bedrijf). Ing. f 0.25; geb. f 0.40

Koning Oedipus, van Sophocles: tragedie · 第 2 / 3 段