III.

Toen kwam als een donderslag door Laboewangi het gerucht varen, dat Van

Oudijck en zijn vrouw zouden scheiden. Léonie ging naar Europa, heel

plotseling, eigenlijk zonderdat iemand wist waarom en zonder van iemand

afscheid te nemen. En het was in het stadje een groot schandaal, men

sprak over niets anders, men sprak er zelfs over tot in Soerabaia, tot

in Batavia. Alleen Van Oudijck zweeg er over, en, alleen wat dieper

gebogen zijn rug, ging hij voort, werkte hij door, leefde hij zijn

gewoon leven. Hij had, ontrouw aan zijn principe, Theo aan een

betrekking geholpen, om hem kwijt te zijn. Hij had maar het liefst, dat

Doddy logeerde op Patjaram, waar de dames de Luce haar zouden helpen

met haar uitzet. Hij had maar het liefst, dat Doddy gauw trouwde, en

trouwde te Patjaram. In zijn groot, leêg huis wilde hij nu maar de

eenzaamheid, de immense ongezellige eenzaamheid. Hij liet niet meer

voor zich dekken: men bracht hem maar een bordje rijst, een kop koffie,

in zijn kantoor. En hij voelde zich ziek, zijn ijver verslapte: een

onverschilligheid, dof, kankerde in hem vast. Op Eldersma drukte neêr

al het werk, geheel het gewest, en toen Eldersma, na in weken niet te

hebben geslapen, en dol van ontzenuwing, den rezident zeide, dat de

dokter hem met een spoedcertificaat naar Europa wilde zenden, ontviel

Van Oudijck alle moed. Hij zeide, ook hij voelde zich ziek, op. En hij

vroeg verlof aan den Gouverneur-Generaal, hij ging naar Batavia. Hij

zeide er niets van, maar hij was zeker te Laboewangi niet meer terug te

keeren. En hij ging weg, stilletjes, zonder een blik naar achteren,

naar zijn groot arbeidsveld, waar hij eens met zooveel liefde geschapen

had een geheel. Het bestuur bleef in handen van den assistent-rezident

te Ngadjiwa. Men dacht algemeen, dat Van Oudijck den

Gouverneur-Generaal wilde spreken over eenige belangrijke kwestie’s,

maar plotseling kwam het bericht, dat hij zijn ontslag wilde nemen. Men

geloofde er eerst niet aan, maar het gerucht werd bevestigd. Van

Oudijck kwam niet meer terug.

Hij was gegaan, zonder een blik naar achteren, in een vreemde

onverschilligheid, een onverschilligheid, die langzaam had doorziekt

zijn levensmerg van eerst zoo krachtigen en praktischen en altijd

arbeidjeugdigen man. Hij voelde die onverschilligheid voor Laboewangi,

dat hij eerst had gedacht nooit dan met het grootste heimwee te zullen

moeten verlaten—zoo hij gepromoveerd werd tot rezident eerste-klasse:

hij voelde die onverschilligheid voor zijn huiselijken kring, die niet

meer bestond. Een zacht verwelken, verflauwen, wegsterven was in zijn

ziel. Het was hem of al zijne krachten versmolten in de stilstaande

lauwte van die onverschilligheid. In Batavia plante-leefde hij wat in

een hôtel, en men dacht algemeen, dat hij naar Europa zoû gaan.

Eldersma was al weg, doodziek, en Eva, met den kleinen jongen, had hem

niet kunnen vergezellen, omdat zij aan zware malaria-koortsen leed.

Toen zij eenigszins herstellend was, hield zij vendutie, en zoû zij

naar Batavia gaan, er een drie weken logeeren bij kennissen, vóor haar

boot vertrok. Zij verliet Laboewangi met zeer gemengde gevoelens. Zij

had er veel geleden, maar zij had er ook veel nagedacht, en zij had er

een diep gevoel gekoesterd, voor Van Helderen—een zoo zuiver en

glorieus gevoel—als zij dacht, dat maar éens straalde in een leven. Zij

nam afscheid van hem als van een gewoon vriend, te midden van anderen,

en het was niet anders dan een handdruk, dien zij hem gaf. Maar een zoo

diepe melancholie was in haar, om dien handdruk, om dat banale woord

van vaarwel, dat de snikken haar stegen in de keel. Dien avond, alleen,

weende zij niet, maar in haar hôtelkamer staarde zij uren stilzwijgend

voor zich uit. Haar man, ziek, weg.... zij wist niet hoe zij hem terug

zoû zien, òf zij hem terug zoû zien. Europa, daarginds—na hare Indische

jaren—breidde zijn kusten wel lachend voor haar uit, deed opdoemen zijn

steden, zijne beschaving, zijn kunst—maar zij was bang voor Europa. Een

stille angst, dat zij intellectueel zoû achteruit gegaan zijn, deed

haar bijna vreezen, voor den kring in het huis harer ouders, waar zij

over vier weken terug zoû zijn. Eene beving, dat men haar ver-Indiescht

zoû vinden, in hare manieren en ideeën, in haar spraak en haar

kleeding, in de opvoeding van haar kind, maakte haar van te voren

verlegen, haar, met al hare bravoure, van elegante, artistieke vrouw.

Zeer zeker was zij in haar pianospel achteruit gegaan: zij zoû in Den

Haag niet meer durven spelen. En zij dacht, dat het goed zoû zijn een

paar weken in Parijs te blijven, om zich wat te ontbolsteren, voor zij

in Den Haag zich vertoonde....

Maar Eldersma was te ziek.... En haar man, hoe zoû men hèm vinden,

veranderd—haar frissche, Friesche man, afgebeuld, uitgeput, geel als

perkament, nonchalant in zijn uiterlijk, somber mopperend in al zijn

uitingen.... Maar een zacht vizioen van frissche Duitsche natuur, van

Zwitsersche sneeuw, van muziek te Bayreuth, van kunst in Italië, dauwde

voor haar starenden blik, en zij zag zich met haar zieken man samen.

Samen niet meer in liefde, maar samen onder het juk van het leven, dat

zij nu eens samen hadden opgenomen.... Dan de opvoeding van haar kind!

O haar kind te redden van Indië, voor Indië! En toch, hij, Van

Helderen, hij was nooit uit Indië geweest. Maar hij, hij was, die hij

was, en hij was een uitzondering.

Zij had hem vaarwel gezegd.... Zij moest hem vergeten. Europa wachtte

haar, en haar man, en haar kind....

Een paar dagen later was zij te Batavia. Zij kende Batavia

ternauwernood; jaren geleden was zij er enkele malen geweest, toen zij

uitkwam. In Laboewangi, in den uithoek harer kleine rezidentie-plaats,

was Batavia langzamerhand in hare verbeelding verheerlijkt tot de zeer

Europeesch-oriëntalische hoofdplaats, centrum van

Europeesch-oriëntalische beschaving: onduidelijk vizioen van

majestueuze lanen en pleinen, waarom de groote villa’s zich rijk

pilaarden, waarlangs de elegante equipages zich verdrongen... Zij had

altijd zooveel gehoord van die luxe van Batavia. Zij logeerde er nu bij

vrienden: hij, chef van een groot handelshuis, hun huis een der mooiste

villa’s van het Koningsplein. En dadelijk had haar, heel vreemd,

getroffen, het funèbre, de doodsche melancholie van die groote

villa-stad, waar duizenderlei bestaan als in een zwijgen koortsachtig

voortijlt naar een toekomst van geld en rust. Het was of al die huizen,

somber, trots hunne witte zuilen, hunne façaden van grootschheid, als

gezichten vol zorg fronsten met een beslommering, die zich verbergen

wilde achter het voornaam doen van breede bladeren en palmgroepen. De

huizen, hoe doorzichtig ook, tusschen hunne zuilen, hoe open ook,

schijnbaar, bleven gesloten; de menschen waren steeds onzichtbaar.

Alleen des morgens, boodschappen doende langs de winkels van Rijswijk

en Molenvliet, die, met eenige Fransche namen, poogden den indruk te

maken van zuidelijke winkelstad, van Europeesche elegance, zag Eva de

exode der witte mannen naar de Stad: wit van gelaatskleur, wit van

kleedij en als blank van blik, blank van zorgend peinzen, den verren

blanken blik vol zorg en peinzing van een ieder gericht op die

toekomst, die zij uitrekenden met enkele tientallen of vijftallen van

jaren: op dat en dat jaar, zooveel binnen, en dan weg, uit Indië weg,

naar Europa. Het was als een andere koorts dan de malaria, die hen

sloopte, en die zij zóo slopen voelde hunne nooit geacclimatizeerde

lichamen, hunne nooit geacclimatizeerde zielen, dat zij als dien dag

voorbij hadden willen loopen naar den dag van morgen, den dag van

overmorgen,—dagen, die hun iets dichter brachten hun doel, omdat zij in

stilte angstig waren te sterven vóor dat doel was bereikt. De exode

vulde de trammen met hare witte doodschheid: velen, vermogend al, maar

nog niet rijk genoeg voor hun doel, reden in hunne mylords en buggy’s

tot de Harmonie, namen daar den tram, om hun paarden niet te vermoeien.

En in de Oude Stad, in de oude notabele woningen der eerste Hollandsche

kooplieden, nog gebouwd op de vaderlandsche wijze, met eikenhouten

trappen naar verdiepingen, nu in de Oostmoesson, vol hangende van een

dikke benauwende warmte, als een tastbaar element, dat niet te

doorademen was, bogen zij zich over hun werk, ziende tusschen hun

dorstigen blik en de witte woestijn hunne papieren, steeds de dauwende

fata-morgana van die toekomst, de lavende oaze van hunne

materialistische hersenschim: binnen zooveel tijd geld en dan weg,

weg.... naar Europa.... En in de villastad rondom Koningsplein, langs

de groene lanen, verscholen zich de vrouwen, bleven onzichtbaar de

vrouwen, den heelen langen, langen dag. De warme dag ging voorbij, het

uur van weldadige koelte kwam, het uur van halfzes tot zeven: de

mannen, doodmoê, kwamen terug in hun huizen, en rustten er uit, en de

vrouwen, moê van hare huishoudingen, hare kinderen en van niets, van

het leven van niets, het leven zonder belang, moê van de doodschheid

van haar bestaan, rustten er uit naast de mannen. In het uur van

weldadige koelte was het de rust, de rust na het bad, in négligé, om

het theeblad; de korte rust éen oogenblik, want angstig naderde het uur

van zeven—wanneer het al donker werd—en wanneer men naar een receptie

moest. Een receptie, dat was het zich warm aankleeden in Europeesch

toilet, dat was het verschrikkelijke uur van Europeesch even meêdoen

met salon-beschaving en wereldschheid, maar dat was toch ook ontmoeten

die en die, en een pas verder pogen te komen, tot de fata-morgana van

de toekomst: tot geld en tot eindelijke rust, in Europa. En nadat de

villastad in de zon den geheelen dag was somber geweest, en doodsch, en

als uitgestorven,—de mannen ginds in de oude stad, de vrouwen verborgen

in hare huizen—kruisten nu in den donker om Koningsplein en langs de

groene lanen zich enkele equipages, enkele Europeesch uitziende

menschen, die gingen naar een receptie. Terwijl om Koningsplein en aan

de groene lanen alle de andere villa’s bleven volharden in hare funèbre

doodschheid en zich vol sombere duisternis vulden, glom het huis, waar

receptie was, van lampen tusschen de palmen. En verder bleef de

doodschheid overal, bleef alom de sombere peinzing liggen over de

huizen, waarin zich verscholen de moede menschen: de mannen, afgebeuld

van werk, de vrouwen, afgebeuld van niets....

—Wil je niet wat toeren, Eva? vroeg hare gastvrouw, mevrouw De

Harteman, een Hollandsch vrouwtje, wit als was, en altijd moê van haar

kinderen. Maar ik ga liever niet meê, als je het me niet kwalijk neemt:

ik wacht liever op Harteman. Anders vindt hij zoo niemand thuis. Ga jij

dus, met je kleinen jongen.

En Eva, met haar ventje, toerde in de „wagen” van De Harteman. Het was

het koele uur van licht. Zij ontmoette twee, drie rijtuigen: dat waren

mevrouw die en mevrouw die, van wie het bekend was, dat zij ’s middags

toerden. Zij zag op het Koningsplein een heer en een dame wandelen: dat

waren die en die: die wandelden altijd, dat was bekend in Batavia.

Verder ontmoette zij niemand. Niemand. In het weldadige uur bleef de

villa-stad doodsch als een stad van gestorvenheid, als een immens

mauzoleum tusschen groen. En als een weldadigheid, na de verpletterende

warmte, toch, breidde zich als een reuzeweide uit het Koningsplein,

waar het verschroeide gras met de eerste regens begon te groenen, de

huizen, zóo ver af, zóo ver verschietende in hun dichte tuinen, dat het

was als buiten, als bosch en veld en weide, met die wijde lucht

erboven, waarin de longen nu adem zwolgen, alsof zij voor het eerst,

dien dag, zuurstof zogen en leven: die wijde lucht, iederen dag als een

andere weelde van tinten, een overdaad van zonsondergang, een glorieus

sterven van den blakenden dag, of de zon zelve stuk brak in vloeizeeën

van goud tusschen lila dreigingen van regen. En het was zoo wijd en zoo

heerlijk, het was zoo een immense weldadigheid, dat het waarlijk

troostte voor dien dag.

Maar niemand, die het zag, dan de twee, drie menschen, van wie het

bekend was, in Batavia, dat zij toerden of wandelden. Het schemerde

paarsch, de nacht viel met een zware schaduw neêr, en de stad, die den

geheelen dag doodsch was geweest, met haar frons van sombere peinzing,

sliep moê in als een stad van zorg....

Het was vroeger anders, zei de oude mevrouw De Harteman, de

schoonmoeder van Eva’s vriendin. Nu waren ze er niet meer, de gezellige

huizen met hun Indische gastvrijheid, met hun open tafel, met hun

oprechte hartelijkheid van ontvangst. Want het karakter van den

kolonist was als veranderd, als versomberd door het omslaan der kansen,

door de teleurstelling, dat hij niet spoedig zijn doel bereikte: zijn

materialistisch doel van rijkdom. En in die bitterheid scheen het, dat

zijne zenuwen zich ook vernijdigden; zooals zijn ziel versomberde,

verslapte zijn lichaam en bood het geen weêrstand aan het vernietigende

klimaat....

En Eva vond niet in Batavia de ideale stad van Europeesch-oriëntalische

beschaving, die zij zich Batavia gedacht had in den Oosthoek. In dit

groote centrum van zorg om geld, van verlangen naar geld, was alle

spontaneiteit verdwenen en versufte het leven tot een zich eeuwig

opsluiten in kantoor of in huis. Men zag elkaâr alleen op de

receptie’s, en verder besprak men elkaâr door de telefoon. Het misbruik

van de telefoon voor huiselijk gebruik doodde alle gezelligheid

tusschen kennissen. Men zag elkaâr niet meer, men hoefde zich niet meer

te kleeden en het rijtuig—de wagen—te laten inspannen, want men

cauzeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbroek en

kabaai, en zonder zich bijna te bewegen. De telefoon was vlak bij de

hand en door de achtergalerij tjingelde telkens het belletje. Men belde

elkaâr op om niets, alleen om het pleizier te bellen. De jonge mevrouw

De Harteman had een intieme vriendin, die zij nooit zag en iederen dag,

gedurende een half uur lang, besprak door de telefoon. Zij ging er bij

zitten, zoo vermoeide het haar niet. En zij lachte en schertste met

haar vriendin, zonder zich behoeven te kleeden en zonder zich te

bewegen. Zoo deed zij met andere kennissen ook: zij maakte hare

visite’s door de telefoon. Zij bestelde hare boodschappen door de

telefoon. Eva, in Laboewangi niet gewend aan dat eeuwig getjingel en

telefoongebel, dat alle conversatie doodde, dat in de

achtergalerij—luid op—de helft van een gesprek—het antwoord onhoorbaar

voor wie er verder zaten—klinken liet, als een onophoudelijk eenzijdig

gerammel, werd er zenuwachtig om en ging naar hare kamer. En in de

saaiheid van dit leven, vol zorg en inwendige peinzing, voor den man,

waardoor rammelde de telefoon-causerie van zijn vrouw, was het voor Eva

een verrassing in eens te hooren van een bizondere opwekking: een

Fancy-fair, repetities voor een dilettanten-opera-voorstelling. Zij

woonde er zelve een bij in die weken en het verbaasde haar: de waarlijk

zeer goede uitvoering, als gedaan met een kracht der wanhoop dier

muzikale dilettanten, om de verveling der Bataviasche avonden te

verdrijven.... Want de Italiaansche opera was weg, en zij moest lachen

om de rubriek: publieke vermakelijkheden, in de Javabode, onder welke

vermakelijkheden meestal geen andere keuze was te doen dan uit drie,

vier vergaderingen van aandeelhouders. Dat was vroeger ook anders,

zeide dan de oude mevrouw De Harteman, die zich voor vijf-en-twintig

jaren geleden wel herinnerde de uitstekende Fransche opera, die wel

duizenden eischte, maar waarvoor de duizenden altijd beschikbaar waren.

Neen, de menschen hadden geen geld meer om zich ’s avonds te amuzeeren:

zij gaven soms een heel duur diner, of zij gingen naar een vergadering

van aandeelhouders. Waarlijk, Eva vond het te Laboewangi toch nog veel

gezelliger. Het is waar, zij had er zelve tot die gezelligheid veel

meêgewerkt, terwijl Van Oudijck haar altijd had aangespoord, blij van

zijn rezidentie-plaats een aardig, vroolijk stadje te maken. En zij

kwam tot de concluzie, dat zij een kleine plaats in het binnenland, met

enkele beschaafde, gezellige, Europeesche elementen—zoo zij

harmonieerden en niet te veel kibbelden in hun nauwe samen-zijn—toch

nog voortrok boven het pretentieuze, laatdunkende en sombere Batavia.

Alleen in het militaire element was leven. Alleen de huizen van

officieren waren des avonds verlicht. Verder doodschte de stad weg, den

geheelen langen warmen dag, met hare fronsing van zorg, met hare

onzichtbare bevolking van naar de toekomst uitziende menschen: de

toekomst van geld, de toekomst misschien meer nog van rust, in Europa.

En zij verlangde weg te komen. Batavia beklemde haar den adem, trots

haar iederendaagschen toer langs het wijde Koningsplein. Zij had alleen

nog maar éen wensch van weemoed: afscheid te nemen van Van Oudijck.

Hare natuur van elegante en artistieke vrouw, had, heel vreemd, oog

gehad, bekoring gevoeld voor de zijne: die van simpel man van praktisch

leven. Zij had misschien, éen enkel oogenblik slechts, iets voor hem

gevoeld, heel diep in zich: een vriendschap, die was als het contrast

van hare vriendschap voor Van Helderen: een waardeering meer van hoog

menschelijke kwaliteiten dan van Platonisch zielegemeenschapsgevoel.

Zij had sympathisch medeleed voor hem gevoeld in die vreemde dagen van

mysterie, hij alleen in zijn immense huis, waar rondom hem heen de

vreemde gebeurlijkheid gedonsd had. Zij had innig voor hem medelijden

gevoeld, toen zijne vrouw, als wegschoppende haar zoo hooge pozitie,

gegaan was in een drieste bui van schandaal verwekken, niemand wist

precies waarom, zijne vrouw, eerst correct altijd, trots al hare

verdorvenheid, maar langzamerhand door den kanker van het vreemde

gebeuren zoo opgegeten, dat zij zich niet meer had weten in te binden,

het geheimste van haar zondeziel blootwoelende in de meest cynische

onverschilligheid. De roode sirih-spatten, gespookspuwd op haar bloote

lichaam, hadden in haar geziekt, waren in haar merg gevreten, als een

ontbinding van hare ziel, waarin zij misschien zoû ondergaan, heel

langzaam weg. Wat men nu van haar vertelde,—hoe zij leefde in

Parijs—was alleen te fluisteren, als een onuitzegbare verdorvenheid.

In Batavia, tusschen de praatjes op de receptie’s, hoorde Eva hierover.

En toen zij vroeg naar Van Oudijck, waar hij logeerde, of hij spoedig

naar Europa zoû gaan, na zijn zoo onverwachts genomen ontslag—iets, dat

de geheele ambtenaarswereld had verbaasd, wist men niet goed, vroeg men

elkander of hij dan niet meer was in het hôtel Wisse, waar men hem toch

enkele weken had zien wonen, in zijn voorgalerijtje onbewegelijk

liggende in zijn stoel, de beenen op de latten, onbewegelijk als

starende naar éen punt.... Hij was bijna niet uitgegaan, hij at daar,

kwam niet aan de table-d’hôte, als was hij—de man, die steeds met

honderde menschen had moeten omgaan—menschenschuw geworden. En

eindelijk hoorde Eva, dat Van Oudijck te Bandong woonde. Daar zij er

eenige afscheidsvisites te maken had, ging zij naar den Preanger. Maar

te Bandong was hij niet te vinden: de hôtelhouder wist haar wel te

zeggen, dat de rezident Van Oudijck enkele dagen ten zijnent verbleven

was, maar hij was gegaan, en hij wist niet waarheen. Tot eindelijk, bij

toeval, zij van een heer aan tafel hoorde, dat Van Oudijck dichtbij

Garoet woonde. Zij ging naar Garoet, blijde hem op het spoor te zijn.

En daar, in het hôtel, wist men haar te beduiden, waar hij woonde. Zij

wist niet, of zij hem eerst schrijven zoû en aankondigen haar bezoek.

Het was of zij iets voorried, dat hij zich dan excuzeeren zoû en zij

hem niet meer zoû zien. En zij, op het punt Java te verlaten, verlangde

hem te zien, uit sympathie, en uit nieuwsgierigheid, beiden. Zij

verlangde zelve te zien, hoe hij geworden was, hem te doordringen,

waarom hij zoo plotseling zijn ontslag had genomen, en zich had

uitgewischt zijne zoo benijdbare plaats in het leven: plaats,

oogenblikkelijk ingenomen, door wien achter hem aandrong, in het gretig

dringen naar promotie. Den volgenden morgen dus, heel vroeg, zonder

iets te hebben gemeld, reed zij in een rijtuig van het hôtel weg; de

hôtelhouder had den koetsier uitgeduid, waar hij heen moest. En zij

reed heel lang, langs het meer van Lellès, waarop de koetsier haar

opmerkzaam maakte: het heilige, sombere meer, waarin op twee eilanden

liggen de aloude graven van heiligen, terwijl er boven zweefde, als een

donkere wolk van doodschheid, een altijd ronddraaiende zwerm van heel

groote kalongs, zwarte reuzevleêrmuizen, klapwiekende hunne demonische

vlerken en krijschende hun wanhoopzege-schreeuw, onophoudelijk

omcirkelend: rouw-zwarte duizeling tegen de eindeloos diepe blauwe

lucht van den dag aan, of zij, de eens zoo dagschuwe demonen,

gezegevierd hebben en niet meer schuwen het licht, omdat zij het met de

schaduw van hun funèbre vlucht tòch verduisteren. En het was zoo iets

beklemmends: het heilige meer, de heilige graven en daarboven een zwerm

als van zwarte duivels in den diepen blauwen ether, omdat het was of

iets van het mysterie van Indië er zich plotseling openbaarde, zich

niet meer verbergende in vage verdonzing, maar zichtbaar werkelijk in

de zon, ontstelling wekkend met zijn dreigende zege.... Eva huiverde,

en terwijl zij angstig naar boven keek, was het haar of de zwarte zwerm

van schermwieken naar beneden zoû slaan. Op haar.... Maar de schaduw

van dood tusschen haar en de zon cirkelde alleen als een duizeling,

hoog boven haar hoofd, en wanhoopschreeuwde alleen zijn triomf.... Zij

reed verder, en de vlakte van Lellès breidde zich groen en lachend voor

haar uit. En de seconde van openbaring was al voorbij getikt: er was

niets meer dan de groene en blauwe weelde van Java’s natuur: het

mysterie school al weêr weg tusschen de fijne, wuivende bamboe’s, loste

op in den azuuroceaan van de lucht.

De koetsier reed langzaam een stijgenden weg op. De liquide sawah’s

traptraden als spiegelterrassen naar boven, ijl groen van de

voorzichtig geplante padi-halmpjes; toen, plotseling, was het als een

varen-allee; reuzevarens, die hoogopwaaierden, en groote fabelkapellen

fladderden rond. En tusschen de ijlte der bamboe’s werd zichtbaar een

kleine woning, half steen, half bamboe-vlechtwerk, met een tuintje er

om, waarin enkele witte potten met rozen. Een heel jonge vrouw in

sarong en kabaai, zachtjes goudglanzend de wangen, nieuwsgierig

spiedend de koolzwarte oogen, zag uit naar de verrassing van het

rijtuig, dat heel langzaam aankwam en vluchtte naar binnen. Eva steeg

uit, en kuchte. En om een schutsel in het middengalerijtje zag zij

eensklaps iets van het gezicht van Van Oudijck, gluren. Hij verdween

dadelijk.

—Rezident! riep zij, en maakte hare stem lief.

Maar niemand kwam, en zij werd verlegen. Zij dorst niet gaan zitten en

toch wilde zij ook niet weêr gaan. Maar om het huisje, buiten, gluurde

een gezichtje, twee bruine gezichtjes, van heel jonge nonna-meisjes, en

verdwenen weêr, gichelend. In het huisje hoorde Eva fluisteren, als

iets van een groote emotie, heel zenuwachtig. Sidin! Sidin! hoorde zij

roepen en fluisteren. Zij glimlachte, wat moediger en bleef en liep wat

in het voorgalerijtje. En eindelijk kwam een oude vrouw, misschien niet

zoo heel oud van jaren, maar al oud van rimpelig vel en uitgedoofde

oogen, in een gekleurde chitsen kabaai en slepend haar sloffen, en met

een beetje Hollandsch en toen toch maar Maleisch, glimlachend, beleefd,

vroeg zij Eva te gaan zitten, en zei, dat de rezident dadelijk zoû

komen. Zij zette zich ook, glimlachte, wist niet te spreken, wist niet

te antwoorden, toen Eva haar iets vroeg over het meer, over den weg.

Zij liet maar liever stroop brengen, en ijswater, en oublie-tjes, en

praatte niet, maar glimlachte en verzorgde hare gast. Als de jonge

nonna-gezichtjes gluurden om het huisje, stampte de oude vrouw boos met

de slof en schold ze een plotseling woord toe, en dan verdwenen ze

gichelend en liepen hard weg op hoorbaar klinkende bloote voetjes. Dan

glimlachte weêr de oude met haar altijd glimlachenden rimpelmond en zag

als verlegen naar de dame, als vroeg zij haar excuus. En heel lang

duurde het, tot Van Oudijck eindelijk aankwam. Met effuzie begroette

hij Eva, verontschuldigde zich haar te hebben laten wachten.

Klaarblijkelijk had hij zich vlug geschoren, een frisch wit pak

aangetrokken. En hij was zichtbaar verheugd haar te zien. De oude

vrouw, met haar eeuwigen glimlach van verontschuldiging, vertrok. In

die eerste opgewektheid scheen Van Oudijck aan Eva geheel de zelfde

toe, maar toen hij, kalmer, zat en haar vroeg of zij tijding van

Eldersma had, wanneer zijzelve ging naar Europa, zag zij, dat hij oud

was geworden, een oude man. Het was niet in zijn figuur, dat, in zijn

goed gesteven witte pak, nog altijd iets breed militairs had behouden,

iets forsch gehouwens, den rug alleen wat meer krommende als onder een

last. Maar het was in zijn gezicht, in den doffen, belangeloozen blik,

in de zware groeven van het bijna pijnlijke voorhoofd, de tint van de

huid geel en dor, terwijl zijn breede snor, waarom de joviale trek nog

eens speelde, geheel grijs was. Een zenuwachtige trilling was in zijne

handen. En hij hoorde haar uit, wat men te Laboewangi had gezegd, nog

even nieuwsgierig naar de menschen van daarginds, naar iets van zijn

eens zoo dierbaar gewest.... Zij sprak er vaag over heen, vergoêlijkend

en verbloemend, en hem vooral niets zeggende, van de praatjes: dat hij

met de noorderzon was vertrokken, dat hij gevlucht was, waarvoor, men

wist het zelve niet.

—En u, rezident, vroeg zij; gaat u ook gauw naar Europa?

Hij staarde voor zich uit, toen lachte hij pijnlijk voor hij

antwoordde. En hij zeide eindelijk, bijna verlegen:

—Neen mevrouwtje, ik ga maar niet meer terug. Ziet u eens, hier in

Indië ben ik wat geweest, daar zoû ik niets zijn. Ik ben nu ook niets

meer, maar ik voel toch, dat Indië mijn land is geworden. Het land

heeft zich van mij meester gemaakt en ik behoor het nu toe. Aan Holland

behoor ik niet meer, en niets en niemand in Holland behoort mij. Ik

ben, wel is waar, uitgevuurd, maar ik sleep toch nog liever mijn

bestaan hier een poosje voort, dan daar. In Holland zoû ik niet meer

kunnen tegen het klimaat en niet meer tegen de menschen. Hier is het

klimaat mij sympathiek en van de menschen heb ik mij teruggetrokken.

Theo heb ik nog voor het laatst geholpen, en Doddy is getrouwd. En de

beide jongens gaan naar Europa, voor hun opvoeding....

Hij boog zich in eens naar haar over, en, met een andere stem,

fluisterde hij bijna, als wilde hij komen tot een bekentenis:

—Ziet u.... als alles gewoon was gegaan.... dan.... dan had ik niet

gehandeld als ik gedaan heb. Ik ben altijd geweest een man van de

praktijk en daarop was ik trotsch en ik was trotsch op het gewone

leven: mijn eigen leven, dat ik leidde volgens principes, die ik goed

dacht, naar een hoog punt onder de menschen. Zoo ben ik altijd geweest,

en zoo ging het goed. Alles ging mij voor den wind. Als anderen tobden

over promotie, sprong ik er vijf tegelijk over den kop. Het was alles

glad voor mij uit, ten minste in mijn carrière. In mijn huiselijk leven

ben ik niet gelukkig geweest, maar ik zoû nooit week genoeg zijn om

daar onder weg te teeren van verdriet. Er is zoo veel voor een man

buiten zijn huiselijk leven. En toch hield ik altijd veel van mijn

huiselijken kring. Ik geloof niet, dat het mijn schuld geweest is, dat

alles zoo is geloopen. Ik hield van mijn vrouw, ik hield van mijn

kinderen, ik hield van mijn huis: mijn huiselijkheid, waarin ik man en

vader was. Maar dat gevoel in mij is nooit tot zijn recht kunnen komen.

Mijn eerste vrouw was een nonna, die ik trouwde omdat ik verliefd op

haar was. Omdat zij mij er niet onder kreeg met haar nukjes, ging het

na eenige jaren niet meer. Op mijn tweede vrouw was ik misschien nog

verliefder dan op mijn eerste: ik ben in die dingen eenvoudig

aangelegd.... Maar ik heb het nooit mogen hebben: een lieven

huiselijken kring: een lieve vrouw, kinderen, die op je schoot kruipen,

die je lief ziet opgroeien tot menschen, menschen, die aan jou

verschuldigd zijn hun leven, hun bestaan, eigenlijk alles wat zij

hebben en zijn.... Dat zoû ik gaarne gehad hebben.... Maar zooals ik

zeg, al miste ik het, het had mij toch nooit ten onder gebracht....

Hij zweeg even, toen ging hij voort, geheimzinniger, fluisterender nog:

—Maar dàt, ziet u,... dàt, wat gebeurd is.... dat heb ik nooit

begrepen.... en dat heeft mij gebracht.... tot hier.... Dat, dat alles,

wat streed, wat indruischte tegen leven en praktijk en logica.... al

die—hij sloeg met de vuist op de tafel—al die verdomde nonsens, en die

toch.... die toch maar gebeurde.... dat heeft het hem gedaan. Ik was er

wel sterk tegen in, maar mijn kracht hielp er niet tegen. Het was iets,

waartegen niets hielp.... Ik weet het wel: het was de Regent. Toen ik

hem gedreigd heb, is het opgehouden.... Maar, mijn God, mevrouwtje, zeg

mij, wàt was het?? Weet u het? Neen, niet waar, niemand, niemand wist

het, niemand weet het. Die vreeslijke nachten, die onverklaarbare

geluiden boven mijn hoofd; die nacht in de badkamer met den majoor en

de andere officieren.... Het was toch geen zinsbegoocheling: wij zagen

het, wij hoorden het, wij voelden het: het viel op ons, het spoog op

ons: de heele badkamer was er vol van!! Andere menschen, die het niet

ondervonden hebben, kunnen het gemakkelijk ontkennen. Maar ik—wij

allen—wij hebben het toch gezien, gehoord, gevoeld.... En wij wisten

geen van allen wat het was.... En sedert heb ik het altijd gevoeld. Het

was om mij, in de lucht, onder mijn voeten.... Ziet u, dat.... en dat

alleen—fluisterde hij heel zacht—dat heeft het gedaan. Dat heeft

gemaakt, dat ik daar niet meer blijven kon. Dat heeft gemaakt, dat ik

als met stomheid, met idiotisme geslagen werd—in het gewone leven, in

al mijn praktijk en logica, die mij op eens toescheen als een foutief

opgebouwd levensstelsel, als de meest abstracte bespiegeling—omdat er

dwars door heen dingen gebeurden van een andere wereld, dingen, die mij

ontsnapten, mij en aan iedereen. Dat, dat alleen heeft het gedaan. Ik

was mezelf niet meer. Ik wist niet meer wat ik dacht, wat ik deed, wat

ik gedaan had. Alles heeft in mij gewankeld. Die ellendeling in de

kampong.... hij is mijn kind niet: ik verwed er mijn leven om. En

ik.... ik heb het geloofd. Ik heb hem geld doen toekomen. Zeg mij,

begrijpt u mij? Zeker niet? Het is niet te begrijpen, dat vreemde, dat

oneigenlijke, als men het niet ondervonden heeft, in zijn vleesch en in

zijn bloed, totdat het doordrong in je merg....

—Ik geloof wel, dat ik het ook wel eens gevoeld heb, fluisterde zij nu.

Als ik met Van Helderen wandelde langs de zee, en de lucht was zoo ver,

de nacht zoo diep, of de regens van zoo heel ver aanruischten en dan

neêrvielen.... of als de nachten, doodstil en toch zoo overvol van

geluid, om je heen trilden, altijd met een muziek, die als niet was te

vatten en nauwlijks te hooren.... Of eenvoudig, als ik zag in de oogen

van een Javaan, als ik sprak met mijn baboe en het was of niets van wat

ik zeide, drong tot haar door, en of wat zij mij antwoordde haar

eigenlijk geheime antwoord verborg....

—Dat is weêr anders, zeide hij; dat begrijp ik niet: ik voor mij, ik

kende wel den Javaan. Maar misschien voelt elke Europeaan dàt op een

andere manier, volgens zijn aanleg, en zijn natuur. Voor den een is het

misschien de antipathie, die hij van den beginne voelt in dit land, dat

hem in de zwakte van zijn materialisme aanvalt en blijft bestrijden....

terwijl het land zelve toch zoo vol poëzie is en.... mystiek.... zoû ik

bijna zeggen. Voor een ander is het het klimaat, of het karakter van

den inboorling, of wat ook, dat hem vijandig is en onbegrijpelijk. Voor

mij.... waren het feiten, die ik niet begreep. En tot nog toe had ik

een feit altijd kunnen begrijpen.... ten minste, dat kwam mij zoo voor.

Nu werd het mij of ik niets meer begreep.... Zoo werd ik slecht

ambtenaar, en toen begreep ik, dat het gedaan was. Ik ben er toen

rustig meê uitgescheiden. En nu ben ik hier, en nu blijf ik maar hier.

En weet u, wat het vreemde is? Hier heb ik mijn huiselijken kring....

misschien eindelijk gevonden....

De bruine gezichtjes gluurden om den hoek. En hij riep ze, hij lokte

ze, vriendelijk, met een breed vaderlijk gebaar. Maar hoorbaar op

bloote voetjes, stampten zij weêr weg. Hij lachte.

—Ze zijn heel verlegen, die kleine apen, zeide hij. Het zijn de zusjes

van Lena, en die u zooeven gezien heeft, is haar moeder.

Hij zweeg even, eenvoudig weg, als zoû zij wel begrijpen wie Lena was:

de heel jonge vrouw met de goudgewaasde wangen en de koolzwarte oogen,

die zij even in een flits had gezien.

—En dan zijn er broêrtjes, die moeten leeren in Garoet. Ziet u, dat is

nu mijn huiselijke kring. Toen ik met Lena kennis maakte, heb ik de

heele familie er maar bijgenomen. Het kost me wel veel geld, want ik

heb mijn eerste vrouw te Batavia, mijn tweede te Parijs, René en Ricus

in Holland. Dat kost me allemaal geld. En nu hier mijn nieuwe

„huiselijke kring”. Maar ik hèb nu ten minste mijn kring.... Het is me

wel een Indische boel zal u zeggen: dat Indische-huwelijk met een

dochter van een koffie-opziener, en daarbij nog op den koop toe de oude

vrouw en de broêrtjes en zusjes. Maar ik doe er nog iets goeds meê. De

menschen hadden geen cent, ik help ze. En Lena is een lief kind, en de

troost van mijn ouden dag. Ik kan niet leven zonder vrouw, en zoo is

het van zelf zoo gekomen... En zoo is het heel goed: ik vegeteer nu

hier, en drink lekkere koffie en ze zorgen goed voor den ouden man...

Hij zweeg even, en toen:

—En u... u gaat naar Europa? Arme Eldersma, ik hoop, dat hij spoedig

herstelt... Het is alles mijn schuld, niet waar: ik liet hem maar te

veel werken. Maar zoo is het in Indië, mevrouw. Wij werken hier

allemaal hard. Tot dat wij niet meer werken. En u gaat... al over een

week? Wat zal u blij zijn uw ouders te zien, en mooie muziek te hooren.

Ik ben u nog altijd dankbaar. U heeft veel voor ons gedaan, u was de

poëzie in Laboewangi. Arm Indië.... wat schelden ze er niet op. Het

land kan het toch niet helpen, dat er Kaninefaten op zijn grond zijn

gekomen, barbaarsche veroveraars, die maar rijk willen worden en weg...

En als ze dan niet rijk worden.... dan schelden ze: op de warmte, die

God het van den beginne gegeven heeft.... op het gemis aan voedsel voor

ziel en geest... ziel en geest van den Kaninefaat. Het arme land,

waarop zoo gescholden is, zal wel denken: Was weggebleven! En u... u

hield ook niet van Indië.

—Ik heb geprobeerd er de poëzie van te vatten. En nu en dan vatte ik

ook die poëzie. Verder... is alles mijn schuld, rezident, en niet de

schuld van dit mooie land. Evenals uw Kaninefaat.... had ik hier niet

moeten komen. Al mijn spleen, al mijn melancholie... hier geleden in

dit mooie land van mysterie... is mijn schuld. Ik scheld niet op Indië,

rezident.

Hij vatte haar bij de hand, en bijna met ontroering, bijna met een

vochtglans in zijn oog.

—Ik dank u ervoor, zeide hij zacht. Dat woord is van u: uw eigen woord,

het woord van een verstandige, ontwikkelde vrouw, die niet als een

stomme Hollander er maar op los trekt, omdat hij niet precies hier

gevonden heeft wat aan zijn ideaaltje beantwoordde. Ik weet het: uw

natuur heeft hier veel geleden. Het kan niet anders. Maar... het was

niet de schuld van het land.

—Het was mijn eigen schuld, rezident, herhaalde zij, met haar zachte

stem en haar glimlach.

Hij vond haar aanbiddelijk. Dat zij niet uitvoer in imprecaties, niet

losbarstte in heerlijkheid omdat zij over een paar dagen Java verliet,

deed hem weldadig aan. En toen zij opstond, zeggende, dat het haar tijd

werd, voelde hij een zwaren weemoed.

—En ik zie u dus nooit meer terug?

—Ik geloof niet, dat wij zullen terugkomen.

—Het is dus een afscheid voor altijd?

—Misschien zien wij u nog, in Europa....

Hij weerde af met de hand.

—Ik ben u innig dankbaar, dat u den ouden man eens is komen opzoeken.

Ik rijd met u meê naar Garoet...

Hij riep het naar binnen, waar de vrouwen, onzichtbaar, scholen, waar

de kleine zusjes gichelden. En hij steeg met haar in het rijtuigje. Zij

reden de varen-allee uit en plotseling zagen zij het heilige meer van

Lellès, oversomberd door de cirkelende duizeling der altijd

rondvlerkende kalongs.

—Rezident, fluisterde zij; ik voel het hier....

Hij glimlachte.

—Dat zijn maar kalongs, zeide hij.

—Maar in Laboewangi.... daar was het misschien maar een rat...

Hij fronste even de brauwen; toen glimlachte hij weêr,—den jovialen

trek om zijn breeden snor—en nieuwsgierig zag hij naar boven.

—Hè, zeide hij zacht. Heusch? Voelt u het hier?

—Ja.

—Neen, ik niet.... Het is bij een ieder iets anders.

De reuzenvleêrmuizen wanhoopschreeuwden schril hun triumf. Het

rijtuigje reed voorbij, en ging langs een kleine spoorweghalte. En in

de anders zoo eenzame landstreek was het vreemd, dat eene geheele

bevolking, een zwerm van bonte Soendaneezen, samenstroomde aan het

kleine station, gretig uitziende naar een langzame trein, die, tusschen

de bamboes zwartrookend, naderde. Aller oogen waren als dol open

gesperd, als verwachtten zij het heil van den eersten aanblik, als zoû

een schat voor hun ziel zijn de eerste indruk, dien zij zouden

ontvangen.

—Dat is een trein met nieuwe hadji’s, zei Van Oudijck. Allemaal versche

Mekka-gangers....

De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig,

langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s

uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen

glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende

jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr

tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden

kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte,

bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons.... De hadji’s,

plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd

hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en

kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets

van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de

hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s,

laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zijn, waren als

voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te

midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand,

overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam.

En vreemd was het in dit land van diep geheimzinnig sluimerend

mysterie, in dit volk van Java, dat zich als altijd verborg in het

geheim van zijn ondoordringbare ziel—wel onderdrukt maar toch

zichtbaar, te zien rijzen eene extaze, te zien oogstaren een dronkene

dweping, te zien zich openbaren een deel van die ondoordringbare ziel

in hare vergoddelijking van wie het graf des Profeten had gezien, te

hooren zacht gonzen een godsdienstverrukking, te hooren optrillen,

plotseling onverwacht, een niet te onderdrukken kreet van glorie, die

weêr dadelijk verzonk, versmolt in het gegons, als angstig om

zichzelven, omdat het heilige tijdstip nog niet daar was....

En Van Oudijck en Eva, op den weg, achter het station, langzaam

voortrijdend om de drukke menigte, die gonzende altijd de hadji’s

omringde, hun dragende eerbiedig hun reisgoed, hun vleierig aanbiedend

hunne karretjes, zagen plotseling elkander aan, en ofschoon zij het

geen van beiden wilden zeggen met woorden, zeiden zij elkaâr met een

blik van begrijpen, dat zij Hèt, Dàt, voelden—beiden—beiden

tegelijkertijd nu, daar te midden van het dwepen dier menigte....

Zij voelden het beiden, het onuitzegbare: dat wat schuilt in den grond,

wat sist onder de vulkanen, wat aandonst met de verre winden meê, wat

aanruischt met den regen, wat aandavert met den zwaar rollenden donder,

wat aanzweeft van wijd uit den horizon over de eindelooze zee, dat wat

blikt uit het zwarte geheimoog van den zielgeslotenen inboorling, wat

neêrkruipt in zijn hart en neêrhurkt in zijn nederige hormat, dat wat

knaagt als een gift en een vijandschap aan lichaam, ziel, leven van den

Europeaan, wat stil bestrijdt den overwinnaar en hem sloopt en laat

kwijnen en versterven, heel langzaam aan sloopt, jaren laat kwijnen, en

hem ten laatste doet versterven, zoo nog niet dadelijk tragisch dood

gaan: zij voelden het beiden, het Onuitzegbare....

En in het voelen ervan, tegelijk met den weemoed van hun afscheid, dat

zoo dadelijk dreigde, zagen zij niet, te midden der golvende, deinende,

gonzende menigte, die als eerbiediglijk voortstuwde de gele en purperen

voornaamheden der uit Mekka terugkeerende hadji’s—zagen zij niet dien

éenen grooten witten, rijzen boven de menigte uit en kijken met zijn

grijnslach naar den man, die hoe hij ook zijn leven geademd had in

Java, zwakker was geweest dan Dàt....

Passaroean-Batavia,

Oct. ’99–Febr. 1900.

De stille kracht · 第 42 / 43 题