II.

Doddy was opgetogen, in de wolken, verheerlijkt, toen Van Oudijck haar

zeide, dat Addy hare hand had gevraagd, en toen zij hoorde, dat mama

hare voorspraak was geweest, omhelsde zij Léonie onstuimig, zich, met

de spontane bewegelijkheid van haar karaktertje, weêr overgevende aan

de aantrekking, die Léonie lang op haar had uitgeoefend. Dadelijk nu

vergat Doddy al wat haar gehinderd had in de te groote intimiteit

tusschen mama en Addy, als hij hing over haar stoel en met haar

fluisterde. Zij had wat zij nu en dan had gehoord, nooit geloofd, omdat

Addy haar altijd verzekerd had, dat het niet waar was. En zij was zoo

gelukkig, omdat zij met Addy, samen met hem, op Patjaram zoû wonen.

Want Patjaram was voor haar het ideaal van huiselijkheid: het groote

huis, gebouwd aan de suikerfabriek, vol zonen en dochteren en kinderen

en beesten, op wie de zelfde goedigheid en hartelijkheid en verveling

was neêrgezeefd, met achter die zonen en dochteren de aureool van

Solosche afkomst, was haar het ideaal van verblijf, en verwant voelde

zij zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven

door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde,

was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa,

bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet [67] van al die vrouwen,

met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar

het non-plus-ultra van elegance; zij hield van de oude Raden-Ajoe

Douairière, en aan Addy had zij zich geschonken, geheel, zonder

voorbehoud, vanaf het eerste oogenblik, dat zij hem gezien had: toen

zij een klein meisje geweest was van dertien, hij een jongen van

achttien. Om hem had zij altijd tegengestribbeld als papa haar naar

Europa had willen zenden, naar een Brusselsche kostschool; om hem had

zij nooit naar iets anders verlangd dan Laboewangi, Ngadjiwa, Patjaram;

om hem zoû zij te Patjaram leven en sterven. Om hem had zij gekend al

de kleine jalouzietjes, als hij danste met een ander; al de groote

jalouzieën, als haar meisjeskennissen haar zeiden, dat hij verliefd was

op die en het hield met die ander; om hem zoû ze die ijverzuchtjes en

ijverzucht altijd kennen, haar leven lang. Hij zoû haar leven zijn,

Patjaram haar wereld, de suiker haar belang, omdat het het belang van

Addy was. Om hem zoû ze verlangen naar veel kinderen, heel veel

kinderen, die wel bruin zouden zijn—niet blank als papa en mama en

Theo—maar bruin, omdat haar eigen moeder bruin was, zij even donzig

bruin, Addy mooi brons Moorsch bruin, en naar het voorbeeld, gegeven op

Patjaram, zouden haar kinderen, heel veel kinderen, er opgroeien in de

schaduw van de fabriek, en in al hun belang van en voor suiker, om

later de velden te planten, en suikerriet te malen, en het fortuin van

de familie weêr op te halen, dat het schitteren zoû als vroeger. En zij

was zoo gelukkig, als zij geluk maar zich voor kon stellen, ziende haar

ideaal van verliefd meisje zoo bereikbaar dichtbij: Addy en Patjaram;

en geen oogenblik bevroedende hoe haar geluk was geworden, door het

woord van zelfhypnoze, dat Léonie, bijna onbewust, had geuit op een

uiterste oogenblik. O, nu behoefde zij niet meer de donkere hoekjes, de

donkere sawahs te zoeken met Addy; nu omhelsde zij hem telkens in het

volle licht, zat zij stralende tegen hem aan, voelende zijn warme

mannelijf, dat haar toebehoorde en spoedig geheel; nu dweepten hare

oogen, zichtbaar voor iedereen, naar hem op, daar zij niet de kuische

kracht meer had zich te verbergen voor de menschen: nu was hij van

haar, nu was hij van haar! En hij, met zijn goedige gelatenheid van

jongen sultan, hij liet zich streelen zijn schouders en knieën, hij

liet zich zoenen en aaien over zijn haar, hij liet haar arm om zijn

hals, alles aannemende als een hem verschuldigde schatting, gewend aan

die schatting van liefde der vrouwen, gekoesterd in liefkoozing, van

klein mollig jongetje af, van dat hij gedragen werd door Tidjem, zijn

baboe, die verliefd op hem was,—van dat hij in een tjelana-monjet [68]

stoeide met zusters en nichtjes, die allen verliefd op hem waren. Al

die schatting aanvaarde hij goedig weg, maar diep in zich verbaasd,

geschokt door wat Léonie had gedaan... En toch, redeneerde hij,

misschien eenmaal was het ook anders van zelve zoo geworden, omdat

Doddy zoo veel van hem hield... Liever had hij ongetrouwd willen

blijven; ongetrouwd had hij op Patjaram toch huiselijkheid genoeg, en

behield hij zijn vrijheid om, goedig, veel liefde aan de vrouwen te

geven... En, naïf, bedacht hij nu al, dat het wel niet gaan zoû, nooit

gaan zoû, lang trouw aan Doddy te blijven, omdat hij heusch te goedig

was, en de vrouwen allen zoo dol. Later moest Doddy daar maar aan

wennen, zich daarin schikken leeren, en—bedacht hij—in Solo, in den

Kraton, was het toch ook zoo, met zijn ooms en zijn neven....

Had Van Oudijck geloofd? Hij wist het zelve niet. Doddy had Léonie

beschuldigd verliefd te zijn op Addy; Theo had hem dien morgen, toen

Van Oudijck gevraagd had, waar Léonie was, kort geantwoord:

—Bij mevrouw Van Does.... met Addy.

Hij had razend zijn zoon aangekeken, maar verder niet gevraagd: hij was

alleen dadelijk naar het huisje van mevrouw Van Does gereden. En in

werkelijkheid had hij zijn vrouw gevonden samen met den jongen de Luce,

hij aan haar knieën, maar zij had hem zoo rustig gezegd:

—Adrien de Luce vraagt mij de hand van je dochter....

Neen, hij wist zelve niet of hij geloofde. Zijn vrouw had zoo rustig

geantwoord, en nu, de eerste dagen van het engagement, was zij zoo kalm

geweest, glimlachend als altijd.... Dat vreemde van haar, dat

onkwetsbare, alsof niets haar kon deren, zag hij nu voor het eerst.

Vermoedde hij achter die muur van onkwetsbaarheid het ironisch

vrouwegeheim van haar stil gloeiend leven? Het was of hij in zijn

latere nerveuze achterdocht, in zijn stemming van onrust, in zijn vaag

van bijgeloovigheid en spiedend luisteren naar de stilte, die spookte,

geleerd had dingen te zien om hem heen, waarvoor hij blind was geweest

in zijn stoere kracht van heerschman en hooghartig hoofdambtenaar. En

zijn verlangen om zeker te weten de geheimen, die hij raadde, werd zoo

hevig in zijn ziekelijke geprikkeldheid, dat hij vriendelijker werd en

vriendelijker tegen zijn zoon, maar nu niet meer uit spontanen

vaderdrang, waarmeê hij Theo toch altijd had liefgehad, nu uit

nieuwsgierigheid, om hem uit te hooren, en Theo te doen zeggen al wat

hij wist. En Theo, die Léonie haatte, die zijn vader haatte, die Addy,

die Doddy haatte, in zijn geheele haat van alle menschen om hem, die

het leven haatte in zijn stijfkoppig idee van blonden sinjo, verlangend

naar geld en mooie vrouwen, boos omdat de wereld, het leven, fortuin,

geluk, zooals hij dat klein zich verbeeldde, niet naar hem toekwam en

hem viel in de armen, hem viel om den hals—Theo, volgaarne, perste zijn

enkele woorden uit, als droppelen alsem, stil genietende als hij zijn

vader zag lijden. En hij liet Van Oudijck, heel langzaam-aan, raden,

dat het tòch waar was: van mama en van Addy. Nog kon Van Oudijck het

niet aannemen. In de intimiteit, die geboren werd tusschen vader en

zoon uit achterdocht en haat, zeide Theo van dien broêr in de kampong,

en dat hij wist, dat papa hem geld gaf, en dus erkende, dat het waar

was.... En Van Oudijck, niet zeker meer, niet meer wetende de waarheid,

gaf toe, dat het wel kon, gaf toe, dat het zoo was. Toen, denkende aan

de anonieme brieven,—pas den laatsten tijd—sedert hij geld deed

toekomen aan den halfbloed, die zich aanmatigde zijn naam—hem niet meer

toegezonden,—dacht hij ook aan de besmeuringen, die hij er zoo dikwijls

in had gelezen, en, toen, steeds als vuil van zich had afgeworpen:

dacht hij aan die beide namen van zijn vrouw en Theo zelve, die er zoo

vaak in werden gekoppeld. Als vlammen ziedden-op zijn wantrouwen en

zijn achterdocht, als een brand nu onbedwingbaar, die in hem verzengde

alle andere gevoel, gedachte. Tot hij zich ten laatste niet meer kon

houden en er Theo ronduit over sprak. Theo’s verontwaardiging en

ontkenning vertrouwde hij niet. En nu vertrouwde hij niets meer, en

niemand. Hij wantrouwde zijn vrouw en zijn kinderen, zijn ambtenaren;

hij wantrouwde zijn kok....

De stille kracht · 第 41 / 43 题