Laboewangi herleefde. Als eenstemmig kwam men overeen niet meer te
praten over het vreemde, met menschen van buiten af, omdat het ongeloof
in deze zaak zoo vergeeflijk was, en men, in Laboewangi, geloofde. En
de binnenlandsche stad, na den mystieken druk, waaronder ze gedurende
die onvergetelijke weken had neêrgedoken, herleefde, als om alle
obsessie van zich te schudden. Feest volgde na feest, bal na bal,
komedie na concert: iedereen zette open zijn huis om feest te vieren en
vroolijk te zijn en gewone natuurlijkheid te vinden na de ongelooflijke
nachtmerrie. Menschen, zoo gewoon aan het natuurlijke en begrijpelijke
leven, aan het breed-ruime materieele van Indië—aan goede tafel, koele
dranken, breede bedden, ruime huizen, aan geld verdienen en geld
verteeren—aan alles wat de lijfs-wellust is van den Westerling in het
Oosten—zulke menschen herademden, en schudden-af van zich de
nachtmerrie, en schudden-af van zich het geloof aan vreemde
gebeurlijkheden. Werd daar nu nog over gesproken, dan noemde men het
onbegrijpelijk gegoochel, noemde men het den rezident algemeen zoo na.
Gegoochel van den Regent. Want dat hij er de hand in gehad had, was
zeker. Dat de rezident hem gedreigd had met een verschrikkelijke
dreiging, hem en zijn moeder, als niet zoû ophouden het vreemde
gebeuren—was zeker. Dat daarna de orde in het gewone leven weêr was
hersteld—was zeker. Gegoochel dus. Men schaamde zich nu om zijn geloof,
en om zijn angst, en dat men gehuiverd had voor wat mystiek had
geschenen en alleen knap gegoochel was. En men herademde en wilde
vroolijk zijn, en feest volgde na feest.
Léonie, in die roes, vergat hare ergernis, dat Van Oudijck haar had
teruggeroepen. En ook zij wilde vergeten de vermillioene bezoedeling
van haar lichaam. Maar iets van den angst bleef in haar over. Zij
baadde des middags nu vroeg, al om half vijf, in de nieuw gebouwde
badkamer. Haar tweede bad was haar altijd iets huiverigs. En nu Theo
geplaatst was in Soerabaia, maakte zij zich los van hem, uit angst ook.
Zij kon zich niet los maken van de gedachte, dat de betoovering met een
straf had gedreigd henbeiden, moeder en zoon, die schande brachten over
het ouderlijk huis. In wat romantisch was in hare perverse verbeelding,
in hare roze fantazie vol cherubijntjes, cupidootjes, gaf deze
gedachte—haar ingegeven door haar schrik—een te geliefkoosde tragische
tint, om niet te blijven koesteren, trots alles wat Theo zeide. Zij
wilde niet meer. En het maakte hem razend, omdat hij dol op haar was,
omdat hij niet kon vergeten den infamen wellust in haar armen. Maar
standvastig bleef zij weigeren, en zeide hem haren angst, en zeide, dat
zij zeker was, dat het weêr zoû gaan spoken, als zij elkander lief
hadden: hij, de vrouw van zijn vader. Hij werd rood razend door hare
woorden—den enkelen Zondag, dien hij doorbracht te Laboewangi: razend
om haar niet-willen, hare nu aangenomen moederlijkheid, en razend,
omdat hij wist, dat zij Addy de Luce veel zag, dat zij veel op Patjaram
logeerde. Op de feesten danste Addy met haar, op de concerten hing hij
over haar stoel, in de geïmprovizeerde rezidents-loge. Wel was hij haar
niet trouw, want het was niet in zijn natuur een enkele vrouw te
beminnen—hij beminde wijd en zijd—maar toch: hij was haar zoo trouw als
hem mogelijk was. Zij voelde voor hem een langduriger passie, dan zij
ooit nog gevoeld had; en deze passie wekte haar op uit hare gewone
passieve onverschilligheid; dikwijls, in gezelschap, vervelend, saai,
tronende in den glans van haar blanke schoonheid, als een glimlachend
idool, de loomheid der Indische jaren, langzaam aan, vloeiende in haar
bloed, tot hare bewegingen hadden gekregen die onverschillige luiheid
voor alles wat niet was liefkoozing en liefde; haar stem, het trage
accent in ieder woord, dat geen passie-woord was—metamorfozeerde zij
zich onder die vlam, die van Addy over haar uitging, tot een jongere
vrouw, levendiger in gezelschap, vroolijker, gevleid door de
voortdurende hulde van dien jongen man, waarop alle meisjes dol waren.
En het was haar een genot zich zooveel mogelijk meester te maken van
hem, tot spijt van al die meisjes, tot spijt van Doddy vooral. In haar
passie had zij tevens het slechte pleizier te plagen, enkel voor het
pleizier ervan: het gaf haar een exquis genot, het maakte—voor het
eerst misschien, want zij was altijd zeer voorzichtig geweest—haar man
jaloersch, Theo jaloersch, Doddy jaloersch: zij maakte alle jonge
vrouwen en meisjes jaloersch, en daar zij stond boven hen allen, als
vrouw van den rezident, had zij een overwicht boven hen allen. Was zij
dan op een avond te ver gegaan, dan had zij er genoegen in, met een
glimlach, met een woord terug te winnen in hun aller genegenheid wat
zij er door haar behaagzucht in verloren had. En het was vreemd, maar
dit lukte haar. Zoodra men haar zag, zoodra zij sprak, glimlachte en
beminnelijk wilde zijn, won zij alles terug, vergaf men haar alles.
Zelfs Eva liet zich winnen door de vreemde bekoring van deze vrouw, die
niet geestig was, niet intelligent, nauwlijks wat vroolijker werd en
gewekt uit haar vervelende saaiheid, en die alleen won door de lijnen
van haar lichaam, de vorm van haar gelaat, den blik van haar vreemde
oogen—rustig en toch vol verborgen passie—en die zich bewust was al
hare bekoring, omdat zij van kind af aan er den invloed van had
opgemerkt. Met hare onverschilligheid was die bekoring hare kracht. Al
wat noodlot was scheen op haar af te stuiten. Want het had met een
vreemde magie haar wel aangezweemd, tot zij dacht, dat een straf op
haar neêr zoû dalen, maar het was afgedreven, verder. Alleen, de
waarschuwing nam zij aan. Theo wilde zij niet meer, en moederlijk deed
zij voortaan met hem. Het maakte hem razend, vooral op deze feesten, nu
zij er jonger was, vroolijker, en verleidelijker.
Zijn passie voor haar begon om te slaan, in een haat. Hij haatte haar
nu, met al zijn instinct van blonde kleurling, die hij eigenlijk was,
trots zijn blanke tint. Want hij was het kind van zijn moeder meer dan
de zoon van zijn vader. O, hij haatte haar nu, want zijne vrees voor de
straf had hij maar gevoeld éen oogenblik, en hij, hij was nu alles
vergeten. En zijn gedachte was haar kwaad te doen. Hoe, hij wist het
nog niet, maar haar kwaad te doen, opdat zij pijn zoû hebben en leed.
Dat te overdenken gaf een satanische somberheid in zijn kleine,
troebele ziel. Hoewel hij er niet over dacht, voelde hij, onbewust, dat
zij als onkwetsbaar was, voelde hij zelfs, dat zij in zich pochte op
die onkwetsbaarheid, en dat ze haar iederen dag brutaler maakte,
onverschilliger. Ieder oogenblik logeerde zij op Patjaram, onder het
eerste het beste voorwendsel. De anonieme brieven, die Van Oudijck nog
dikwijls haar voorlegde, ontroerden haar niet meer; zij raakte aan ze
gewoon. Zonder een enkel woord gaf zij ze hem weêr terug: een enkelen
keer zelfs vergat zij ze; liet zij ze slingeren in de achtergalerij.
Eens las Theo ze door. Hij wist niet in welke plotselinge helderheid,
maar plótseling, meende hij te herkennen enkele letters, enkele
strepen. Hij herinnerde zich in de kampong bij Patjaram het huisje—half
bamboe, half petroleum-plank—waar hij si-Oudijck had opgezocht met Addy
de Luce, en de met een Arabier haastig bijeen geschoven papieren. Hij
herinnerde zich vaag, op een snipper op den grond die zelfde letters,
die strepen. Het ging vaag en bliksemsnel door zijn hoofd. Maar het was
niets dan een bliksemstraal. In zijn sombere, kleine ziel was niets dan
doffe haat en troebele berekening. Maar hij was niet verstandig genoeg
die berekening uit te spinnen. Hij haatte zijn vader, uit instinct, en
antipathie; zijn moeder, omdat zij een nonna was; zijn stiefmoeder,
omdat zij hem niet meer wilde: hij haatte Addy, hij haatte Doddy erbij
op den koop toe: hij haatte de wereld, omdat hij er in werken moest.
Hij haatte iedere betrekking: hij haatte nu zijn kantoor op Soerabaia.
Maar hij was te lui en te weinig helder, om kwaad te kunnen doen. Hij
vond niet uit, hoe hij ook bedacht, zijn vader kwaad te doen, Addy en
Léonie. Het was alles in hem vaag, troebel, ontevreden, onduidelijk.
Zijne begeerte was geld en een mooie vrouw. Verder was er niets in hem
dan zijn stompe somberheid, en ontevredenheid van dikken, blonden
sinjo. En onmachtig donkerde zijn gedachte voort.
Tot nog toe had Doddy altijd veel van Léonie gehouden, instinctmatig.
Maar nu kon zij het zich niet meer ontkennen: wat zij eerst gedacht
had, dat toeval was—mama en Addy altijd zoekende elkaâr in den zelfden
glimlach van aantrekking, de een trekkende den ander aan van het eene
einde der zaal naar het andere, als onweêrstaanbaar—dat was geen
toeval! En ook zij, ze haatte mama nu, mama met hare mooie kalmte, hare
souvereine onverschilligheid. Hare eigen natuur van drift, van passie,
kwam in botsing met die andere natuur van melkblanke kreole-loomheid,
die zich eerst nu, laat, om de loutere goedgunstigheid van het noodlot,
geheel dorst laten sleepen, zonder voorbehoud. Zij haatte mama en het
gevolg van die haat waren scènes, scènes van nerveuze drift, opgillende
drift van Doddy tegen de tergende kalmte van mama’s onverschilligheid,
over allerlei klein verschil van meening: over een visite, een ritje te
paard, een japon, over een sambal, die de een lekker vond, de ander
niet. Léonie had er pleizier in Doddy te plagen, alleen om het pleizier
van plagen. Dan wilde Doddy uithuilen aan papa’s borst, maar Van
Oudijck gaf haar geen gelijk, en zei, dat zij voor mama meer eerbied
moest hebben. Maar eens, toen hij Doddy, terwijl zij troost bij hem
zoeken kwam, berispend sprak over hare wandelingen met Addy, gilde zij
op, dat mama zelve op Addy verliefd was. Van Oudijck, boos, joeg haar
de kamer uit. Maar het kwam alles te veel met elkaâr overeen—de
anonieme brieven, de nieuwe behaagzucht van zijne vrouw, Doddy’s
beschuldiging en wat hijzelve had opgemerkt op de laatste partijen—om
hem niet te laten nadenken en tobben zelfs. En nu hij hier eenmaal over
tobde en nadacht flitsten plotselinge herinneringen als korte
weêrlichten door hem heen: van een onverwacht bezoek; van een deur, die
gesloten was; van een portière, die bewoog; van een gefluisterd woord
en een schuw afgebroken blik. Hij combineerde dat alles, en hij
herinnerde zich die zelfde subtiele herinneringen, in verband met
anderen, van vroeger, heel plotseling. Het wekte eensklaps zijn
jalouzie, de jalouzie van den man op de vrouw, die hij liefheeft als
zijn allereigenst bezit. Als een windvlaag, stak die jalouzie bij hem
op, en woei door zijn werk-aandacht heen, verwarde zijne gedachten,
terwijl hij aan zijn werk zat, deed hem plotseling zijn kantoor
uitloopen, terwijl hij de politie-rol deed, zoeken in de kamer van
Léonie, oplichten een gordijn, kijken zelfs onder het bed. En nu wilde
hij niet meer, dat zij op Patjaram logeerde, naar hij voorgaf, om de de
Luce’s geen hoop te geven, dat Addy ooit Doddy zoû krijgen. Want hij
dorst Léonie niet over zijn ijverzucht spreken.... Dat Addy ooit Doddy
zoû krijgen. In zijn dochter was ook wel Indiesch bloed, maar hij wilde
een volbloed Europeaan voor schoonzoon. Hij haatte al wat halfras was.
Hij haatte de de Luce’s, en al de verbinnenlandschte, Indische,
quasi-Solosche traditie van hun Patjaram. Hij haatte hun gedobbel, hun
koek-en-ei zijn met allerlei Javaansche hoofden: lieden, die hij
ambtelijk gaf wat hun toekwam, maar verder beschouwde als noodzakelijke
werktuigen van de politiek der Regeering. Hij haatte alle hunne
manieren van oude Indische familie, en hij haatte Addy: een jongen,
zoogenaamd employé, maar die niets uitvoerde, dan naloopen al wat
vrouw, meisje, meid was. Hem, als werkzamen en ouderen man, was dit
leven onuitstaanbaar. Léonie moest zich dus wel Patjaram ontzeggen,
maar des morgens ging zij rustig naar mevrouw Van Does, en in haar
kleine huisje ontmoette zij Addy, terwijl mevrouw Van Does zelve uit
verkoopen ging, in een tjikar, [66] met de twee stopflesschen
inten-inten, en een pak gebatikte spreien. Des avonds dan wandelde Addy
met Doddy en hoorde hare hartstochtelijke verwijtingen. Hij lachte om
haar drift, hij nam haar in zijn armen tot zij hijgde tegen hem aan:
hij zoende haar de verwijtingen van de lippen, tot zij dol van liefde
wegsmolt aan zijn mond. Verder gingen zij niet, bang, vooral Doddy. Zij
liepen achter de kampongs, op de galangans der sawahs, terwijl zwermen
van vuurvliegjes in den donker om hen heen starrelden als heele kleine
lampjes; zij liepen in elkanders arm, aan elkaârs hand liepen zij
voort, in een liefde van ontzenuwende handtastelijkheid, die nooit
durfde tot het einde. Met hunne handen voelden zij elkaâr heelemaal
aan, zij beminden elkaâr met hun handen. Kwam zij dan thuis, dan was
zij dol, razend op mama, in wie zij beneed de kalme, glimlachende
verzadiging, als zij, in haar witten peignoir, zacht gepoeierd, lag te
mijmeren op een rieten stoel.
En het was in huis, nieuw opgefrischt, wit gekalkt, na het vreemde
gebeuren,—dat voorbij was—een haat, die als uitschoot overal, als de
duivelsche bloem zelve van dat vreemde geheim, een haat rondom die
glimlachende vrouw, die te loom was om te haten, en alleen pleizier had
in het stille plagen; een jaloersche haat van vader nu tegen zoon, als
hij hem te veel zag bij zijn stiefmoeder zitten, smeekende, trots zijn
eigen haat, om iets, wat wist de vader niet: een haat van zoon tegen
vader, een haat van dochter tegen moeder, een haat, waarin alle
familieleven verongelukte. Hoe het zoo langzamerhand was gekomen, wist
Van Oudijck niet. Weemoedig betreurde hij den tijd, toen hij blind was
geweest, toen hij vrouw en kinderen alleen gezien had, in het licht,
dat hij wilde. Dat was nu voorbij. Zooals vroeger het vreemde gebeuren,
sloeg nu een haat uit het leven op, als een pestwalm uit den grond. En
Van Oudijck, die nooit was bijgeloovig geweest, die koel, kalm gewerkt
had in zijn vereenzaamde huis, waar het onbegrijpelijk spookte rondom
hem heen, die rapporten had doorlezen terwijl het hamerde boven zijn
hoofd en zijn whiskey-soda okerde in zijn glas—Van Oudijck, voor het
eerst van zijn leven, nu hij de sombere blikken van Theo, van Doddy
zag, nu hij zijne vrouw, brutaler iederen dag, met den jongen de Luce
eensklaps vond hand in hand, haar knieën bijna in de zijne, nu hij
zichzelven zag, veranderd, verouderd, somber spiedende,—werd
bijgeloovig, onoverkomelijk bijgeloovig, geloovende aan eene stille
kracht, die school waar wist hij niet, in Indië, in den grond van
Indië, in een diep mysterie, ergens, ergens—een kracht, die hem kwaad
wilde, omdat hij was Europeaan, overheerscher, vreemdeling op den
geheimzinnig heiligen grond. En toen hij zag deze bijgeloovigheid in
zich, zoo nieuw in hem, man van praktijk, zoo vreemd ongelooflijk in
hem, man van simpel mannelijken eenvoud, schrikte hij voor zichzelven,
als voor een opkomende krankzinnigheid, die hij diep in zich begon waar
te nemen.
En hoe krachtig hij geweest was tijdens het vreemde gebeuren zelve, dat
hij nog met een enkel woord van dreigende kracht had kunnen bezweren,
deze bijgeloovigheid, als de naziekte van dat gebeuren, vond in hem
zwakte, als een kwetsbare plek. Hij was zoo verbaasd over zichzelven,
dat hij zich niet begreep, vreesde gek te zullen worden, en toch, toch
tobde hij. Zijne gezondheid was ondermijnd door eene opkomende
leverziekte en hij bestudeerde zijn gelende tint. Plotseling dacht hij
aan vergiftiging. De keuken werd onderzocht, de kokkie aan een verhoor
onderworpen, maar niets bleek. Hij begreep angstig te zijn voor niets.
Maar de dokter verklaarde, dat zijn lever was opgezwollen en schreef
hem het gewone regime voor. Wat hij anders heel gewoon zoû gevonden
hebben—eene ziekte, die zoo veelvuldig voorkwam—vond hij nu eensklaps
vreemd: een vreemd gebeuren, waarover hij tobde. En het tastte zijn
zenuwen aan. Hij leed nu aan plotselinge vermoeidheden, als hij werkte,
aan kloppende hoofdpijn. Zijne jalouzie gaf hem eene gejaagdheid; een
trillende onrust kwam over hem. Hij bedacht eensklaps, dat, als het nu
hamerde boven zijn hoofd, als het nu sirih spoog rondom hem heen, hij
niet in zijn huis had kunnen blijven. En hij geloofde aan een haat, die
rondom hem walmde uit den haatdragenden grond, als een pest. Hij
geloofde aan een kracht, diep verborgen in de dingen van Indië, in de
natuur van Java, het klimaat van Laboewangi, in het gegoochel—zoo
noemde hij het nog—dat de Javaan soms knap maakt boven den Westerling,
en dat hem macht geeft, geheimzinnige macht, niet om zich te bevrijden
van het juk, maar wel om ziek te maken, te doen kwijnen, te plagen, te
treiteren, te spoken onbegrijpelijk en afgrijselijk—: een stille
kracht, een stille macht, vijandig aan ons temperament, aan ons bloed,
aan ons lichaam, aan onze ziel, aan onze beschaving, aan al wat òns
goeddunkt te doen en te zijn en te denken. Het was bij hem
opengestraald als met éen plotseling licht: het was niet het gevolg van
denken. Het was bij hem opengestraald als met éen schrik van
openbaring, geheel in strijd met al de logiek van zijn geleidelijk
leven, zijne geleidelijke gedachtengang. In éen vizioen van
verschrikking zag hij het plotseling voor zich, als het licht van zijn
naderenden ouderdom, zooals grijsaards soms eensklaps de waarheid zien.
En toch, hij was jong nog, hij was krachtig... En hij voelde, dat als
hij niet zwenken zoû zijne krankzinnende gedachte, ze hem ziek, zwak en
ellendig kon maken, voor altijd, voor altijd....
Vooral voor hem, simpelen man van praktijk, was deze ommezwaai bijna
ondragelijk. Wat een morbide geest rustig peinzend zoû hebben
bespiegeld, gaf hem een wit bliksemende ontzetting. Nooit had hij
gedacht, dat er diep, ergens, geheimzinnig, dingen kunnen zijn in het
leven, sterker dan wilskracht, geestkracht. Nu—na de nachtmerrie, die
hij moedig had overwonnen—scheen het of tòch de nachtmerrie hem
uitgeput had en hem had ingegeven allerlei zwakte. Het was
ongelooflijk, maar nu, ’s avonds, als hij werkte, luisterde hij naar
het avonddonzen in den tuin, of naar de rat, die stommelde boven zijn
hoofd. En dan stond hij eensklaps op, liep in de kamer van Léonie en
keek onder haar bed. Toen hij eindelijk uitvond, dat vele van de
anonieme brieven, waarmede hij achtervolgd werd, kwamen uit den koker
van een halfbloed, die zich noemde zijn zoon en zelfs met zijn eigen
familie-naam in de kampong werd aangeduid, voelde hij zich te weifelend
deze zaak te onderzoeken, om wat er mocht aan het licht komen en dat
hijzelve vergeten was, uit zijn controleurstijd, vroeger, te Ngadjiwa.
Nu weifelde hij, in wat hem vroeger zeker en stellig was. Nu wist hij
zijne herinneringen uit dien tijd niet meer zoo stellig te schikken,
dan dat hij had kunnen zweren geen zoon te hebben, bijna zonder het te
weten gewonnen in dien tijd. Hij herinnerde zich niet duidelijk de
huishoudster, die hij gehad had vóor zijn eerste huwelijk. En hij liet
de geheele zaak der anonieme brieven liever maar voortsmeulen in hun
duistere schaduw, dan dat hij ze onderzocht, er in roerde. Zelfs liet
hij aan den kleurling, die zich noemde zijn zoon, geld geven, opdat
deze niet, misbruik makende van den naam, dien hij zich toekende,
overal in de kampong eischte prezenten: kippen, en rijst, en kleederen;
dingen, die si-Oudijck vroeg aan onwetende dessa-lui, die hij dreigde
met den vagen toorn van zijn vader; den Kandjeng daarginds in
Laboewangi. Opdat met dien toorn dus niet meer gedreigd zoû worden,
deed Van Oudijck hem geld toekomen. Dat was een zwakte: vroeger had hij
het nooit gedaan. Maar nu kwam in hem een neiging, te sussen,
vergoêlijkend te zijn, niet meer zoo straf en streng te zijn, en liever
alles wat scherp was, weg te doezelen in halfheid. Eldersma was soms
verbaasd, als hij de rezident, vroeger beslist, nu zag weifelen, toe
zag geven in zaken, in geschillen met erfpachters, als hij vroeger
nooit hadde gedaan. En een slapheid van werken aan het bureau ware
ingekankerd, van zelve, langzaam aan, als Eldersma niet Van Oudijck het
werk uit de hand had genomen, en het zich nog drukker gemaakt had, dan
hij het al zelve had. Men zeide algemeen, dat de rezident lijdende was.
En zijn kleur was ook geel, zijn lever pijnlijk; het minste deed zijn
zenuwen trillen. Het gaf een nevroze in huis, tegelijk met de driften
en uitbarstingen van Doddy, met de jalouzie en de haat van Theo, die al
weêr thuis was, in Soerabaia het had laten liggen. Alleen Léonie bleef
zegevieren, altijd mooi, blank, kalm, glimlachend, tevreden, gelukkig
in den durenden hartstocht van Addy, dien zij wist te boeien als eene
tooveres van liefde, een savante in passie. Het noodlot had haar
gewaarschuwd, en Theo hield zij ver van zich, maar verder was zij
gelukkig, tevreden.
Toen was het plotseling, dat Batavia openkwam. Twee, drie rezidenten
werden genoemd, maar Van Oudijck had het meeste kans. En hij tobde er
over, hij vreesde er voor: hij hield niet van Batavia, als rezidentie.
Hij zoû er niet in kunnen werken, als hij hier gewerkt had, met ijver
en toewijding behartigende zoo vele verscheidene belangen van cultuur
en voor bevolking. Liever had hij zich benoemd gezien voor Soerabaia,
waar veel omging, of in een der Vorstenlanden, waar zijn tact om met
Javaansche vorsten om te gaan te pas zoû zijn gekomen. Maar Batavia!
Voor een rezident, als ambtenaar, het minst interessante gewest: voor
den rezidentsbetrekking het minst vleiend den hoogmoed ervan, vlak bij
den Gouverneur-Generaal, geheel te midden der hoogste ambtenaren,
zoodat de rezident, elders bijna oppermachtig, er niet meer was dan ook
een hooge ambtenaar, tusschen Raden van Indië, Directeuren, in, en te
dicht bij Buitenzorg, met zijne eigendunkele Secretarie: wier
bureaucratie en theorie van paperassen altijd in strijd waren met de
bestuurspraktijk en het feitelijke doen der rezidenten zelve.
De mogelijkheid van benoeming maakte hem geheel van streek, gejaagder
dan ooit, nu hij in een maand tijds Laboewangi zoû moeten verlaten,
vendutie houden. Het zoû hem scheuren zijn hart Laboewangi te verlaten.
Trots wat hij er had geleden, hield hij van de stad, van zijn gewest
vooral. Door geheel zijn gewest, al die jaren, had hij nagelaten de
sporen van zijne werkzaamheid, van zijn aandacht, van zijn ambitie, van
zijn liefde. Nu, binnen een maand, zoû hij dat alles wellicht moeten
overdragen aan een opvolger, zich moeten losscheuren van alles wat hij
met liefde had bezorgd, behartigd. Hij voelde er een somberen weemoed
om. Dat hij met een promotie ook dichter naderde zijn pensioen, gaf hem
niets. Die toekomst van niets doen en verveling van naderenden ouderdom
was hem een nachtmerrie. En de opvolger zoû misschien alles veranderen,
het in niets eens met hem zijn.
Toen werd zijn mogelijke promotie hem eensklaps tot zulk een ziekelijke
obsessie, dat het onwaarschijnlijke gebeurde en hij schreef aan den
Directeur van B.B., aan den Gouverneur-Generaal, hem te laten op
Laboewangi. Van deze brieven lekte weinig uit; hijzelve verzweeg ze
geheel zoowel in den kring zijner familie als in dien zijner
ambtenaren, zoodat, toen een jongere rezident, tweede-klasse, benoemd
werd tot rezident van Batavia, men wel er over praatte, dat Van Oudijck
gepasseerd was, maar men niet wist, dat dit door zijn eigen toedoen was
geweest. En zoekende naar een reden rakelde men in de praatjes weêr op
het ontslag van den Regent van Ngadjiwa, het vreemde gebeuren daarna,
maar men vond noch in het een, noch in het ander, toch eigenlijk een
bizondere aanleiding voor de Regeering om Van Oudijck te passeeren.
Hijzelve herwon er om een vreemde rust, een rust van matheid, van zich
laten gaan, van vastgroeien in zijn bekend Laboewangi, van,
ver-Indiescht in zijn binnenland, niet behoeven te gaan naar Batavia,
waar het zoo heel anders was. Toen de Gouverneur-Generaal hem op de
laatste audiëntie had gesproken over een verlof naar Europa, had hij
een angst voor Europa gevoeld—een angst er zich niet meer thuis te
voelen:—nu voelde hij zelfs dien angst voor Batavia. En toch wist hij
heel goed al de quasi Westersche humbug van Batavia; toch wist hij heel
goed, dat de hoofdplaats van Java zich maar als erg Europeesch
aanstelde, en in werkelijkheid toch maar half Europeesch was. In
zichzelven—verborgen voor zijn vrouw, die spijt had om die vervlogen
illuzie: Batavia—lachte hij er stilletjes om, dat hij had weten gedaan
te krijgen op Laboewangi te blijven. Maar om dien lach voelde hij wel
zich veranderd, verouderd, verminderd, niet meer blikkende langs die
opwaartsche lijn van telkens onder de menschen in te nemen een hoogere
plaats—die altijd de lijn van zijn leven geweest was. Waar was zijn
eerzucht gebleven? Hoe was zoo zijn heerschzucht verslapt? Hij dacht,
het was alles invloed van het klimaat. Goed zoû het zeker zijn als hij
zijn bloed, zijn geest verfrischte in Europa, en er een paar winters
doormaakte. Maar oogenblikkelijk knakte die gedachte willoos in een.
Neen, hij wilde niet naar Europa. Indië was hem lief. En hij gaf zich
over aan lange peinzingen, liggende in een langen stoel, genietende van
zijn koffie, van zijn luchtige kleeding, van de zachte verslapping
zijner spieren, van de doellooze doezeling zijner gedachten. In die
doezeling was scherp alleen zijne meer en meer toenemende achterdocht,
en dan wekte hij plotseling op uit zijn loomheid en luisterde naar het
vage geluid, het zacht onderdrukte lachen, dat hij meende te hooren in
de kamer van Léonie, zooals hij des nachts, achterdochtig ook om
gespook, luisterde naar het gedons in den tuin, en de rat boven zijn
hoofd.