—En mevrouwtje, hoe gaat het? Hoe gaat het met het spleen? Bevalt Indië
u wat beter vandaag?
Zijn woorden klonken Eva joviaal toe, terwijl zij hem komen zag door
den tuin, bij achten, om te komen dineeren. Er was in zijn toon niets
anders dan de joviale begroeting van een man, die hard gewerkt heeft
aan zijn schrijftafel, en nu blij is een lieve mooie vrouw te zien, aan
wier tafel hij zoo straks zal zitten. Zij verwonderde zich, zij
bewonderde hem. Er was in hem niets van iemand, die den geheelen dag in
een verlaten huis getreiterd werd door onbegrijpelijk en vreemd
gebeuren. Nauwlijks was er een wolk van droefgeestigheid over zijn
breede voorhoofd; nauwlijks een zorg in zijn even krommen, breeden rug,
en de joviale trek om zijn dikken snor lachte er als altijd. Eldersma
trad nader en in zijn groet, in zijn handdruk was als een stille
vrijmetselarij van samenweten, een vertrouwelijkheid, die Eva ried. En
Van Oudijck dronk zijn bittertje, gewoon weg, sprak over een brief van
zijne vrouw, die vermoedelijk naar Batavia zoû gaan; zeide, dat René en
Ricus in den Preanger logeerden bij een vriend, op een koffie-land.
Waarom zij allen niet waren om hem heen, waarom hij geheel verlaten was
van huisgezin en bedienden, hij sprak er niet over. In de intimiteit
van hun kring, waar hij nu iederen dag tweemaal kwam eten, had hij er
nooit over gesproken. En hoewel Eva er niet naar vroeg, maakte het haar
in hooge mate zenuwachtig. Zoo vlak bij, bij het spookhuis, welks
pilaren zij overdag kon schemeren zien in de verte door het loover der
boomen, voelde zij iederen dag zich zenuwachtiger. Den geheelen dag, om
haar heen, fluisterden de bedienden, spiedden zij schuw in de richting
van de bespookte residinân. Des nachts, niet kunnende slapen, hoorde
zij zelve of zij iets vreemds vernam: het kermen van de kindertjes. Te
overvol van geluid was de Indische nacht, om haar niet rillen te doen
op haar bed. Door het imperatieve brullen der vorschen om regen, om
regen, om altijd meer regen nog, het aanhoudend gekwaak met éentonige
brulkeel, hoorde zij rondtooveren duizende geluiden, die haar hielden
uit den slaap. Er door heen sloegen de tokkè’s, de gekko’s als
uurwerken hun slagen, als vreemde uren van geheimzinnigheid. Den
geheelen dag dacht zij er aan. Ook Eldersma sprak er niet van. Maar als
zij Van Oudijck zag komen aan haar rijsttafel, aan haar diner, moest
zij klemmen de lippen, om hem niets te vragen. En het gesprek liep over
allerlei, maar nooit over het vreemde gebeuren. Na de rijsttafel liep
Van Oudijck weêr even over; na het diner, om tien uur, zag zij den
rezident weêr verdwijnen in tuinschaduwen, die spookten. Met een
rustigen tred, iederen avond, ging hij terug door den betooverden
nacht, naar zijn verlaten en ellendig huis, waar vóor zijn kantoor de
oppasser en Kario dicht gehurkt zaten tegen elkaâr, en werkte hij voor
zijn schrijftafel nog laat. En hij klaagde nooit. Hij onderzocht
nauwkeurig, door geheel de kotta, maar niets kwam aan het licht. Alles
bleef gebeuren in ondoorgrondelijk mysterie.
—En mevrouwtje, hoe bevalt Indië u van avond?
Het was, een beetje, altijd de zelfde aardigheid, maar zij bewonderde,
iederen dag, zijn toon. Een moed, een sterkte van zelfvertrouwen, een
zekerheid van zijn eigen weten, een geloof aan wat hij zèker wist,
klonk metaalhel uit zijn stem. Er was, hoe rampzalig hij zich voelen
moest—hij, de man van het huiselijk innige en de man der koele
praktijk—in een huis, door de zijnen verlaten en vol onverklaarbaar
gebeuren, geen zweem van vertwijfling en neêrslachtigheid in zijn
volhardenden mannelijken eenvoud. Hij ging zijn gang, hij deed zijn
werk, nauwgezetter dan ooit—hij onderzocht. En aan Eva’s tafel had hij
altijd een opgewekt gesprek, met Eldersma zoo over zaken er even door:
over promotie, over de politiek in Indië, en de nieuwe manie om van uit
Holland Indië te laten regeeren door leeken, die van toeten noch blazen
wisten. En levendig praatte hij en zonder zich op te schroeven,
rustig-weg, gezellig, tot Eva hem bewonderde, iederen dag meer en meer.
Maar haar, sensitieve vrouw, werd het een nerveuze obsessie. En eens,
’s avonds, even een paar passen meêgaande met hem, vroeg zij hem. Of
het niet verschrikkelijk was, of hij het huis niet kon verlaten, of hij
niet op tournée kon gaan, voor langen, langen, tijd. Zij zag zijn
gezicht bewolken, omdat zij er over sprak. Maar toch vriendelijk,
antwoordde hij, dat het zoo erg niet was, al was het onverklaarbaar, en
dat hij zich sterk maakte dat gegoochel wel uit te vinden. En hij
voegde erbij, dat hij eigenlijk moest op tournée, maar dat hij niet
ging, om niet den schijn te hebben te vluchten. Toen drukte hij haar
vluchtig de hand, zeide haar zich niet nerveus te maken en daar maar
niet meer over te denken, te praten. Dit laatste klonk als een minzaam
gebod. Zij drukte zijn hand weêr, tranen in hare oogen. En zij zag hem
gaan, met zijn kalmen flinken pas en verdwijnen in den nacht van zijn
tuin, waar door het brullend geroep der vorschen om regen de
betoovering wel om moest donzen. Toen rilde zij daar zoo te staan en
spoedde zich naar huis. En zij vond haar huis, haar ruime huis, klein
en zoo open en beschermingloos voor de immense Indische nacht, die van
overal binnen kon komen.
Maar zij was niet de eenige, die onder den indruk was van het
geheimzinnige gebeuren. Over geheel Laboewangi drukte het neêr met
zijne onverklaarbaarheid, die zoo streed tegen het feitelijke van
iederen dag. In ieder huis werd er over gesproken, al was het ook
fluisterend, om de kinderen niet bang te maken, en de bedienden niet te
laten merken, dat men onder den indruk was van het Javaansche
gegoochel, zooals de rezident het zelve genoemd had. En een angst, eene
somberheid, deed de menschen ziek worden van zenuwachtig spieden en
luisteren in de van geluid overvolle nachten en wademde dik donzig
grauw neêr over de stad, die zich dieper scheen te verschuilen in het
loover van hare tuinen, en gedurende de vochtige avondschemeringen
geheel wegdook in een dof zwijgende gelatenheid en bukken onder het
mysterie. Toen dacht Van Oudijck sterke maatregelen te nemen. Hij
schreef den majoor—kommandant van het garnizoen te Ngadjiwa—te komen
met een kapitein, een paar luitenants, een compagnie soldaten. Dien
avond dineerden de officieren, met den rezident en Van Helderen bij
Eldersma. Zij haastten het maal af, en Eva, aan het hek van den tuin
zag hen allen gaan: de rezident, de secretaris, de controleur, te samen
met de vier officieren, den donkeren tuin van het spookhuis in. Het
rezidentie-erf werd afgezet, het huis omsingeld, het kerkhofterrein
bewaakt. En de mannen, allen, gingen de badkamer in.
Zij bleven er den geheelen nacht. En den geheelen nacht bleven afgezet
en omsingeld erf en huis. Tegen vijf uur kwamen zij er uit, en namen
dadelijk, gezamenlijk, een zwembad. Over wat hun gebeurd was, spraken
zij niet, maar hun nacht was verschrikkelijk geweest. Nog den volgenden
morgen werd de badkamer omvergehaald.
Allen hadden zij Van Oudijck beloofd niet over dien nacht te spreken en
Eldersma wilde aan Eva niets zeggen, Van Helderen niets aan Ida. Ook de
officieren, in Ngadjiwa, zwegen. Zij zeiden alleen, dat de nacht in de
badkamer te onwaarschijnlijk was geweest, dan dat men hunne woorden zoû
gelooven. Eindelijk liet een der jonge luitenants zich iets van zijn
avontuur ontvallen. En een verhaal van sirih spugen, steenen werpen,
van een vloer, die aardbeefde, terwijl zij er met stokken en sabels op
hadden geslagen, en dan nog van iets onzegbaars afgrijselijks, dat in
het badwater was gebeurd, deed de ronde. Iedereen maakte er iets bij.
Toen het verhaal Van Oudijck bereikte, herkende hij er nauwlijks in den
verschrikkelijken nacht, die, ook zonder fantazie, verschrikkelijk
genoeg was geweest.
Eldersma had intusschen opgemaakt het rapport van hun gezamenlijk waken
en zij onderteekenden allen het onwaarschijnlijk verhaal. Het rapport
bracht Van Oudijck persoonlijk naar Batavia, en reikte het over aan den
Gouverneur-Generaal. Sedert berustte het in de geheime archieven der
regeering.
De Gouverneur-Generaal ried Van Oudijck aan voor korten tijd met verlof
naar Holland te gaan, hem verzekerende, dat dit verlof geen invloed zoû
uitoefenen op zijne reeds spoedig te verwachten promotie tot
rezident-eerste-klasse. Hij weigerde echter deze gunst, en ging terug
naar Laboewangi. De eenige concessie, die hij zich deed, was, dat hij
zijn intrek bij Eldersma nam, tot het rezidentie-huis gereinigd zoû
zijn. Maar van den vlaggestok op het rezidentie-erf bleef waaien de
vlag...
Terug van Batavia, ontmoette Van Oudijck, om dienstzaken, dikwijls den
Regent, Soenario. En in zijn omgang met den Regent bleef de rezident
correct en streng. Toen had hij een kort gesprek, eerst met den Regent,
en daarna met zijn moeder, de Raden-Ajoe Pangéran. Deze beide
gesprekken duurden niet langer dan twintig minuten. Maar het scheen,
dat die weinige woorden van groot en dreigend gewicht waren geweest.
Want het vreemde gebeuren hield op. Toen alles onder het toezicht van
Eva in huis gereinigd en hersteld was, dwong Van Oudijck Léonie terug
te keeren, omdat hij met den eersten Januari een groot bal wilde geven.
Des morgens recepieerde de rezident alle zijne Europeesche en
Javaansche ambtenaren. Des avonds, in de van licht gloeiende galerijen,
stroomden de gasten binnen, uit de geheele rezidentie, nog licht
huiverig en nieuwsgierig, en instinctmatig rondkijkende, om zich heen
en naar boven. En terwijl de champagne rondging, nam Van Oudijck zelve
een kelk en bood ze den Regent met een opzettelijke inbreuk op
etiquette, en hij zeide met een mengeling van dreigenden ernst en
goedmoedige scherts deze woorden, die men overal opving en herhaalde,
die men gedurende maanden door de geheele rezidentie herhalen zoû:
—Drink gerust, Regent: ik verzeker u op mijn woord van eer, dat er geen
glazen meer in mijn huis zullen breken, dan alleen door toeval en
onvoorzichtigheid....
Hij kon zoo spreken, want hij wist, dat hij—dezen keer—de stille kracht
was te krachtig geweest, alleen door zijn eenvoudigen moed van
ambtenaar, Hollander en man.
Maar in den blik van den Regent, toen hij dronk, schemerde het toch,
heel licht ironisch op, dat al had de stille kracht niet
gezegevierd—dezen keer—ze toch raadsel zoû blijven en onverklaarbaar
altijd voor het kortziende oog van die Westerlingen....