Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag
over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond
Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den
volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid
en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en
beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand
geoorloofd was. De ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn
gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en
harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de
kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met
de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in
huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren
thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar
bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe
Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken
aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families,
des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en
kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun
hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had
gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui,
op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het
angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen
om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al
overhalen. Zij hadden een dollen avond.
Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de
societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de
Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het
midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar
men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd
pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd
voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende
herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés
van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor
Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in
fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was
geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde
streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die
slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld
uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde
toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit
naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen,
Chineezen, Arabieren, rondom de draagkeukentjes, die walmden. En
angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde
men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in
volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het
Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende,
vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende
mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij
had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men
vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar
niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de
afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw
haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van
Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde
zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen
vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar
de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû
niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel
erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om
de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan
van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de
liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati
Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang
boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van
honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den
tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend.
En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.
Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en
zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.
Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en
meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die
van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en
stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene
Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk
riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld
vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen in de bussen der blijde
verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck
eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow,
aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de
Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en
eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden
hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste
effect.
Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van
den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij
werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne,
hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die
nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van
succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze
het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De
vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de
poffertjeskachel heen.
En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een
stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering
over zichzelven. In zijn kleine wereld voelde hij zich koning en tevens
diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd
had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde
zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit
had gevoeld.
Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar
huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende,
doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader....
Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan
zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij
zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte....
Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende
loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van
Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van
de laan de witte hadji haar verschrikt had....