VI.

Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag

over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond

Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den

volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid

en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en

beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand

geoorloofd was. De ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn

gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en

harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de

kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met

de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in

huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren

thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar

bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe

Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken

aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families,

des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en

kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun

hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had

gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui,

op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het

angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen

om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al

overhalen. Zij hadden een dollen avond.

Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de

societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de

Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het

midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar

men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd

pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd

voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende

herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés

van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor

Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in

fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was

geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde

streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die

slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld

uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde

toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit

naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen,

Chineezen, Arabieren, rondom de draagkeukentjes, die walmden. En

angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde

men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in

volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het

Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende,

vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende

mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij

had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men

vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar

niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de

afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw

haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van

Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde

zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen

vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar

de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû

niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel

erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om

de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan

van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de

liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati

Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang

boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van

honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den

tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend.

En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.

Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en

zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.

Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en

meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die

van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en

stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene

Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk

riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld

vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen in de bussen der blijde

verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck

eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow,

aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de

Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en

eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden

hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste

effect.

Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van

den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij

werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne,

hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die

nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van

succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze

het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De

vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de

poffertjeskachel heen.

En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een

stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering

over zichzelven. In zijn kleine wereld voelde hij zich koning en tevens

diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd

had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde

zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit

had gevoeld.

Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar

huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende,

doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader....

Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan

zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij

zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte....

Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende

loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van

Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van

de laan de witte hadji haar verschrikt had....

De stille kracht · 第 28 / 43 题