Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende
zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen
waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de
telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer
gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had
veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar
over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een
hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd
zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een
weldadigheidsfeest te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte,
droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een
ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het
doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een
woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te
ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn
de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine
côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen,
omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat
mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en
diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest
verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck
haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en
verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte
volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû
nemen om het feest op touw te zetten, maar als hij haar nam—was de
onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig
verschillende opinie’s en smaken—zoû maken dat men nooit tot een einde
kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de
menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel
mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename
herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een
twistzieke natuur.
Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar
artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de
troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had
liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar
kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal,
te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren,
streelde hare ijdelheid en hare werklust.
Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij
het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar
terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en
tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de
notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche
bevolking iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende
liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort
rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde
gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen
langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te
hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers
geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de
secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident;
aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta
ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon
was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid,
die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide,
merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een
snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te
spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen
stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu
hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en
wie hem zoû vervangen. Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede
en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar
man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout,
en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was
gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de
oppassers; een paar heeren, die den rezident moesten spreken, liepen in
de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te
hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten
wachten, omdat de rezident met den schout sprak.... Léonie, aan het
schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden
opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel
vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want
zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar
Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in
langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in
zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat
het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig
moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield
den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien
middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone
opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den
tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn,
dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck,
nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En
hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken
betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in
het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden
soigneeren.
Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer
ongeveer vijfhonderd gulden aan.
Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er
omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van
Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen
van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden
voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die
het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De
mannen lieten zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen
gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare
kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de
praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes
in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê.
Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet
bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van
zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens
bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de
geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men
veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het
race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had
den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen
met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen.
De rezident had uitgeschreven, als feest voor de bevolking, een
passer-malam [42] op de aloon-aloon [43], die enkele dagen zoû duren en
samenviel met den Fancy-fair. Dat zouden zijn volksfeesten, vele
stalletjes en kramen, de Komedie-Stamboul [44] waar
Duizend-en-Een-Nacht-tooneel-spelen werden gegeven. Hij had dit gedaan
om de Javaansche bevolking een zoo door haar gewaardeerd genoegen te
doen, tegelijk dat de Europeanen feest vierden. Het was nu enkele dagen
vóor den Fancy-fair en den dag te voren zoû, toevallig, de koempoelan
[45] plaats hebben in de Kaboepaten.
Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds
stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders
brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de
Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen
missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.... een
opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig
op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze
te spotten.
Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe
Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs de
opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der
passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle
strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het
Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond
zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van
het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor
het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong,
die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar
toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den
Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf,
schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den
ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de
bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte
schemeren de leêge pendoppo [46], met hare rissen van afwachtende
stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de
samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een.
In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag
over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en
omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen
begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond
vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede
met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat
vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin
vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een
whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de
drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey,
deed als een kanon openspringen de ajer-blanda [47]-flesch, en liet in
het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd
nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier
bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord
en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen,
of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd,
smeekte het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide
hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap
en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den
Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al
had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen
die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo
een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening
van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te
voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den
Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—,
samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en
welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de
dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke
werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg
haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat
Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en
liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn
hart geheel, zeide hij haar de woeling, die reeds dagen lang borrelde
onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan
slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot
daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste
woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat
de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû
vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog
hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon
tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle
gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst
van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar
bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging
voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de
aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die
woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar
leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook
afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was,
dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat
gevoel nu onverstandig en onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de
Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet
anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het
grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden
teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare
medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde
op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar
geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de
Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en
invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar
toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen
wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat
niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde,
onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En
terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat
zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden
maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van
man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde,
dat onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar
verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed
der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al
de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de
toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de
oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar,
in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk,
dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te
schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij
haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook
sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat
zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar
invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot
stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en
zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die
meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden:
alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals
herhaalde zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar
zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne
ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij
zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen,
ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer
met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij
dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de
intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de
Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer
ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen,
bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen
haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van
Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op
vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon,
voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû.
Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten.
De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij
reeds had laten sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van
het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd
had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong
niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling
aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had
overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne
verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren
mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent
bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te
scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette
zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas,
dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had
gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over
zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en
haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een
volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden,
bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas
dadelijk aan den mond.
Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident,
waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû
altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij
wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was
voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en
in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als
morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend
verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede
onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem
begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond
zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij
gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij
kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin
nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit
de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident
als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan,
wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de
stof van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een
hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was
gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude
sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat
de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen
vertrouwen kon.
En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog
zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan
had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand
hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn.
Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de
passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes,
lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte
gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest
en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van
den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de
pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van
den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok.
Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had
vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk.
Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille
krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het
natuurlijk eenvoudige leven. Wat hij niet zag en hoorde en voelde, dat
was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als
een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en
vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van
ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was.