II.

De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat

Java is... Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat

niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van

zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en

winzuchtig, rond en koel, plantte voet en vlag op de in-een stortende

keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch

geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich,

voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder

zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden

eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den

Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met

een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren,

buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich

heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle

overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een

verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat

onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed.

En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn

beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig

tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij

uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling,

tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt

te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie van den

bloedvreemden, zielvreemden grond.

Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en

wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt

het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als

haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt

het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de

vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de

overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en

afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de

geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher met éen

enkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van

beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij

hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem

diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en

oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die

glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de

slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is,

maar hij weet zich stil de meerdere. Hij is zich bewust van de stille

kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den

ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten,

en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo

blijven: het heden verdwijnt. Onuitgesproken hoopt hij, dat God zal

oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde

opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt

het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit

opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten.

Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende,

onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar

verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de

schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren

verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee

werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de

liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte,

de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin

als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.

Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.

En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.

De stille kracht · 第 24 / 43 题