I.

Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene

eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest

een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van

dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de

toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig

mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne

Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest,

om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had

gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse

jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter

was samengesteld uit veel stil Hollandsche degelijkheid, een meestal

ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend

uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn

ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht,

maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon

was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het

was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel

gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong

rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat

zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier

heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was

hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor

zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te

Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden,

beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere

pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de

Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige

en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge

ambtenaren—Raden van Indië en Directeuren. En al zag zijn oog dus

verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd

zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van

Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië

lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving,

verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral

hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn

karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit

liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed

sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus

geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk

sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in

het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen

in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte

uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke

trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij

populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes

jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund

met een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld

met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij

zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit,

trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des

te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den

Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en

in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder

hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem

leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere

Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran,

maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver

Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke

Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S.,

jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed

doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de

dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil

nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en

toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart hij geen

belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn

ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit

uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude

correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de

dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn

Regenten?

Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld,

anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen

laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu

de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den

vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke

schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken

van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw.

Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig

of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven

te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij

ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die

de post hem dagelijks bracht; en voor zijne vrouw was hij zoo blind,

Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende

onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat

zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn

stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit

zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak

er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar,

en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit

flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die

haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die

volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en

bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het

wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te

analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier

menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types

verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel;

die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten,

maar wie zelfs nooit aanzweemt iets van het in elkaâr geslingerd

complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het

zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun

hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang

voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde,

dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had

lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan

vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist

hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken,

hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare

praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij

meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.... als hij over ze dacht,

werd een sluimerende teederheid in hem wakker.

De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk

gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las

ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet

kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren

besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris

in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn

spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn

verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij

een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten

in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks

zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich

niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed

ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men

hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en

onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten,

een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar

Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen

reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen

zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet

vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en

ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich

het gelaat van een vijand niet denken. En elken dag kwamen de brieven,

en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was

te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te

maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine,

vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat

borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te

peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed

hierover diep in zich.

Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom

het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men

hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En

temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den

jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere

vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op

tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren

beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de

koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige

feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het

groote gevolg van districthoofden op hunne kleine paardjes, achter, de

kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de

gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen

verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de

pasàngrahan [36] en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden

zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle

formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig

aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den

slendang [37] en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende de

hiëratische lenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van

zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den

wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij

somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem

tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van

eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij

spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van de

hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om

zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al

vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in

zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos

weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte

op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond,

dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had,

in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van

zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit

voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk

op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie

had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een

volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij,

dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij

Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van

zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet

volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn

loopbaan, naar een eervolle plaats onder de menschen, hetzij van

aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder

gedachte aan morgen.... Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen

Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven,

en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het

idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de

bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te

doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel,

verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij

was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven

natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van

open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een

blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in

schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet,

had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat

er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een

bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan

het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt

als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht

boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde

niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid.

Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de

wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest;

alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijn vóor zich zag.

En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze

voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige

heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was

alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor

den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen

zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn

kinderen moesten zijn.

Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij

zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.

Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de

voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet

als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet

geleerd. Hij dacht niet volgens de tintwisseling van zijn leven, hij

dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig

gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook

meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid,

onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet

geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er

krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als

troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der

zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als

het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch

dacht.

De stille kracht · 第 23 / 43 题