Eva ontving om de veertien dagen.
—Hoor, rezident, het is geen receptie, verdedigde zij zich altijd tegen
Van Oudijck. Ik weet heel goed, dat niemand mag recepieeren, in het
binnenland, dan de rezident en de rezidente. Het is heusch geen
receptie, rezident. Ik zoû niet durven het zoo te noemen. Ik hoû alleen
maar open huis, om de veertien dagen, en ik vind het gezellig, als de
kennissen dan komen... Het mag toch wel, niet waar, rezident, als het
geen receptie is?
Van Oudijck lachte dan vroolijk met zijn jovialen, militairen snorlach,
en vroeg of mevrouwtje Eldersma hem voor den gek hield. Zij mocht
alles, als zij maar voortging te zorgen voor wat gezelligheid, voor wat
komedie, voor wat muziek, voor wat prettig sociaal samenleven. Dat was
nu eenmaal de plicht, die op haar rustte: te zorgen voor het mondaine
element in Laboewangi.
Hare ontvangdagen hadden niets Indiesch. In het rezidentie-huis bij
voorbeeld waren de recepties geregeld volgens het oud-Indiesch
binnenlandsche gebruik: op de stoelen langs de wanden zaten al de dames
naast elkaâr, en mevrouw Van Oudijck liep ze langs, praatte met ieder
een oogenblik, staande, terwijl de dames bleven zitten; in een andere
galerij onderhield zich de rezident met de heeren. Het mannelijke
element mengde zich niet met het vrouwelijke. Bitter, port en ijswater
werden rondgediend.
Bij Eva liep men, wandelde men door de galerijen, zette zich hier,
daar; men sprak met iedereen. Er heerschte niet de statigheid als in
het rezidentie-huis, maar er was de chic van een Franschen salon, met
een artistieke tint. En het was een gewoonte geworden, dat de dames
zich meer kleedden voor Eva’s dagen dan voor de receptie’s bij den
rezident; zij hadden bij Eva hoeden op, symbool van uiterste elegance
in Indië. Gelukkig kon het Léonie niet schelen, het liet haar totaal
onverschillig.
In de middengalerij nu, op een divan, zat Léonie en bleef er zitten met
de Raden-Ajoe, de vrouw van den Regent. Zij vond die oude gewoonte
gemakkelijk; ieder kwam naar haar toe. Zij had op hare eigen receptie’s
al zooveel te loopen, langs de rei dames aan den wand... Nu nam zij
haar rust, bleef zitten, glimlachte tegen wie haar zijn compliment kwam
maken. Maar verder was het een woelige beweging van gasten. Eva was
overal.
—Vindt u het hier mooi? vroeg mevrouw Van Does aan Léonie, met een blik
over de middengalerij en haar oog gleed verwonderd langs de matte
arabesken, als fresco, met calcarium op den zacht grijzen wand geverfd,
langs de djati-houten lambrizeering, door handige Chineesche
meubelmakers gesculpteerd volgens een teekening uit de Studio, langs de
bronzen Japansche vazen op djati-houten piedestals, en waarin
bamboetakken en boeketten van reuzebloemen zacht overschaduwden tot aan
het plafond toe.
—Vreemd... maar heel lief! Eigenaardig..., murmelde Léonie, wie Eva’s
smaak steeds een raadsel was. In zich teruggetrokken als in een tempel
van egoïsme, kon haar wat een ander deed en voelde, niet schelen, en
ook niet hoe een ander zijn huis arrangeerde. Maar zij had hier niet
kunnen wonen. Zij hield meer van hare lithogravure’s—Veronese, en
Shakespeare, en Tasso—zij vond die deftig—dan van de mooie bruine
fotografieën naar Italiaansche meesters, die Eva hier en daar op ezels
had staan. Het meest hield zij van haar bonbon-doos, en de
parfumerie-reclame met de engeltjes.
—Vindt u die japon mooi? vroeg mevrouw Van Does weêr aan Léonie.
—Jawel, glimlachte Léonie lief. Eva is heel knap; ze heeft die blauwe
irissen zelve geschilderd op Chineesche zij....
Zij zeide nooit iets anders dan lieve, glimlachende dingen. Zij sprak
nooit kwaad; het was haar onverschillig. En zij wendde zich nu tot de
Raden-Ajoe, en bedankte haar met lieve, slepende zinnen voor vruchten,
die deze gezonden had. De Regent kwam haar aanspreken, en zij
informeerde naar zijn beide zoontjes. Zij sprak in het Hollandsch, en
de Regent en de Raden-Ajoe antwoordden in het Maleisch. De Regent van
Laboewangi, Raden Adipati Soerio Soenario was nog jong, even dertig
jaar, een fijn Javaansch gezicht als van een laatdunkende wajangpop,
met een klein kneveltje, waaraan zorgvuldige puntjes gedraaid, en
vooral een staarblik, die trof: een blik als in een voortdurende
transe, een blik als peilende door de zichtbare werkelijkheid en ziende
door ze heen, een blik uit oogen als kolen, soms dof en moê, soms
opgloeiende als vonken van extaze en fanatisme. Hij had bij de
bevolking—bijna slaafsch gehecht aan hunne Regentenfamilie—een faam van
heiligheid en geheimzinnigheid, zonderdat men er ooit het ware van
hoorde. Hier, in Eva’s galerij, maakte hij alleen een indruk van
popperigheid, van voornamen Indischen prins: alleen zijn transe-oogen
verbaasden. De sarong, glad om zijn heupen, viel van voren lang neêr in
een bundel van platte, regelmatige plooien, die openwaaierden; hij
droeg een wit gesteven hemd met diamanten knoopen, en een klein blauw
dasje; daarover een blauw laken uniformbuis met gouden uniformknoopen,
waarop de gekroonde W.; aan zijn bloote voeten staken zwart verlakte
van voren opgepunte muilen; de hoofddoek, zorgvuldig met kleine plooien
gekapt om zijn hoofd, gaf aan zijn fijne gezicht iets vrouwelijks, maar
de zwarte oogen, nu en dan moê, vonkten telkens op in transe, extaze.
In zijn blauw-en-gouden gordel, geheel van achteren, midden op den rug,
stak de gouden kris; aan zijn kleine, slanke hand schitterde een groote
steen en uit de zak van zijn buis wipte een cigarettekoker van gouden
vlechtwerk. Hij zeide niet veel—soms keek hij of hij slaap had, dan
weêr gloeiden-op zijn vreemde oogen—en op wat Léonie zeide, antwoordde
hij bijna uitsluitend alleen met een kort en hakkerig:
—Saja....
Hij sprak de beide lettergrepen uit met een hard en sissend
beleefdheidsaccent, op iedere silbe evenveel toon van nadruk. Hij
vergezelde zijn beleefdheidswoordje met een kort, automatisch
hoofdknikje. Ook de Raden-Ajoe, gezeten naast Léonie, antwoordde zoo:
—Saja....
Maar zij lachte telkens even na, zacht verlegen. Zij was nog heel jong,
misschien even achttien jaar. Zij was een Solosche prinses, en Van
Oudijck kon haar niet uitstaan, omdat zij Solosche manieren, Solosche
zeggingen invoerde te Laboewangi, in haar laatdunkenden hoogmoed of
niets zoo voornaam en zuiver aristocratisch zoû zijn als wat gewoonte
was en gezegd werd aan het hof van Solo. Zij gebruikte hofwoorden, die
de bevolking te Laboewangi niet begreep, zij had den Regent opgedrongen
een koetsier van Solo, met de Solosche galadracht: de pruik en den
valschen knevelbaard, waarnaar de bevolking tuurde met open oogen. Hare
gele tint was nog lichter opgeblankt door een lichte laag van bedak,
vochtig opgelegd, de wenkbrauwen waren even opgebogen met een streekje
zwart; in hare glanzende kondé staken juweelen spelden en in het
midden, een kenanga-bloem. Zij droeg op een kainpandjang [12], die naar
Solosche hofdracht lang sleepte voor hare voeten, een kabaai van rood
brokaat, met galon afgezet, en met drie groote juweelen gesloten. Twee
fabelsteenen trokken, zwaar in zilver gezet, hare ooren neêr. Zij droeg
lichte à-jour kousen en gouden sonket- [13]muilen. Hare kleine, dunne
vingertjes waren stijf van ringen, als gezet in brillant, en zij had
een waaier van wit pluimendons in de hand.
—Saja.... saja.... antwoordde zij hoffelijk, met haar verlegen lachje.
Léonie zweeg even, moê van alleen te praten. Als zij den Regent en de
Raden-Ajoe gesproken had over hun zonen, wist zij niet veel meer te
zeggen. Van Oudijck, die eerst door Eva was rondgeleid door hare
galerijen—want er was altijd weêr iets nieuws te bewonderen,—naderde
zijn vrouw; de Regent rees op.
—En Regent, vroeg hij, in het Hollandsch—; hoe gaat het met de
Raden-Ajoe Pangéran?
Hij informeerde naar de weduwe van den ouden Regent, de moeder van
Soenario.
—Heel goed.... dank u.... murmelde de Regent in het Maleisch; maar mama
is niet meêgekomen.... al zoo oud.... gauw moê.
—Ik heb u even te spreken, Regent.
De Regent volgde Van Oudijck in de voorgalerij, waar niemand was.
—Het spijt mij, u te moeten zeggen, dat ik zoo pas weêr slechte tijding
heb van uw broêr, de Regent van Ngadjiwa.... Men heeft mij
geïnformeerd, dat hij dezer dagen weêr gedobbeld en groote sommen heeft
verloren. Weet u daar iets van?
De Regent sloot zich als op in zijn popperige strakheid, en bleef
zwijgen. Alleen zijn oogen staarden, als zag hij verre dingen, door Van
Oudijck heen.
—Weet u daar iets van, Regent?
—Tida....
—U, als hoofd van uw familie, draag ik op daarnaar te informeeren en op
uw broeder te letten. Hij dobbelt, hij drinkt, hij doet uw naam geen
eer aan, Regent. Als de oude Pangéran ooit had kunnen vermoeden, dat
zijn tweede zoon zich zoo vergooide, zoû hij groot verdriet gehad
hebben. Hij droeg zijn naam hoog. Hij was een der verstandigste en
edelste Regenten, die het Gouvernement ooit op Java heeft gehad, en u
weet, hoe het Gouvernement den Pangéran waardeerde. Al in den tijd der
Compagnie is Holland veel verschuldigd geweest aan uw geslacht, dat
haar altijd trouw was. Maar de tijden schijnen te veranderen.... Het is
zeer treurig, Regent, dat een oude Javaansche familie van zoo hooge
traditie als de uwe, niet meer getrouw weet te blijven aan die
traditie....
Raden Adipati Soerio Soenario werd olijfbleek. Zijn transe-oogen
doorstaken den rezident, maar hij zag, dat deze ook kookte van woede.
En hij doofde den vreemden vonk van zijn blik in een slaperige moêheid.
—Ik dacht, rezident, dat u altijd liefde gevoeld had voor mijn huis,
murmelde hij, bijna klagend.
—En u heeft goed gedacht, Regent. Ik had den Pangéran lief. Ik heb
altijd uw huis bewonderd, en ik heb het altijd hoog willen houden. Ik
wil het ook nu hoog houden, met u samen, Regent, hopende, dat u niet
alleen ziet—als uw faam gaat—de dingen der andere wereld, maar ook de
werkelijkheid rondom u heen. Maar het is uw broeder, Regent, dien ik
niet liefheb en onmogelijk kan hoogachten. Men heeft mij gezegd—en die
het mij zeiden, kan ik vertrouwen,—dat de Regent van Ngadjiwa niet
alleen heeft gedobbeld.... maar ook, dat deze maand de traktementen der
hoofden te Ngadjiwa niet door hem zijn uitbetaald....
Zij zagen elkaâr strak aan, en de kalme, flinke blik van Van Oudijck
ontmoette den transe-vonk van den Regent.
—De personen, die u inlichten, kunnen zich vergissen...
—Ik vermoed, dat zij mij niet zulke berichten zullen brengen zonder de
onbetwijfelbaarste zekerheid... Regent, deze zaak is zeer kiesch.
Nogmaals: u is het hoofd van uw familie. Onderzoek bij uw jongeren
broêr in hoeverre hij zich vergrepen heeft aan het geld van het
Gouvernement, en herstel zoo spoedig mogelijk alles. Ik laat expres de
zaak aan u over. Ik zal uw broêr er niet over spreken om een lid van uw
familie nog te sparen, zoolang ik kan. Het is aan u uw broêr terecht te
wijzen, hem te wijzen op wat in mijn oogen een misdaad is, maar die u
door uw prestige als chef der familie nog te niet kunt doen. Verbied
hem te dobbelen en beveel hem zijn passie meester te worden. Of anders
voorzie ik zeer treurige dingen en zal ik uw broêr moeten voordragen
voor ontslag. U weet zelve hoe ongaarne ik dit zoû doen. Want de Regent
van Ngadjiwa is de tweede zoon van den ouden Pangéran, dien ik hoog heb
gesteld, evenals ik uw moeder, de Raden-Ajoe Pangéran, altijd alle
verdriet zoû willen besparen.
—Ik dank u... murmelde Soenario.
—Bedenk goed wat ik u zeg, Regent. Als u niet uw broêr tot rede kunt
brengen, tot zelfbeheersching in zijn hartstocht—als de traktementen
der hoofden niet zoo spoedig mogelijk worden uitbetaald.... dan zal IK
moeten optreden. En zoû MIJNE waarschuwing niet helpen... dan zoû het
de ondergang zijn van uw broêr. U weet zelve: een Regent ontslaan is
een zoo groote exceptie, dat het schande over uwe familie zoû brengen.
Werk met mij meê het geslacht der Adiningrats daarvoor te bewaren.
—Ik beloof het u... murmelde de Regent.
—Geef mij uw hand, Regent.
Van Oudijck drukte de dunne vingers van den Javaan.
—Kan ik u vertrouwen? vroeg hij nog eens.
—In leven, in dood...
—Laat ons dan nu naar binnen gaan. En deel mij zoo spoedig mogelijk uw
bevindingen meê...
De Regent boog. Hij was olijfbleek van een stille geheimzinnige woede,
die als een kratervuur in hem werkte. Zijn oogen, achter in Van
Oudijcks rug, priemden met een mysterie van haat den Hollander toe, den
minnen Hollander, den burgerman, den onreinen hond, den goddeloozen
Christen, die niet hàd aan te roeren met eenige voeling van zijn vuile
ziel iets van hèm, van zijn huis, van zijn vader, van zijn moeder, van
hunne oer-heilige edelheid en adel... ook al hadden zij altijd gebogen
onder den druk van wie sterker was...